Jeugdherinneringen

Chapter 12

Chapter 123,909 wordsPublic domain

Vies? Dat armoedige vrouwtje, het troebele water, het vuile vorkje, dat op het tafeltje lag in stof en nattigheid? Vies? Daar dachten we nooit aan. Vieze varkens worden niet vet. En als dat zoo ongezond was, zou dat vrouwtje toch ook niet zoo oud zijn geworden. En al die mannen dan, die ook even in 't voorbijgaan een warme verkwikking genoten? Ze waren voor hun cent beter af bij 't perehietvrouwtje, dan een eindje verder voor hun vier centen bij »De Bisschop", waar ze jenever kregen uit een vaatje met blinkend koperen banden in een kristalhelder glaasje, ook warm in den mond en in de maag, maar een pest voor 't lichaam en voor 't huisgezin. Het perehietvrouwtje vormde in haar sjofele verschijning een armoedige en ook onzindelijke figuur tegenover die nette herberg. En toch? Het was den mannen beter op de modderige straat bij haar donker stalletje dan op den zoo keurig met wit zand bestrooiden vloer bij de geregeld gereinigde toonbank.

Maar wat dreef ons, jongens, nu, om dat vrouwtje na te galmen? Nauwelijks hoorden we, dwalend door de straat, de sympathieke stem roepen van

Warme, lekkere perehiet-ie-iet,

of wij rijmden en riepen in denzelfden toon:

Ik lust ze wel, maar ik krijg ze nie-ie-iet.

En geregeld werd haar geroep, nu uit deze dan uit gene richting, door die echo gevolgd. Soms zelfs kwamen ze uit verschillende richtingen te gelijk.

Waarom deden we dat toch?

Om 't vrouwtje te plagen?

Absoluut niet. We voelden voor haar met zekere teerheid. Ze schold nooit, dreigde nooit, zat als een oud muschje maar stil inééngedoken, deed niemand kwaad. We misten haar als ze er niet was. We genoten, onbewust, van haar aanwezigheid. Niet alleen van haar heete peertjes, maar ook van haar verkwikkende verschijning, zooals we van een mooie plaat of een gezellig boekenrekje in de huiskamer genieten. Ze gaf toon en stemming, koesterend en rustgevend, aan onze straatatmosfeer. Waarom schreeuwden wij haar dan na?

Ja, waarom?

Omdat we 't niet laten konden, zoo min als de ruiten 't laten konden het vlammetje van de straatlantaarns te weerkaatsen. We bedoelden er heelemaal geen kwaad mee, heelemààl niet. We zouden 't vrouwtje beschermd hebben tegenover ieder die haar overlast wilde aandoen. Maar dat gekraai van ons hoorde er nu eenmaal bij. De hanen in de buurt gaan immers ook alle aan 't kraaien, als er een begint? Die eene stem wekt alle hanekelen in den omtrek; ze prikkelend met de hemel weet wat. En zoo ging het ook hier. Droomerig, de handen in den zak, slenterden we door de straten, en schreeuwden onze nagalmen het schemerduister in.

De groote menschen denken daar wel eens anders over, vooral zij die op jongensondeugendheden moeten letten, zooals politieagenten en onderwijzers. Die zien er boos opzet in. Maar ze zien verkeerd. Natuurlijk _kan_ zich in dat naschreeuwen moedwillige plagerij uiten, maar die booze geest kan ieder middel, ook het onschuldigste, gebruiken om zijn leelijken lust te bevredigen. Doch het echo-en op zichzelf is--ik wil ook wel eens een geleerden term gebruiken--zuivere reflexbeweging. En daar mogen we wel aan denken. Het stemt ons vergevingsgezind ten gunste van de jongens--en ten bate van onze eigen gemoedsrust.

* * * * *

Een tweede figuur was de houthakker.

Wat was het toen toch een leuke tijd. De menschen werkten nog zoo schilderachtig aan de straat. Mijn vader moest daar geregeld eens in de veertien dagen koffiebranden. Men weet natuurlijk wat dat is. Hij ontving de koffieboonen rauw, een paar zakken vol van die geelwitte boontjes, en dan werd er op bepaalde tijden een hoeveelheid gebrand, niet te veel te gelijk, omdat ze anders hun geur verloren, en die werden in den winkel verkocht, al of niet gemalen. Dat malen geschiedde ook al bij kleine portie's en liefst in tegenwoordigheid van de koopster, zoodat het kostelijke aroma niet vervluchtigen kon in den winkel, maar telken keer bij het zetten de kameratmosfeer der koopsters kon vervullen.

Koffiebranden. Op de straat, bij den waterkant, werd de vuurhaard gelegd, daarboven de liggende, cilindervormige, zwarte, ijzeren trommel aan het spit gehangen, de trommel gevuld met rauwe boonen, het vuur aangemaakt, een vuur van talhouten, en dan maar draaien. De liggende cilinder draaide om zijn as, de boontjes rolden mee, en die werden onder de hand door de warmte geroosterd. Dat draaien was een werkje voor den winkelknecht of voor ons. Soms werd het een oogenblik gestaakt, als Vader onderzoeken moest, of de boonen al gaar gebrand waren. Dan schoof hij met een ijzeren lepel een schuifje van den trommel open en schepte wat donkerbruine boontjes naar boven. Wij stonden er met den neus bij, genoten van den opwekkenden geur, en luisterden naar het eigenaardig knetteren en spatten daar binnen in die donkere ruimte. Wat was dat alles heerlijk: het vuurtje stoken, het draaien, het gewichtig onderzoek van je Vader, het ruiken, het hooren. En dan, als 't koud was, zoo'n paar arme jongens er bij, zich koesterend aan de vlammen, soms zelfs een paar volwassenen. O, wat weet ik alles nog goed. Toch zonder meester geleerd, zonder school. Het leven was de school, de ervaring de meesteres.

Zooals mijn vader recht had op dat plekje straat voor zijn koffiebranderij, beschikte een eind verder de houthakker over een stukje grond aan den waterkant voor zijn hakkerij. Hij woonde in een kelder, sjouwde zijn hakblok naar buiten, dan zijn hout en zijn bijl, en hakte. Maar 't was een onvriendelijke man. Dat hij klein en dik was, kon hij niet helpen, ook niet, dat hij dientengevolge bij zijn werk erg zuchtte en zweette, maar dat hij ons uitschold en wegjoeg, als we zoo gemoedelijk aanzagen, hoe het scherp van zijn bijl het hout kloofde, dat kon er niet mee door. En dat wegjagen kwam, omdat wij hem nazuchtten.

Zie je, in dien houthakker stak geen kindervriend en geen paedagoog, zooals in het perehiet-vrouwtje. Het sprak toch vanzelf, als wij met hem _meeleefden_, als wij de bijl zagen rijzen, ver boven zijn hoofd, zagen neerschieten in het hout, als wij met ons volle hart die bewegingen meemaakten, dat wij dan ook zuchtten. Dat snapte die man niet. Zijn wantrouwende ziel zag plagerij in wat.... sympathie was. En zoo máákte hij ons meegevoel tot plaagzucht, want nu konden we hem niet over de straat zien waggelen, of we haalden al de lucht tot uit onze teenen toe, en zuchtten hem die uit de verte al tegen.

Nu op een afstand gezien, was hij zoo'n mooie figuur in de buurt. Zonder hem was die gracht daar zoo leeg. Zijn verschijning bracht teekening in het brokje leven. Waarom moest nu die man zoo'n brombeer zijn. Had hij vriendschap met ons gesloten, hij zou eens ervaren hebben, wat jóngenshulp beteekent. We zouden stellig, uit eerbiedvol medelijden met zijn dikte en diepe zuchten, heel wat voor hem gesjouwd hebben. Maar nu--hij maakte vrienden tot vijanden. Hij verstond het jongenshart niet. En zijn eenige paedagogische waarde is, dat ik nu, jaren later, zijn waarschuwend voorbeeld aan mijzelf en anderen kan voorhouden met den raad: Spiegelen we ons er aan!

* * * * *

Nu volgt onze lieve Mietje de Porster.

Wat hebben die vrouwen toch, dat we haar zoo gauw lief vinden.

Zij was maar porster en ze heette Mietje, twee hinderlijkheden die ze tegen had, want wie wordt er nu graag gewekt--we slapen liever door met al onze ongerechtigheden--en wat zit er nu voor poëtisch in den naam Mietje.

Stel je voor een vrouw die Mietje heet, en die 's morgens vroeg met een dikken stok op je deur staat te bonken. Die bonkt toch al haar bekoorlijkheid weg?

En toch hielden we veel van haar.

Dat zat in haar stem.

Ze schreeuwde. Natuurlijk schreeuwde ze. Hoe kon ze anders, buiten staande, de slapers daar binnen met haar stem bereiken. Maar in haar schreeuw zat toch dat ik-en-weet-niet-wat, waarin je teerheid en liefde voelt.

De houthakker zuchtte maar alleen. En in zijn zucht zat nijd.

Mietje schreeuwde. En in haar schreeuw zat liefde.

't Is niet de zucht of de schreeuw, gij beginselvaste debaters over den invloed van dit of dat.

't Is de mensch, die er zich door uit.

Mijn oudste broer heette Dorus, en hij was het, die eigenlijk ieder morgen Mietje's aubade ontving. Hij moest, timmerman, vroeg op, om tijdig op zijn werk te zijn, en Mietje zorgde daarvoor.

Eerst hoorde je 's morgens om vijf, zes uur een roffel op de deur. En dan kwam, na een heel korte pauze, de stem: »Douwerus! Ben je wakker?"

Stilte. Mietje luisterde.

Ik, ook gewekt, hoorde uit de overliggende bedstede een diep gegrom, als van een leeuw, die uit zijn donkeren slaap, oprijst. Het kwam van Douwerus.

Maar Mietje hoorde niets.

Daarom nog eens de roffel. Nog eens de pauze. Nog eens dat lieflijke: »Douwerus! Ben je wakker?" Nog eens de luisterende stilte.

»Jáááá!" ronkte Douwerus eindelijk.

Maar dit was Mietje niet naar den zin. Op _dit_ ja--haar geoefend porsteroor hoorde het wel--zou hij weer inslapen. En Mietje begon een gesprek met Douwerus.

»Ben je er al ui-ui-uit? 't Is mooi weer, hoor!"

»Ja!" riep Douwerus, nu kort en nijdig.

Juist, zoo moest ze 't hebben. Nu was haar porstershart gerust. Nu kon ze veilig verder gaan. Mietje voelde haar verantwoordelijkheid.

Is dat niet allerliefst? Voor acht centen in de week!

Ik hield van Mietje. Ik geloof, we hielden allemaal van Mietje. En toch zagen we haar nooit. Maar we hadden haar gehoord.

Toch, eenmaal hebben we haar ook gezien. 't Was op een Nieuwjaarsdag. Dan kwamen de vrinden allemaal--lantaarnopsteker, nachtwacht, vuilnisman--al de loopende gemeente-ambtenaren nieuwjaar wenschen en boden daarbij een mooie prent met een gedicht aan, welkome schatten voor de kinderen, en die wel tegen een fooitje opwogen, ware 't alleen om de rijke heilwenschen aan de eerzame burgerij. Voor mij waren 't schatten voor mijn kokertje. Tegenwoordig zijn de prenten verdwenen en de fooien verdubbeld.

Op zulk een nieuwjaarsdag kwam ook Mietje feliciteeren, mét een prent natuurlijk.

Gewoonlijk waren we dien dag afwezig, zelf met heilwenschen voor familieleden op chocolade en oliebollen uit, wellicht ook nog op wat anders. Maar ditmaal waren we thuis, en zoo zagen we Mietje. Want toen Mietje nu haar gedicht kwam aanbieden, werd ze niet aan de deur met een geldstukje losgelaten, maar moest ze binnenkomen en een kopje chocolade drinken.

Ze kwam, mutsje op, omslagdoek om, den winkel door, het trapje op, de kamer in, klein vrouwtje, wat krom.

Nu moest ze gaan zitten en daar zag ze het heele gezin, ook Douwerus.

Maar daar schrok ze nu toch van. Ze zag een 18 à 20 jarigen jongeman voor zich, als heer gekleed, met boord en strik, kastanje-bruine krullekop.

Mietje schrok.

»Bent ú.... _meneer_ Douwerus? Ach, dat heb ik nooit geweten."

We hielden ineens nog meer van haar bij die gulhartige uiting.

Maar meneer Douwerus verlangde niet, dat ze voortaan roepen zou: »_Meneer_ Douwerus, bent u wakker." En zoo is het, ondanks de persoonlijke kennismaking, bij de oude vertrouwelijkheid gebleven.

Meer dan dezen eenen keer heb ik, bij mijn weten, Mietje niet gezien. Maar hààr »Douwerus" en het »Perehiet" van de andere, ochtendgroet en avondroep, zijn mij bijgebleven als mooie zonsopgangen en -ondergangen in onze buurt.

* * * * *

Als er toch geen vrouwen in de wereld waren! Waar moesten wij kleine en groote jongens naar toe!

Hebt ge wel opgemerkt, bij hoeveel lieve vrouwen ik me al gekoesterd had? Bij juffrouw Gottman van de eerste bewaarschool en juffrouw Doortje van de tweede. Bij juffrouw Van Streelen uit den winkel naast ons en bij het Perehietvrouwtje. Bij Mietje de Porster en mijn zuster Christine. En onder _alle_ omstandigheden--bij mijn Moeder!

O, die vrouwen! Laten wij ze zegenen! En loopt er al eens een kwade onder, ik vrees dat het een verhanselde man is.

Toch heb je ook wel eens een goeden man. Maar ekstra goede hebben dan iets vrouwelijks.

Zoo Chris de Mooy.

Hij was onze winkelknecht, een lange jongen met vaalrood haar, sproeten in het grauwbleek gezicht, en een verkeerde uitspraak van de letter s. Men ziet, hij was van buiten slecht uitgerust en had zeker nooit een meisje gekregen, als de meisjes niet verstandiger en braver waren dan de jongens. Doch 't is bij hem nooit tot een meisje gekomen, door een andere oorzaak.

Toen de winkel achteruit ging, moest hij weg. Vader kon hem niet meer betalen. Maar hij wou niet, hij wou voor niets blijven.

Ach, zúlke liefde heb je alleen bij de eenvoudigen en de armen. De niet-eenvoudigen redeneeren te veel, en de niet-armen offeren dan te veel op. Die kunnen niet ineens veertig graden zakken. Zoo'n plotselinge temperatuursverlaging van hun welstand zou ze ziek maken. Maar de armen, die merken 't zoo erg niet, als hun thermometer vier graden daalt. Dan loopen ze maar wat harder en worden toch niet kouder dan ze al waren. Ja, een arme gaat gemakkelijk in het koninkrijk der hemelen.

Rooie Chris had er wel zoo in kunnen stappen. Hij was eerlijk, trouw, ijverig, vriendelijk, en hij hield van ons allemaal. Hij kon zoo hartelijk lachen, en zoo aardig »Juffrouw Christientje" zeggen met die--bij hèm--welluidend, slepende s. Hij was in alle geheimen van den winkel ingewijd, kende alle geldelijke nooden, en vluchtte niet van het zinkende schip.

Ik weet alleen niet, of hij trouw naar de kerk ging. Maar Onze lieve Heer wou hem zoo toch wel hebben, reine, liefdevolle, zelf-verloochenende ziel. Van zulke menschen zeg je: Onze lieve Heer heeft ze al, want zij hebben Onzen lieven Heer al, wat eigenlijk op 't zelfde neerkomt.

Hij wou dus niet weg. En of hij nog gegaan is, zie, dat weet ik nu niet. Hier is een leemte in mijn herinneringen.

Ik zie rooien Chris nog wel, maar niet in den winkel. Ik ben bij hem thuis, in zijn kamer, bij zijn bed. Ik zie hem liggen, het vaalroode haar op 't witte kussen, het grauwbleeke gezicht nog wat fletser, maar dezelfde lieve, zachte, lachende oogen. Ik kom afscheid van hem nemen, want rooie Chris is ziek en hij gaat sterven.

Ik voelde op dat oogenblik, dat ik erg veel van hem hield, met dankbare en vereerende liefde voor al wat hij gedaan had jegens mijn ouders.

Hij is gestorven. Maar mijn liefde is gebleven. En die leeft nog.

En waarom vertel ik dat u? Wat hebt gij te maken met rooien Chris, die bovendien al meer dan veertig jaar dood is? Een arme winkelknecht van een verloopen winkel?

Niets, tenzij gij hem zoudt willen navolgen.

Maar _hiermee_ hebben we allen te maken, dat mijn herinneringen bewijzen de over dood en graf heen doorwerkende kracht van de liefde.

En dat is paedagogiek want dat leert ons, hoe wij op te voeden hebben en hoe de eenvoudigsten onder ons, de armsten in geleerdheid, misschien de beste opvoeders zijn, och zonder dat ze 't zelf weten. Gelukzaligen!

DE TWEEDE LAGERE SCHOOL.

»En hoe heet je van je voornamen?"

»Henri."

»Neen, voluit."

»Meindert Henricus."

»En jij?"

»Gerard Jan."

»Mooie namen!"

Dit zei hij. En ik gloorde.

Letterlijk zoo is het gebeurd.

We stonden met ons drieën voor de klas, hij en wij tweetjes.

Hij was meester, wij de nieuwe leerlingen.

Hij was een nog al rijzige man, een beetje dik gezond uiterlijk. Ik zie hem nog heel duidelijk. Zijn haar krulde wat, sprong tenminste. En ik zie het plaatsje nog waar we stonden, en de banken met de onderzoekend kijkende kinderen, en de opschuifborden aan den muur.

Maar bovenal hoor ik nog die twee woorden: mooie namen.

Meester.... had mijn hart gewonnen, en voor goed.

»Mooie namen!" Zoo had hij ons verwelkomd. Hij een gewone meester. Als hij smalend gezegd had: »Gekke namen!"--dat had ik eer begrepen. Want meesters waardeerden nooit, waren uit hun aard niet vriendelijk, gromden en veroordeelden. Doch nu dit, zoo gansch onverwacht.

Voor een kind is zijn naam maar niet een onverschillig ding. Het is een stuk familietrots en in zijn vóórnaam voelt hij zichzelf. Hij is er zoo graag in geëerd. En deze meester streelde ons in dit bezit, mijn twee jaar ouder broertje en mij, jongens van ongeveer 12 en 10 jaar, dus geen kleine kindertjes meer, jongens die al verhard waren door scheldwoorden.

Hij zij er nog voor gezegend, met alle vriendelijke menschen die ik op mijn weg ontmoet heb.

* * * * *

Het was op mijn nieuwe school, de school van de »Christelijk Gereformeerde Gemeente" op de Bloemgracht, naast en onder het patronaat van de Kerk dierzelfde Gemeente, beter berucht onder den naam van »Afgescheidene".

»Fijn genoeg!"

Afgescheiden--dat was reeds voor onze kinderooren het summum van »fijnheid". Géén »mooie naam". Een naam met een onbehagelijken bijklank, waartegen je je verdedigen moest. »Ben jij"--met groote geringschatting--»áfgescheiden?"--»Neen hoor, ik ben Doopsgezind."--O, dan was de zaak in orde.

We voelden niets van het mooie moedige in dit woord. En dit bleef jaren lang zoo, zelfs toen we warme sympathie en bewondering schonken aan de pelgrimvaders en aan alle voor hun geloof uitgewekenen. Afgescheiden beteekende nu eenmaal fijn, en daarbij een beetje huichelachtig. Nota bene, zij die voor hun geloof openlijk uitkwamen en er voor durfden breken met de landskerk, waren huichelaars. Een vreemd soort huichelaars. Maar zoo diep gingen onze gedachten niet. Ze bleven aan de algemeene oppervlakte, onder suggestie van het partijdig gekleurde woord »afgescheiden". En zoo sterk was die suggestie, dat ik bij die breed-bleeke ei-klank nooit dacht aan een frisschen zeemanskop, maar aan een vaal, gelig-wit bakkersgezicht, met meel bestoven fletsheid.

Toch moesten de afgescheidenen, die kerk, geld, betrekking, eer, alles om Godswille in den steek hadden gelaten, krachtige, heldhaftige naturen geweest zijn.

Ik weet wel, vanwaar mijn indruk komt. Grootvader had als predikant de afscheiding ervaren, zoo niet in zijn gemeente, dan toch in zijn Kerk, en die als een hoofdigheid, een spelbreken, een krenking gevoeld. Afgescheidenen waren koppige, bekrompen scheurmakers. Zoo werden ze in zijn pastorie beschouwd, zoo bleef Moeder er over denken, zoo leerden wij ze veroordeelen. En zoo zelfstandig is de meening van duizenden en millioenen nu nog. Ze bewonderen de stugge geloofsopoffering, mits in 't verleden. Zoodra die zich in 't heden vertoont, stelt men zich partij en verguist.

Maar zoo gaat het ook op ander gebied. Zijn afgescheidenen huichelaars, liberalen zijn godloochenaars en sociaal-democraten duivelskinderen. Opstandelingen van eertijds zijn nu helden des volks. Hoe zullen de huidige omverwerpers over eenige eeuwen heeten? Oordeelen is moeilijk.

Als kind, als leerling der afgescheiden school had ik geen enkele reden, om in 't bizonder ongunstig over deze »fijnen" te denken, en ieder moet erkennen, dat althans het joviaal en hartelijk welkom een veelbelovend begin was. De opinie mijner ouders was trouwens ook zóó ongunstig niet en in ieder geval waardeerender voor déze school, dan voor de »stadsschool" op dezelfde Bloemgracht, maar een eind verder en aan de overzijde. Een »stadsschool" stond bij ons in den reuk van ruwheid, ongodsdienstigheid en vooral onfatsoenlijkheid. Daar werd niet gebeden, niet uit den Bijbel gelezen, en vooral, daar gingen de schooiers. Je moest al erg gezakt zijn en bijvoorbeeld klompen dragen, om naar een »stadsschool" te gaan. Ziedaar al weer een zelfde suggestie. Zooals het woord »afgescheidenen" tot mij gekomen was met den klank van huichelachtig gefemel, hoorde ik in dat harde »stádsschool" geklepper van klompen. Afgescheidenen waren tenminste netjes, misschien zelfs een beetje _te_, maar stadsschooljongens lagen onder de vunze kleur van straatvuil. Daar ging je niet mee om, daar had je geen enkel kontakt mee, daar vocht je alleen zoo nu en dan tegen, gelijk de beschaafde natiën tegen de kaffers, of eertijds de Romeinen tegen de Germanen. Ze waren goed om uitgeroeid te worden, of met het zwaard bekeerd.

Eigenaardig toch, dat vooroordeel, zonder kennis van personen en toestanden, louter onder den invloed van het milieu. Men kan er zeker van zijn, dat zoo nog duizenden met zekeren afschuw het woord »openbare school" hooren. Het brengt hen aanstonds in een atmosfeer van tabaksdamp, jeneverlucht, goddeloosheid. Ik kan dat best begrijpen. Maar het is niet goed. Evenmin als dat schimpen op afgescheidenen. O, de voorlichters van 't volk, ze hebben zwaar gezondigd en ze doen het nog. Ze hebben zich vergrepen aan de waarheid. Ze hebben het hart van 't volk vergiftigd met leugen. In stee dat ze zochten, volhardend en liefdevol, het goede bij de andersdenkenden, en hierop het volle licht lieten vallen, beijverden ze zich dit goede onzichtbaar te maken in de dikke, donkere nevelen van hun partijdigen laster. Heel de sfeer van het volksleven, van het leven der menschheid is verleugend. En millioenen onwetenden, onnoozelen, dwalen met hun valsch oordeel rond als schapen onder slechte herders. Dat is voor een groot deel de schuld van hen, die, leiders, zich niet zelf laten leiden door »den goeden herder", ook al beweren zij tot zijn schapen te behooren.

* * * * *

Op mijn afgescheiden school heb ik enkele goede jaren doorgebracht. Natuurlijk herinner ik me ook nog wel eenige verkeerde dingen, b.v. een nu en dan wel wat te haastig en hardhandig gebruik van »de tuchtroede", en zoo liggen me ook nog een paar scheldwoorden in 't oor, alsof iedere ondeugende jongen een »ongelikte beer" was en ieder lastig meisje »een nijdige tang", maar die ruwheden in daad en taal behoorden tot dien tijd. Men kon zich een school kwalijk anders denken, dan als een bende meerendeels onwillige kinderen, die er met strengheid onder gebracht en onder gehouden moesten worden. Zoo denken zelfs thans nog velen er over. Van hartelijke, goedgezinde, vreugdevolle samenwerking tusschen meester en leerling is ook nu nog lang niet overal sprake, en schrijver dezes ziet zijn pleiten daarvoor zelfs van paedagogische zijde menigmaal bestreden als zoetsappige paedagogiek. Op hun donder moeten ze hebben. Gedwongen moeten ze worden. Tusschen meester en leerling bestaat een »natuurlijke"--lees: onnatuurlijke--»antagonie".

Ik denk er dus niet aan, mijn tweede lagere school ook maar eenigszins te verwijten, wat toenmaals tot de gewone schoolpraktijk behoorde, en nu nog door velen principieel wordt aanbevolen, maar heb de feiten alleen gememoreerd om te doen zien, dat ze een kind zijn leven lang bijblijven. Het scheldwoord, dat we in zijn jeugd als opvoedingsmiddel een leerling naar 't hoofd werpen, hoort hij nog in zijn grijsheid. En dat vergeten we wel eens. Maar ik heb mijn afgescheiden school veel te veel te danken, dan dat ik haar deze averechtsche deugden toerekenen zou.

Zij heeft de kunst verstaan, mij te doen _werken_, en werken _met lust_. Ik kwam in een klas, waar de kinderen al een heel eind gevorderd waren in 't Fransch, en ik had er nooit iets aan gedaan. Dat gaf dus strubbeling. Ik moest bijgewerkt worden en kreeg een boekje mee naar huis. Het was een boekje met kleine verhaaltjes, ik geloof van Engelbert Gerrits, met de vertaling der moeilijke woorden aan den kant.

Zaterdag nam ik het boekje mee, den ganschen Zaterdagnamiddag en avond zat ik er uit te vertalen, ook den heelen Zondag, ook nog de vroege morgenuren van Maandag, en toen bracht ik den meester anderhalf schrift met vertalingen. Het boekje was uit.

Ik weet nog, hoe hij opkeek, toen hij die massa werk onder de oogen kreeg. Ik was een wonder van vlijt. Daar had ik echter zelf geen idee van. Ik wist alleen, hoe heerlijk het was te werken, zoo te werken, dat ik mijn klasgenooten inhaalde. En dat gelukte. Achtereenvolgens, maar nu natuurlijk veel langzamer, werkte ik de les- en themaboekjes van Van der Hoeven door en na een paar jaar zat ik volop in de onregelmatige werkwoorden van het zooveelste stukje.

Hoe was het mogelijk, dat de brutale spijbelaar van de Lindengracht zich zoo ontpopte op de Bloemgracht? Dat lag misschien aan 't verschil van één meester.