Jerusalem

Part 1

Chapter 1 3,973 words Public domain Markdown

Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed Proofreading Team.

Jacob Israël de Haan

JERUSALEM

AMSTERDAM EM. QUERIDO 1921

HAMAME TROUWT.

Hamame, dat Duifje beteekent, is een van de Jemenietische dienstmeisjes van het jongensweeshuis. En zij gaat trouwen. Het wordt wel tijd, want Hamame is al meer dan twintig jaar. Maar zij is niet gelukkig in de liefde geweest. Dit is haar tweede verloofde, een weduwnaar. Het eerste huwelijk heeft Hamame laten afgaan. En dat heeft haar acht pond sterling gekost, gelijk in de verlovingsvoorwaarden was overeengekomen. Geen kleinigheid voor een Jemenietisch dienstmeisje van een jongensweeshuis. Achteraf blijkt Hamame, dat Duifje beteekent, zich te hebben vergist. Zij houdt eigenlijk niet van haren tweeden verloofde. Maar weer een huwelijk laten afgaan? Het zal haar weer acht pond kosten en iedereen zal haar uitlachen. Dus wordt overeengekomen, dat Hamame met den weduwnaar trouwen zal.

En nu al de moeilijkheden op den weg der liefde! Het geld, dat noodig is voor een zwart pak en een nieuwe fez. Voor een witte bruidsjapon met een sluier van wit en zilver. Voor nieuwe schoenen en voor nieuwe zakdoeken. Er zijn nu lange besprekingen met de moeder van Hamame, die een heks is. Klein verbruind en mager.

En zal de vader van Hamame, de heer Mozes Azirie, voor dezen grooten dag uit Egypte overkomen? Dat hij bij de heks vandaan geloopen is, spreekt van zelf. Hamame heeft hem nooit gezien. Zal hij komen? En vooral: zal hij eene bijdrage sturen in de kosten van den onvergetelijken dag?

En zal Reine worden uitgenoodigd, de Jemenietische keukenvrouw? Er zijn vreeselijke dingen gebeurd tusschen Reine en Hamame. Natuurlijk zijn ze geen van beiden begonnen. Hamame heeft Reine zeer beleedigd. Zij heeft gezegd: "Gij, Reine, zijt een dief. En uwe zuster, die te Rischon le Zion woont en wascht voor de Engelsche soldaten in Ludd, uw zuster is een slechte vrouw." Het spreekt wel vanzelf dat Reine toen tegenmaatregelen heeft genomen. Zij is naar de synagoge der Jemenieten gegaan. Zij heeft de Heilige Ark geopend, en zij heeft Hamame met den weduwnaar en de beide familiën tot in het derde en vierde geslacht plechtig vervloekt. Het is twijfelachtig of zij nu zal worden uitgenoodigd.

Wij echter krijgen een mooi biljet van goud op zijde-papier. Een tak met vogeltjes. De letters van het Duifje en haar weduwnaar S. en H. Daartusschen in een boog de spreuk: "Stem van geluk en stem van vreugde. Stem van bruidegom en bruid". Daaronder weer een dubbele driehoek met "Zion" er in. Dan de uitnoodiging: "De moeder van den bruidegom, madam Hamame Jozef Saïed en de vader van de bruid R. Mozes Azirie en echtgenoote hebben de eer UEdele uit te noodigen op de bruiloft van hunne kinderen Salomo en Hamame. En die ons de eer aandoen, zullen wij eeren! Huwelijksinzegening, zoo God wil, Vrijdag 15 Kislev 5681, om twee uur Europeesche tijd, precies, in het huis van den vader der bruid, in de buurt "Hut des Vredes"." Geen wonder dat wij gaan!

II.

De feestelijkheden beginnen des Donderdagmiddags voor de vrouwen. Wanneer wij het huis van den vader der bruid in de buurt "Hut des Vredes" binnenkomen. En wij overzien de schare. Reine is niet uitgenoodigd. De Heks heeft niet gewild. Wij hooren, dat R. Mozes Azirie niet gekomen is. Ook geld heeft hij niet gestuurd. Maar wel een mooien brief. En daar doen we het dan maar weer mee. Het geheele vertrek is volgestampt met Jemenietische dames en Jemenietisch kroost. Enkele zijn al Europeesch gekleed. Maar de meeste Jemenietisch, bont, dat kakelt. Zij hebben veel goud, goed uitgesneden en geslagen. Want de Jemenieten zijn mooie goudsmeden. En zij zitten op den grond, zóó dicht aaneen, dat wij er haast niet meer bij kunnen. Wij krijgen natuurlijk een eereplaats, vlak bij Hamame. De bruidegom is niet aanwezig. Het zou niet passen. Hamame zit als een pop in wit met sluier van wit en zilver. Zij mag geen woord zeggen en zij moet zedig haar oogen neerslaan. Het is wel heel moeilijk, maar wij vertrouwen, dat zij na de bruiloft haar schade wel weer zal inhalen. Naast Hamame zitten de bruidsmeisjes, eveneens popwit, popstijf, ieder met een hooge, witte kaars ter hand. Alle dames rooken. Sigaretten of stevig een Turksche waterpijp. Er is ook zang, handgeklap en een geweldige muziek van pauken en blikken pannen. En de tractatie. Een royale tractatie. Er wordt een groot waschbekken binnengebracht met gepelde kersaussies, noten, amandelen. Een kleiner met granaatappelpitten. Ieder krijgt een zakdoek vol. En dan maar muizen. Gelukkig, dat dit Hamame geen geld kost. Want ieder van de gasten betaalt. Alles is hier tegenwoordig duur. Ook de bruiloften. Het minste is nu al twee shilling. Wij hebben een pond gegeven. Maar iedereen acht ons dan ook. Wij worden op het middagmaal genoodigd: brood, vleesch en hilme, een Jemenietisch gerecht van peper met peper.

Het is een heel mooi feest. De moeder van Hamame straalt. Zij heeft een bloeienden rosen peignoir met zwierige witte kant aan hals en mouwen. En zij, het wijf, fel, bruin. Een heks. Als het medeloopt, houdt zij nog over.

Alle meubelen zijn uit het kamertje gedaan. Alleen het groote ledikant is gebleven. Daarin slaapt, op een rijtje, lief en rustig, het kleine kroost. Soms als er een wakker wordt--er liggen er negen--dan staat een Jemenietische moeder op en zij geeft haar kindje het moederdrinken. Er is een héél jong en héél mooi Jemenietisch moedertje, waarbij een héél mooi Jemenietisch jongetje behoort. Ik mag het zoo prijzen: "wat een aardig jongetje is dit." Maar zij kijkt mij aan, verschrikt en verontwaardigd. Welk een gevaarlijke dwaasheid een kind zóó te prijzen. Wil ik, dat het Booze Oor het hooren zal! Dus schudt het mooie Jemenietische moedertje het mooie Jemenietische jongetje gevaarlijk door elkander. En zij misprijst het: "Dit is een vreeselijk kind. Slecht en leelijk. God heeft mij wel gestraft. Maar wat zal ik doen! Een arme vrouw." Aan de beleefdheid ten aanzien van het Booze Oor is hiermede voldaan. Zij pakt nu den lieven kleinen knaap weder beet. En zij legt hem te slapen lekker in het rijtje van de kleine maffertjes.

III.

Des avonds gaan wij naar het feest van de mannen in een ander huisje in de buurt: "Hut des Vredes". Het is er natuurlijk heel vol. En heel heet. Er is muziek. En er zijn psalmzingers met luide stemmen en gevaarlijke handslagen. Er is natuurlijk tractatie: gezouten erwten, noten, amandelen, granaatappels. En er is een stevige flesch. Zure, lichtgegiste wijn. En een drank, duivelsch, dien zij zelf stoken uit gedroogde rozijnen.

Er wordt ook gedanst. Maar niet mannen met vrouwen. Het zou niet passen. Wel komen de dames af en toe eens om een hoekje kijken. Doch zelfs dat is al nieuwerwetsch. Hier danst een groote magere man. Een lange, zwarte jongen. Misschien is hij wel de Duivel. Doch het zou niet passen hem dit te vragen. Die met hem mede danst, maar zij raken elkander niet aan, is een slanke, donkere Jemenietenknaap van vijftien jaren, die Jozef heet en schoenmaker is. Maar hij is ook de beste danser van de gemeente. Daar gaat de muziek en het handengeklap. De man en de jongen, heel aandachtig en voorzichtig gaan. Zij zien, strak getoomd, naar elkanders voeten. Naar elkanders gebaren. Langzaam, weinig bewogen in den aanzet. Maar de muziek wordt wild. De handen van de gemeente slaan sneller. De man en de jongen sneller gaan. Ademloos. Muziek, muziek, muziek. De handen, die hel slaan. De jongen. De man. Ademloos. Uit, uit, uit.

Geheele verhalen worden zoo door de Jemenieten gedanst. Zij dansen van den avond tot den morgen.

Als de jongen Jozef weer wat op zijn adem is gekomen, krijgt hij natuurlijk een bakschisch. En ik mag wel vragen welk verhaal in dezen dans is uitgebeeld. "Mijnheer," zegt het jongetje Jozef blozende: "dit is een dans op den herbouw van den Heiligen Tempel." En dan te weten, dat ik mij den herbouw van den Heiligen Tempel altijd héél anders had voorgesteld.

IV.

En des Vrijdagsmiddags, twee uur, in het huisje in de buurt: "Hut des Vredes" hebben Hamame en haar weduwnaar elkander gekregen. Mannen en vrouwen ditmaal bij elkander. En al het kleine kroost maar weer veilig en uit de voeten in het groote ledikant. In rijtjes en op stapeltjes. Er is weder de wilde muziek. Een Jemenietische jongen slaat twee trommels te gelijk. Een groote, donkere, sombere. En daartegen in een kleine, die gespannen, luid kraait en schatert. Onder een groot spektakel krijgen zij elkander. De zeven zegeningen worden uitgesproken, heilig en zinnelijk te gelijk. Twee oude mannen dansen de voorgeschreven heilige dansen voor het bruidspaar. Wonderlijke windingen en wendingen van de machtelooze lijven. Maar precies gelijk het behoort. Dansen voor het bruidspaar is een heilige taak, waarmee de oudsten en waardigsten worden vereerd. Het mooie jongetje Jozef kijkt toe. Hij danst toch anders.

In een optocht brengen wij dan Hamame en den getroosten weduwnaar in de echtelijke woning. Ook in de buurt, die "Hut des Vredes" heet. Natuurlijk met muziek voorop. Dan de witte bruidsmeisjes met de witte kaarsen, die vlammetjes fladderen op den wind. Het bruidspaar en de gasten. Naar rang en stand. Er is de oude rabbijn, die de zeven zegeningen op zijn geweten heeft. Een paarse kaftan en wit geweven schoudersjaaltje. De zoele, gebroken lucht. De wind. Maar nog geen regen, al is er al vochtigheid. Wij gaan heel langzaam en waardig, zooals de muziek ons laat gaan. Alle menschen van de "Hut des Vredes" komen uitgeloopen. Een heel klein steegje en een heel klein huis. Daarin wij wegduiken. Ik ril. Morgen begint haar het slaafsche leven. Hamame is getrouwd.

DE DONKERE BRON.

Wij hebben het water hier zoo lief en zoo noodig. Het water is het levende, dat overal zijn leven brengt. In de lente bloeien de bloemen in stroomen van rood en geel waar het water stroomt. Een bron. Zooals een sfeer van licht om een lamp, zóó zijn de wonderlijke vertellingen hier om de bronnen heen. Vanmiddag is het wonder gebeurd. Een warme middag. En een huis in een nette burgerlijke buitenbuurt van Jeruzalem. Ik verzink. Ik wil terug naar de buurt van de Jaffapoort. Het zonnige, het bonte. Dat is Jeruzalem.

Wanneer wij aan tafel zitten vanmiddag. En komen de beide Rabbijnen Epstein en Bernstein, twee van de meestgeleerde Aschkenasische Rabbijnen met eenen bekenden Sefardie Nissim Nahum. Wat kan dit zijn? De twee Aschkenasische Rabbijnen alleen, dat zou politiek kunnen zijn. Of een weesmeisje, dat moet worden uitgehuwelijkt en waarvoor geen uitzet is. Daarvoor bij te dragen is een heilige plicht, gelijk wij iederen ochtend in de gebeden zeggen. Maar de Rabbijnen met eenen Sefardie!

II.

Het is noch politiek, noch het weesmeisje. Het is over de bron van Jehizkia, waarover geschreven staat: II Kronyken XXXII: 30: "Diezelve Jehizkia stopte ook den opperuitgang der wateren van Gihon, en leidde ze regt af beneden naar het westen der stad Davids". Dit is natuurlijk niet, gelijk Raschi opmerkt, de rivier Gihon genoemd in Genesis II: 13. De Talmoed leert ons, dat Jehizkia zes dingen heeft gedaan. Drie met instemming van de Geleerden zijner dagen. En drie tegen hun wil. Tot de laatste drie behoort het verstoppen van deze rivier Gihon.

Nu eeuwen, eeuwen later, de zestiende, zeventiende eeuw der Christelijke jaartelling. Syrië en Palestina werden toen overheerscht door eenen Arabier, genaamd Aboe Sifien, dat beteekent: Vader des Zwaards. Hij liep door de straten van Jeruzalem en hij hoorde een ruischen van een diep water. Hij beval dit water op te sporen en bloot te leggen. Toevallig hoorde hij, dat te Jeruzalem een groot geleerde woonde R. Chaïm Wital, die het vermogen bezat, wonderen te doen door het uitspreken van Gods naam op eene bepaalde wijze. Men zegt, dat Mozes op die wijze den Egyptenaar heeft gedood, waarvan gesproken wordt in Exodus II vers 14. Aboe Sifien, de Vader des Zwaards, beval nu R. Chaïm Wital de donkere bron op die geheime wijze te openen. Deze wilde niet. En bevreesd voor den Vader des Zwaards, vluchtte hij naar Damascus, eenvoudig door het uitspreken van Gods naam op eene bepaalde wijze. Te Damascus verscheen hem in zijn droom zijn leermeester overleden, R. Isaäc Luria Aschkenazie, bijgenaamd Ari de Heilige, wiens naam de Wilnaër Gaon later nooit zou uitspreken zonder een angstig beven. "Waarom hebt gij geweigerd de donkere bron te openen? Gij weet, dat Jehizkia de Gihon heeft afgesloten tegen den raad in van de Wijzen zijner dagen. Gij, R. Chaïm Wital, zijt eene reïncarnatie van den koning Jehizkia. En Aboe Sifien is, gelijk zijn naam reeds aanduidt, een reïncarnatie van Sanherib, want ook dat beteekent Vader des Zwaards. De tijd om de bron te openen, was nu aangekomen en daarmede het begin van de verlossing van Israël." Toen zeide R. Chaïm Wital: "laat mij teruggaan naar Jeruzalem en de bron alsnog openen." "Neen," sprak de Heilige: "de juiste tijd is nu voorbij." Dat is een element in vele kabbalistische verhalen: het verzuimen van den Juisten Tijd, door onwetendheid, aarzeling of twijfel.

Zóó bleef de bron gesloten. Nissim Nahum, mijn Sefardische bezoeker, heeft het verhaal van R. Chaïm Wital gelezen in het boek Sefer Shem Hagedoliem, dat is het Boek van de Faam der Grooten door R. Chaïm Joseph David Azoelai, die in den Napoleontischen tijd Rabbijn te Livorno is geweest. Deze heeft het verhaal te Jeruzalem als overlevering gehoord. Ook in een ouder boek Get Pachoet wordt er over geschreven. (1740).

De meening der kabbalisten is, dat met het openen van deze bron de verlossing voor Israël beginnen zal. Men vindt die meening bijvoorbeeld in het boek Ben Jehojadah van R. Joseph Chaïm, die een jaar of tien geleden te Bagdad is gestorven.

III.

Nissim Nahum weet de plaats van de donkere bron. In de oude stad, niet ver van de Tempelplaats, waar nu het Turksche bad is genaamd Hamam el Schefah, dat is: het bad der Genezing. Er is daar nog een bron, waarvan het water meer dan dertig meter onder den grond is. Nahum heeft eenen Arabier gesproken, die zegt, dat hij in eenen buitengewoon drogen zomer, toen de bron zonder water was, is afgedaald. Hij kwam in een doolhof van gangen en gewelven. Vóór den oorlog heeft Nahum pogingen gedaan de bron te laten onderzoeken. Het begin van alle pogingen is natuurlijk baksjisj. Maar ten slotte wilden de bewoners niet. Ze waren bang. Misschien zweven rondom de bron ook voor hen legenden. Toen de jaren van den oorlog. Maar na den oorlog is Nahum weder begonnen. Hij vertrouwt op de meening van de kabbalisten, dat de opening van de bron het Geluk van Israël zal zijn.

Toen Herbert Samuel in het begin van het jaar voor een onderzoek hier was, heeft Nissim Nahum zich tot hem gewend. De zaak is toen onderzocht door den Gouverneur van Jeruzalem, den Generaal Storrs. Maar er is verder nog geen gevolg aan gegeven. Nu echter wil men de zaak opnieuw aanvatten. Er is zooveel gebeurd. De troebelen. San Remo. Wat San Remo beteekent wisten wij op den dag zelven niet. Maar nu gaan wij het zien. En zelfs de harten van de voorzichtige twijfelaars gaan openbloeien. Sir Herbert Samuel, de eerste Joodsche Landvoogd. Ook tegenover hem moeten wij voorzichtig zijn. Maar toch: de Joodsche Landvoogd. De legenden beginnen al te bloeien rondom hem heen. Die familie Samuel is uit Polen afkomstig. Waarom zou hij dan niet afstammen van Rabbi Saul Wahl, die ongeveer drie eeuwen geleden voor éénen dag koning van Polen is geweest? En dat R. Saul Wahl afstamt van Koning David, ziet, men kan er aan twijfelen, maar waarom zou men er aan twijfelen? Zóó is dus Sir Herbert Samuel een bloedverwant van Koning David en van den Koning Jehizkia. Gij zegt: lang geleden. Maar wat beteekent de Tijd tegenover de Eeuwigheid van Bloed en Woord? En ziet gij nu wel, hoe de tijden zich voltrekken? De Koning Jehizkia had de bron niet moeten uitsluiten. Zijn latere incarnatie R. Chaïm Wital heeft het juiste oogenblik verzuimd. Laten wij nu zijn nakomeling Sir Herbert overtuigen, dat nu voor hem weder een juist oogenblik is gekomen. Wanneer ik mij daarmee zou willen belasten? Gij ziet; het is géén politiek en niet een weesmeisje, dat moet worden uitgehuwelijkt en geen uitzet heeft.

IV.

Als de drie bezoekers weggaan. Dan zie ik weder, dat wij het Volk van het Boek zijn. En wij moeten dat blijven, ook wanneer wij weder het Volk van het Land worden. Nissim Nahum, ofschoon geen Rabbijn, gaat het eerst de deur uit, omdat hij twee groote heilige boeken draagt. De Rabbijn Epstein is wel ouder, maar niet aanzienlijker dan de Rabbijn Bernstein. Wie zal het eerst uitgaan? Dat zijn hier groote kwesties. Er zijn gemeenten verdeeld geraakt, omdat een rabbijn eenen andere heeft gepasseerd. Ten slotte zal de Rabbijn Epstein vóórgaan. Maar de Rabbijn Bernstein heeft een boek meegebracht. Goed: de Rabbijn Epstein zal dat dan dragen, tot zij buiten zijn. Daarna zou 't niet meer passen. Gij glimlacht wellicht over al dien eerbied en over al die etiquette? Ik ook. Maar glimlachend bedenk ik toch ook, dat in al deze kleine bedrijven iets liefs, iets geriefelijks is.

Wij hebben het water hier zoo lief en wij hebben het water hier zoo noodig. Een bron, dat is voor ons het levende, het goede. Een Wezen. Iedere bron heeft zijn legende. Maar dat alles wordt volmaakt verleden tijd. Wij gaan Palestina moderniseeren, verschrikkelijk moderniseeren. De Fellachen worden geëlectrificeerd en schoongemaakt met stofzuigers. Welk een vooruitzicht. En al de mooie legenden van bronnen, bloemen en rivieren worden opgedoekt.

V.

's Avonds in de schemering komt mijn vriend Adil Effendi. Kent hij dat badhuis Hamam al Schefah? Ja, zegt Adil Effendi: hij kent dat. Maar 't is een echt armeluis-badhuis. Wie ons daar in ziet gaan, zal ons niet achten. Heeft hij wel eens van die legenden gehoord? Maar Adil Effendi is héél sceptisch geworden, sinds hij werkt in de Engelsche Regeering. Het gaat de Mohammedaansche jeugd, zooals de Joodsche: een tikje materialistisch, een tikje ijdel, een tikje genotzuchtig. Daarnaast heeft de Joodsche jeugd toch meer nationalistisch idealisme voor het land en de taal. Donkere bronnen. Wie ontsluit ze te juister tijd! Neen, zegt mijn vriend Adil Effendi, peinzend in de schemering: "ik geloof nog wel aan Allah, maar niet aan al die andere verhalen. En ik geloof, dat mijn broer, Subhi Effendi, ook niet meer aan Allah gelooft."

Hij smookt zijn sigaretje tusschen spitse lippen en hij tipt asch met een fijnen vinger. "Mijn vriend," zegt Adil Effendi, "gij hebt dien ouden boom wel gekend, voor het huis van mijn broeder Abdoel Salaam? Men heeft altijd gezegd: wanneer die boom neervalt, dan gaat ook het Turksche rijk uit elkander. En gij weet met den grooten sneeuwval? Toen heeft de boom wel geleden. En Abdoel Salaam, die een wijs man is, heeft hem laten omhakken. Achmad en Aboe Joessoef hebben dat gedaan. Omdat de boom heel hinderlijk was voor de automobielen van de East Compagnie. Abdoel Salaam heeft al het hout gekregen en de Compagnie heeft een mooie baksjis; gegeven aan Achmad en Aboe Joessoef. Heeft Turkije iets te maken met dien boom? En de Zagjunien met een put?"

En dan zucht ik en ik vrees, dat de juiste tijd voor mijn vriend Adil Effendi nog niet is gekomen.

MIJN VRIEND SAÏD EFFENDI.

Mijn vriend Saïd Effendi is de Arabische adviseur van den gouverneur van Hebron. Vroeger is hij officier geweest in dienst van den Emir Feisul te Amman aan den overkant van den Jordaan. Dat is het oude Rabbat Ammon, de hoofdstad van de Ammonieten. Verwoest en later herbouwd heette het Philadelphia, een van de Decapolissteden. Ik hoop er nog wel eens heen te gaan met Saïd Effendi samen. Hij is nu teruggekomen naar dezen kant van den Jordaan. Want de familiebezittingen liggen daar, tusschen het dorp Tur op den Olijfberg en Jericho.

Wij zijn goede vrinden geworden rondom de petroleumblikken gloeiende houtskolen in het onvolprezen hotel: "De eik van Abraham" te Hebron. En vele kopjes koffie. Hij is een zwaarmoedige, maar toch sterke kerel, Saïd. Voortreffelijk in zijn werk en onbegrensd vertrouwd.

Aan den overkant van den Jordaan, ook te Ammon, wonen de Kaukasische Circassiërs. Zij hebben zich in die streken gevestigd sinds Rusland in 1864 den Kaukasus veroverde. In het begin hebben zij voortdurend stoute gevechten geleverd met de omwonende Arabieren. Nu is het vrede. Zij spreken Circassisch. Zijn Mohammedanen, maar ietwat meer Europeesch. De vrouwen verhullen zich niet. En ze verbergen zich ook niet voor de gasten van den man.

Saïd Effendi is getrouwd met eene Circassische vrouw. Zij hebben drie kinderen gehad, drie jongens. Twee gestorven. "Min Allah," berust Saïd Effendi. Het oudste jongetje leeft nog. Hij is zes jaar. En hij heet Daoud. Daarom heet Saïd Effendi ook Aboe Daoud. Zal ik hem niet eens komen bezoeken in het dorp Tur, dat op den Olijfberg ligt? Goed, laten wij zeggen, Zondag, wanneer het mooi weer is. Met een van de wagentjes, die Adil Effendi met zijne broers exploiteert.

II.

Het is mooi weer. Men moest hier eigenlijk niet spreken van den winter, maar van den regentijd. Welk een afwisseling! Wreede dagen, woedend van regen en wind. Zooals wij die te Hebron hebben gekend. Er is in een korten tijd een geweldige hoeveelheid regen gevallen. Men zegt drie kwart van den gemiddelden jaarlijkschen regenval. Ik ben bevriend met een regenbak, waarin binnen een week of drie, een meter of drie water is komen te staan. Als nu de late regen ook maar komt, zoo tegen Maart, April, dan krijgen we hier een goed gewassenjaar. Misschien dalen dan de prijzen. Maar tusschen de regendagen, o, de zalige winterlentedagen. Een hemel ongebroken als in den zomer. Maar dunner blauw. Een kussende, zoele wind. En de zonneschijn. Een winter vol zon. En welk een mateloos mooie morgen.

Adil geeft het wagentje, nummer 18. Dat moet gij later ook nemen. Het is een net wagentje. Het staat bij de Jaffapoort, en rijdt met twee driftige Arabische paardjes. De koetsier is in Mekka geweest. Hij zou dus een groenen doek mogen dragen rondom zijn fez, dien wij tarboes noemen. Maar dit doet hij niet. Hij zal het later doen, wanneer hij ouder is geworden, 't Zou nu nog niet passen. Omdat hij in Mekka is geweest, zegt zelfs de oneerbiedige Adil Had; tegen hem. En Machmoed, het staljongetje, eerbiedigt hem zeer. Natuurlijk eerbiedigt Machmoed den chawadja ook. Want die geeft baksjis; en is een chawadja. "Een mooi wagentje, hè Machmoed?" "Maäloem," zegt Machmoed: "ik twijfel, of er een mooier wagentje is in geheel Kuds."

En wij rijden. Door de buitenstadswegen. En dan over de landwegen naar den Olijfberg heen. Overal wordt gewerkt aan het land. Winterkoren wordt gezaaid op ieder bouwbaar plekje grond. O, de verteedering van de zachte dagen. En de adem van het bruine, opengebroken land. Tegen een heuvelhelling aan ligt het wijde kerkhof met de Engelsche gesneuvelden. Het huis van den Groot-Mufti. En de uitzichten over heel de stad van Jeruzalem. De oude stad binnen den Muur, nog gaaf bewaard aan deze Oostzijde. En de voorsteden wijd uitgeblokt. En dan ineens niets meer. Ver, ver, de heuvelen. Maar geen andere huizen, steden en dorpen. Zooals rondom Amsterdam, dat ook een mooie stad is.

III.

Langs het Engelsche hoofdkwartier. O.E.T.A. noemen wij dat hier. En het Arabische dorp Tur. Saïd Effendi. Hartelijk welkom. O, zij zijn al wat moderner Mohammedanen. Daarom word ik ook voorgesteld aan zijn zuster. Zij draagt toch nog de dracht van aanzienlijke Arabische dorpsdames. En een kostbaar bontgeborduurd borststuk. Ook het Circassische moedertje. Zij is een klein, blond vrouwtje. Heel weinig naast den grooten, donkeren Saïd. Ze verwachten weder een kindje. Saïd heeft het mij al verteld. Och, mocht het ditmaal een meisje zijn. En mocht het leven! Maar wat zal men er aan doen. 't Is alles min Allah.