Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans

Part 8

Chapter 83,840 wordsPublic domain

2e. Een brief d.d. 14 Juli 1430 van haar aan Jean de Luxembourg, met de bede om toch vooral Jeanne niet tegen losprijs weer aan haar vrienden uit te leveren en eindelijk

3e. Een brief van de Sorbonne aan den koning van Engeland (d.d. 3 Jan. 1430) waarin zij hem smeekt dat Jeanne toch naar Parijs zal worden overgebracht om zich daar te verantwoorden voor eene kerkelijke rechtbank.

De ijver, die dit beroemde lichaam, dat slechts een bron van licht had behooren te zijn voor heel de beschaafde wereld, betoont in deze zaak van afschuwelijke duisternis, kent geen grenzen en nadert het ongeloofelijke. Geen enkele van de groote biografen van Jeanne is er in geslaagd of heeft zelfs een ernstige poging gewaagd het optreden van de illustre Sorbonne in deze zaak goed te praten of te verdedigen. Integendeel de meesten raken in vuur en uiten hun heilige verontwaardiging in een heftig en welsprekend: »J'accuse«!

De Parijsche Universiteit haatte Jeanne en zag in deze ketterin, die volgens hare overtuiging van den duivel bezeten was, een groot gevaar. Maar de voornaamste reden, waarom het voor de Parijsche Universiteit van het grootste belang was, dat Jeanne in het openbaar als afvallige van de Heilige Moederkerk en als ketterin werd terechtgesteld, moeten wij naar mijne meening nog elders zoeken. Zij ligt meer op politiek terrein. Parijs was n.l. in handen der Engelschen. De Universiteit was de getrouwe dienares van den Regent, die van zijn kant haar daarvoor zijn genegenheid en dankbaarheid meermalen met daden getoond had. Als noodzakelijk gevolg hiervan ontkende de Universiteit ten eenenmale het goede recht van Karel VII op den troon van Frankrijk. Het bericht dat er een jonge maagd aan het hof van Karel te Chinon was verschenen, die beweerde door God gezonden te zijn om hem weer in het bezit te stellen van den ouden Troon, had hen getroffen als een plotselinge donderslag. De tijdingen omtrent het succes der Fransche troepen onder Jeanne's leiding, omtrent den tocht naar Reims en de kroning, had hen met schrik en angst vervuld. Wat zou hun lot zijn wanneer het Karel gelukte de hoofdstad te veroveren? Één middel was er slechts om hun afvalligheid en trouweloosheid, waarvan zij zich in het diepst van hun ziel bewust moeten geweest zijn, te verdedigen en te rechtvaardigen.

Die vrouw, die maagd, die zich uitgaf voor een bode van God zelf, die vrouw moest in een officieel en openbaar proces, door de Heilige Inquisitie, door de geheele Heilige Moederkerk schuldig bevonden worden aan ketterij. Die vrouw moest als een dienares des duivels haar dood vinden op den brandstapel.

In de tweede plaats noemen wij Pierre Cauchon, bisschop van Beauvais. In zijn optreden in die dagen doet hij ons denken aan het roofdier, opgeschrikt door de lucht van het aas. Nauwelijks heeft het bericht van Jeanne's gevangenneming hem bereikt of hij zet zich in beweging en begeeft zich naar Compiègne. Hij eischt Jeanne op, omdat zij is gevangen genomen binnen het gebied van zijn diocees. Niet alleen wordt deze bewering door enkelen beslist bestreden, maar bovendien kan zij toch onmogelijk als verklaring dienen voor zooveel ijver, zooveel hardnekkigheid. De leugen ligt er te dik op, maar is doorschijnend genoeg om daaronder duidelijk te doen herkennen, een krachtig verlangen om de Engelschen in het gevlei te komen en verder bovenal: persoonlijke wraakzucht. Cauchon koestert tegen Jeanne een doodelijken haat. Van haar eerste optreden af aan heeft zij hem schier in alles gedwarsboomd en benadeeld, en staat zij zijn carrière beslist in den weg.

Als diplomaat was de bisschop van Beauvais een voorstander van den wapenstilstand. Hij trad als onderhandelaar op tusschen Karel VII en Philips van Bourgondië en bewees in deze hoedanigheid door zijn list en geslepenheid, aan den Bourgondiër belangrijke diensten.

Jeanne daarentegen was de vrouw van de daad. Zij wilde van geen wapenstilstand weten, drong er steeds bij Karel VII en zijne raadslieden op aan, krachtig door te zetten tot het einde toe; eerst Orléans, dan Reims, vervolgens Parijs en dan eindelijk de Engelschen het land uit en de zee over.

Maar, en dat woog nog zwaarder, ook als Bisschop heeft Pierre Cauchon tot tweemaal toe voor Jeanne het veld moeten ruimen. Een maand voor de kroning bevond hij zich nog in zijn volle, bisschoppelijke heerlijkheid te Reims, maar bij de nadering van het Fransche leger onder aanvoering van Karel VII en van Jeanne, had Cauchon zich uit de voeten gemaakt. Evenzoo verging het hem in zijn eigen Bisschopsstad Beauvais. Cauchon had de bevolking geraden de poorten van de stad te sluiten en de plaats tegen de troepen van den koning te verdedigen. Maar tegen zijn advies in hadden zij den koning de sleutels van Beauvais gebracht en Jeanne met haar troepen in triumf binnengehaald. Den bisschop bleef toen niets anders over dan de vlucht: hij zocht zijn veiligheid bij den hertog van Bedford en bij Philips van Bourgondië.

Dat zijn bittere pillen, die zwaar op de maag liggen, en die zelfs een bisschop niet licht verteert.

Thans biedt zich een gelegenheid dien smaad te wreken. De blaadjes zijn omgekeerd: Jeanne is gevangen, de vogel is in het net. Cauchon neemt de leiding. Langzaam maar zeker zullen wij hem zien afgaan op het doel, dat hij voor oogen heeft. De vogel zal tegenspartelen, Jeanne zal zich dapper verdedigen tot het einde toe. Wat baat het haar? Waar een Pierre Cauchon de lijnen van het net in handen heeft, is geen ontsnappen mogelijk. Hij zal zijn rol tot het slot met volkomen meesterschap vervullen en als eindelijk zijn slachtoffer, tengevolge van zijn eigen toedoen, valt, zal zelfs de theatrale traan van meelij niet ontbreken.

* * * * *

Jeanne, in handen van de Engelschen, wordt bij brieven van 3 Januari 1431 door den koning Hendrik VI overgeleverd aan den Bisschop van Beauvais. Zij zal zich te verantwoorden hebben voor een geestelijke rechtbank.

Pierre Cauchon zelf zal voorzitter zijn, aan hem dus ook de zorg voor het uitkiezen en bijeenroepen van de overige leden van dit illustre en verheven lichaam.

Naast Cauchon vinden wij Jean Lemaître, een dominicaner als Vicaris van den Inquisiteur te Rouaan, en Jean d'Estivet als Promotor.

Als eerste griffier zal zitting nemen Guillaume Manchon, die zal worden bijgestaan door Guillaume Colles, bijgenaamd Boisguillaume.

Wij willen geen droge opsomming geven van alle namen van de leden van dit college, waarin o.a. zitting nemen tien abbés van de groote abdijen in Normandië, die mijters dragen evenals de bisschoppen, bijgestaan door drie priors, verder zestig assessoren en eindelijk alle geestelijken van het kapittel te Rouaan. Wij kunnen volstaan met het noemen van enkele der voornaamsten met hun titels en soms met hun toekomstige titels, dit laatste om duidelijk te doen uitkomen, dat ondanks het latere proces van rehabilitatie, de medeplichtigheid aan den dood van Jeanne de rechters van het eerste proces niet bepaald geschaad heeft in hun carrière.

Wij vermelden dus nog:

Henri Beaufort, Kardinaal van Engeland, chef van den Engelschen Raad.

Louis de Luxembourg, broeder van Jean de Luxembourg, Bisschop van Thérouanne, later kardinaal.

Jean de Castiglione, een Italiaan, aarts-diaken van Évreux, later kardinaal.

William Ahnwick, Bisschop van Norwich, een Engelschman.

Jean de Mailly, Bisschop van Noyon. Hij zal later ook deelnemen aan het proces van rehabilitatie.

Gilles de Duremort, Jean Lefévre, Richard Prat (Engelschman) drie toekomstige bisschoppen; Raoul Roussel, Pasquier de Vaulx, Robert Ghillebert, drie toekomstige aartsbisschoppen.

Ten slotte nog deze enkele, merkwaardige bijzonderheid: Nicole Midy, de rechter, die Jeanne in het openbaar toespreekt op den dag van haar dood, is dezelfde, die in 1438 de officieele feestrede uitspreekt bij den blijden intocht van Karel VII in Parijs en Thomas de Courcelles, een andere rechter van Jeanne, zal bij den dood van den koning de plechtige lijkrede houden.

* * * * *

De zaak wordt geheel in den vorm en deugdelijk voorbereid. In Domremy worden inlichtingen genomen en ook op andere plaatsen waar Jeanne vertoefd heeft. Personen, waarmede zij heeft omgegaan, en nog andere getuigen worden gehoord. Kortom, alle mogelijke gegevens worden verzameld, maar bijna uitsluitend uit Engelsch-Bourgondische bron.

Maître Maugier, de advocaat van de familie d'Arc in het proces van Rehabilitatie, heeft er later op gewezen, dat de gunstige informaties, die men omtrent Jeanne had gekregen in haar geboorteland, zich niet in het dossier van het proces te Rouaan bevinden, en dus vermoedelijk verdonkeremaand zijn.

Eindelijk wordt Jeanne gedagvaard tegen den 21en Februari. Zij verklaart zich bereid te verschijnen, doch verlangt dat aan de Rechtbank, zooals deze thans is samengesteld, een gelijk aantal Fransche geestelijken van haar partij zal worden toegevoegd, en dat men haar zal toestaan de Mis te hooren. Deze beide verzoeken worden door den Bisschop-voorzitter afgewezen.

Terwijl dus Cauchon van zijn kant de zaak in alle opzichten goed heeft voorbereid, is er van eenige voorbereiding van de kant van Jeanne geen sprake kunnen zijn. Zij heeft geen advocaat, geen verdediger, geen raadsman: zij heeft met niemand overleg kunnen plegen, er zijn voor haar geen getuigen à décharge opgeroepen, zij weet eigenlijk niet waar het om gaan zal, waarvan men haar beschuldigt.

Als Jeanne den 21en Februari voor hare rechters verschijnt is zij gekleed in manskleeren en blootshoofds, hare handen en armen zijn vrij, maar hare voeten zijn geboeid met zware ketenen.

Volgens het recht en de gewoonten van dien tijd, had men Jeanne, van het oogenblik af, dat zij gevangene was van de Kerk, behooren over te brengen naar eene behoorlijke gevangenis, waar zij door vrouwen bewaakt werd. Maar de Engelsche heeren stoorden zich niet aan die gebruiken. Zij bleef dus opgesloten in een donkere cel, met zware ketens aan handen en aan voeten en werd dag en nacht bewaakt door Engelsche voetknechten. Dit laatste vooral is mogelijk wel een van de wreedste en meest verfijnde martelingen geweest, die men dit jonge meisje van negentien jaar heeft doen ondergaan. De soldaten van dien tijd waren over het algemeen ruwe, zedelooze en gewetenlooze kerels, de legers waren samenraapsels van allerhande schuim. Het is wel merkwaardig juist uit den mond van Andrew Lang, den Engelschen biograaf van de Maid of France, de verzuchting te hooren, dat wanneer Jeanne in handen was gekomen van Philips van Bourgondië, zij waarschijnlijk toch wel verbrand zou zijn, maar de Bourgondiër zou in zijn zucht naar wraak niet zoo diep gezonken zijn en zou haar niet zoo laaghartig behandeld hebben als de hertog van Bedford en de graaf van Warwick gedaan hebben.

Het costume waarin Jeanne verscheen, maakte dadelijk al op de meeste van hare rechters een slechten indruk, alsook het feit dat zij zich vertoonde met ongedekten hoofde, met hare mooie, zwarte haren kort afgeknipt boven het oor. De vrouwen van dien tijd, zelfs die van het laagste soort, zag men nimmer blootshoofds. Het is dus eenigszins te begrijpen, dat deze breede schare van celibatairen aanstoot nam aan de voor hen vreemde verschijning van Jeanne.

* * * * *

Het verhoor van den eersten dag is dadelijk voor Jeanne van het grootste belang. Het gaat om niets meer of minder dan de vraag: zal Jeanne door haar eed en haar eerste optreden de wettigheid en de bevoegheid van de Rechtbank erkennen? Wij zullen zien dat zij in hare antwoorden de moeilijkheid ontwijkt:

Cauchon: »Jeanne, zweer met de hand op het Heilig Evangelie, dat gij naar waarheid zult antwoorden op de vragen, die U zullen worden gesteld.«

Jeanne: »Ik weet niet waarover gij mij zult ondervragen. Misschien zult gij mij wel dingen vragen, die ik U niet mag zeggen.«

Cauchon voelt de handigheid van dit antwoord, maar hij laat niet los, hij wil den eed.

Jeanne: »Ik zal antwoorden over wat ik gedaan heb, maar niet over de dingen, die mij door God geopenbaard zijn; die heb ik slechts aan den koning medegedeeld. Al zou men mij ook het hoofd afslaan, daarover zal ik zwijgen.«

In dien zin legt zij dan ook den eed af.

Als men haar daarop verwijt dat zij heeft willen ontsnappen, antwoordt zij openhartig en vrijmoedig:

»Het is waar, ik heb willen ontsnappen, en ik wil het nog. Is dat dan niet geoorloofd aan elken gevangene?«

Deze zitting was zeer rumoerig. Het publiek en vooral de Engelschen onder hen maakten door hun geraas en getier Jeanne en zelfs den rechters het spreken soms onmogelijk. Besloten werd de volgende zittingen in een kleinere zaal te houden en minder publiek toe te laten.

Den volgenden dag, 22 Februari, is het niet Cauchon, die ondervraagt, maar Maurice Beaupère, één van de zes afgevaardigden, die de Parijsche Universiteit tegen den aanvang van het proces in allerijl naar Rouaan had gezonden om deel te nemen aan het geding. Beaupère is een zeer beroemd man van groot gezag. Hij maakt bijna het geheele proces mede. Plotseling drie dagen voor het eind-vonnis verlaat hij Rouaan. Hij vlucht onder voorwendsel dat hij naar Bazel moet vertrekken om het Concilie bij te wonen.

Zijne mede-afgevaardigden zijn:

Pierre Maurice, die later Jeanne op den 23en Mei in een lange redevoering zal toespreken.

Gérard Feuillet, Doktor in de Godgeleerdheid. Hij woont slechts de eerste helft van het geding bij.

Jacques de Tourraine, Professor.

Thomas de Courcelles, een van de grootste geleerden van de Universiteit, toekomstig kardinaal. Hij bekleedt bij het proces te Rouaan de functie van redacteur en secretaris, en vertaalt het proces in het latijn. Ook hij zal deelnemen aan het Concilie te Bazel.

En eindelijk Nicolas Midy, die later de beruchte twaalf artikelen zal opstellen.

Hij en Beaupère zijn wel degenen, die het heftigst zijn in hun aanvallen op Jeanne. Aan Midy wordt opgedragen de veroordeelde toe te spreken den dag van haren dood, maar ook dat zelfs doet hij in heftige en beleedigende bewoordingen. Hij zelf sterft later melaatsch, na een lang en bitter lijden.

* * * * *

Dien tweeden dag wordt Jeanne uitvoerig ondervraagd over haar jeugd, hare eerste visioenen. Zij antwoordt kalm en duidelijk, geeft alle bijzonderheden die men van haar verlangt, mits men zich maar niet waagt op wat zij beschouwt als verboden terrein. Zij is voortdurend op haar »qui-vive« en slagvaardig.

Zij begint met te verklaren, dat alles wat zij gedaan heeft haar gelast is in hare openbaringen.

Als Beaupère haar vraagt:

»Wie heeft U aangeraden manskleeren aan te trekken?« antwoordt zij eenvoudig weg:

»Daar beschuldig ik niemand van.«

Haar bezoek aan Robert de Baudricourt wordt behandeld en vervolgens haar komst aan het hof te Chinon.

Maar als Beaupère bijzonderheden wil weten over het teeken, dat zij Karel VII heeft gegeven, bijt zij kort van zich af:

»Daar zal ik U niets op antwoorden. Sla dat maar over en ga verder.«

Een tweede poging zal hetzelfde negatieve succes hebben. Zij geeft Beaupère den raad:

»Zend iemand naar den Koning, hij zal het U zeggen.«

* * * * *

Bij den aanvang van de derde zitting komt Cauchon eerst terug op de kwestie van den eed. Hij raadt Jeanne aan te zweren zonder eenige beperking, zooals het inquisitoriale recht het verlangt. Zijn aandringen op dit punt ontlokt haar een verklaring, die aan openhartigheid en duidelijkheid niets te wenschen overlaat, maar die haar dadelijk tegenover den Inquisiteur in gevaar brengt.

»De geheele geestelijkheid van Rouaan en van Parijs zou mij niet kunnen veroordeelen, wanneer zij er het recht niet toe heeft«.

»Ik ben gekomen van God: ik heb hier niets te doen; laat men mij terugzenden naar God van wien ik gekomen ben«.

Beaupère neemt het verhoor over en stelt haar eenige vragen van minder belang, maar Jeanne wendt zich nogmaals tot Cauchon zeggende:

»Gij zegt, dat gij mijn rechter zijt; wees voorzichtig; gij brengt U in groot gevaar«.

Vervolgens ondervraagt Beaupère haar wederom uitvoerig over haar jeugd en vooral over de vraag, wat zij geweten heeft van de bekende voorspelling, dat er een Lotharingsche vrouw zou komen om Frankrijk te redden. Ook de manskleeren komen weer ter sprake:

Beaupère: »Zijt gij bereid weer vrouwenkleeren aan te trekken?«

Jeanne: »Geef ze mij, ik zal ze aantrekken en heengaan. Maar ik ben tevreden met de kleeren die ik heb, omdat het Gode welgevallig is, dat ik ze draag«.

Enkele vragen omtrent hare stemmen weigert zij ook ditmaal te beantwoorden. Op een bijzonder moeilijke vraag van Beaupère betreffende het vraagstuk van de genade Gods, geeft zij zoo'n handig en voortreffelijk antwoord, dat hare rechters er verbaasd over staan.

De scène is van groot belang en wij willen haar derhalve hier in extenso weergeven. Beaupère verhoort en aan hem dus ook vermoedelijk de eer voor de uitvinding van deze buitengewoon verraderlijke vraag, die men, zooals Michelet het uitdrukt, zonder misdadig te worden aan geen levend wezen mag stellen.

Beaupère: »Jeanne, savez vous être en la grace de Dieu?« (»en état de grace«).

Een huivering vaart door de gansche rechterschaar. Zij voelen het gevaar en bespeuren duidelijk de adder die onder het gras schuilt. Een kort oogenblik van groote spanning.

Dr. Jean Le Fèvre, professor in de Godgeleerdheid, staat op. Naar zijn meening gaat men te ver, hij wil een woord van protest doen hooren. Aarzelend brengt hij in het midden, dat deze vraag te moeilijk is, en dat Jeanne er niet op behoeft te antwoorden, waarop Cauchon hem toesnauwt: »Gij, gij zoudt beter doen te zwijgen!« Maar nu neemt Jeanne het woord. Hare zeldzame slagvaardigheid stelt haar ook nu weer in staat de knoop door te hakken en met vaste stem en onverschrokken antwoordt zij:

»Si je n'y suis, Dieu m'y mette; et si j'y suis, Dieu m'y tienne.«

(»Si ego non sim, Deus ponat me; et si ego sim, Deus me teneat in illa«).

»De quo responso interrogantes fuerunt multum stupefacti,« verklaart verder de getuige uit het proces van Rehabilitatie, Boisguillaume, aan wien wij deze bijzonderheden verschuldigd zijn. »Verbaasd«, wij gelooven het graag, over zooveel gevatheid, en zulk een goddelijken eenvoud, maar wij zouden, al vinden wij dat ook niet vermeld in de getuigenverklaring, er aan willen toevoegen »grootelijks verlucht«. Verlucht na de angstige spanning waarin de netelige vraag van Beaupère hen allen gebracht had en waaruit het voortreffelijke en verrassende antwoord van Jeanne hen had verlost.

Den 25en en 26en Februari wordt Jeanne niet ondervraagd. Zij is lichtelijk ongesteld: koorts en brakingen. Zij had visch gegeten, haar gezonden door Cauchon.

Jean d'Estivet, de Promotor van het proces, komt haar in haar kerker bezoeken. Liet zij mogelijk in een gesprek met hem, iets doorschemeren van een verdenking? Zeker is het, dat het gesprek zeer heftig eindigde; van weerskanten vielen harde woorden. De opwinding deed Jeanne geen goed.

De graaf van Warwick maakt zich ernstig ongerust dat.... zijn gevangene haar natuurlijken dood zal sterven. Dat moet in geen geval. Hij laat doctoren komen, die Jeanne onderzoeken en een aderlating noodig achten.

Nieuw gevaar: zij is in staat daardoor zelfmoord te plegen. Toch wordt, na rijp beraad, tot een aderlating besloten en Jeanne is na twee dagen weer hersteld.

De volgende zitting heeft plaats den 27en Februari. Beaupère ondervraagt. Hij wil weten of zij ook thans nog hare stemmen hoort. Jeanne hoort ze nog dagelijks, zij spreekt nog telkens met de Heilige Cathérine en de Heilige Marguerite. Zij spreken haar moed in en zeggen haar dikwijls wat zij antwoorden moet.

Hoe weet zij dat het Heiligen zijn, hoe herkent zij ze, hoe zijn zij gekleed, is hun beider kleed van dezelfde stof, hoe oud zijn zij, spreken zij te gelijk of één voor één? Steeds meer bijzonderheden worden haar gevraagd, maar Jeanne weigert enkele van die vragen te beantwoorden. Vervolgens moet zij vertellen hoe zij haar degen heeft laten halen te Fierbois, hoe zij haar harnas en degen weer gedeponeerd heeft in de basiliek van Saint-Denis. Hoe zag haar banier er uit en door wien werd die gedragen:

Jeanne: »Die droeg ik zelf wanneer ik den vijand aanviel, om te voorkomen dat ik iemand doodde ... want ik heb nooit iemand gedood.«

Nog even voor de zitting wordt opgeheven vraagt Beaupère haar of zij gewond is geweest, omdat men algemeen geloofde in dien tijd, dat de heksen, wanneer zij gewond werden, met hun bloed hun macht verloren. Beaupère put zich werkelijk uit in spitsvondigheden, doch voorloopig nog zonder veel resultaat.

Cauchon zelf vraagt haar in de zitting van den eersten Maart welke van de drie Paussen zij voor de ware houdt.

In het dossier bevinden zich de copieën van een brief van den graaf van Armagnac, waarin deze haar dezelfde vraag stelt en van het antwoord van Jeanne daarop. Haar eigen brief wordt haar voorgelezen, doch zij verklaart, dat deze copie op verschillende plaatsen niet juist weergeeft wat zij gedicteerd heeft. Laat haar geheugen haar in den steek of heeft er vervalsching plaats gehad? En dan nog een duister punt: hoe kwamen deze brieven in het dossier?

Jeanne verklaart duidelijk en tot tweemaal toe, dat zij voor zich slechts gelooft in den Paus te Rome.

Cauchon komt daarna nogmaals terug op het geheim tusschen Jeanne en den koning, op het teeken, dat zij den koning gegeven heeft en op den engel met de kroon.

* * * * *

In den nacht van den 2en op den 3en Maart bezoeken hare Heiligen haar en spreken haar moed in. Gelukkig, want de verhooren vermoeien haar. Hare stemmen zijn haar eenige steun. Zij voelt instinctmatig, dat achter elke vraag, zelfs achter de oogenschijnlijk meest onbeduidende, een gevaar schuilt.

Hadden hare Heiligen armen, haren, ringen in hunne ooren? Hoe klonk hun stem?

Wee haar, wanneer zij in deze détail-beschrijvingen aan de Heilige Cathérine en de Heilige Marguerite eigenschappen toekent, die volgens het algemeen geloof in die dagen slechts gevonden worden bij de booze geesten, bij den Duivel en zijne handlangers.

Is onder die omstandigheden de vrijmoedigheid niet dubbel bewonderenswaardig, waarmede zij antwoordt op de vragen of de Aartsengel Michaël, wanneer hij haar verscheen, naakt was:

»Gelooft gij dan dat het Messire aan de middelen ontbreekt om zich te kleeden?« en of hij kort geknipt haar had:

»Waarom zou het hem zijn afgeknipt?«

* * * * *

Geen wonder dat Cauchon niet tevreden is: de zaak schiet niet op. In zes geheime vergaderingen ten huize van den Bisschop worden thans de volgende zittingen voorbereid.

* * * * *

Jeanne heeft in deze zes dagen gelegenheid om uit te rusten. In de eerste zittingen na deze korte wapenstilstand, is zij bijzonder goed op dreef. Jean Delafontaine ondervraagt. Hij blijft hoofdzakelijk op het terrein van de politiek, het geheime teeken te Chinon, de kroon te Reims.

Heeft Jeanne een Goddelijke opdracht gekregen om Karel VII aan te wijzen? Zij moet haren rechters telkens herinneren: »Maar dat heeft niets te maken met het proces!« Als er rumoer is in de zaal, roept zij ze toe: »Spreekt toch niet allen te gelijk«.

Over het proces-verbaal, dat haar aan het einde van de zitting van 11 Maart wordt voorgelezen, is zij ook al niet tevreden. Zij drukt den griffier op het hart in het vervolg beter op te passen:

»Wanneer gij U nog eens vergist, zal ik U aan Uwe ooren trekken«.

* * * * *

Cauchon dringt er bij den Inquisiteur-Generaal op aan, dat de Vice-Inquisiteur, Jean Lemaître, voortaan de zittingen zal bijwonen. Met andere woorden, dit was tot nu toe niet geschied. Dit feit werpt wel een zeer eigenaardig licht op de wettigheid van het proces, zooals het tot nu toe gevoerd was.

Eerst vanaf den 12en Maart zal dus de rechtbank compleet zijn en krijgt ook de Inquisitie een deel van de verantwoordelijkheid te dragen.