Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans
Part 9
Welk een machtig wapen zou deze onregelmatigheid in de samenstelling van de rechtbank niet geweest zijn in handen van een verdediger? Maar Jeanne had er geen, en dit op zich zelf was ook reeds in strijd met het kerkelijk recht.
Trouwens, een handig en kundig verdediger had om de onwettigheid van de gansche procedure te bewijzen, niet lang naar argumenten behoeven te zoeken.
Was Jeanne niet zelf begonnen met de bevoegdheid van de rechtbank te ontkennen op grond van haar partijdigheid? Had men aan de beklaagde, behalve een verdediger, niet een curator behooren toe te voegen, omdat zij minderjarig was? Behoorde niet de Bisschop steeds zelf te ondervragen en was men niet verplicht geweest gevolg te geven aan het beroep dat Jeanne aan het slot van de procedure deed op den Paus?
* * * * *
Hoewel wij er dus niet aan twijfelen of een terzake kundig en geroutineerd verdediger zou van de verschillende leemten en onregelmatigheden in de procedure beter partij getrokken hebben, toch zijn er in dit lange proces talrijke momenten, dat wij haast niet kunnen gelooven, dat er achter de negentienjarige beklaagde geen rechtsgeleerde raadsman heeft gestaan, die haar aangaf wat zij doen moest, wat zij volgens rechtsgebruik mocht eischen of verlangen.
Dadelijk bij de eerste dagvaarding wijst zij den deurwaarder Massieu op de partijdigheid en de onvolledigheid van het college van rechters waarvoor zij zal verschijnen. Telkens als Cauchon van haar verlangt, dat zij den eed zal afleggen, verklaart zij zich bereid, doch onder zekere restrictie. Restrictie maakt zij eveneens wanneer de Bisschop haar verzoekt het »Onze Vader« op te zeggen: zij wil volgaarne aan het verzoek voldoen maar in de biecht. Het verbod van opnieuw eene poging tot ontvluchting te wagen aanvaardt zij eenvoudigweg niet, opdat niemand haar ooit zou kunnen verwijten, dat zij haar woord gebroken heeft. Herhaaldelijk weigert zij op enkele vragen te antwoorden, zeggende: »Dit behoort niet tot het proces« (»Hoc est non de processu vestro«), of zij stelt haar antwoord uit tot het volgende verhoor en in dat geval vraagt zij om een afschrift van de haar gestelde vragen. Aan het slot van een incident in het vijfde geheime verhoor (Woensdag 14 Maart), waarin sprake schijnt geweest te zijn van het overbrengen van Jeanne naar Parijs (nadere bijzonderheden omtrent dit incident ontbreken, helaas, ten eenenmale) vraagt zij om een afschrift van alle vragen en antwoorden, teneinde dit in Parijs te kunnen overleggen. Ook verwijst zij soms naar het rapport van de commissie in Poitiers of, wanneer de ondervrager in herhalingen treedt, verwijst zij doodleuk naar een vroeger verhoor: »Gij hebt daarop reeds mijn antwoord. Lees Uw boek maar goed na en gij zult het vinden.«
Handigheden, gevatheden zouden wij dergelijke zetten noemen, wanneer zij afkomstig waren van een advocaat of van een anderen man van het vak, maar nu wij ze hooren uit den mond van een ongeletterd kind, kunnen wij met deze qualificaties niet volstaan, en worden het gezegden die ons vervullen met eerbied en bewondering.
* * * * *
In de eerstvolgende zitting van 13 Maart komt Jean Delafontaine nogmaals terug op het teeken te Chinon; hij wil ook weten of Saint Denis haar ooit verschenen is, de schutspatroon der Fransche koningen. Dan plotseling de vraag aan wien zij de gelofte heeft gedaan maagd te zullen blijven.
Zij verklaart die gelofte gedaan te hebben, de eerste maal dat zij hare stemmen hoorde, aan hare Heiligen, die haar door God gezonden werden.
Heeft zij aan een jongen boer een trouwbelofte gedaan?
Zij ontkent een dergelijke belofte ooit gedaan te hebben.
Het terrein van de politiek wordt nu verlaten, maar helaas, een ander, een veel gevaarlijker terrein wordt thans betreden, n.l. dat van de dogmatiek. Het klinkt op het eerste gehoor bijna ongeloofelijk, toch is het de zuivere, droeve waarheid.
Een meisje van negentien jaar, haast een kind dus nog, dat nooit een school heeft bezocht, dat lezen noch schrijven kan, dat alleen van haar moeder de voornaamste gebeden heeft geleerd, zal voor een rechtbank van gestudeerde en geletterde mannen, zonder eenige bijstand noch hulp, vragen te beantwoorden krijgen, liggende op het terrein der zuivere dogmatiek, en van die beantwoording zal haar leven afhangen.
Geen wonder, dat zij niet alle voetangels en klemmen zal kunnen vermijden, dat zij verward zal geraken in de mazen van het net, dat men voor haar spant.
Delafontaine: »Is het Uwe overtuiging, sedert Uwe stemmen U gezegd hebben, dat gij tenslotte in het Paradijs zult ingaan, dat gij gered zijt, en dat gij niet verdoemd zult zijn in de hel?«
Jeanne: »Ik geloof vast wat mijne stemmen mij gezegd hebben, dat ik gered zal zijn; voor mij staat dit zoo vast, alsof ik reeds gered was.«
Delafontaine: »Gelooft gij na deze openbaring dat gij U niet meer schuldig kunt maken aan doodzonde?«
Jeanne: »Daar weet ik niets van, ik verlaat mij op den Heer.«
Delafontaine: »Dat is een antwoord van groot gewicht.«
Jeanne: »Juist, en dat is voor mij een groote schat.«
Delafontaine: »Gevoelt gij behoefte te biechten, nu gij gelooft aan de openbaring van Uwe stemmen, dat gij gered zult zijn?«
Jeanne: »Ik denk, dat wanneer ik schuldig was aan doodzonde, de Heilige Cathérine en de Heilige Marguerite mij wel oogenblikkelijk aan mijn lot zouden overlaten. Verder geloof ik, dat men nooit zijn geweten te veel kan zuiveren.«
* * * * *
»Ik verlaat mij op den Heer«, een getuigenis opwellend uit een waarachtig vroom gemoed, door Jeanne afgelegd in haar gulden naïviteit. Maar, o wee! Jeanne's rechters denken er anders over, zij geven aan die verklaring een anderen uitleg. Zoo'n antwoord wordt haar niet vergeven: het riekt naar ketterij.
Bij den aanvang van de volgende zitting op 15 Maart zal men het haar duidelijk maken in vriendelijke bewoordingen.
Weet dan Jeanne, dat daar is een zegevierende Kerk en een strijdende Kerk en dat er tusschen de zegevierende Kerk, dat is dus tusschen God, die in den Hemel is, omringd van Zijne Heiligen, en van de engelen, en elke Christen, geen andere verbinding mogelijk is dan door de strijdende Kerk op aarde.
Onthoud dit goed Jeanne. Uwe rechters zullen dit punt niet meer loslaten, ze zullen U er mede vervolgen tot het bittere einde toe.
Wanneer gij moeilijkheden hadt of gewetensbezwaren, hebt gij U tot God gewend in het gebed of tot Uwe heiligen en gij hebt ze om raad gevraagd. Ketterij!..
Delafontaine: »Wilt gij, wat gij gedaan hebt en gezegd hebt, onderwerpen aan de beslissing van de Kerk?«
Jeanne: »Mijne daden en mijne werken zijn allen in de hand van God; in alles verlaat ik mij op Hem«.
Ketterij! ook al voegt gij er aan toe: »Ik verzeker U dat ik niets zou willen zeggen of doen tegen het Christelijk geloof«.
Cauchon gevoelt, dat hij nu op den goeden weg is en verdubbelt dus zijn ijver, zich niet bekommerend om Jeanne's onwetendheid en kinderlijke naïviteit. Dienzelfden avond nog bezoekt hij haar met enkele der rechters in haar kerker en behandelt dan hetzelfde onderwerp.
Cauchon: »Verlaat gij U op de beslissing van de Kerk«.
Jeanne: »Ik verlaat mij op God die mij gezonden heeft, op onze Lieve Vrouwe, op alle Heiligen van het Paradijs. Ik ben van meening dat God één is met de Kerk, en dat men daarover geen moeilijkheden moet maken. Waarom maakt gij mij daarover moeilijkheden?«
Waarom?... Vraag het Uwen rechters niet Jeanne, ze zullen het U niet zeggen. Zij zullen Uwe verklaring opnemen in het proces-verbaal. Hun doel is thans bereikt: gij zijt verloren.
De bisschop legt haar nog eenmaal de moeilijkheid uit.
Cauchon: »Er bestaat een zegevierende Kerk, dat zijn God, de Heiligen, de Engelen en de geredde zielen. Er bestaat nog een andere Kerk, de strijdende Kerk, dat zijn de Paus, Gods stedehouder op aarde, de kardinalen, de prelaten van de Kerk, de geestelijkheid, alle goede Christenen en Katholieken. Deze Kerk, vereenigd in een wettige bijeenkomst, kan niet dwalen, daar zij bestuurd wordt door den Heiligen Geest. Wilt gij U op die Kerk verlaten.«
Maar Jeanne blijft getrouw aan haar overtuiging en belijdt nogmaals haar vast geloof.
Jeanne: »Ik ben gekomen tot den koning van Frankrijk op bevel van en gezonden door God, de Heilige Maagd Maria, alle Heiligen van het Paradijs en de Zegevierende Kerk van daarboven. Aan die Kerk onderwerp ik al mijne goede daden, alles wat ik gedaan heb en doen zal. Op de vraag of ik mij zal onderwerpen aan de strijdende Kerk, zal ik nu niets anders antwoorden.«
* * * * *
Het is Cauchon zelf, die nu dit verhoor den naam van den Paus noemt, als hoogste macht in de strijdende Kerk.
Ook in de volgende zitting vraagt men Jeanne of zij bereid zou zijn alles mede te deelen aan den Paus. Dan verzoekt zij voor den Paus gebracht te worden, zij zal hem antwoorden alles wat zij moet antwoorden.
Het spreekt bijna van zelf, dat aan dit verzoek geen gevolg wordt gegeven, maar waarom dan de zaak ter sprake gebracht?
Cauchon verklaart daarop de voorloopige en geheime verhooren voor geëindigd.
d'Estivet maakt een uittreksel uit het procesverbaal.
* * * * *
Voor het gewone proces begint, speelt zich tusschen den rechter Cauchon en zijn ongelukkig slachtoffer nog een hoogst aangrijpende scène af.
Sedert Jeanne in Rouaan gevangen zit, heeft men haar geweigerd de Mis bij te wonen. Onder dit verbod begint zij met den dag meer te lijden. Zelfs in de woeligste dagen van den oorlog heeft zij trouw hare kerkelijke plichten vervuld; in de steden die zij doortrok heeft zij steeds de kerken bezocht, en op het slagveld zelfs liet zij voor den strijd door haar biechtvader dikwijls de Mis lezen. Het is een behoefte geworden waar deze eenvoudige, vrome ziel niet buiten kan en zeker niet in deze droeve en angstige dagen. Nu het Paaschfeest nadert wil zij nog een poging wagen: op Palmzondag vraagt zij toestemming de Mis bij te wonen.
Men is bereid het haar toe te staan, wanneer zij hare manskleeren aflegt. Dat kan zij niet doen, hare stemmen hebben haar dat verboden. Maar voor de hardnekkige weigering van Jeanne op het punt van hare kleeding zijn vermoedelijk nog andere redenen die onbewust even zwaar bij haar wegen, maar die zij tegenover haar rechtbank niet onder woorden kan brengen.
Zijn het in de eerste plaats niet hare manskleeren, die haar tot op een zekere hoogte nog beschermen tegen de belagingen van hare ruwe bewakers? En dan... is zij niet krijgsgevangene? Heeft de vijand zich niet meester van haar gemaakt, terwijl zij als aanvoerder van hare troepen in volle actie was? Wie weet, of niet een dezer dagen hare vrienden haar zullen komen bevrijden? Welnu in dat geval zullen zij haar terugvinden zooals zij hen verlaten heeft.
Zij smeekt met tranen in hare oogen, maar te vergeefs.
Jeanne: »Is het dan niet mogelijk de Mis te hooren zooals ik ben? Ik verlang het zoo vurig. Wat de voorwaarde betreft, dat ik van kleeding moet veranderen, daar kan ik niet aan voldoen, dat is niet in mijn macht.«
Men blijft weigeren.
Jeanne: »Ik kan niet veranderen; moet ik dan verstoken blijven van het Sacrament? Ik smeek U, mijne heeren, staat mij toe de Mis te hooren in manskleeren. _Deze kleeding verandert toch mijn ziel niet_, en het is toch niet in strijd met de wetten van de Kerk!«
* * * * *
Maar hare tranen en haar smeeken zijn niet bij machte de dorre en verstokte zielen van hare rechters te vermurwen. Geen enkele is er die het voor haar opneemt of haar te hulp durft komen. Is onder al deze priesters dan geen enkele man?....
Een nieuwe weigering en daarmede is het incident gesloten.
* * * * *
Den 27en Maart, dus den Dinsdag na Palmzondag, begint het gewone proces. Ter elfder ure biedt men haar nu een raadsman aan. »Omdat zij niet geleerd genoeg is en niet genoeg onderricht in deze netelige kwesties«, mag zij uit hare rechters er een kiezen die haar zal bijstaan. Uit een oogpunt van onpartijdigheid is dit zeker een hoogst bedenkelijk aanbod; bovendien komt het veel te laat, nu hare rechters reeds alle materiaal tegen haar verzameld hebben, en hun oordeel in deze zaak reeds gevestigd hebben. Zij wijst het aanbod dan ook af, wel is zij het gezelschap dankbaar voor de goede bedoeling, maar ook in het vervolg zal zij zich slechts houden aan Gods raad.
Het uittreksel van d'Estivet, saamgevat in zeventig artikelen, wordt haar voorgelezen. Men vindt daarin o. m. reeds de voornaamste punten van beschuldiging die ook zullen voorkomen in het eindvonnis. Men heeft Jeanne schuldig bevonden aan toovenarij, ketterij, afvalligheid van het geloof; zij wordt genoemd onkuisch en bloeddorstig. De beklaagde hoort alles rustig aan. Slechts een enkele maal onderbreekt zij de voorlezing, om nogmaals een herhaling te geven van de door haar reeds vroeger afgelegde belijdenis.
Jeanne: »Ik geloof, dat de Paus te Rome, de bisschoppen en andere geestelijken zijn aangesteld om het Christelijk geloof te bewaken, en om hen te straffen, die daarin tekort schieten, maar wat mij betreft, mijne daden zal ik slechts onderwerpen aan het oordeel van de Hemelsche Kerk, d.w.z. aan God, aan de Maagd Maria, en aan de Heiligen in het Paradijs. Ik geloof vast niet in mijn geloof tekort gekomen te zijn, en voor niets ter wereld zou ik daarin willen tekort komen.«
Hier breekt het Latijnsche rapport af; het Fransche heeft nog de woorden: »en ik verzoek....«
Volgens de verklaring van één der assessoren, genaamd La Pierre, volgde hier een beroep op het Concilie van Bazel, waarvan deze zelfde dominicaner haar de beteekenis had duidelijk gemaakt. Maar Cauchon viel haar woedend in de rede met een kort en bondig: »Zwijg voor den duivel« en verbood den notaris dit beroep in het proces-verbaal op te nemen. Jeanne van haar kant verweet hem toen, zeer terecht, dat men opschreef wat tegen haar was, maar niet hetgeen ten haren gunste getuigde.
* * * * *
In een speciaal verhoor in haar kerker, ondervraagt Cauchon haar den 31en Maart nog eenmaal uitvoerig over haar onderwerping aan de strijdende Kerk. De zes vertegenwoordigers van de Parijsche Universiteit wonen dit verhoor bij als eenige getuigen.
Maar Jeanne is niet van haar stuk te brengen. Haar geloof en haar vertrouwen staan vast. Alles wat zij gedaan, gezegd en geantwoord heeft betreffende hare visioenen en openbaringen, heeft zij gedaan en gezegd uit naam van God. Voor niets ter wereld zou zij iets anders verklaren. Wanneer de strijdende Kerk hare visioenen en openbaringen uitmaakt voor hersenschimmen uit den Booze zal zij zich slechts beroepen en verlaten op God alleen. O zeker, zij gelooft wel dat ook zij onderworpen is aan de strijdende Kerk, maar.... _God moet eerst gediend zijn._
Jeanne: »Mijne antwoorden zijn geen eigen verzinsels; maar zij zijn mij ingegeven door mijne stemmen. Mijne stemmen hebben mij bevolen niet ongehoorzaam te worden aan de Kerk, maar.... _God moet eerst gediend zijn._« Kan het duidelijker, kan het zuiverder, kan het waarachtig godsdienstiger?
* * * * *
Uit de zeventig artikelen, opgemaakt door d'Estivet, besluit men nogmaals een uittreksel te maken. Nicolas Midy wordt met de redactie van dit nieuwe uittreksel belast. Hij vervaardigt de om hunne onjuistheid en valschheid zoo beruchte twaalf artikelen.
In het kort bevatten deze twaalf artikelen natuurlijk de voornaamste beschuldigingen tegen Jeanne, maar de feiten zijn dikwijls scheef voorgesteld, hare antwoorden zijn dikwijls verkeerd weergegeven en wat zeker wel het verfoeilijkst is: de twaalf artikelen waarop de verdere beraadslagingen en ook het eindvonnis gebaseerd zijn geweest, werden Jeanne nooit voorgelezen.
De sprong te Beaurevoir wordt voorgesteld als een poging tot zelfmoord, terwijl bij het verhoor juist gebleken was dat van zelfmoord geen sprake was.
Op insinueerenden toon wordt haar verweten, dat zij zich op hare tochten nooit onder de hoede stelde van een vrouw. Maar de verklaring van Jeanne hoe zij voor haar kuischheid wist te waken wordt verzwegen; van het rapport van de deskundigen, waaronder de hertogin van Bedford, die haar onderzocht en maagd bevonden hadden, wordt geen melding gemaakt.
In hun domheid maken zij zelfs Jeanne er een verwijt van, dat zij verklaard heeft, dat hare stemmen geen engelsch spreken, omdat zij op de hand der Franschen zijn. Wanneer hare Heiligen geen Fransch tot haar gesproken hadden, hoe had Jeanne ze dan kunnen verstaan, en hoe had het arme kind, dat zelf geen enkele vreemde taal kende, moeten constateeren of het Engelsch of iets anders was?
* * * * *
In een bijeenkomst op den 13en April worden de twaalf artikelen besproken, elke rechter zegt afzonderlijk zijn meening. De meesten zijn zeer hard en streng in hun oordeel. Enkelen slechts, n.l. Jean Alespée, Jean Basset en Raoul Sauvaige zijn Jeanne wat beter gezind en durven zelfs iets mompelen omtrent een beroep op het Concilie van Bazel.
Maar Jeanne is ziek, ernstig ziek: men vreest voor haar leven. Is het wonder dat na alles wat zij in de laatste weken naar lichaam en naar ziel heeft moeten verdragen, hare krachten haar begeven?
Opgesloten in een ellendigen kerker met boeien aan handen en voeten; dag en nacht bewaakt door ruwe, laaghartige soldaten die haar bespotten, tergen en beleedigen en daar tusschen door uren lang afgebeuld door moeilijke en pijnlijke verhooren. Wie zou daar tegen bestand zijn? O, ware het de rampzalige gegeven geweest, toen rustig heen te gaan, haar verlossing tegemoet, welk eene ellende, welk eene vernedering zou haar bespaard zijn gebleven.
Haar lichaam is afgetobd en krank, maar haar geest blijft onveranderlijk helder.
Hare beulen laten haar ook nu niet met vree. Tot in haar kerker en op haar leger vervolgen zij haar, steeds met dezelfde grieven, steeds met dezelfde verwijten. Maar niets kan haar rots-vaste geloof doen wankelen, ook nu niet, nu mogelijk haar einde nadert. Wat er ook moge gebeuren, zij zal niet anders kunnen verklaren, dan wat zij reeds in het proces gezegd heeft. Nog heeft zij haar vertrouwen in de menschen, ja zelfs in hare vijanden, niet geheel verloren. Zij rekent er vast op dat, zoo zij mocht sterven in de gevangenis, men haar zal begraven in gewijde aarde. Doet men dit niet, dan verlaat zij zich ook hierin op God.
Jeanne: »Ik ben een goede christin, ik ben gedoopt, ik zal als goede christin sterven«.
Dit bezoek had plaats den 18en April. Den 2en Mei is Jeanne hersteld.
Hare stemmen hebben haar in dien tusschentijd weer moed ingesproken. Zelfs de Aartsengel Gabriël is haar verschenen en heeft haar geraden zich in alles op den Heer te verlaten, Hij zal haar helpen. Met nieuwen moed bezield verschijnt zij voor hare drie en zestig rechters.
Het eerst wordt zij toegesproken door Jean de Chatillon. Hij vangt aan met een ernstige vermaning, maar op bijna minzamen toon uitgesproken, en wijst haar op hare fouten, maar zijn toespraak eindigt met bedreigingen met dood en brandstapel. Op dienzelfden toon spreken nog enkele andere rechters haar toe.
Voor het eerst wijst men haar in het openbaar op de noodlottige, doch onvermijdelijke gevolgen van haar dwaling.
Wil zij zich dan niet onderwerpen aan het Heilig Concilie, of aan den Heiligen Vader, den Paus?
Haar antwoord is kort:
»Breng mij voor hem, ik zal hem antwoorden!«
* * * * *
Dan biedt men Jeanne aan wat zij voor den aanvang van het proces verlangd heeft: bijstand van priesters van haar eigen partij. Wat zouden die thans nog voor haar kunnen doen?
»Geef mij een bode«, antwoordt zij op dit aanbod, »en ik zal hem schrijven wat ik denk over het geheele proces, zooals gij het gevoerd hebt.«
Nog één hamerslag, steeds op het zelfde aanbeeld, maar daarin klinkt een zekere wanhoop en vertwijfeling van de zijde van hare rechters.
»Zeg ons dan een reden, een enkele slechts, waarom gij weigert U op de Kerk te verlaten.«
Maar Jeanne zwijgt. Men wil niet hooren, men wil haar niet begrijpen. Zij heeft niets meer toe te voegen aan de reeds zoo herhaaldelijk door haar afgelegde verklaringen: men weet het toch, zij kan niet anders.
* * * * *
Nog is er een middel om Jeanne mogelijk tot spreken te dwingen en haar misschien tot andere gedachten te brengen: de pijnbank.
Den negenden Mei brengt men Jeanne in het vertrek, waar zich de pijnbank en de folterwerktuigen bevinden. Men toont haar de werktuigen en de scherprechters, die gereed staan hun werk te beginnen. Dan leest men haar voor de artikelen, waarop zij tot nu toe geweigerd heeft te antwoorden. Maar Jeanne laat zich niet bang maken, zij zwicht niet, zelfs niet voor het dreigement met de pijnbank. Zij blijft bij hetgeen zij tot nu toe gezegd heeft en als zij op de pijnbank iets anders verklaarde, zou zij toch altijd later zeggen, dat men haar er toe gedwongen had.
Onder deze omstandigheden acht Cauchon het voorloopig nutteloos om tot een foltering over te gaan.
In een bijeenkomst te zijnen huize wordt de zaak nog besproken. De meeningen loopen uiteen. Enkelen vreezen dat het vergeefsche moeite zal zijn, daar zij veronderstellen, dat Jeanne van den duivel de gave der stilzwijgendheid heeft ontvangen. Anderen achten haar te verstokt en de gunst van een foltering onwaardig: het zijn degenen wier oordeel reeds gevestigd is. Nicolas Loiseleur was een van degenen, die van een foltering »als medicijn voor haar ziel« wel eenig heil verwachtte en dus voor de pijnbank stemde. De meerderheid is van oordeel dat voor het oogenblik geen reden bestaat om tot de foltering over te gaan: aldus wordt besloten en de pijnbank is het eenige wat Jeanne bespaard is gebleven.
* * * * *
Daarna vertrekken de zes afgevaardigden van de Sorbonne naar Parijs, gewapend met de Twaalf Artikelen. Dadelijk na hun aankomst komen de geleerde heeren bijeen om te overleggen. Eerst vergadert elke faculteit apart, daarna vereenigen zij zich in een algemeene vergadering, waarin het onderzoek van de zaak wordt verwezen naar de theologische faculteit en de faculteit voor Kerkelijk Recht.
Na veertien dagen zijn de beide faculteiten met hun onderzoek gereed, en deelen in een nieuwe algemeene vergadering van de Universiteit hunne conclusies mede. Het resultaat is, zooals te verwachten was, voor Jeanne vernietigend. Men noemt haar verraderlijk, trouweloos, wreed, bloeddorstig, afvallig, leugenachtig. Uitgemaakt wordt doodeenvoudig dat hare Heiligen, booze geesten waren en wel Bélial, Satan en Béhémot. De eer van deze uitvinding komt toe aan de Theologische Faculteit, terwijl daarentegen de faculteit voor Kerkelijk Recht er zich weer op mag beroemen o.a. te hebben uitgemaakt in art. 3 van haar rapport, dat Jeanne een afvallige was, »omdat zij zich met verkeerde oogmerken het haar had laten afknippen, dat God haar gegeven had, om haar hoofd te bedekken«. Beide faculteiten zijn eenstemmig van oordeel dat Jeanne behoort te worden overgeleverd aan het wereldlijk gezag, en overeenkomstig hare misdrijven behoort gestraft te worden. De algemeene vergadering neemt het advies van de commissie van onderzoek over en maakt het tot het hare.
Het resultaat van de beraadslagingen wordt naar Rouaan verzonden met een ellenlang begeleidend schrijven aan den bisschop Cauchon, waarin deze hemelhoog wordt geprezen om zijn zeer bijzondere christelijke liefde en de uitnemende, krachtige wijze waarop hij het proces voert tegen die vrouw, die men Maagd noemt, doch wier gift zich ver verspreid heeft en de christelijke kudde in bijna het geheele Westen heeft besmet en verpest.
Zoodra de uitspraak van de Sorbonne in Rouaan is overgebracht, komen Jeanne's rechters in completen getale bijeen. Het oordeel van de Universiteit maakt hun de zaak veel gemakkelijker, neemt hun een groot deel van de verantwoordelijkheid van de schouders: zij sluiten zich gaarne bij dat oordeel aan.