Part 3
O, er gebeurt van alles. Een kleine vrouw vult een gelooide geitenhuid met lekker frisch water. En een jongentje komt met een petroleumblik om water te halen. Er gaat vijftien liter in. Hij kan het blik wel vullen. Maar niet op zijn hoofd zetten. Nu, de vrouw met de gelooide geitenhuid helpt hem gaarne. Hij houdt het blik met beide kleine handjes vast. En op sterke, vaste pootjes loopt de jongen huiswaarts. Later zullen wij hem nog eens tegenkomen, op den terugweg met het leege blik, gaande naar die milde levende bron.
Heel het landschap is décor. En dit leven is tooneel, waarnaar de Dood mild en ernstig kijkt, dat alle spelers op hun tijd het tooneel verlaten.
De schaduwen van den laten middag leggen zich langer en lager. Wij gaan op den terugweg. Nu een anderen weg. Langs de tuintjes, die wij van den stadsmuur af in terrassen zien vallen naar het dal toe. Waar water komt, daar is het land ook vruchtbaar. Elk plekje grond wordt hier voor groententuin gebruikt. De vrouwen werken daar, vroeg oud en geduldig. Waar wij de stad naderen wordt het tooneel weer voller. Op een muurtje zit een rij vrouwen uit te kijken naar het dal. Als de meisjes net twee mannen voorbijkomen, slaan zij snel de sluiers voor. Op den hoogen stadsmuur wemelt het van luie kijkers. Heel eenzaam op een heuveltje zitten een bruin broertje met een bruin zusje. En ze kijken uit, hoe de avond daalt. O, wat is dat lief en teeder.
De meisjes kakelen hun mooi Hebreeuwsch. Maar ik ben moe en bedroefd. Jeruzalem. Amsterdam. Zooveel wind en zee tusschen de beide steden. Zal ik te Jeruzalem mijn rust vinden? Ach, de rust en de onrust zijn niet in de steden, maar in onze ziel. En ook hier ben ik een diep-gekweld mensch.
Deze zalige Sabbath eindigt. En dan? En dan? Laat ik probeeren dankbaar te zijn: wanneer de Sabbath het Heilige van ons leven is, dan is Sabbath in Jeruzalem zeker het Allerheiligste wel.
DE STAD VAN JIRMÉJAHOE.
De vastendag van 17 Tammoez. De drie weken. De vastendag van 9 Ab, Wij hebben weder alle rampen herdacht, die één- en tweemaal over Jeruzalem heengekomen zijn. Nu gaan wij door het tweede gedeelte van de maand Ab, dat Menachem, dat is Vertrooster heet.
Kunnen wij eigenlijk deze droeve dagen nog wel gedenken? Zou Frankrijk den Sedan-dag nog gedenken als een nederlaag of Duitschland als een overwinning. Misschien is de herdenking goed voor Frankrijk als een vermaning tot bescheidenheid en voor Duitschland als eene bemoediging tot kracht. Keer en tegenkeer.
De vraag of wij voort zullen gaan met het herdenken van onze nationale treurdagen is besproken. In Engeland door de Jewish Chronicle, die tegen afschaffing is. Hier heeft de "Palestine Weekly", het Engelsche bijblad van Doar Hajom, al heel voorzichtig te kennen gegeven, dat in orthodoxe kringen het voornemen bestaat, den vastendag van negen Ab zijn droevig karakter voor een gedeelte te ontnemen. Ik geloof dat niet. Maar men maakt de geesten bereid: Bijvoorbeeld: een van onze Hollandsche Zionisten beweerde, dat de Rabbijnen Diskin en Sonnefeld den negenden Ab als vastendag hadden afgeschaft. Het was overal in de stad aangeplakt. Heel geloofwaardig was 't bericht niet. Zoo iets als de bewering, dat dr. Kuyper en mr. De Savornin Lohman hebben toegestemd in een bolsjewieksche revolutie. Maar overal in de stad aangeplakt! Laat mij dat dan maar eens zien. Groote gele biljetten. Een verbod van de Rabbijnen Diskin en Sonnefeld deel te nemen aan de Constituante wegens het vrouwen-kiesrecht. Niet precies hetzelfde. Hebreeuwsch is een moeilijke taal. Maar de geesten worden bereid.
II.
Wij hebben den dag gehouden als naar gewoonte, in het jongensweeshuis van den heer Goldsmit. De kleine synagoge ontdaan van alles, wat maar overbodig is. Wij zitten des avonds op den grond bij weinig kaarslicht. De jongens barrevoets. De treurzangen en Jeremia's klaaglied worden gelezen. Ook den volgenden dag worden zij gelezen. Het is alles als andere jaren. Maar het is toch niet alles als andere jaren. Een Joodsche Landvoogd. En sinds de Paaschdagen een verandering ten goede, die ons vaak angstig maakt, zóó glad en goed als alles gaat. Kunnen wij nu alle droeve dagen nog zóó blijven gedenken?
Des Zaterdagavonds ben ik naar den Klaagmuur gegaan. Verleden jaar heb ik het niet gedaan. Men had mij gewaarschuwd. Ik had moeten luisteren. Welk een droevig en beschamend schouwspel. In den nacht van den negenden Ab komen de vrome Joden aan den Klaagmuur bidden en leeren. En de nationale jeugd komt er zich bij vermaken. De jongens zoo vrij mogelijk gekleed. Meisjes, in lichte toiletjes, rokjes kniekort, dragen wandelstokjes, zooals zij het de vrouwen van Engelsche officieren soms zien doen. Luid gebabbel en er wordt gezellig gerookt. Vaarwel Klaagmuur. Een droevig en beschamend schouwspel. De nationale opvoeding van de laatste jaren heeft hun geen eerbied voor ons nationaal verleden geleerd. Ongetwijfeld heeft onze Palestinensche jeugd veel goeds. Ziet onze gymnasten en onze padvinders maar eens door de stad gaan. Maar anderzijds: welk een oppervlakkigheid en gemis aan ernst. Talrijke jonge onderwijzers bijvoorbeeld verlaten het land om buiten verder te studeeren of prettiger te leven, terwijl zij hier zoo noodig zijn. Het zijn in vele gezinnen ook de jongelui, die de ouders dwingen tot een leven boven stand. Wij worden hier af en toe grimmig. Bijvoorbeeld: men heeft buiten het land een groote reclame gemaakt met het feit, dat Palestina een honderdduizend pond heeft gegeven voor het Bevrijdingsfonds. Heel mooi. Maar nu hooren wij, dat allerlei beloofde giften niet betaald worden. Een groot gedeelte van het geld is gegeven door ambtenaren en door de onderwijzers, die vlak daarop een groote salarisverhooging kregen en nu weder een duurte-toeslag. O, de geest van materialisme en egoïsme! Die moeten wij te boven komen.
III.
Jeruzalem drukt mij. De kleine, geweldige stad, die de navel is van Gods aarde. Ik zit in te veel vereenigingen en in te veel commissies die toch alle niets doen dan praten. Eén dag wil ik weg zijn. Ik wil naar Anatoth gaan, dat tegenwoordig Anata heet. De stad van Jirméjahoe, dien gij Jeremia noemt. Gij weet, hoe het Boek van Jeremia begint: "De woorden van Jeremia, den zoon van Hilkia, uit de Priesteren, die te Anatoth waren, in het land van Benjamin". Verleden jaar ben ik door Anatoth gekomen, op weg naar het water en naar den waterval van Aïn Fara. Jeremia. Het was de Profeet, dien ik vreesde. Jesaja, de milde, lichtere. Maar dit jaar is Jeremia mij vertrouwder geworden. Ik heb alle Drie Weken lang Jeremia gelezen. De Klaagliederen en het Boek van zijne voorspellingen en vermaningen. Nu is ook zijn donkere, zware taal lichter geworden.
Ja, dus wil ik naar Anatoth gaan, ter bedevaart. Voeten gaan over dezelfde landen, die Jeremia ook is gegaan. Dezelfde lijnen zien van zijne bergen, toen Jeremia een Joodsche jongen was. Hoe vertrouwd alles en hoe dichtebij. Op zijn hoogen heuvel Mizpah zien liggen, dat de Arabieren noemen Nebi Samwil, dat is Profeet Samuël. En verder het oude Bijbelsche Rama. Alleen hier, in dit Heilige Land kan men de Heilige Schriften beleven.
Naar Anatoth gaan en in een van de vijgentuinen de Boeken van Jeremia lezen, waar de zon heet is en de schaduw koel.
IV.
Neen: mijn vriend Adil Effendi zal niet met mij medegaan. Dit is geen tocht voor hem. Maar Galed, de Arabier van het meisjesweeshuis. Ach: er is veel veranderd. Een nieuwe geest, wel werkzaam, wel bedrijvend. Maar waar is de vroomheid, en waar is de heiligheid van Sabbath en Feestdagen. O, de onheilige geest van materialisme en van zelfzucht, die over dit land vaart. Galed is nog in het weeshuis. Hij wil gaarne medegaan. Een dag van geen werk en zeker een bakschisch.
Wij gaan op weg vóór het vijf uur is. Natuurlijk zal het niet regenen. Het regent niet van April tot over November. Maar het heeft zwaar gedauwd, dat nu in grijze tochten optrekt.
De wegen bekend tot aan het groote huis van den Groot-Mufti aan den Olijfberg-weg. En telkens de verrukkelijke uitzichten over Jeruzalem. De stad, oud, binnen zijn muren. En de nieuwe wijken uitgebouwd en uitgeblokt over heuvelen en dalen. Zooveel kerken. Een heilige stad van allen. Maar toch onze stad. Bij het huis van den Groot-Muftie links en langs weer een groot Engelsch soldaten-kerkhof. Er is hier voortdurend zwaar gevochten van de bezetting van Jeruzalem tot de laatste doorbraak.
Dan in de bergen. De stad heel weg. Alles stil. Een voetweg. Anatoth ligt buiten groot verkeer. Er is een rijweg, door de Engelschen in den oorlog uitgelegd. Maar wij gaan kleinere, snelle wegen. Een kleinverkeer tusschen dorp en stad. Wat druiven, tomaten, brandhout op kleine ezeltjes heen en weer. De bergen kaal. Zwarte geiten grazen het droge zomergras als hooi. De hitte stijgt. Van verre Anatoth. Land en stad van Jirméjahoe.
V.
Nu is het maar een handvol hoopje huizen op zijn heuvel. Veilig voor de vijanden en open voor den wind. Toch maakt het van verre een beteren indruk dan groote dorpen als Zarnoeka en Jibné, die van leemen huizen zijn gebouwd. Hier zijn de huizen van gehouwen steen. Sommigen half-af. Of opgezet als groote huizen en afgebouwd met een dwaas, kort dak.
Anatoth was een Levietenstad in Benjamin, (Josua XXI: 18) waarheen Salomo Abjathar den Priester bande, zeggende: "ga naar Anatoth, op uwe akkers" (I Koningen II 26-27). Misschien, dat wij wel over de akkers van Abjathar gaan. Hier is het land, waarover de Assyriërs naar Jeruzalem trokken in de dagen van Jesaja (X 28:32). Toen moet het "arme Anatoth" een vesting geweest zijn. "Anatoth en hare voorsteden", zegt de Statenvertaling in Josua XXI:18. "Voorsteden": ik twijfel of die vertaling goed is. Hebben al die steden daar genoemd dan maar "voorsteden" gehad? Het "Hebreeuwsch" heeft: "migrach", dat is: een weideplaats voor vee, rondom de stad, en in nieuwer Hebreeuwsch ook een: bouwterrein voor een huis.
Men zegt, dat in de huizen zeer oude steenen zijn ingebouwd. Ik zie, midden tusschen nieuwe steenen, een groot, grauw bouwblok, dat lijkt op de steenen van den Klaagmuur.
Men begint nu weer aan de voorbereidingen voor archaeologische onderzoekingen. Anatoth zal ook wel een beurt krijgen.
VI.
Wij legeren ons in een vijgentuin buiten het dorp aan den weg naar Aïn Fara. De vijgen zijn nog niet rijp, maar de bladeren gewoon heerlijk. Ze beschutten zalig voor de zon en de wind waait er koelte. Altijd maar op een heuvel, uw dorpen. Het wijde uitzicht, een wereld, die ook de wereld van Jeremia is geweest. Hoe héél dichtbij en hoe vertrouwd. Hier hebben de booze mannen van Anatoth geleefd en zijn zij gestraft, gestorven (XI 21-23). Deze tuin of daaromtrent is het veld, dat Jeremia kocht van Hanameël, den zoon van zijn oom. (XXXII:7). En in onze dagen worden de woorden vervuld (XXXII:15): "Want zoo spreekt de Heer der heirscharen, de God van Israël: weder zullen er in dit land huizen, velden en gaarden gekocht worden". De uren gaan in een zalige onschuld, en het is al mooi middag geworden, wanneer ik, mijn booze vrienden van den Joodschen Wachter gedenkend, lees, welk een geweldig défaitist Jeremia is geweest. (XXXVIII: 1-6). Maar hij werd dan ook levend in een put geworpen.
VII.
Wij eten te zamen gezeten op een muurtje van steen, gelijk men hier om de tuinen bouwt. Wij hebben wittebrood, druiven, vijgen en heerlijk water, diep uit den grond. Galed maakt praatjes met de voorbijgangers. Een vrijmoedige vrouw, die de veldwachter blijkt te zijn. Een afschuwelijke oom met een heel aardig neefje. De afschuwelijke oom doet niets. Het neefje houdt het Engelsche kerkhof zuiver. Hij verdient een shilling per dag, maar is dan ook "ketier mabsout", gij zoudt zeggen: reuze-tevreden.
Maar wij moeten de Stad van Jirméjahoe verlaten. Want ik kan niet te laat terugzijn in Jeruzalem, de oude, geweldige stad. Er is een vergadering van den Aschkenazischen kerkeraad, waarin eenige oude twisten zullen worden geliquideerd en eenige nieuwe zullen worden opgezet.
YATACK-IL-KHARAMIYEH??
Wanneer ik op een milden Vrijdagochtend mijn bezoek breng bij den Groot Mufti van Palestina, te Jeruzalem, dan vind ik daar den Kadi en Djemal Bey Husseini, een van de politieke Arabische advocaten. En ook drie zwijgende Arabieren. Gekleed in de dracht van aanzienlijke Fellachen. Zij spreken en zwijgen alleen in het Arabisch. Hoe heeten zij? Djemal Bey schrijft het op. Zij zijn twee broers: Amin en Ragib El Hawadja en de zoon van één hunner. Ik moet lachen om den naam: Hawadja. Want dat is de titel van Europeanen en Christenen. Aanzienlijke Mohammedanen heeten Effendi.
Vrijdagavond. Wij hebben gasten. Familie van de vrouw des huizes. Haar vader is jaren lang hoofd geweest van de Wachters, die de Joodsche kolonie Rehoboth beschermen tegen Arabische rakkers. Haar broer een van de stoutsten en sterksten onder de Joodsche ruiters. Ik zeg iets over mijn bezoek bij den Mufti. En over de drie mooie, zwijgende Arabieren, die ik voor rustige landedellieden houd. De wondere naam El Hawadja is mij natuurlijk bijgebleven. Maar dan word ik door den vader uitgelachen en ingelicht. Wat, kon ik Amin el Hawadja niet? Dat is de grootste dief van heel Palestina. Dat wil zeggen: hij steelt zelf niet. Maar hij kent alle dieven. Zij stelen. En zij brengen den buit bij hem. Doen ze dat niet (maar ze doen het!) dan zorgt hij, dat ze in handen vallen van de politie of van den bestolene. Doen ze het wel (en ze doen het!) dan zorgt Amin voor den verkoop. Dikwijls ook wendde de bestolene zich tot Sjech Amin met verzoek den dief op te sporen. Natuurlijk werd het gestelene dan spoedig gevonden. En de dief kreeg ook wat. In den Turkschen tijd was dat veel eenvoudiger dan een klacht indienen bij de Regeering. Amin el Hawadja heet Sjech el Kharamijeh, dat is: de Sjech der Dieven. Heelemaal geen schandnaam. Stelen is hier trouwens geen schande. Maar bestolen worden, dat is schande. Diefstal is een beleediging, die zoo mogelijk zwaar gewroken wordt. En de dieven zijn dikwijls veel banger voor den bestolene en diens familie dan voor de Regeering. Vooral in den Turkschen tijd, toen eigen richting nog iets heel gewoons was. De Engelschen gaan die te keer. Sjech el Kharamijeh! Hij is er geducht rijk bij geworden. Hij heeft acht en twintig kinderen in leven. Tien zonen. En achttien dochters. Hij heeft vijftien vrouwen gehad. Dood. Gescheiden. Nu nog vier over.
II.
En dat is nu aardig. Een paar dagen later komt Amin paarden verhandelen met mijn vriend Abdoel Salaam, den broer van Adil Effendi. Amin vertelt, dat hij bij den Groot Mufti is geweest en dat hij daar een Europeeschen chawadja heeft ontmoet. "Juist," zegt Adil: "die chawadja is een groote vriend van ons." En dan noodigt Sjech Amin ons uit hem te bezoeken. Hij woont te Naälin, diep en hoog in het gebergte van Judea. Oostwaarts van Ludd en Ramleh. Niet ver van Midji, het oude Modin, de stamstad van de Chasmoneesche heldenfamilie. De donkere oogen van Adil schitteren, wanneer hij mij de uitnoodiging overbrengt. Twijfel ik nog, of ik gaan zal? Mag men een zoo machtigen sjech zóó beleedigen! Maar ik spreek nog lang geen Arabisch genoeg om mij met den sjech waardig te onderhouden. Adil biedt grootmoedig aan mede te gaan. Nietwaar, anders moest ik toch een tolk medenemen en misschien nog wel een gids. Goed, maar als wij eens afdoend bestolen werden? En ik vertel Adil wat ik van den waardigen Sjech el Kharamijeh heb gehoord. Maar nu wordt Adil heel boos. Mag men een machtigen sjech zóó belasteren? Zeker weet de wijze Amin el Hawadja alle dieven en alle diefstallen. Hij helpt de bestolenen altijd in het weervinden van het gestolene. En natuurlijk worden hem dan moeite en tijdverlies vergoed. Moet hij schade lijden, omdat anderen zoo dom zijn, dat zij zich laten bestelen? Goed, dan zullen wij de uitnoodiging aannemen.
Het wordt een groote reis. Naälin ligt een twintig kilometer Noordwest van Jeruzalem. Maar er is geen weg. Een looppad, hoogstens een paardenpadje door de bergen. Wij moeten met den morgentrein gaan naar Ramleh of Ludd. Overnachten. En 's morgens te paard de bergen in. Geen wagenweg. Twee dagen uit en thuis. Adil doet thuis ook niets. Maar op reis niets doen is toch nog weer geheel anders.
III.
Nietwaar, vóór men op reis gaat, mag men toch wel eens informeeren naar den gastheer? En zietdaar informaties uit zeer vertrouwbare bron: "Amin el Hawadja was hoofd van een rooverbende en maakte het geheele district onveilig. Hij had altijd een honderd goed gewapende en goed bereden mannen onder zijn commando, die hem met hart en ziel waren toegedaan. Hij maakte een groot fortuin en dwong een groot aantal dorpen hem als sjech te erkennen. De Turksche regeering kon niets tegen hem doen. Hij werd verscheidene malen ingepikt, maar al gauw weer losgelaten uit vrees voor zijn bende. Na de Engelsche bezetting en met het begin van de Arabische nationale beweging werd hij een man van veel invloed. De leiders van de beweging vleiden hem. Hij werd heel trotsch en beloofde hun zijn hulp. Ofschoon hij een man is zonder eenige opvoeding, slaagde hij er in op goeden voet te komen met de Engelsche autoriteiten en de militaire gouverneur van Ramleh heeft hem verscheidene malen bezocht. Hij zelf steelt nu niet meer. Hij is alleen: "Het bed van de dieven", zooals de Arabieren hem noemen: "Yatack-il-Kharamiyeh". Al 't gestolene wordt bij hem gebracht en hij brengt 't aan de markt. Iedereen in 't geheele land weet dat. Tegenover den bekenden Tewik Bek heeft hij zich uitgelaten, dat hij de Engelschen nog wel eens een loer draaien zou. "Ze konden zich nog wel eens in hem vergissen."
Ook Mohammed van den heer Goldsmit kent hem. Als ik hem vraag of hij Amin el Hawadja kent, dan heeft Mohammed maar één woord. _Het_ woord. Maäloum. En ik vraag verder: "is hij de sjech el kharamiye?" Er zijn misschien geen gevaarlijke vragen. Maar er zijn gevaarlijke antwoorden. "Ja," zegt Mohammed: "ik ben uit een ander dorp. En veel van wat verteld wordt, is niet waar. Allah moge alle lasteraars straffen. En ook de dieven moge hij straffen."
IV.
Nietwaar, na deze gunstige informatiën mogen wij gerust gaan. Wie ook bestolen worden, de gasten van den hoofdman zeker niet. Wij zullen Amin dus een brief schrijven, dat wij hem Dinsdag aanstaande zullen komen bezoeken. Adil belast zich daarmede. Het is een heel moeilijk werk, want Amin Effendi is een groote sjech. Wij bedenken ons op ieder woord. Maar 't wordt dan ook een mooie brief: "Aan Zijne Excellentie, den Geëerde, den heer Amin el Hawadja, dat hij altijd leve. Amen!
Wij groeten Uwe Excellentie zeer en wij vragen naar zijn welvaren. Gij weet, dat gij naar El Kuds zijt gegaan en dat gij daar hebt bezocht Zijne Eminentie, den Groot Mufti Kamil Effendi Husseini. Gij hebt daar eenen vreemden heer ontmoet, dien Gij later hebt uitgenoodigd Uwe Excellentie te komen bezoeken. Daarom schrijven wij Uwe Excellentie dezen brief, dat wij hopen te komen op den Derden Dag van de volgende week. Allah is groot. Wij hopen Uwe Excellentie en zijne familie in gezondheid te vinden.
Zij, die u schrijven,
Adil Awedah, Jacob Israël de Haan.
Geschreven te El-Kuds, op den vierden dag van den eersten maand Rabia, van het jaar 1338."
Ook het adres is heel mooi. Rechts boven, vlak in den hoek: "Van El-Kuds," dat beteekent: "De Heilige." Zóó noemen de Arabieren Jeruzalem. Links vlak in den hoek: "Naar Naälin." En midden in één lange lijn: "Aan Zijne Excellentie, den heer Amin el Hawadja, dat hij lang leve. Amen!"
Gij, Hollandsche lezer, denkt nu, dat wij op dezen brief een mooien gelen postzegel hebben geplakt van vijf millièmes, en toen hebben gepost? Maar dan zou de brief misschien niet aangekomen zijn binnen de zes dagen tot ons bezoek. Neen, wij hebben den brief medegegeven naar Rehoboth, en vandaar is hij per looper naar Naälin gebracht. Dat kostte maar zeven shilling. Des Zaterdagavonds hebben wij ons bezoek telegraphisch bevestigd. Kijk, en dat is nu aardig: dat telegram kwam juist aan, toen wij, Woensdagochtend, van Amin's huis vertrokken. Het kostte negen piaster.
V.
Adil, die zich rijk op de reis verheugt, belast zich met alle inkoopen. Daar ik niet in de reishotels eten kan, koopt hij voor mij conserven. Wij hebben eieren. En chocolade, die van Bensdorp blijkt te zijn. Hoe is die hier in de Bazar gekomen? Adil koopt ook bonbons voor de vier vrouwen en de vele kinderen. Hij koopt vier kilo felgekleurde zuurtjes voor den civielen prijs van vijf gulden. Hoe feller gekleurd, hoe lekkerder. Hij koopt ook vier kilo Turksche jujubes, die hier halkoum heet. Ze kosten ook vijf gulden. En een mooie blikken doos van zestig cent. Ik vraag of acht kilo bonbons niet wat veel is? "Neen," zegt Adil: "bezoeken wij niet een machtigen sjech? Zou men ons meer achten, wanneer wij hem minder gaven?" Zóó is het hier. Men dingt op alles af tot het uiterste. Maar met geschenken over en weer is men ruim. En de bezoeker wordt geschat naar de waarde van zijn geschenk. "Zeker zal men ons achten," zegt Adil wel voldaan. Wanneer Adil iets niet wil, dan zegt hij: "Zeker zal men ons daarom minachten." En dan is 't uit.
VI.
Allah is groot. Het is Maandagmiddag mooi weer. De regenwind is nog niet begonnen. Wij kunnen dus nog wel op mooi weer vertrouwen. Wij rijden (voor twintig piaster!) naar het station. En voor zestig piaster de man van Jeruzalem door de bergen naar Ludd. En dan weer voor vijf en twintig piaster in een heerlijk zonnig tentwagentje langs eenen vol en bontlevenden weg naar Ramleh. Omdat er in Ludd geen hotel is. Het hotel in Ramleh is echter ook geen hotel, maar een holletje. Niet duur. Dat is waar. Er zijn twee kamers. Een met vier, en een met zes bedden. Van kamers met één bed heeft de waardin nooit gehoord. Zijn wij dwazen? Wij betalen twee shilling per persoon. Willen wij daarvoor ook nog schoon beddegoed? Zijn wij dwazen? Wanneer wij een shilling den man bijbetalen, dan zal zij ons schoon beddegoed geven. En dan op stap naar paarden. Wij gaan daarvoor naar de apotheek. Dat is de sociëteit van Ramleh. De apotheker heeft met Adil's broer tegelijk te Beyrouth gestudeerd. Nu, tegen den avondval, komen alle notabelen van Ramleh een praatje maken bij den apotheker. Paarden? Rijpaarden zijn er niet. Die zijn veel te duur geworden. Maar wij kunnen Amin el Hawadja wel een brief zenden om rijdieren en een gids, Wij offeren dus weder een half pond voor een nachtlooper naar Naälin. Wij geven hem een Engelschen brief mee, vol van 's mans goede bedoelingen, voor het geval hij door een Engelsche patrouille wordt aangehouden. Een mooien Arabischen brief voor den sjech. De man wapent zich met een dikken stok tegen de jakhalzen. En dan maar loopen.
VII.
En zoowaar, met den mooien morgen, daar verschijnt Sakhib, de tweede zoon van den sjech. Groot en waardig in een bruin gewaad. Zijn vader wacht ons half-weg Naälin in zijn landhuis, dat heet Dar Salameh: Woning des Vredes. Hij zendt ons zijn mooiste paard voor mij. Een mooien witten ezel voor Adil. En hij, Sakhib, rijdt een gezellig grauw ezeltje. Wij eten eerst samen. Wij doen dat zonder messen en vorken. Wij breken het brood in groote brokken. Wij doopen dat in de olie van onze sardientjes en nemen met onze vingers de stukken sardien. Ik sidder af en toe. Maar zou ik den tweeden zoon van een machtigen sjech mogen beleedigen? En eten als de dwaze Europeanen doen met een vork en een mes? Ieder van een bord apart, als vergiftigde vijanden!