Jerusalem

Part 4

Chapter 4 4,047 words Public domain Markdown

En dan rijden wij af. Sakhib op het kleine grauwe ezeltje, dat in een grooten zak ook nog onze twee koffers draagt. Dan Adil. En dan ik. O, het mooie paard. De sjech is groot. Hij zendt een raspaard. En het paard heeft een veulentje van twee maanden, dat het overal naloopt. Het draagt een blauw kralensnoer om het ranke bruine halsje. Tegen het Booze Oog. En het tiptipt op héél lichte voete-pootjes. Zoo open. Zoo vrij te rijden door het Land. Overal de wijde blik tot aan de verre, blauwe berglijnen. Wij rijden langs het dorp van Ludd. Palmen. Er is al eerste regen gevallen en er staat stil water. Zoo stil als de hemel zelf. Het is een prentje, zooals wij die zagen in atlassen en aardrijkskundeboeken. Nu denk ik aan mijn jeugd en zucht. Maar ik verlaat mijn jeugd. En het is de wonderlijke vertelling van Aart van der Leeuw: "Sint-Veit". Omdat het zonnelicht geen tijd kent.

VIII.

De domheid. En het wonder. Sakhib heeft het gezegd. Het bruine moederpaard, dat heet Saäda, de Rijke, is een lief, goed-loopend paard. Het wordt alleen lastig in de buurt van auto's en van motors. Maar die zijn er niet. En men moet het niet slaan. Zelfs niet koozend met het leidsel. Dan slaat het door. O, als Sakhib maar niets had gezegd! Want wanneer we Ludd voorbij zijn en in de heuvelvlakte komen, dan beginnen de woorden van Sahkib mij te hinderen. En na een langen strijd, die klopt in hart, keel en pols, heb ik het paard een tik gegeven met het leidsel. En het draaft dadelijk op. Een korte, krachtige draf. Als ik aan het leidsel trek, zal het misschien bezinnen en weer gelijk op stappen gaan. Maar als een groote bevrijding geef ik het paard weer een slag met het leidseleinde over den hals. Ik ben bevrijd. Het is genoeg. Maar het paard, wreedbeleedigd, heeft galop gezet. Ik voel den langen galopslag. Het vreemde paard heeft zich vrijgemaakt. Knel de knieën en trek het gebit aan. Het paard op de achterpooten. Neer en holt verder. Ik ben niet bang. Straks zal ik vallen, voeten in den stijgbeugel. En toch zijn de twee slagen met een wreeden dood niet te duur betaald. Maar het leven is niet zoo. Ik zal wel ergens sterven op het een of andere bed. Plotseling staat het paard. Het kleine veulen is achter gebleven. Daar komt het gedraafd. En ver, heel ver, van achter een heuvel, Sakhib en Adil. Zij ranselen hun ezels. Zij trappen hun ezels in den buik. Sakhib jammert: "wat heb ik gedaan? Wil ik jammer brengen over zijn hoofd? Hoe zal hij durven verschijnen voor zijnen vader, wanneer den gast een ongeluk overkomen was." Zij blijven nu verder vlak vooruitrijden. Adil heeft niets gezegd. En ik denk dit: "wanneer Adil werkelijk een goed vriend was geweest, dan zou hij hebben gezegd: "wanneer gij gewond waart, had ik mij zelven gewond. En wanneer gij gedood waart, had ik mij zelven gedood."

Den volgenden dag, wanneer wij terugrijden, zegt Adil: "wanneer gij gisteren gewond waart, had ik mij zelven gewond. Wanneer gij gisteren gedood waart, had ik mij zelven gedood."

Ik kijk doodverschrikt op. Maar er is niets dan de Eeuwigheid.

IX.

Dar Salameh. Hij mag dan den sjech van de dieven zijn: hij ontvangt toch netjes. Het huis op den heuvel. Zij kijken uit van het platte dak. Wanneer wij naderen, komen zij beneden. De sjech, zonen en bedienden. De vrouwen zullen wij niet zien, behalve het personeel. Er is een bonte binnenhof: pauwen, fazanten, kippen. En de kleine lammeren. Het is hier nu de tijd. Gij kunt geitjes en lammetjes nu zien geboren worden op de velden. Dan trappen op, buiten het huis. En de salon. Er staat ook een ledikant. De sjech is al een moderne sjech. Er zijn stoelen en er is een tafel. Ik krijg een makkelijken stoel voor het open, zonnige raam. Ja, open en zonnig. Ik weet het: gij hebt sneeuw en ijs van begin November af. Hier hebben wij tusschen de regendagen de zonnedagen, dieper en schooner dan in de zomers. En het uitzicht. Zoo ver als onze blikken, gaan de landen van onzen gastheer. Heel, heel ver bouwen de huizenhoopjes van Ludd en van Ramleh.

Ik kan hem nu op mijn gemak opnemen. Een korte, stevige kerel. Proper in zijn bruin en wit overgewaad. Hij gaat in huis op blanke, bloote voeten. Een scherp, verstandig gezicht. Geen opvoeding? Hij zal zich zelven hebben opgevoed. Wilt gij beter?

Hij is heel mild en heel spraakzaam. Ja de Turken haat hij. Ze hebben hem ter dood veroordeeld. En ze zouden hem hebben gehangen als een hond, hadden zij hem kunnen krijgen. Met de Engelschen daartegen zeer bevriend. Hij heeft hen in den oorlog zeer geholpen. Hij laat getuigschriften zien van Engelsche generaals. Mooi, hè? Hij kan het wel niet lezen. Maar Adil Effendi wil het zeker nog wel eens vertalen. Hij heeft ook mooie geschenken gekregen van de Engelschen. Natuurlijk heeft hij hun fraaie geschenken teruggeven. Hij vertelt ons precies de waarde van hun geschenken en van zijne geschenken. Hij heeft er niet op verdiend. Maar Allah is groot. Allah heeft hem ruim gezegend.

Hij is zestig jaar. En hij lijkt goed veertig. Hij lacht lief gevleid. Maar ik had zijn vader moeten kennen. Die was wel tachtig jaar toen hij stierf. Allah is groot. Hij had acht zonen. Zij waren heel blij, toen de vader stierf. Zeker, heel blij. Want zoolang hij leefde, kon hem nog van alles overkomen, nietwaar? Nu is hij veilig bij Allah. Allah is groot.

X.

Ik vraag naar zijn eigen zonen. Ja, tien. En achttien dochters. Sakhib is ons komen afhalen. En Soliman heb ik bij den Mufti gezien. Nu komt de oudste binnen. Een prachtkerel, die Fares, dat is: Ruiter, heet. Daarom heet Amin ook Aboe Fares, de Vader van Fares. Dat is zoo: de Vader heet hier naar zijn zoon. Is iemand getrouwd, maar heeft hij geen zoon, dan heet hij Aboe met den naam van zijnen vader. Daarin ligt dan de wensch, dat een zoon moge worden geboren, die naar den grootvader heeten zal. Sjech Amin heeft ook al naamkaartjes. Engelsch en Arabisch. Daarop heet hij natuurlijk Amin Osman el Hawadja. Maar iedereen kent hem onder den naam Aboe Fares. Sakhib is ook getrouwd, en heeft een kind Mohammed. Waar is de kleine Mohammed? Hij is gestorven. Meskien, zeg ik meewarig. Maar Aboe Mohammed berust: min Allah.

Aboe Fares heeft nu nog vier vrouwen. Zij wonen in het groote huis te Naälin, waar wij vanmiddag zullen heengaan. Houden zij onder elkander altijd vrede? Maäloum, zegt Aboe Fares met een medelijdenden glimlach: "zij zijn allemaal bang voor mij."

XI.

Er zijn gasten gekomen. Vier dorpshoofden uit de buurt van Gaza. Groote stoute Arabieren. Zij zijn hier gekomen om vee te verkoopen. Misschien is het wel gestolen vee. Maar dat weet Amin el Hawadja niet. Zij noodigen ons uit tot bezoek. Adil's oogen blijven stil en koel. Wij kunnen samen veilig Fransch spreken. "Zouden wij gaan, Adil?" En hij antwoordt: "Zeker zullen wij niet gaan. Zijn zij groote sjechs? Zullen zij ons lekker eten geven, zooals Aboe Fares straks zeker doen zal? Zal men ons achten, wanneer wij een bezoek gaan brengen, zóó ver, bij zoo geringe dorpshoofden? Ik twijfel of wij zullen gaan." De vier dorpshoofden, buiten besef, dat over hun lot wordt beslist, kijken eerbiedig naar Adil Effendi, die spreken kan met den vreemden heer. En Adil antwoordt hun, dat wij zeker gaarne zullen komen, zoodra de wind en de regen goed zijn. O, Adil heeft goede manieren. Maar de Europeanen hebben ze niet.

De gasten krijgen nu een diep bord fel gekleurde zuurtjes en een diep bord Turksch zoet. Daar gaan de acht kilo's! Ze eten de bonbons als brood.

En dan gaan ze eten in den hof. Men eet hier zóó: een platte blikken schotel. Ik schat een halve meter in doorsnee. En die belegd met pannekoeken, waarmee ook de opstaande wanden afgezet. De schotels vol rijst. En op de rijst stukken vleesch. Eerst handen wasschen. Dan een stuk pannekoek. En een vuistvol rijst. Die samen kneden in de rechterhand. Een stuk vleesch daarbij. En dan de geheele bal binnenwippen. Doe 't maar na. Niet morsen. Aboe Fares, die een goed gastheer is, eet met zijn gasten mee. Straks zal hij ook met ons mede-eten. De pannekoek-, rijst- en vleeschschotel is volkomen afgewerkt. Handenwasschen en koffie.

XII.

Wij eten aan tafel. Er zijn ook stoelen, messen en vorken. Aboe Fares is een gul en goed gastheer. Hij heeft een kok laten komen uit Jaffa. Jammer, dat ik van des koks lekkernijen niet eten zal. Maar voor mij is er ook gezorgd: versche dadels, sinaasappels, tomaten en olijven. De zonen eten niet met ons mee. Dat zou niet passen. Zij staan achter de tafel. Nemen de schotels aan van den kok. Nemen ze weg. Geven ons water. En wijn. Van Rischon le Zion. Sjech Amin Osman gezegd Aboe Fares eet alsof hij nooit een pannekoek-, rijst-en vleeschschotel hadde gezien. Nu, de kok heeft goed gezorgd. Hij geeft een schotel vleeschkoekjes, een macaronitaart als een huis, gebakken aardappels met gemurwd hamelvleesch, kip met gekookte appels, een schotel van rijst met geitjes-vleesch. Dessert. "Adil," mag ik als oudere den jongere zoo waarschuwen: "ik vrees, dat gij te veel eten zult." "Natuurlijk eet ik te veel," antwoordt Adil, "zoudt gij willen, dat ik van al deze goede zaken weinig eten zou? Wat zou Aboe Fares van mij denken?" Ik verontschuldig mij, dat ik niets eten mag. "Min Allah, min Allah," antwoordt de Sjech met een goeden glimlach: "wat er heden overblijft, geven wij aan de armen, opdat zij den dag van uw bezoek lang zullen gedenken. Er zal veel overblijven, en zij zullen vele gebeden voor u uitspreken."

XIII.

Na de koffie gaan wij naar Naälin, het voornaamste van de twaalf dorpen, waarover Aboe Fares sjech is. Adil beweert wel, dat men ons meer zou achten, wanneer wij rustig te Dar Salameh bleven. Maar ik verzeker, dat men in Europa nooit de hoofdplaats van eenen sjech onbezocht laat. En voor Europeesche argumenten zwicht Adil altijd zeker. Wij gaan. O, een wonderlijke optocht. Ik heb weer het mooie moederpaard met het veulentje. Adil den witten ezel. Drie zoons gaan mee, op ezeltjes allen. En een neefje, dat een groote zaag naar Naälin brengt.

De bergen trekken wij in. Heel groot en heel verlaten. De wilde winterregens zijn nog niet gevallen. En de wadi, waarin des winters het water bruist is nog droog. Daardoor trekken wij heen. En dan de smalle rotspaden op, waar paard en ezel voorzichtig de pooten zetten en toch nog dikwijls glijden van de gladde steenen. Rijden één achter één. Geen ander geluid dan de stappende pooten en de echo daarvan. En het kleine paardje, dat soms hinnikt, wanneer het verloren is tusschen de rotsen, en zijn moeder wel ziet, maar er niet bij komen kan. Dan strijdt het kleine paardje heel lang, bang voor de rotsen. En bang om zijn moeder te verliezen. Als de afstand heel groot is geworden, breekt de strijd. En het paardje komt aangedraafd en vlijt zich tegen de moeder.

Wij gaan heel langzaam en heel vermoeiend. Ik zie geen weg. Maar mijn vrienden zien de wegen. Zij vinden hier den weg zonder nachtlicht in de zwaarste winternachten.

Wij rusten bij de bron van Natouf, een diep en hoog hol in de rotsen, waar water langzaam doorheen droppelt. Ik heb het water al te Dar Salameh gedronken. Het was zoet als gesuikerd. En scherp als gekruid. Toch was het enkel water. Hier vangen wij het uit de rotsbron dadelijk. Het is ijskoel.

Na den eersten regen is frisch, als lente, groen opgekomen. De rijdieren eten daar van. Het kleine paardje drinkt van zijn moeder. Wij zitten met ons zessen in het donkere bronnenhol, spelen met het water en kijken naar het licht. Adil, bevangen door een slaap van geluk, zegt het: "Allah heeft ons lief vandaag."

XIV.

Wij zijn weer opgestegen. Hoog en ver boven het handvol huizen van Naälin. Breedte des hemels enkele kilometers. Maar de weggetjes winden uitvoerig door de rotsen, tusschen dalen, hellingen. Wij moeten gaan zeer voorzichtig. Glijden de paardpooten glad ijzer uit over harde rotsen. Zoeken de pooten voorzichtig naar plekjes aarde, waar zij steviger staan. In de middeleeuwen moet Naälin een ongenaakbaar diefnest zijn geweest. Maar er zijn geen middeleeuwen meer. En geen ongenaakbare nesten. Men zou nu Naälin slaan vanuit de zee. Of bommen werpen van uit de lucht. Wat denken de anderen? Ik kan het niet vragen aan de drie zonen en aan den neef, omdat zulke dwaze vragen niet in Arabische leerboekjes voorkomen. Maar ik kan het Adil vragen. En zijn antwoord: "Aan Allah."

En nog het stijgen en wenden. Hoe lijkt Naälin dichtbij. De ezeltjes glijden niet uit. Maar 't paard is al tweemaal uitgegleden, met de achterpooten tegen de voorpooten aan. Dan weer rechtop. Adil zegt: "Stijg af. En neem den ezel." Maar ik wil liever doodvallen dan mij vernederen.

Het laatste deel is vlakke weg. De ezeltjes in draf. Het felle paard in draf. Laat middag draven we binnen. En het kleine paard draaft achteraan.

XV.

Er is een school in Naälin. En er zijn jongens die schrijven kunnen en lezen. Voor de school is een pleintje met een gemetselden wal daar omheen. Op het pleintje twee stoelen. Daarop wij. En op het walletje zitten alle notabelen van het dorp. Al de andere zonen van Aboe Fares komen voor den dag. De kleinste kan nog niet loopen. En ze zijn van allen leeftijd en van alle kleur. Allemaal heel schuw en heel aardig. Ze brengen ons koffie. En Aboe Fares heeft Sakhib, gezegd Aboe Mohammed, een deel van de acht kilo's bonbons medegegeven. Eerst heeft Sakhib op het walletje naast mijn stoel gezeten. Maar hij heeft die eereplaats later afgestaan aan een oom, een broer zijns vaders. Daarnaast de Imam, en daarnaast de Meester. Zij allen prijzen Aboe Fares' wijsheid. Vroeger waren er vele twisten tusschen de vele dorpen. Maar nu Aboe Fares de sjech van allen is, zijn er geene twisten meer. Hij is wijs en zij eeren hem allen. Ook vreezen zij hem. De broer naast mij is ook een aanzienlijk man. Aboe Fares eert hem. Telkens, wanneer er bij Aboe Fares weer een kind geboren werd, is hij bij hem gekomen om een naam. Wel een bewijs, hoezeer hij hem eert.

XVI.

Maar nu moeten wij terug gaan rijden. De schemering is begonnen over de bergen en in de diepe dalen. Ver in het Westen, waar de Zee van Jaffa is, verzinkt de zonnebol groot en vurig. Twee zonen en de neef met de zaag blijven te Naälin. Sakhib zal met ons naar Dar Salameh rijden. O, de wondere tijd. Er zijn geen zonneschaduwen meer. En de maneschaduwen nog niet begonnen. Alles één groote teederheid. De herders met de kudden schapen en geiten. Herdersjongetjes dragen geitjes, die zoo even geboren zijn in het veld. Maar verder weg van het dorp is niemand meer. De hemel ongestoord blauw. De zilvermaan. En al de gezaaide sterren. En de stilte tusschen de verlaten bergen. Later de zwartgouden maneschaduwen. Wij spreken niet. Ik ben moe. Heerlijk moe. Het goede, groote paard weet den weg. En het stapt vroom en voorzichtig over het pad, verloren tusschen de steenen. En altijd de liefde van het kleine paardje. Soms, als het achterblijft, roepen wij: "Taäl, Taäl." En dan komt het aangeslagen. God heeft ons wel lief vandaag. Ik glimlach om de woorden van Adil. En in glimlach van alles rijden wij verder. Hoog en ver op zijn heuvel bouwt Dar Salameh. Wij zien de huislichten. Wij zien lichtjes gaan. Maar 't is nog heel ver. Waar wij rijden langs zwarte tenten slaan de waaksche honden aan. Men brengt lichtjes buiten. Wie rijden er laat langs de bergwegen naar huis?

XVII.

Adil zucht. Is hij moe? Neen, maar hij heeft honger. Gelukkig, dat wij thuis zijn. En het binnenkomen. De maan schijnt en schaduwt door de bogen en de gebouwen. De herder is met de schapen binnengekomen. Ze woelen op den hof dooreen. Wit en wol in den maneschijn.

Maar Adil heeft honger. Gelukkig heeft de kok uit Jaffa gezorgd. Er is een schotel gevulde koolbladeren met vleesch. Haché met gestoofde aardappels. Kip met rijst en Spaansche peper. Lamsbout met snijboonen. En een groote visch, die vanmiddag expres uit Jaffa gebracht werd. Dan, koekjes, velerlei vruchten. Koffie en thee. Morgen is Adil ziek. En de armen zullen nog wel vele dagen voor ons bidden.

Wij blijven natuurlijk logeeren. In den salon. Ik krijg het ledikant. Voor Adil een goed bed op den grond. En daarnaast de gastheer. Dat behoort hier zoo. De gasten en de gastheer slapen samen. Hij moet zorgen, dat er met de gasten geen kwaad gebeurt. Van de verre vlakten schijnt de maan in de kamer. Over de Turksche tapijten spint tapijt van licht en schaduw.

En, vraagt ge nu wellicht: "wat is nu het laatste geweest, dat ge dien avond met uwen vriend hebt besproken? Zeker iets heel poëtisch?" Neen, lieve vrienden, niet iets heel poëtisch. Adil Effendi vraagt mij, hoeveel baksjisj wij morgen zullen geven. Heeft Aboe Fares ons niet kostelijk ontvangen? Heeft hij ons niet de rijdieren gestuurd? Zeker zal hij ons morgenochtend, vóór wij weggaan, nog vele lekkere dingen te eten geven. Wij moeten elk van de huisbedienden een half pond baksjisj geven. Zeker zal men ons dan achten. Den sjech zelven kunnen wij geen geld geven. Maar hij wil gaarne onze portretten hebben en een visitekaartje. En Sakhib, die ons uit Ramleh heeft gehaald, zal ons zeker nog meer achten dan hij reeds doet, wanneer wij hem een mooie lantaren ten geschenke geven. Ik zeg, dat wij moeten doen, zooals het behoort. Zooals Adil het heeft gezegd, zóó is het goed. En dan gaat hij slapen, gelukkig in het vooruitzicht van alle achting, die hem morgen ongetwijfeld zal ten deel vallen.

XVIII.

Het vroege wakker worden in den morgen. De koelte. En de hitte, die stijgt. De vogels en de zon. Al het bonte leven in huis en hof van den eerwaarden sjech, die misschien wel het Bed der Dieven, Yatack-il-Kharamiyeh is. Maar wie zal 't zeker weten? Er wordt zoo veel gelasterd. Moge Allah, die groot is, alle lasteraars straffen en alle dieven.

En het ontbijt op het platte dak met den wijden, vrijen blik. Voor het laatst heeft nu de kok zijn best gedaan. En voor het laatst vraagt Adil of hij een zoo machtigen sjech mag beleedigen door niet veel te eten van de vele goede zaken, die ons worden voorgezet? Geven de baksjisj. En rijden af. Ditmaal met een knecht, die loopt en straks de paarden terugbrengen zal. Dus rijden wij langzaam over het heerlijke land. Een anderen weg dan dien wij kwamen. Langs de Joodsche kolonie. Ben Shemen. Alleen mooie dingen. Hebreeuwsch spreken van een prachtig Arabisch paard af met een Joodschen boer en boerin, die samen ploegen voor het wintergraan. De bewaarschooljuffrouw met haar Joodsche jongetjes en meisjes buiten tegenkomen. En ze mogen allen spelen met het lichtbruine paardeveulentje, dat een blauw snoer om het ranke halsje draagt. Tegen het Booze Oog. Een Joodsche smid. Alles Joodsch leven.

En dan komen in het stationnetje te Ludd. En daar Jabotinsky vinden, die naar Jeruzalem rijdt. En de trein naar El Kuds, gezegd Jeruzalem, die vandaag op tijd is. Ongehoord.

WIJ VASTEN.

O, dat Jeruzalem het hart is van het Jodendom, wij merken het hier, dag aan dag, wanneer dag aan dag de berichten komen van de meest schrikkelijke pogroms in Polen. Ook gij, mijne Joodsche vrienden in Holland en in Amsterdam, zult zwaar geslagen zijn door deze berichten. En wij allen in Jeruzalem houden ons overtuigd van de deelneming van vele vrienden, van vele volken, nu zonder noodzaak de beste lievelingen van het Joodsche Volk door de Polen worden geslacht. Maar hier te Jeruzalem. Vele vrome Joden zijn afkomstig uit de streken van Polen, waar de doodsbeul thans rondgaat. En zich koelt aan de kinderen van Gods vrome leerscholen, die machteloos zijn. En des avonds, bij het avondgebed, gaat er een groot geween langs den Klaagmuur. Zij weenen hier om de vermoorde kinderen van Gods vrome leerscholen. Zij weenen, omdat de vrede het Joodsche Volk geen vrede brengen zal. Jeruzalem, Jeruzalem, waar stijgen de smeekgebeden en de klaaggebeden vromer op? En weenend gedenken wij de schrikkelijke middaggebeden van den Grooten Verzoendag. De Joodsche martelaren hebben de wreedheden der Romeinsche beulen geleden. Twintig eeuwen. Eén ademtocht der Eeuwigheid. De Joodsche kinderen van de vrome leerscholen afgeslacht. Twintig eeuwen. Eén ademtocht. Amalek. Amalek, dat de Joodsche kinderen en de Joodsche vrouwen aanviel, toen het Heilige Land in het verblijd gezicht kwam. Wij zullen noch Polen, noch Palestina vergeten.

Er is een wanhoop over Jeruzalem. O, het zonnige bonte leven gaat. Hassan, Mohammed, Ibrâhîm, Dzjumma: al de Arabische kinderen, die hun rolletje afspelen in mijn leven hier. Maar ik geniet het niet. Hart en ingewanden beven om de verslagenen mijns Volks. En de vrome groote Rabbijnen van Jeruzalem hebben het laten aanplakken in hun machtig Hebreeuwsch: dat alle feestelijkheden streng verboden zijn. Geen muziek. Geen dans. Niets, niets. Rouw en ootmoed. Opdat God zich erbarme en de slagen afwende van Zijn Volk.

Iederen dag komen de berichten wreeder. Het hangt zwaar boven Jeruzalem. Als een belegerde stad. Als een stad, waarin de pest rondgaat. Neen, men behoeft ons niet te vragen geen feest te vieren. Wij zijn geslagen. Want de vermoorde lievelingen van Gods vrome leerscholen, dat zijn de kinderen, waarop wij gehoopt hebben voor den opbouw van het Joodsche Volk in het Joodsche Land.

En de vrome, groote Rabbijnen van Jeruzalem laten het aanplakken in hun machtig Hebreeuwsch, dat wij zullen vasten ter treure om de verslagenen van ons Volk. Overal om de aanplakbiljetten staan de vrome mannen, met de mooie scherpzinnige gezichten, zij lezen. En wij zijn verslagen. Als in een hopeloos belegerde stad.

De Dag. De morgen is heet. En niet het heerlijke, tintelende, koele ochtendbad. Men onthoudt zich van alles, wat genot geeft. En niet het bonbon-geurende mondwater. Ik wil wat lezen. Ik wil wat schrijven. Maar ik kan het niet. De hitte staat. Wreed. O, mijn hoofd is zoo zwaar. De kinderen in Polen, die vermoord zijn. En de mannen. De Moeders. De meisjes. Wreede visioenen branden. De lijken verminkt. Maar als ik goed zie, zijn het rozen. Witte en roode rozen. Geen menschelijke wereldmacht schijnt sterk genoeg te zijn om te beletten, dat de Polen de Joden vermoorden. En ons Land, ons eigen Land, zal het in staat zijn de verdrevenen van ons Volk op te nemen. R. Chaïm Sonnefeld, de groote, de vrome, heeft ons getroost: "Het Land zal plaats geven voor allen... wij zullen nooit behoeven te klagen: deze plaats is te nauw om er te wonen." Maar ik klaag het weer uit: "Waarom de pogroms... waarom worden Gods lievelingen als beesten geslacht?" Hij troost mij, de groote, de vrome, zooals een wijze man een dommen jongen troost.

De hitte. Mijn mond brandt. Ik vraag: "waarom drink ik niet." Omdat de Polen de lievelingen van mijn Volk hebben vermoord. Amalek. De honger scharrelt in mijn keel. Waarom eet ik niet? Omdat de Polen de lievelingen van mijn Volk hebben vermoord, Amalek. De visioenen. Bloed of rozen. Mijn hoofd duizelt. De wereld duizelt. En allemaal vogels fluiten. Mijn bloed fluit. O, de verslagenen van ons Volk. Zal ik uitgaan? De dag is zoo zwaar. De dag is zoo lang. Maar hij moet zwaar zijn en hij moet lang zijn. Wij rouwen om de verslagenen. O, wij zullen noch Polen noch Jeruzalem vergeten!

Het is half twee. De heete dag. De lange dag. De wreede dag. Om twee uur zullen wij bij den Klaagmuur komen voor de gebeden. Ik ontmoet dr. Keller op den weg, den Amerikaanschen Mizrachist. Natuurlijk vast hij ook. Wij vragen elkander niet, waar wij heen gaan. Wij gaan naar den Klaagmuur. De Joodsche winkels in de Jaffastraat zijn gesloten. De Moeder rouwt om hare kinderen. En de vraag hamert door mijn hoofd: "Zal er waarlijk in het huis van Moeder plaats zijn voor alle kinderen, de hongerende, de opgedrevenen?"