Jeugdherinneringen

Chapter 11

Chapter 113,870 wordsPublic domain

Welnu, behalve mijn schoon gewasschen en stijf gestreken zondagspakje, was ook meneer Beekman een stuk bekoorlijkheid van de kinderkerk. En daaruit kan nu iedere onderwijzer en iedere zondagsschoolmeneer en iedere dominé zien, hoeveel er van hem afhangt, van hem persoonlijk. Het mooiste gebouw en de geriefelijkste lokaliteit kunnen weerzinwekkend worden, door een mensch. En zoo'n armelijke, ouderwetsche bewaarschoolschaapskooi kan door één man zoo aantrekkelijk worden, dat een vrijheidlievend, speel- en zwerfgraag stuk straatjongen er week aan week zijn kostelijken zondagmorgen wil doorbrengen, terwijl buiten alles lokt en bloeit.

Eén mensch. En nog wel een onbestudeerd mensch. Een koekbakker. Maar--een kindervriend!

Dat was het heele geheim. De man kwam daar niet, om zichzelf te hooren preeken, maar omdat hij de kinderen zoo lief had. In die liefde zat zijn beste preek.

* * * * *

En of ik nu nog iets weet van zijn eigenlijke preeken?

Niets.

Dus daaruit blijkt, dat hij die net zoo goed had kunnen nalaten?

Dat durf ik nog niet zoo aanstonds te zeggen.

Op een weiland staan millioenen grasjes en als je die stuk voor stuk vroeg naar wat ze zich nog herinneren van alle regenbuitjes in 't vroege voorjaar, zouden ze daarvan niets meer weten te vertellen. En toch is al dat water niet langs hun gladde lijfjes nutteloos weggevloeid. Ze zijn er van gegroeid. Ze herinneren zich niets meer, maar niettemin is het vergetene in ze. 't Is een deel van hun leven geworden. Is dat niet de beste herinnering?

Wat weet ge, aan feiten, nog van de dagelijksche moederzorg, waaronder ge groot zijt geworden? Wat weet ge van al de ernstige woorden, door ouders en meesters tot u gesproken? We zeggen het zoo licht, dat al die woorden langs ons weggedropen zijn. Maar ik heb een vermoeden, dat ze ons toch hebben gedrenkt.

Ga ik mijn jeugd na, dan herinner ik me alleen de bizondere voorvallen, maar van de gewone, dagelijksche invloeden heb ik alleen een stemming bewaard. En nu zou ik uit de stemming, die aan de kinderkerk verbonden is gebleven, een heel stuk opvoedende kracht durven afleiden. Zooals een kenner der oudheid uit enkele brokstukken marmer een geheelen Griekschen tempel reconstrueert, zou ik een heelen zondagmorgen kunnen schetsen. Daar was dan geen enkel geconstateerd feit in, en toch zou de heele schets waarheid kunnen zijn.

Uit het geheugen geraakte invloeden zijn daarom niet verloren. Ze zijn omgezet in geestelijke kracht. Nog eens, is dat niet de beste herinnering?

Hoezeer ik reden heb, gunstig over het gepreek te denken, blijkt wel uit het feit, dat ik thuis in allen ernst kerkje speelde. Dan zette ik twee stoelen met de ruggen naar elkaar. Dat was de preekstoel. Op de beide randen der rugleuningen legde ik den Bijbel. Liggende met de knieën op den eenen stoelmat, las ik uit den Bijbel voor en liet de gemeente opgegeven psalmen en gezangen zingen. De gemeente bestond uit Vader, Moeder, zus Christine en wellicht nog een paar anderen. Allen hielden zich ernstig. Dat weet ik nog heel goed, want het minste blijk, dat men er, mij ten gerieve, een spelletje van maakte, zou me diep gekrenkt hebben en driftig hebben doen wegloopen. De kerkgangers hielden zich voortreffelijk.

Maar meent ge, dat ik ooit lust had het schoolleven in de huiskamer te halen? Dat lag onder den ban van een killen haat. Hoe minder ik er aan dacht, hoe beter. De school bestond thuis niet voor me. Echter wel de kinderkerk. En langen tijd heette het zelfs, dat ik maar dominé moest worden. Nu zat er wat predikantenbloed in de familie, waar Grootvader en twee ooms dominé waren. Maar dat was toch de hoofdzaak niet. Die zat bij den koekbakker. Deze beminnelijke christen wist zijn liefdewerk in mijn kinderoogen zoo bekoorlijk te maken, alsof hij een tramconducteur of koetsier was geweest. En dat wil heusch wat zeggen, want gelijk ieder weet, wil iedere jongen graag conducteur of koetsier worden. Welnu, meneer Beekman maakte zijn kinderkerk aantrekkelijk.... als een omnibus.

* * * * *

Nog een wonderbare tegenstelling met de school ligt me in 't geheugen. Ik weet niet, dat ik ooit voor de school lessen leerde. Voor de zondagsschool leerde ik mijn teksten en psalmversjes graag. Nog zie ik die kleine bonnetjes, net etiketpapiertjes, waarop aan de eene zijde een tekst en aan de andere een vers gedrukt was. We kregen er elke week een mee en ik beijverde me steeds, die »les" goed en gauw in 't hoofd te werken. Aan wien was dat anders te danken dan aan den koekbakker?

In mijn tooneelstukje »Tóch Timmerhout" komt een ondeugende jongen voor. De schoolmeester weet hem niet te pakken, wil hem zelfs van school jagen. Maar een oude timmermansknecht grijpt den bengel in 't hart en redt hem. Men heeft me wel eens verweten, dat ik zoo de rollen had omgekeerd en een timmermansknecht tot paedagoog gemaakt. Maar als het leven mij dat nu eens aan de hand had gedaan? Als in dat tooneelstukje nu eens een stuk levenservaring stak? De maatschappelijke werkkring klopt niet altijd met den aanleg. Daar was een koekbakker, die ons opvoedde. En hoe menige opvoeder moest maar liever koek gaan bakken?

Er zijn menschen geneigd te zeggen: Het was de kracht van Gods Woord, het was de werking van Zijn Heiligen Geest, die je de teksten en psalmverzen zoo graag en grif deed leeren. En dan knoopen ze hieraan een heele beschouwing vast, alsof er in die Bijbelwoorden een zekere geheime tooverkracht stak. Maar ze vernederen derwijze de zieleuitingen van een vroom gemoed tot amuletten, maken van den Bijbel een soort magisch boek. Neen, het was niet de mystieke kracht van die Bijbelwoorden. En het was toch die kracht. Maar het was die kracht, levende, werkende in het nietige persoontje van onzen christelijken christen.

Ik weet van een schoolcatechisatie ('t was niet bij mij), waar de kinderen ook teksten en psalmverzen moesten leeren, maar waar die heilige woorden absoluut geen kracht hadden. De jongens bedankten hun leermeester wel lekker, om zich wat moeite te geven en maakten van hun papiertjes, »vrome" papiertjes, propjes, waarmee ze mekaar beschoten en het lokaal ontsierden. Eens bij zulk een les maakten de bengels het zoo bont, dat de arme catechiseermeester in radeloosheid uitriep: »Jelui bent van den duivel bezeten. Die heerscht hier in het lokaal. Maar straks zal de Heere Jezus zelf komen, om jelui af te straffen."

De deur ging open, en binnentrad: de bovenmeester, een volslagen atheïst, die van den heelen godsdienst niets weten wou. Aanstonds waren de bengels op hun plaats en zaten doodstil.

Zijn tegenwoordigheid was genoeg, om alle duivelskunsten te bezweren.

Maar nu is de vraag: Wie was de duivel, die in het lokaal heerschte? Was dat niet de officiëele vertegenwoordiger van den godsdienst met een heel pak tekstpapiertjes? Al die machtvolle woorden werden satansmiddelen. En wie wist hier, als Christus op de wateren, den storm te bezweren? Dat was de totaal ongeloovige vertegenwoordiger van de driewerf verfoeide openbare school.

Wie meent dat de teksten zullen ordehouden en opvoeden, heeft het glad mis. En toch doen die teksten het, maar niet die bloote woorden. Neen, hun inhoud, hun geest, moet realiteit zijn geworden in hart en leven van den opvoeder. Waar dit het geval is, daar is de ware »School met den Bijbel". En waar dit niet zoo is, daar heb je een heidensche school, ook al liggen de kasten vol bijbels en leeren de kinderen heel het nieuwe Testament uit het hoofd.

* * * * *

Nu zal deze of gene zeggen: »Ah, daar heb je Jan Ligthart. Nu komt de aap uit de mouw. Hij wil niet, dat de kinderen Gods heilig Woord lezen en leeren, en om dat te bestrijden, gebruikt hij zijn Jeugdherinneringen." Maar ge hebt het mis, lieve vrienden, hee--le--maal mis.

Ik ben wat blij en dankbaar, dat ik als kind zooveel teksten, psalmen en gezangen geleerd heb en niet alleen wil ik tot mijn collega's van de christelijke school zeggen: Ga voort op dien weg, maar zelfs zou ik als openbaar onderwijzer graag hun voorbeeld volgen. Er zijn heel wat woorden en liederen in Bijbel en psalmboek, die voor allen een levenvormende kracht bezitten. En al zouden een zeker soort Bijbelgeloovigen smalend zeggen: »Je moet den heelen Bijbel nemen, anders is het niet het echte," ik meen te mogen aannemen, dat ook zij uit dien heelen Bijbel een keuze doen en hun kinderen maar niet alles doen memoriseeren.

Blij en dankbaar. Dat ben ik inderdaad. Hoe vaak hebben mij die woorden in uren van eenzaamheid en strijd verkwikt en gesterkt.

Zalig hij, die in dit leven Jacobs God ter hulpe heeft, Hij die, door den nood gedreven, Zich tot Hem om troost begeeft, Die zijn hoop in 't hachlijkst lot Vestigt op den Heer zijn God.

Dit vers had ik maar in mijn eentje op te zeggen, regel na regel mij bewust makende, en de nood werd zegen. Hoe goed is het, wanneer in moeilijke tijden zulke woorden in ons gereed liggen en dan vanzelf opborrelen als water in de bron, het dorstend gemoed lavend. Natuurlijk konden die woorden dat nooit doen, als ze niet _levenswoorden_ waren, dragers van zielservaringen, en als ze niet door hun innig menschelijken toon onze eigen gemoedsbewegingen deden meetrillen.

En dan dat andere:

Leer mij, Vader, U verbeiden, Volgen waar Gij ons wilt leiden, Steunen op uw trouw en macht, Psalmen zingen in den nacht, Hooren wat Gij ons wilt leeren, Uw bevel met daden eeren, En voor de uitkomst willig blind, Stil zijn als 't gespeende kind.

Dat »psalmen zingen in den nacht", dat juichen in de duisternis, dat jubelen in de ellende--het is de heerlijkste vrucht van het geloof. Een geloovige is wel de grootste egoïst: Hij wil zelfs zalig zijn in de rampzaligheid. Hij wil den vrede des harten, neen de blijdschap des harten genieten, ook als alles hem ontzinkt, alles--behalve het eene noodige: het volle vertrouwen in Gods Vaderliefde. »Met mijn God spring ik over een muur," roept de psalmdichter uit. Zonder zijn God is hij niets.

Kent ge een mooier uiting van vertrouwenvolle gehoorzaamheid dan die twee woorden »willig blind"? Onlangs sprak ik een man van veel smartelijke levenservaring. Hij was wat de menschen een ongeloovige noemen. En toen hij zoo een en ander uit zijn leven verhaald had, zei hij: »Weet je, wat ik vooral geleerd heb? Dat we ons leven niet naar onzen zin hebben te maken. Dat we hebben te vragen, wat God van ons wil. En dan maar gehoorzaamd, willig blind voor de uitkomst."

Ik verstond hem. Die twee woorden »willig blind" vonden weerklank in mijn eigen ervaringen. 't Is niet de blindheid der dwaasheid, maar de blindheid der wijsheid. Wat de uitkomst moge zijn, we vragen er niet naar, mits we zeker zijn van onze richting. En die zekerheid verwerven we, als we--zoo moet het--Zijn bevel met _daden_ eeren. Woordeneer wordt er genoeg gebracht, veel te veel. Maar _hooren_, wat Hij ons wil leeren, en dan: Zijn bevel met _daden_ eeren, alleen luisteren en doen, in plaats van praten en stilzitten--dat is de eisch. De verzuchting van dit waarlijk vrome lied heeft menig hart gesterkt. Zou ik niet dankbaar zijn, dat ook ik het voor mijn zondagsschool-meneer had mogen leeren? Voor mijn zondagsschool-meneer, maar dat was eigenlijk: voor mezelf en niet slechts voor mijn kinderjaren, doch voor mijn gansche leven.

* * * * *

Hoe kwam het, dat ik op zekeren Zondag de kinderkerk verwisselde met de groote kerk? Ik weet het niet, maar het was een proef, waarvoor ik bezweek.

De groote kerk was ongeveer twintig minuten van mijn huis. Die afstand was te groot. Onderweg waren er te veel verleidingen. We verkochten onze kerkcenten voor snoepgoed, liepen de hooge stoepen op en af en telden de brievenbussen. Dit was een wedstrijd. Mijn broer en ik, soms een zusje er bij, speelden, wie de meeste brievenbussen zag in de deuren der huizen. Dan holde de een den ander voorbij, om het eerst een bus te ontdekken. De vlugste won het natuurlijk, want die kaapte al de bussen voor de anderen weg.

Op die manier moesten we, steeds op een drafje loopend, wel tijdig in de kerk zijn. Maar het tegendeel was waar. Toen we eenmaal ervaren hadden, dat het in de kerk erg vervelend was, zorgden we altijd te laat te komen. Dan zwierven we langs de mooie Heeren- en Keizersgrachten en dronken daar, onbewust, de schoonheid in van de vorstelijke koopmanshuizen, het stille water, de gewelfde steenen bruggen, de oude iepen. Die herinner ik me nog alle. Zondagsmorgens kon het daar zoo vredig zijn. Vooral onder kerktijd liepen er maar weinig menschen. Gereden werd er haast niet. Een enkele platte zolderschuit lag ledig tegen den wal. Het water weerspiegelde huizen en boomen en bruggen en den hoogen witbewolkten hemel. Alles ademde vrede. Het was er beter dan in de kerk. En dat dacht ik niet alleen toen, maar ik geloof het nu nog. Kinderen behooren niet in de groote kerk, net zoo min als in de societeit.

De enkele malen, dat mijn vader meeging, moesten we natuurlijk wel de heele preek bijwonen. Dan luisterden we echter niet. Ik zag den dominé zijn gebaren af, om die thuis te kunnen navolgen, en hoorde hoe hij de psalmverzen afkondigde: »De gemeente gelieve te zingen van.... Ik herzeg...." Die deftige woorden en vooral de toon waarop ze werden uitgesproken, hadden een zekere bekoring. Thuis bij mijn eigen preeken zei ik ze plechtig na. Meer bracht ik uit de kerk niet mee. Toch zat ik me niet geheel te vervelen. Er hingen aan lange pijpen gaskronen, en nu klauterde ik in mijn verbeelding aanhoudend het heele gebouw rond. Ik klom in een hoogen pilaar, greep een daar langs geleide gaspijp, kromde er mijn vingers om, enterde langs de zoldering, liet me langs een andere gaspijp weer zakken, bezocht den preekstoel, het orgel. Het waren gevaarlijke reizen, maar mijn verbeelding stond voor niets. Was het noodig, dan maakte ik een luchtsprong en kwam immer op het gewenschte punt terecht. Geen rand zoo smal, of ik kon er langs. Soms speelde ik op die manier krijgertje. Een makker liep en sprong en klom me na. Hij zat me dicht op de hielen. Dat gaf een spanning. Maar ik waagde alles, om aan zijn greep te ontkomen, gleed langs de orgelpijpen, kroop door open vensters.. heerlijk!

Wat moest een kind toch beginnen zonder verbeelding. Het zou zijn godsdienstige opvoeding, »onder het geklank van Gods heilig Woord", eenvoudig niet kunnen verdragen. Maar gelukkig heeft Onze lieve Heer het arme schaap de toovermacht der fantasie geschonken, om zich over de dwaasheden der volwassenen te kunnen heen leven. En zoo kan het de ellenden doorstaan, die ouders en meesters hem tot zijn heil opleggen. Eén ellende heeft me echter _te_ zeer gedrukt en dat kwam, omdat mijn fantasie haar verergerde. Men moet mij verteld hebben van de hel. Maar wie? Dat kan toch onmogelijk meneer Beekman geweest zijn. Maar wie dan? Zijn medewerker? Of zou hij het toch geweest zijn, meenende dat een kind niet tot God kon worden gebracht dan door het hellevuur?

Vreeselijk heb ik daaronder geleden. Dat ik dag aan dag zondigde, wist ik maar al te goed, en hieromtrent zal de lezer ook wel niet in 't onzekere zijn. Ik moest dus, ik móést--neen, niet verbrand worden, maar eeuwig branden. Eeuwig. Stel u dat eens voor. Nooit een einde aan die folterende pijn--nooit, nooit. Die gedachte was al een hellesmart.

O die vreeselijke gewisheid van het onontkoombare. Kon ik maar terug naar het niet-geboren-zijn. Maar dat was onmogelijk. Ik leefde eenmaal, dat was niet meer ongedaan te maken. En sterven baatte niet. De dood was de overgang tot eindelooze marteling van nooit verterende vlammen.

Ik weet zeer positief, dat ik toen de planten en de dieren benijdde, dat ik er de boomen en de koeien jaloersch op aankeek, dat ze geen onsterfelijke ziel hadden. Ik weet, dat soms, plotseling, midden in mijn spel, de angst der hel me aangreep, als een vergif dat begon te werken. Maar ik weet ook, dat die angst mij nooit van het kwade heeft afgehouden. Ze bedierf veel, en maakte niets goed.

Zou de godsdienstige opvoeding, of wat men zoo noemt, geen afstand kunnen doen van dit onchristelijk kindergemartel?

Meneer Beekman heeft ons iets beters geleerd. Hij zei--en ook dit weet ik nog zeer positief--dat we elken avond, na ons gebedje, nog moesten zeggen: »Heere, schenk mij Uwen heiligen Geest. Amen." Anders niet dan die paar woorden.

Dat heb ik trouw gedaan, jaren achtereen. Of het geholpen heeft?

Alleen weet ik, dat vaak, wanneer de verzoekingen van buiten, maar vooral wanneer de lage neigingen van binnen het mij, volwassene, al te benauwd maakten, de verzuchting in mij oprees: »_Uw_ heilige Geest, o Heer!"

En die verzuchting--was mij een verhooring.

VERANDERING.

Door verlies tot winst. Hoe vaak heb ik dat in mijn leven ervaren. En toch, telken keer als ik weer iets verlies, kijk ik zoo zeer het verlorene na, dat ik verzuim het nieuw gewonnene op te merken. Een mensch is toch zoo hardleersch, al heet die mensch een paedagoog.

Het ging immer slechter met den kruidenierswinkel. Crediet was er niet meer. Geen grossier wilde zonder contante betaling leveren. Zoo was mijn vader genoodzaakt zijn inslagen te doen bij kleine hoeveelheden, waarmee hij natuurlijk een winst van eenige beteekenis dierf. Het was een dag aan dag tobben en worstelen om staande te blijven. Wij, jongens, moesten b.v. vijf pond suiker of koffie koopen in een grooten winkel, ver uit de buurt en liefst 's avonds opdat men 't niet zien zou, en dan werden die weer bij onsjes en halfonsjes verkocht. De winkelklanten zakten, bij het kariger en minder worden der waren, steeds meer in aantal en gehalte. Alleen de ver weg wonende uitbrengklanten bleven trouw, uit onkunde. De winkel was als een innerlijk verzwakt rijk, dat nog alleen teerde op de inkomsten der verwijderde wingewesten. Zij, daar in de verte, zagen niets van de toenemende verarming, leefden in ongeschokt vertrouwen op den ouden naam bij den angstvallig bewaarden schijn.

Een achteruitgaande zaak is als een door ziekte beslopen mensch. De eertijds gezonde en krachtige wil 't niet weten. Hij houdt zich goed tegenover anderen, maar meest tegenover zichzelf. Hij sluit zijn oogen voor de waarschuwende verschijnselen. Hij forceert zijn krachten. Vergeefs. De ziektekiemen vermenigvuldigen, verspreiden zich, en strijdensmoede, verwonnen, moet de worstelende zich toch eindelijk overgeven.

Wilde men 't maar tijdig inzien en erkennen. Dan werd er niet zooveel goed geld naar kwaad geld gesmeten, gelijk ons handelsvolk het typisch zegt. Maar wij veinzen de ongunstige teekenen weg. Wij struisvogelen. En eerst wanneer alle geld, alle kracht verbruikt is, dan laten we ons op genade of ongenade los. Als we niet meer kunnen, dan pas zinken we ineen. Dat is zoo menschelijk. En daarom is 't ook zoo kinderlijk. En niet alleen op geldelijk en lichamelijk gebied. Evenzeer openbaart zich die zwakheid op moreel gebied, en daar te gevaarlijker, omdat moreele achteruitgang niet door meten en wegen wordt geconstateerd. Minder geld in de winkellade is een feit. Wie er zijn oogen voor sluit, voelt het toch in zijn hand. Minder lichamelijke weerstand evenzeer. Maar zedelijke verslapping ontgaat ons zoo licht, omdat ze meestal gepaard gaat met de bevrediging van allerlei neigingen. Al genietende gaan we ten gronde. De geldgierige ziet met zooveel genot zijn geld vermeerderen, dat hij de vermindering van zijn barmhartigheid niet opmerkt. De zinnelijke zweeft van de eene bedwelming in de andere. Eerst wanneer al onze moreele kracht verwaarloosd is, en we hiervan de ellendige gevolgen gaan ondervinden, geven we ons zedelijk failliet, om pas daarna aan onze rehabilisatie te werken, of--te bezwijken.

De winkel ging over in andere handen en wij verhuisden. Doch eer we nu voor goed afscheid nemen van deze buurt en ervaren, hoe de verslechtering op verbetering uitliep, willen we nog een paar figuren gedenken, die voor mij onafscheidelijk aan dit wereldje gebonden zijn.

* * * * *

En dan komt allereerst aan de beurt ons perehietvrouwtje.

In 't najaar, als 't koud en mistig was bij donker weer en killen motregen, zat 's avonds een oud vrouwtje, in een dikken doek gewikkeld, de armen goed verstopt, achter een ijzeren pot met houten deksel, die boven een vuurtje stond te warmen. Het vrouwtje zat op een hoogen stoel, altijd een stoof onder de voeten. Een gebogen figuurtje, rond oud hoofdje boven een wat gekromden rug, met bijna geen hals. En dan riep ze nu en dan met hooge stem: »Warme, lekkere pere-hie-ie-iet!" Dat »hie-ie-iet!" steeg hoe langer hoe meer in de hoogte en werd aan 't eind in de scherpe _t_ plotseling afgesneden, nadat het eerst op de _ie_ een poos zingend gezweefd had.

Het vrouwtje zat altijd op haar vaste plaatsje, in de Eglantiersstraat, vóór een smalle gang, waardoor ze, uit het achtergelegen woninkje, met haar zaakje naar de straat was gesukkeld. Ze sjouwde waggelend stooktafeltje, vuurtest, ijzeren pot, stoel, en stoof een voor een naar voren, zette daar het zaakje in elkaar, en ten slotte als laatste stukje meubilair zichzelf er bij. Met haar stoel en tafeltje en dampenden ijzeren pot vormde ze, even onbewegelijk als de andere onderdeelen, één aaneengesloten groepje.

Nu en dan kwam er verandering in haar houding. 't Was vooreerst als ze haar »warme, lekkere perehiet!" aanprees. Dan rees de gestalte een weinigje omhoog, als bij een haan die begint te kraaien ging het hoofd een ietsje naar boven, en kwamen de zingende klanken uit de oude keel. Maar de beweging was vooral niet ruimer dan de longen voor den zingschreeuw noodig hadden, en nauwelijks was haar perehiet de lucht in gekraaid, of hoofd en lijfje zakten weer ineen, bang dat de kou komen mocht in de ruimten van het even uitgeplooide figuurtje, en daar zat ze weer, gebogen achter haar standje.

De tweede gelegenheid dat ze zich een beetje uiteenwikkelde was de verschijning van een kooper, steeds een man of een jongen. Ik heb nooit een vrouwelijk wezen aan haar tafeltje gezien. De kooper legde zijn cent neer. Dan tilde zij met den mageren rechterarm--de linker bleef onder den doek--het houten deksel op, zette dit schuin ter zij, nam de stalen vork, prikte in het dampende water, haalde een peer naar boven en reikte dien den kooper toe, die een heelen toer had om te genieten van den heeten peer zonder zich te branden. Gewoonlijk pakte hij den peer bij den steel beet en liet hem meteen op de linkerhand liggen om te verhoeden dat hij weer in 't water viel. Maar, al was 't mistig koud, voor die linkerhand was de peer toch wel wat heet, en dadelijk begon de kooper dan maar te eten. Zoo warm in den mond en in de maag, dat deed hem goed. Nog een peertje, want je kreeg er twee voor een cent, en het deksel ging weer op den pot, de cent in een kommetje, de rechterarm onder den doek, en daar zat het vrouwtje weer: »Warme, lekkere pere-hie-ie-iet!" Een mooi, zacht verlicht groepje tegen den achtergrond van de donkere gang.

Meermalen heb ik ook zelf een cent of een halve cent bij haar genoten, en nog voel ik den strijd van de drieledige keus: den heeten peer in de hand houden, in den mond, of in de maag. 't Was alles al even erg, en--even heerlijk. Zoo'n weldadige hitte in den kilnatten avond.