Jerusalem

Part 2

Chapter 2 4,012 words Public domain Markdown

Ook het jongetje Daoud. Een heel mooi Arabisch-Circassisch jongetje. Het blonde gezichtje van de moeder. En de donkere, sterke oogen van den vader. Hij spreekt Circassisch met de moeder. En Arabisch met den vader en de andere familieleden. Natuurlijk vindt hij dat heel gewoon. Hij heeft de twee talen even vlug geleerd als andere kinderen hun eene taal leeren. O, hij is heelemaal niet bang voor den vreemden chawadja. Trouwens, de chawadja heeft koekjes en bonbons meegebracht. Een tafeltje bij het raam met het mooie uitzicht op Jeruzalem. En dan koffie, koekjes en bonbons. Waarom zou de kleine Daoud den chawadja vreezen? Hij heeft een stemmetje als muziek. En hij zegt woordjes als bloemen. Hij lacht met witte tandjes achter roode lipjes. Mag Daoud nog een koekje? Hier in het dorp draagt hij een Arabisch japonnetje met een heel klein pittig fesje. Maar als hij naar Jeruzalem gaat, dat daar beneden ligt en eigenlijk El Kuds heet, dan heeft hij een grijs Europeesch pakje aan, en een bruin mutsje op.

IV.

Maar toch, Saïd Effendi heeft mij heel lief ontvangen. Ik heb het huis gezien. En genoten van het uitzicht over de stad vlakbij. Er is iets, dat Saïd Effendi hindert. Ik zie het. Natuurlijk komt het niet te pas, hem zonder meer, daarnaar te vragen. Maar het is niet ongepast, wanneer ik hem de gelegenheid geef, het mij te zeggen. Ik vraag en zeg dus héél voorzichtig. En hij antwoordt: Ja, hij heeft een droeve zaak. De jongste broeder van zijne moeder is voor eenige dagen doodgeschoten in een twist aan de overzijde van den Jordaan. In het gebied van den Emir Feisul. Toen Saïd uit Hebron thuis is gekomen, heeft hij het gehoord. Gisteren is het lijk overgebracht. En vandaag is er een familievergadering in een dorp dichtbij, wat te doen. Want men kan dezen moord niet zoo maar ongewroken laten. Saïd is donker, woedend. Niet, omdat hij den dooden oom zoo liefhad. Maar omdat een zeer ernstige beleediging de heele familie is aangedaan. Men kan het niet ongewroken laten. Maar aan den anderen kant is zoo een geval in de familie zeer lastig. Vooral omdat de familie van den moordenaar een zeer machtige familie is.

Hij vraagt het mij dringend: "Zal ik hem in alle vriendschap vergeven, wanneer hij nu naar den familieraad rijdt? Zal ik niet boos zijn? Hij moet. Het is de laatste dag van zijn verlof. En hij moet weer te paard naar Hebron."

Hij rijdt weg. In een duistere woede. Op wien is hij woedend? Op den oom, of op den moordenaar?

V.

Zijn jongste broer, die Chalil heet, zal met mij naar den hoogen uitzichttoren gaan, naast de Russische kerk. Overal rondom Jeruzalem ziet men den hoogen, spitsen toren, met die vier opengebouwde rondgangen. Chalil weet alles. Meer dan tweehonderd traptreden van een ijzeren brandladdertrap. Maar dan het uitzicht, eindeloos door den hellen dag. Beneden het Kidrondal. En Jeruzalem dichtbij. De tempelberg, dien de Arabieren noemen Haram Esch-Scherif, dat is: het Groote Heiligdom. De Omarmoskee met den zwaren grijzen koepel en de moskee Aksa. Heel ver in de Jaffa-buitenstad de witte Russenkerk. En de koepel van de Abessinische kerk vlak bij 't meisjesweeshuis. Anderzijds de Doode Zee, een uur of vijf, zes weg. Maar lijkt werpelings dichtbij. De weg naar Jericho. De kleine Chalil weet alles. Hij spreekt wat Engelsch. Maar ook de kleine Chalil is niet rustig: "Mijn Heer," zegt Chalil, die trouwens al veertien jaar is: "wanneer gij alles hebt gezien, zouden wij naar beneden kunnen gaan. En ik zou ook kunnen gaan, waar mijn broer Saïd is gegaan, want mijn oom is vermoord." Ach, waarom zou ik den kleinen Chalil afhouden van wat naar bloed ruikt! Wij dalen weer draaiend: "Over de tweehonderd treden," zegt de kleine Chalil: "ik ga te paard. De geheele familie zal gekomen zijn."

VI.

Wij rijden terug, in het mooie wagentje, dat nummer 18 heeft. Want Saïd Effendi wil niet, dat het mooie Arabisch-Circassische jongetje thuis is, wanneer hij weer naar Hebron gaat voor langen tijd. Het jongetje en zijn tante gaan dus mee naar Jeruzalem. En ik denk, dat ik het mooie jongetje zal laten fotografeeren, eene verrassing voor Saïd. De zalige dag. En het heerlijke landschap. Het kleine jongetje praat onverdroten. Als vogels en bloemen. Is het Arabisch? Is het Circassisch? Neen, neen, het is Arabisch. O, ik schiet al aardig op. Hij lacht. Hij ziet iets, dat heel lief is. En hij is heel blij in 't mooie wagentje.

De fotograaf. Hij prijst zich zelven. Hij heeft lang in Duitschland gewerkt. Neen, hij heeft den keizer nooit gefotografeerd. Maar hij heeft wel eens een negatief des keizers ontwikkeld. Hij weet dus alles van de Duitsche politiek. "Mijnheer," zegt hij: "gelooft u mij, ik weet het, men doet dien man onrecht." Maar wat een onmogelijk jongetje is dit! Een Joodsch jongetje! Neen. Circassisch-Arabisch. Juist, mijnheer, dat dacht ik wel. Wat kijkt dat kind ernstig. Een kind moet vroolijk zijn, niet waar? Altijd vroolijk.

Het jongetje Daoud is niet bang. Het kijkt maar heel wonderlijk naar dien raren, drukken man, die hem plooit en vouwt. Die fluit, danst en zingt. En het Arabisch-Circassisch jongetje Daoud wil niet lachen. In 's hemelsnaam. Morgen kan ik de platen komen zien. Wat een onmogelijk strak jongetje.

En den volgenden dag. Nog zaliger weer. 's Middags langs den Jaffaweg naar den fotograaf. En ik ontmoet mijn vriend, den stadsaanplakker en omroeper R. Leizer Schwartz. Heden heeft hij mij aangeplakt, voor een lezing, vanuit een groote hengselmand. En heel waardig overhandigt hij mij een van de biljetten. Zóó geeft men een doodvonnis.

En de photograaf: "Mijnheer, de foto is prachtig, ik ken mijn vak. Maar wat een onmogelijk kind is dit."

SABBATH IN JERUZALEM.

Wanneer de Sabbath het Heilige van ons leven is, dan is Sabbath in Jeruzalem zeker het Allerheilige.

Eenen Donderdag ben ik te Jeruzalem aangekomen. En Vrijdagmiddag zijn wij een wandeling door het Joodsche kwartier begonnen. Toen was ik nog een vreemde in onze stad. Nu ik de Sabbathdagen van reeds menige week herdenk, ben ik al geen vreemdeling meer.

Sabbath te Jeruzalem. Alle Joodsche winkels sluiten. Geen Joodsch werkman is aan den arbeid. De kapperswinkeltjes hebben het al vroeg in den middag heel druk. En de jongens, die schoenen poetsen in het Jodenstraatje.

Men leert de bewoners onderscheiden aan hunne kleeren. De Sefardim dragen zwarte mutsjes. Ook wel een fez, gelijk de Jemenietische Joden. De Aschkenaziem, afkomstig uit Oost-Europa, dragen streimels, dat zijn platte, ronde mutsen met fluweelen rand. Ze dragen lange kaftan-kleeren, sommige van schitterende zijde of fluweel; brandend oranje, rood of hel-blauw. De mooie Sabbath-kleederen zijn dikwijls de eenige rijkdom van deze arme, vrome mannen. Niemand in Europa weet, wat de Joodsche stadsbevolking van Jeruzalem geleden heeft. Duizenden Joden zijn van honger gestorven. Andere duizenden door de typhus. In het begin van den oorlog hebben de Amerikanen geld gezonden. Toen Amerika den oorlog begon, hield dat op. De groote, vrome rabbijnen hebben hun kleeren en hun zielsbeminde boeken moeten verkoopen voor een schamel stuk brood. Schatten aan boeken zijn naar Engeland en naar Amerika gegaan. De toestand is nu iets beter. Het ondersteuningswerk is nu in handen van de Zionisten. Maar hun werk is natuurlijk ook niet volmaakt. Het is heel moeilijk eene regeling te vinden, die niemand schaadt in zijn rechten en belangen. Misschien was het beter, dat het politieke werk van de Zionisten afgescheiden bleef van het liefdadigheidswerk. Er is een deel van de orthodoxie, die van het Zionisme niets weten wil. En ook geen geld wil aannemen, dat door hun handen is gegaan. Anderzijds wordt beweerd, dat het voordeelig is, zich aan te sluiten bij de Zionisten. De toestanden zijn hier buitengewoon gecompliceerd.

Maar dat ziet men bij eene wandeling door de stad niet. Dan zien we, tegen den Sabbath, de vrome Joodsche mannen gaan. Zij knippen de hoeken van het hoofdhaar niet af. Hunne gezichten zijn mild en teeder met de lange lokken. Dit zijn de mannen, die de Heilige Leer beoefenen alleen en uitsluitend om haar zelve. Niet om eer. En niet om gewin. Deze zwakke, uitgeleden mannen zijn de dragers van de oude schatten van het Jodendom. Maar als dit lieve, zwakke geslacht uitsterft? Ik ben nog niet in de koloniën geweest. Men zegt, dat daar een jong, sterk geslacht opgroeit. Maar het neemt de oude schatten niet over. En dat is onze taak: een nieuw sterk geslacht te kweeken, waarin ook de Joodsche geest sterk zal zijn. Ontroerend is het de teedere zwakke Joodsche geleerden te zien gaan tusschen de stoute, sterke Bedouïenen van het Transjordaansche. Maar die kunnen lezen noch schrijven. Als wij dat bereiken konden: een Joodsche jeugd zoo stout en sterk als de Bedouïenen zijn, en zoo wijs en geleerd als de rabbijnen.

II.

De Klaagmuur. Wij zijn den eersten Vrijdagmiddag naar den Klaagmuur gegaan. Door een warreling van straten en steegjes, waarin ik nu ook al geen vreemdeling meer ben. Een van mijn Joodsch vrienden te Amsterdam (wat is Amsterdam ver! Wat zijn de Joodsche vrienden ver!) schreef mij, dat hij het liefst zou willen weten, met welke gevoelens ik den Klaagmuur voor de eerste maal genaderd ben. Beste vriend, antwoord ik hem nu: in een ontroering waarvoor ik geen woorden weet. En waarvoor gij ook geen woorden weten zult, wanneer uw Dag gekomen is. Als wij woorden wisten voor deze ontroeringen, zouden wij geen individuen zijn. Maar wij zouden samenvloeien als water droppels. De woorden, die ik nu opschrijf, zijn niet meer dan punten, die niet dringen in belangrijke gevoelssegmenten.

Wat is ons deze Klaagmuur eigenlijk? Zouden wij zonder dit brok muur niet weten, dat wij eenmaal een tempel hebben gehad, teeken van nationale en godsdienstige eenheid? Wij zouden het zeker ook weten zonder dien Muur. En toch: zouden wij het gevoelen, zóó diep als thans, wanneer we onze handen leggen op de eeuwige steenen en onze middaggebeden spreken, het betraande gelaat naar den muur gekeerd? De Klaagmuur: ik heb wel eens gevreesd, dat het niet geheel en al echt zou zijn, het schreien en weenen bij dezen Muur. Maar ik vrees dat nu niet meer. Zij, die lijden, en het zijn duizenden en duizenden in Jeruzalem, gaan naar den Klaagmuur om hun eigen leed daar uit te schreien. Hun tranen zijn zoo echt, als het leed van het Joodsche volk. In de reisboeken staan ons leed en onze muur aangeteekend als een bezienswaardigheid. De touristen, die waar voor hun geld moeten hebben, gaan op Vrijdagmiddag tegen den avond, omdat er dan veel Joodsche klagers komen. Ik ga bijna elken dag, tegen den laten middag. Ik heb mijn hoekje tegen den Muur al gevonden. Geen vreemde ben ik er meer. Ik heb dat onbeschrijfelijke gevoel gevonden van thuis te zijn. Ik ga er vanzelf heen. O, de weg is niet moeilijk. Dat lijkt maar zoo in het begin. Tusschen den Bazaar en het Jodenstraatje links. De straat in, die daalt met zooveel trappen en die zoo vol is van Arabisch beeldhouwwerk. Er is één plaats, waar twee prachtige poortjes tegenover elkander zijn. Dan rechts afslaan. En dan altijd maar links. Overal waar de straat een hoek maakt, links. Altijd trapjes af. Een wonderlijke overdaad van straatjes, steegjes, trapjes, hoekjes en holletjes. En dan niet dat donkere poortje in. Maar dat weggetje, waar 's middags de zon schijnt. Dan zijt ge er. En dan, mijn beste vriend, wordt het onbeschrijflijk. Dan komt uw Ziel in het Gebied, waar geen Woorden doordringen. Dan zijt ge gansch alleen...

En tot zoover had ik geschreven, Vrijdagmiddag, toen de bazuin geblazen werd over de Duitsche Plaats, om de Joodsche vrouwen te waarschuwen, dat zij de Sabbathlampen moesten aansteken. Toen ben ik ook met schrijven opgehouden. Zeker, beste vriend, zal ook uw Dag komen, dat gij voor het eerst naar den Klaagmuur zult gaan. Zoo God het wil, zal ik gaarne uw geleider zijn. Tot gij den weg door warrelende straatjes en steegjes alleen zult weten. En verlangen zult alleen te gaan, als uw hart zwaar is en gij verlangen zult uit te schreien tegen den muur.

III.

Dien eersten Vrijdagavond ben ik gast geweest in het meisjesweeshuis van den heer en mevrouw Zilversmit, waarvan ik u al gesproken heb.

O, in dit huis is de Sabbath een heerlijkheid. De zegenspreuken over Wijn en Brood worden met heilige wijding uitgesproken. Voor ons is het Hebreeuwsch toch altijd een taal, die buiten het dagelijksch leven staat. De Hebreeuwsche woorden kennen wij uit de gebeden. Zij hebben een bijzondere gevoelswaarde voor ons. Maar gewone ongewijde woorden eener spreektaal zijn zij niet. Voor deze meisjes anders. Het Hebreeuwsch is hun gewone spreektaal. De gevoelswaarde van de gewijde woorden is een geheel andere. Maar achter al die waarde-verschillen zal ik wel nooit komen. Want zelfs al was Hebreeuwsch mij zoo eigen als Hollandsch, dan nog zou ik mijn subtiele bedoelingen niet onder woorden kunnen brengen. En de meisjes zouden de gevoelens, die mijn woorden opwekken, ook niet kunnen uitspreken. Wat doet de zee: de landen verbinden of de landen scheiden? Wat doet de Taal: de menschen verbinden of de menschen scheiden?

Na het eten worden de lieve, milde Sabbathzangen gezongen.

En dan gaan we met ons allen in de hal. In de groote, heldere hal. De kleine meisjes spelen hun Hebreeuwsche spelletjes. Altijd een aardige les in het Hebreeuwsch. De grootere babbelen in troepjes. En er komen gasten. Want iedereen is hier welkom. Er is een Amerikaansche majoor. Een kerel als een boom. Bij nader onderzoek blijkt hij een doodgoede medicus te zijn. En, glimlachend als een oud, moe man, zie ik de oude geschiedenis, die toch altijd nieuw blijft. Er komt een lieve, slanke jongen, een leerling van de Onderwijzers-Kweekschool. Zijn ouders wonen in een van de koloniën. Maar hij is hier in de stad op school. Ik geloof, dat hij hier zijn vriendinnetje heeft. En ik geloof, dat het vriendinnetje dat ook wel weet. En ook wel weten wil. Neen, ik ben nog niet zoo een heel oud man. Maar ik heb toch iets meer dan deze kinderen beleefd. Gij kent het gedicht van Jacques Perk: "Dorpsdans" natuurlijk even goed als ik. Een grijsaard ben ik nog wel niet. Maar het komt toch. Het komt toch. Misschien zal het leven deze twee lieve kinderen wel genadig zijn. En misschien is het ook heelemaal niet waar.

Het is wel heel laat, wanneer wij scheiden. Donkere maan. Maar er is de goedgezinde Challad met de lantaarn, die mij naar het hotel brengt. In het hotel wel alles wreed en vreemd. Voor de deur ligt een van de kellners op een mail-stoel te slapen, bij wijze van deurwachter. Na den lieven vrede in het groote gezin van den heer en mevrouw Zilversmit is dit wel wreed en vreemd. Als ik in de kleine hotelkamer kom, moet ik mijn hand drukken op mijn hart barstend van pijn. En ik moet tegen het dwaze, bonzend hart zeggen: "Dwaas hart, zoudt ge nu niet eens rustig willen zijn... ge zijt hier, waar ge altijd hebt willen zijn. En wie te Jeruzalem sterft, wordt daar ook begraven."

IV.

Den Sabbathmorgen ga ik ten gebede in het jongensweeshuis van den heer Goldsmit, ook Hollander van geboorte. Gij allen, die Jeruzalem kent, weet, dat het een heele stap is. Van de Duitsche Plaats de groote Poort uit, den Bazaar door en de Jaffastraat tot de Bioscoop en dan links af. Daar ligt dat weeshuis lekker buiten. In het licht en in de zon. Net wat Joodsche jongens noodig hebben om gezond en sterk te zijn. Wij beginnen hier onze gebeden vroeg: zeven uur. Maar als ik van huis ga, tegen half zeven, dan is men in de beide Synagogen van de Duitsche Plaats al begonnen. En ook in de kleine Synagoge, bij het Jodenstraatje, waar de kolenkoopman zijn winkeltje heeft, en waar de twee gaarkeukentjes zijn. Maar het kolenwinkeltje en de gaarkeukentjes zijn nu dicht omdat het Sabbath is. Alle winkeltjes in het Jodenstraatje zijn dicht. In de dichte poelierswinkeltjes kraaien de geoordeelde hanen en hennen. In het Specerijenstraatje zijn de lekkere winkeltjes al open: Even inkijken. Even snuiven. En dan verder.

Bij het Weeshuis is een kleine Synagoge. Vierkant met ramen in twee muren. En een dak van wit gekalkt gewelf. De zon van Palestina is een gezegende zon: die is altijd en overal.

Er zijn hier een vijftig kleine jongens in het weeshuis. Laten wij later eens hun geboorteplaatsen opschrijven. Dan kunnen wij zien, hoe het Joodsche Volk gezworven heeft. Er zijn in het Weeshuis zelf geen tien manspersonen boven dertien jaar, die toch bij de gebeden aanwezig moeten zijn. Maar zij komen dan van de stad. Wij zijn een groot gezin. Vreemden komen hier niet. De dienst gaat heel stil en heel eenvoudig, zooals wij dat in Holland gewoon zijn.

De zegen door de Priesters wordt elken Sabbathmorgen tweemaal uitgesproken. De huisbediende is uit den Priesterstam. Heel de week dient hij in het dagelijksch huiswerk. Maar de Sabbath maakt hem tot onzen meerdere. Hij heft zijn handen over ons hoofd. En hij spreekt de eeuwen-woorden. Hij weet ook zeer wel, dat hij mijn meerdere is. Een kroon van goud en edelsteenen, zooals Europeesche koningen, dragen onze Priesters niet. Zij dragen een kroon, die God zelf voor hen heeft gesneden en geslagen uit de steenen en uit het goud van Zijn Woord.

O, mijn hart: die vijftig kleine Joodsche jongens, zoo allen tusschen zes en twaalf, langs welke wegen zijn zij hier gekomen? En langs welke wegen zullen zij gaan tot aan hun eindelijke rust? Maar hun jeugd is hier goed en tevreden. Wat zal men kinderen voor hun leven beter medegeven dan den lichten last van een goede en tevreden jeugd? Hier is licht, lucht en zonneschijn. Ga maar eens door de straten van de oude stad. Ja, zeker zijn ze mooi en bijzonder met hun overvloed van trappen, steegjes, poortjes, gewelven, hofjes en huizen. Maar er zijn hoeken, waar de zon nooit komt en waar de lucht loodzwaar is.

O, ik houd van de vijftig kleine Joodsche jongens. Na den kerkdienst hebben zij natuurlijk honger. En zij krijgen lekkere beste boterhammen, nadat de zegen over wijn en brood is uitgesproken. En dan zingen zij de gezangen van den Sabbathmorgen. Ik zou ze wel graag willen vragen of er ook verschil bestaat in waarde tusschen een woord in de gewone spreektaal en tusschen datzelfde woord in de taal van de gebeden. Maar voor die vragen weet ik geen woorden. Dus ga ik maar eens kijken, hoe ze na eten knikkeren en petjebal spelen. O, gij houdt dat voor gewone kinderachtige spelletjes, waarvan niets te leeren valt? Ja dat kan in het Hollandsch wel zoo zijn.

Maar in het Hebreeuwsch is dat heelemaal niet zoo. Juist van die levende Joodsche jongens moet ik de levende Joodsche taal leeren. Maar zij zijn lastige leermeesters. Zoo vlug en zoo beweeglijk. En ik wil ze niet vragen naar die kleine woordjes, waarmee ze spelen en samen hanselen. Want dan is het aardige, het levende er meteen af als van gevangen vlinders. En ik zucht. En ik denk, dat ik wel te oud ben geworden om petjebal en bokspringen te leeren in het Hebreeuwsch.

Op het terras van het weeshuis, vol, vol, vol van zon, is nu bezoek. En daar kunt ge nu alle talen hooren, waarvan Jeruzalem wemelt: Arabisch, Spanjoliet, Jiddisch, Bockhaarsch. Hebreeuwsch wordt door de ouderen nog betrekkelijk weinig gesproken. Maar het weeshuis spreekt alleen Hebreeuwsch, zoodat de jongens hun Arabisch, Spanjoliet, Jiddisch of Bockhaarsch al goed vergeten. Zoo zijn de ouderen dan wel verplicht Hebreeuwsch met de kinderen te spreken. En derwijze bouwen de jongeren het Hebreeuwsch op in de harten der ouderen.

V.

Een heilige Sabbathmiddag. De groote meisjes van het weeshuis maken een wandeling. En ik mag mee. Waarheen? Naar een bron van levend water, ergens bij het dorp van Silouan. O, dat is voor Holland niets, levend, stroomend water. Maar dat kennen wij hier in Jeruzalem heelemaal niet. Grachten zijn hier niet. Rivieren, die des zomers niet uitdrogen, zijn er maar heel weinig in het land. Die bron bij Silouan is dus heel iets bijzonders. Hij geeft alleen maar water vlak na den grooten regentijd, den zoogenaamden vroegen regen. Een paar weken daarna is alles droog.

Ik ken het dorp Silouan wel. Het ligt tusschen den stadsmuur vóór de Duitsche Plaats in het dal tot den Olijfberg. Uit mijn raam zie ik het. Boomen zijn er niet. Het is heelemaal niet zoo een dorp als de dorpen van de Zaanstreek bijvoorbeeld. De huizen zijn niet van hout en niet van roode gebakken steen. Maar van grauwe gehouwen steenen. Van verre gezien lijkt het nog wel heel wat. Maar van binnen zijn de huizen doodarmoedig. Er zijn twee deelen van het dorp: Arabisch en Joodsch-Jemenietisch.

Van het Weeshuis gaan we dus eerst weer het domein van de Russen over. Dat is altijd. Dan door de zonnige Jaffastraat (wie geeft ons hier eens wat lekkere, frissche boomen?) en bij de Jaffapoort rechts-af.

Dat is weer een les in het levende Hebreeuwsch, de wandeling met de meisjes. Ik hoor hoe de wilde mosterd heet en het madeliefje. En hoe de vogels heeten, waarvan het gefluit over ons heen valt. Op den grooten heerweg hebben de meisjes keurig geloopen in rijen van twee en twee. Maar op de smalle windende binnenweggetjes loopen we een voor een, voorzichtig. En zon, zon, zon. Overal zon. Een van de plaatsen, waar anders het levende water welt, is al droog. Maar de ander, een eindje verder, die is er nog. Dat ligt in een dal tusschen heuvels. Het is heel druk bij die bron van levend water, want levend water is hier zeldzaam. Twee Arabische vrouwen wasschen groenten schoon. Morgen zitten ze daarmee onder dat wijde, witte, gewelf in den Bazaar, domein van de groente-dames. Maar bij de bron krijgen ze vandaag ruzie met een Jemenietisch joodsch jongetje, die pootjes baadt. Het jongentje is met zijn bekje volkomen tegen de Arabische dames opgewassen. Van hun woorden versta ik niets. Maar ik vermoed, dat het joodsche jongentje een betoog levert, dat een bron van levend water iedereens eigendom is, dat wil zeggen: niemands. Een bron, een bron: laat u niet in de war brengen door dat woord. Het is heelemaal geen gemetselde put of een diepe spelonk, waaruit het water ruischt. Neen, een kuil in den bodem, daaruit borrelt heel stil het water. En over de randen van den kuil vloeit het weg in het landschap. Een oud vrouwtje laat een klein kindje drinken. Het oude vrouwtje is heelemaal niet bang voor typhus. En het kleine kindje ook niet. De twee Arabische vrouwen zijn met de groenten klaar. Het Jemenieten-jongetje heeft het rijk alleen. Tot er een gendarme aankomt. Een Arabier prachtig op zijn paard. Hij jaagt het booze jongentje den waterkuil uit. En hij laat zijn paard drinken. Dat is lekker voor zoo een beest, levend water. O, er gebeurt hier van alles. In dit kleine dal tusschen heuvelen. Een meisje met een groote, zwarte geit. Die geit moet naar huis. Maar de geit wil niet naar huis. En het meisje met de geit vechten. Precies zooals twee booze jongens vechten. De zware, zwarte geit zal het winnen. Maar neen, daar komt de koeienvrouw, die juist met haar koeien op weg is naar huis, en die drijft de zware, zwarte geit den goeden weg op.

Iedereen komt kijken naar dit wonder van levend water. Een vader en een zoontje. Twee mooie Arabieren. De vader op een schimmel. En het zoontje op een mooi wit ezeltje. Ze laten eerst de beide beesten lekker drinken. En dan drinken ze zelf. En ze gaan lekker lui tegen een heuveltje liggen. Zeker houden ze veel van elkander. Want de vader heeft zijn arm om het zoontje heengeslagen. En het zoontje heeft zijn kop tegen den vader aangelegd. Zeker bewondert de vader zijn mooien, sterken jongen. Of denk ik dat maar? En denkt de vader aan prijs van koren, paard en ezel? Hoe ziet de ziel van een Arabischen vader er uit? Hoe ziet mijn ziel er uit?