Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans

Part 7

Chapter 73,915 wordsPublic domain

Den 13en September breken de Franschen op: een klein garnizoen wordt achtergelaten te St. Denis. Den 21en komt de koning met Jeanne en zijn gevolg te Gien aan.

Tegen haar zin wordt Jeanne medegevoerd. Zij blijft bij hare meening en komt daar openlijk voor uit, dat men had moeten doortasten en haar haar gang had moeten laten gaan, dan zou ook de hoofdstad zich over gegeven hebben. Zij begrijpt, wat nu gebeuren zal: het is reeds najaar; een groot gedeelte van het leger zal uit zuinigheid worden afgedankt en voor het volgend voorjaar zal zeker aan een ernstig aanvallend optreden van Fransche zijde niet gedacht kunnen worden. Zij voorziet een winter van luieren en stilzitten.

De koning van zijn kant verzint al het mogelijke, om haar bezig, ik schreef haast, om haar zoet te houden. Van Gien trekt zij met het hof naar Selles en Bergy, Bourges, Loches, Jargeau, Issoudun en het kasteel Mehun sur Yèvre. Men overlaadt haar met kostbare geschenken en fraaie kleeren, zij heeft de vrije beschikking over de beste paarden uit den koninklijken stal. Maar wat maalt zij om dat alles, om persoonlijk voordeel is het haar immers niet te doen? Om deze dwaze en smakelooze vertooning volledig te maken, wordt Jeanne met hare geheele familie, zoowel in de mannelijke als in de vrouwelijke linie in den adelstand verheven, »om door alle tijden heen de herinnering te vereeuwigen aan zooveel Goddelijke genade en glorie.« De acte zegt uitdrukkelijk, dat de nieuwe familie-naam van de »lieve en beminde Johanna d'Ay« zal zijn »du Lys« en Jeanne zelf heeft verklaard, dat haar broers zich als familie-wapen gekozen hadden: twee gouden fransche lelies op een schild van azuur, met in het midden een kroon, gedragen door een zwaard. Nergens blijkt gelukkig, dat Jeanne ooit haar nieuwen naam of wapen heeft gevoerd: haar banier bleef onveranderd en tot het einde toe heeft zij zich zelf niet anders genoemd dan: »Jeanne la Pucelle«.

Gelukkig voor Jeanne besluit de Raad des konings tegen het eind van October tot een kleine expeditie in de Loirestreek. Dat geeft dus werk, al is het niet het groote werk, dat Jeanne verlangt. In de nabijheid van Bourges worden troepen bijeengebracht en de leiding van de expeditie wordt opgedragen aan d'Albret en Jeanne. De vijanden van Jeanne, de oppositie in den Raad, gaat in haar partijdigheid en onrechtvaardigheid zoover, dat zij Jeanne een verwijt maakt van de mislukking van den aanval op Parijs. Voor eigen fouten hebben zij een zondenbok noodig, maar zij vergeten, of liever gezegd, zij verzwijgen, dat zij diezelfde Jeanne, de eenige persoon, die door haar doorzettingsvermogen en haar geestdrift in staat was geweest, van een totaal onvoldoend voorbereiden aanval nog een belangrijk wapenfeit te maken, op het beslissende oogenblik aan handen en voeten gebonden en haar elk verder handelen onmogelijk gemaakt hebben.

In den aanvang van de herfstcampagne van 1429 zal Jeanne nog eenmaal toonen, wat zij vermag, dat haar invloed op hare troepen nog dezelfde is, maar het slot van de expeditie zal een mislukking zijn, omdat de middelen zullen ontbreken, om de troepen langer onder de wapenen te houden en het leger niet meer over voldoende munitie zal kunnen beschikken. De beide voornaamste biografen van Jeanne teekenen hierbij terecht aan, dat: »de kunst van hare tegenstanders hier in bestaan heeft, dat zij haar belet hebben, zich weer op te heffen van haar val.«

In de laatste dagen van October vinden wij Jeanne met hare troepen voor Saint Pierre le Moustier. De artillerie is in stelling gebracht en na een bombardement van eenige dagen is het den belegeraars eindelijk gelukt, een bres in de muren te schieten. Dan volgt een aanval, die evenwel door de verdedigers wordt afgeslagen. Jeanne strijdt weer in het voorste gelid. Zij houdt stand aan den voet van den muur, nadat hare troepen reeds zijn teruggetrokken. d'Aulon, die door eene zware verwonding geen deel kan nemen aan het gevecht, ziet haar daar staan met nog slechts enkele getrouwen en beseft oogenblikkelijk in welke gevaarlijke positie zij zich bevindt. Met moeite stijgt hij nog te paard en rijdt naar haar toe. Als hij haar vraagt, waarom zij zich zoo blootstelt en alleen is achtergebleven, licht zij het vizier van haar helm op en antwoordt:

»Ik ben niet alleen, ik heb nog vijftigduizend man bij mij en zal niet van hier gaan, voor ik de stad heb ingenomen.«

d'Aulon, verbaasd over zooveel optimisme, blijft aandringen, dat zij zich in veiligheid zal brengen, maar Jeanne wil er niet van hooren en met luider stem geeft zij bevel, dat men takkenbossen zal aandragen, om een deel van de gracht te dempen.

Hare manschappen gehoorzamen. Zij is de eerste, die de gracht oversteekt en den soldaten toeroept:

»In Gods naam, nu aanvallen! De stad is ons!«

En ook ditmaal nog blijkt dit tooverwoord voldoende, om haar leger als één man in beweging te brengen en de stad met één krachtigen aanval, waarvoor alles wijken moet, te veroveren.

Na de verovering van Saint Pierre le Moustier trekken d'Albret en Jeanne met hunne troepen verder over Moulins naar Charité sur Loire, waarvan de insluiting begint op 24 November. Maar de winter is intusschen met groote strengheid ingevallen, de belegeraars hebben gebrek aan warme kleeren, aan geld en aan munitie. Jeanne heeft reeds naar enkele streken brieven gezonden met verzoek om steun, en er is ook reeds hulp ontvangen o. a. van de trouwe en dankbare bewoners van Orléans, maar met wat men thans bijeen heeft, zal men het niet lang kunnen houden. Na vier weken van ellende en ontberingen in de bittere kou wordt dan ook het beleg van la Charité opgeheven, de troepen worden afgedankt en Jeanne met haar gevolg begeven zich naar het hof, dat zich te Jargeau bevindt.

Dan volgen eenige maanden van stilzitten. De wapenstilstand met Bourgondië, waaraan beide partijen zich al bijzonder weinig gestoord hebben, is telkens weer verlengd en de laatste maal zelfs tot aan de week voor Paschen. Als in de eerste dagen van Maart het hof naar Sully sur Loire trekt, gaat Jeanne mee, en van uit Sully verdwijnt zij met een kleine troepenmacht zonder iemand te waarschuwen, juist tegen het einde van het bestand. Zij trekt naar Lagny, maar onderweg te Melun krijgt zij de eerste waarschuwing van hare Heiligen, dat zij gevangen genomen zal worden vóór Sint Jan, dat was dus vóór den 24en Juni van dat jaar.

»Als ik dan gevangen wordt genomen«, antwoordt zij in kalme berusting, »laat mij dan dadelijk sterven, zonder langdurige gevangenschap«.

De waarschuwing blijft haar bezighouden en telkens als hare Heiligen haar weer verschijnen, vraagt zij nadere bijzonderheden omtrent den dag, het uur en de plaats van hare gevangenneming. Maar de Heiligen laten zich er verder niet over uit en raden haar slechts aan, er niet verder over te tobben en zich niet angstig te maken, want »God zal haar bijstaan.«

Te Lagny verblijft Jeanne geruimen tijd, de bevolking draagt haar op de handen en vereert haar als een Heilige. Van één geval, waarin men haar tusschenkomst als afgezant van God inroept, willen wij melding maken, omdat het later in den breede behandeld is in het proces en hare rechters er haar een verwijt van gemaakt hebben.

Er was dan te Lagny een kind geboren, maar dadelijk na de geboorte overleden, nog voor men den tijd had gehad, het te doopen. Het geval was algemeen in de plaats bekend en allen, vooral de vrouwen en moeders, waren er zeer mede begaan. Den derden dag eindelijk besluit men, de hulp van Jeanne in te roepen: mogelijk, dat men met haar tusschenkomst nog iets bereiken kan. Volgens verklaring van Jeanne zelf was het lijkje reeds zwart, toen men het haar toonde. Zij geeft den raad, dat men het in de kerk zal brengen en neder zal leggen voor het altaar van de Heilige Maagd. Daarna vereenigt zij zich met de vrouwen en meisjes, die in grooten getale zijn toegestroomd, in een vurig, gemeenschappelijk gebed.

»En ziet«, vertelde Jeanne, »aan het eind van ons gebed scheen het, dat er leven in het kindje kwam. Het gaapte driemaal en werd gedoopt. Dadelijk daarna stierf het en het werd in gewijde aarde begraven.«

Uit de uitdrukking van Jeanne zelf, dat het kindje na eenig teeken van leven gegeven te hebben, al was dit dan ook het eerste na de geboorte, »stierf«, blijkt wel voldoende, dat zij zelf niet in den waan verkeerde, een wonder verricht en eene opwekking uit den dood bewerkstelligd te hebben.

De omstreken van Lagny werden in die dagen onveilig gemaakt door een ongeregelde bende van drie- à vierhonderd man onder aanvoering van een zekeren Franquet d'Arras. Zij behoorden tot de partij van de Bourgondiërs en vermoordden en verbrandden onderweg alles, wat zij van de Franschen in handen konden krijgen. Jeanne trekt er op een dag met hare troepen op uit, om met die gevaarlijke bende af te rekenen. Bij een eerste treffen worden de manschappen van d'Arras allen gedood of gevangen genomen en hij zelf valt ook in handen van de Franschen. Bij de verdeeling van de krijgsgevangenen, zooals die toen gebruikelijk was, wordt de aanvoerder Franquet d'Arras aan Jeanne toegewezen. Vermoedelijk zal zij hem gekocht hebben, een krijgsgevangene van eenigen rang of stand kreeg men niet voor niets, maar een ander zal voor haar betaald hebben, want zij heeft uitdrukkelijk later in het proces verklaard, dat zij geen geld voor hem gegeven had, daar zij nimmer munter of schatmeester van Frankrijk was geweest. Jeanne was van plan, haren gevangene uit te wisselen tegen een hôtelier uit Parijs, den »Seigneur de l'Ours«, maar, als zij vernomen heeft dat de hôtelier gedood is, zwicht zij voor den aandrang van den baljuw van Senlis en levert Franquet d'Arras aan hem uit. Na een kort proces wordt hij daarna ter dood veroordeeld en onthoofd. In Bourgondische kringen is men heftig verontwaardigd geweest over de terechtstelling van dezen kapitein en er schijnt in deze zaak ook iets te zijn, dat niet geheel strookte met de gebruiken van dien tijd. Maar het is ten onrechte, dat men er Jeanne een ernstig verwijt van heeft gemaakt: zij heeft slechts toegestemd in de voltrekking van het vonnis, omdat d'Arras de hem ten laste gelegde feiten bekend had, en zij meende, dat het recht zijn loop moest hebben. In het proces zal men uit deze gebeurtenis een bewijs putten voor de wreedheid en bloeddorstigheid van Jeanne.

Men heeft het Jeanne in het proces nog lastig gemaakt over eene andere bijzonderheid uit haar verblijf te Lagny, n.l. over hetgeen zij gedaan had met het beroemde zwaard, dat zij uit Fierbois had laten halen. Maar zij heeft geweigerd, hieromtrent iets mede te deelen. Men heeft algemeen verzekerd, dat zij het in een plotselinge opwelling van verontwaardiging had stuk geslagen, met één slag van het plat van het zwaard, op den rug van een vrouw van lichte zeden, die zij ondanks haar herhaald en uitdrukkelijk verbod aantrof in den tros van haar leger. Voor zij Lagny verlaat, krijgt zij een zwaard, dat men op een Bourgondiër veroverd had, en dat zij behouden heeft tot hare gevangenneming toe.

Als Jeanne eindelijk Lagny verlaat, begeeft zij zich met haar troepen, een duizend ruiters ongeveer, over Senlis naar Compiègne. Compiègne, dat zich, zooals wij reeds gezien hebben, loyaal betoond had, was door Karel VII bij zijn verdrag met den hertog van Bourgondië weer aan dezen laatste overgeleverd. Maar Guilleaume de Flavy, de bevelhebber van de stad, had van deze overgave niets willen weten en zijn poorten voor de Bourgondiërs gesloten gehouden.

Thans, nu de wapenstilstand geëindigd was, had de hertog van Bourgondië een nieuw en krachtig leger verzameld, dat onder aanvoering van Jean de Luxembourg, graaf van Ligny, onderweg was, om zich allereerst van de weerspannige stad meester te maken.

Bij haar wederverschijnen in Compiègne op den 13en Mei wordt Jeanne door de bevolking feestelijk ontvangen en met het ceremonieel voor hooggeplaatste personen: men bood haar wijn aan. Van uit Compiègne trekt ze met de andere aanvoerders als de Graaf van Vendôme en de aartsbisschop van Reims naar Soissons, maar hun poging om in de nabijheid van deze plaats de Aisne over te trekken, mislukt, en ze moet weer terug, maar neemt afscheid van den aartsbisschop, die met een deel van de troepen naar Senlis trekt. Zij verlaat Compiègne nogmaals voor een expeditie naar Pont l'Évèque, dat in handen van de Engelschen is. Voor eene verovering van dit belangrijke punt beschikt zij evenwel niet over voldoende troepen. Hun aanval wordt afgeslagen. Op haar terugtocht verneemt zij te Crépy, dat de Bourgondiërs het beleg voor Compiègne hebben geslagen. Zij begrijpt, dat er nu geen oogenblik te verliezen is. Ze wil trachten, door de belegeraars heen te sluipen en zóó de stad nog te bereiken. Men doet nog een poging, haar van dit plan af te brengen, maar zij zet door. »Wij zijn talrijk genoeg«, zegt zij, »ik ga mijne goede vrienden in Compiègne opzoeken«.

HOOFDSTUK IV.

Compiègne--Rouaan.

Na een ganschen nacht te hebben doorgereden aan het hoofd van haar kleine troepenmacht van hoogstens vierhonderd man, komt Jeanne in den morgen van den 23en Mei 1430 in Compiègne aan. Zij heeft waarschijnlijk haren troepen daarna enkele uren rust gegund en mogelijk ook zichzelf. Zij zal ter kerk gegaan zijn, de mis gehoord, en vermoedelijk ook overleg gepleegd hebben met Guilleaume de Flavy, die namens den koning bevel voerde in Compiègne. Maar tegen vijf uur van dienzelfden rampspoedigen Vrijdag, zien wij haar weer in volle wapenrusting, met een donkerroode, met goud bestikte huik over het blanke harnas, gevolgd door ongeveer vijfhonderd ruiters en voetknechten, de ophaalbrug voor Compiègne over trekken, den belegeraars te gemoet. Het bericht, dat Jeanne zich sedert dien morgen in Compiègne bevond, had het Engelsch-Bourgondische leger reeds bereikt. De vijand kende haar rustelooze voortvarendheid en was dus op een spoedigen uitval voorbereid. De bevelhebber van het vijandige leger had op twee punten groote troepenafdeelingen in hinderlaag gelegd. Ongeveer vijfduizend Engelschen te Venette, beneden de stad, en een tweede troep in het struikgewas op een heuvel, genaamd Mont-Ganelon, met het doel aan het leger van Jeanne bij zijn terugkeer den pas af te snijden en het te beletten Compiègne wederom te bereiken.

Niets kwaads achter zich vermoedende trekt zij met hare volgelingen langs den hoofdweg snel voorwaarts, haar ongeluk tegemoet. Na een krachtigen frontaanval werpt zij de hoofdmacht van Jean de Luxembourg terug. Als altijd zien wij haar ook in dit hardnekkige gevecht strijdend in het voorste gelid, vooraan op de punten waar het meeste gevaar dreigt, vol ijver, onvermoeid, haar getrouwen aanmoedigend, ze meesleepend door haar voorbeeld en haar woord, dan hier, dan daar, schier overal tegelijk.

Maar daar verlaten de Engelsch-Bourgondische troepen op den Mont Ganelon hun hinderlaag en stormen naar den weg. Jeanne's vrienden zien het gevaar, dat hen bedreigt en waarschuwen haar.

»Keer haastig terug naar de stad«, roepen zij haar toe, »of gij en wij allen zijn verloren!«

Maar Jeanne gelooft aan geen gevaar, wil van geen terugtrekken weten.

»Zwijgt!« antwoordt zij, »gij hebt het in uw macht ze te vernietigen. Slaat maar toe!«

De angst voor omsingeling heeft zich van haar troepen meester gemaakt, zij maken rechtsomkeert en beginnen te vluchten naar de brug en de booten om Compiègne nog te bereiken.

Jeanne houdt nog een oogenblik stand met enkele getrouwen, dringt nog voorwaarts op den vijand in. Dan grijpt op eenmaal d'Aulon de teugels van haar paard, doet het snel zwenken en voert haar zoo mede in de richting van de stad. Nog strijdt zij met haar enkele dapperen voort, maar als een goed bevelhebber thans in het achterste gelid, om den aftocht van haar manschappen te dekken.

Maar het is te laat. Van alle kanten komen versche versterkingen van den vijand aangestormd. Ook de Godons van Venette komen opdagen. Zij is genoodzaakt met haar troep den hoofdweg te verlaten en het lage moerassige land daarnaast in te trekken.

Zoo naderen Franschen, Bourgondiërs en Engelschen, steeds vechtende, doch in de grootste verwarring, de stad. Dan geeft Guilleaume de Flavy, die vreest dat in de verwarring van den terugtocht, met zijn eigen troepen ook de vijanden de stad zullen binnentrekken, bevel de ophaalbrug op te halen en ontneemt hiermede aan Jeanne en hare troepen de laatste kans op redding.

Steeds dichter dringen de vervolgers op de vluchtelingen aan. Zij haasten zich, want reeds valt de schemer, en hun prooi mag hun ditmaal niet ontsnappen. Zonder troepen en nog slechts in gezelschap van haar broers, van d'Aulon en diens broeder en nog enkele anderen nadert Jeanne de singelgrachten van Compiègne.

Maar zij kan er niet over, de brug is open, ze moet terug. Nu wordt ze van nabij omsingeld.

»Geef je over, en geef ons je woord, niet te ontsnappen!« roept men haar toe. Maar Jeanne antwoordt kalm:

»Ik heb mijn woord gegeven en trouw gezworen aan een ander dan aan jullie, en mijn eed aan Hem zal ik gestand doen!«

Op dit oogenblik springt een Picardiër, genaamd Lyonnel, achter op haar paard, slaat zijn beide armen om haar heen en valt met haar in het gras.

Jeanne is gevangen.

* * * * *

Dan, kunnen wij ons voorstellen, weerklinken in het half duister woeste vreugdekreten door gansch het vijandige kamp. Nog voor den nacht zendt de hertog van Bourgondië renboden met de blijde tijding naar zijn vrienden in de steden.

Maar in Compiègne is het stil. Van de wallen af zien de inwoners de vreugdevuren der Bourgondiërs, hooren zij het joelen en tieren der Godons.

Het wordt nacht. Het vierde bedrijf van het groote treurspel is afgespeeld. Het scherm valt.

* * * * *

Jeanne, krijgsgevangene van Jean de Luxembourg, wordt eerst opgesloten in een toren van het kasteel Beaulieu-le-Comte bij Compiègne. Maar het gelukt haar daar op haar beurt haar wachter in een toren op te sluiten. Zij wil dan ontsnappen tusschen twee planken, maar wordt nog juist, voor zij het kasteel verlaat, ontdekt door den portier.

[Illustratie: Gevangenneming van Jeanne d' Arc bij Compiègne.

Naar een muurschildering van Lenepveu in het Panthéon.]

Vermoedelijk uit angst voor een tweede, gelukkiger poging tot ontvluchten, laat Jean de Luxembourg haar overbrengen naar het kasteel Beaurevoir, waar zich op dat oogenblik bevinden Jeanne de Béthune, zijn vrouw, met haar dochter uit haar eerste huwelijk, Jeanne de Bar en zijn tante.

Deze drie dames spreken vaak en zeer vertrouwelijk met Jeanne. Zij mogen haar graag en zijn getroffen door haar schoonheid, haar lieftalligheid, haar innige vroomheid. Het hindert hun alleen, dat Jeanne manskleeren blijft dragen. Zij vinden dit onbetamelijk, onderhouden er haar over, bieden haar zelfs vrouwenkleeren aan of stof om daar zelf vrouwenkleeren van te maken.

Hun oprechte belangstelling maakt wel indruk op Jeanne, maar zij kan hun raad niet volgen, zij heeft daartoe nog geen toestemming van haar Heer ontvangen. Later heeft zij wel verklaard dat, indien zij haar manskleeren had moeten afleggen, zij het eerder op verzoek van deze dames had gedaan, dan van eenige andere dame in Frankrijk, uitgezonderd de Koningin.

Verder nog ontvangt zij dikwijls bezoek van een Bourgondischen edelman, Aimond de Macy genaamd. Hij spreekt gaarne met haar, maar schijnt ook niet ongevoelig te zijn ondanks haar manskleeren of, wie weet, juist daardoor, voor de jonkvrouwelijke bekoring, die er van de achttienjarige gevangene uitgaat. Zijn poging om zijn hand in haar boezem te steken wordt door Jeanne op forsche en niet al te zachthandige wijze verijdeld.

In het algemeen moeten wij ons een gevangene in die dagen niet voorstellen als geheel afgesloten van de buitenwereld. Men kan Jeanne bezoeken, met haar spreken. Zij blijft daardoor op de hoogte van hetgeen er gebeurt in Frankrijk en van het lot van »die goede lieden van Compiègne«. Voortdurend is zij in gedachten in Compiègne. De berichten, die zij ontvangt, zijn afwisselend, tegenstrijdig, maar zoowel de goede als de kwade tijdingen laten haar rust noch duur. Is de stad in nood? Zij wil er heen om hare vrienden te helpen. De gedachte dat de stad zal worden ingenomen, uitgemoord en verbrand, doet haar menig bang oogenblik doorleven. Zij wil er heen; ze wil weg uit de zeventig voet hoogen toren, waarin men haar heeft opgesloten, zij wil ontsnappen, al zou dit ook gepaard moeten gaan met een levensgevaarlijken sprong. In de eenzaamheid raadpleegt zij hare stemmen, hare Heiligen.

De Heilige Cathérine tracht haar eenigszins te kalmeeren en gerust te stellen:

»Waag den sprong niet, God zal U en eveneens de lieden van Compiègne helpen«.

Maar ook deze belofte vermag niet haar te vreden te stellen. Zij treedt met de Heilige Cathérine in discussie; zij is dankbaar maar niet voldaan:

»Wanneer God dan de lieden van Compiègne te hulp zal komen, wil ik er bij zijn«.

Bij de voortdurende ongerustheid over het lot van hare vrienden, voegt zich nog haar doodelijke angst dat men haar zal overleveren aan de Engelschen.

In dezen zwaren strijd, zijn het eindelijk haar zucht naar vrijheid en de angst voor het lot, dat haar wacht, als men haar uitlevert aan de Engelschen, die overwinnen, die haar het verbod van hare Heiligen doet overtreden. Zij waagt den sprong.

Als men haar bewusteloos vindt liggen en voor dood opneemt en wegdraagt, zijn het hare Heiligen die haar troosten.

De Heilige Cathérine spreekt haar moed in: zij zal genezen en Compiègne zal geholpen worden.

Dat doet haar gelooven dat het haar Heiligen zijn, die haar bij haar sprong van den dood gered hebben. Zij toont berouw over haar ongehoorzaamheid. Dan raadt de Heilige Cathérine haar aan haar schuld te biechten en God vergiffenis te smeeken, dat zij den sprong gedaan heeft en eindelijk na haar biecht stelt haar Heilige haar gerust: God heeft haar vergiffenis geschonken.

Na drie of vier dagen is zij van de gevolgen van haren sprong hersteld.

Na den sprong van Beaurevoir acht Jean de Luxembourg zijn gevangene aldaar niet meer voldoende in veiligheid. Hij is niet alleen bang, dat hare vrienden vroeg of laat een poging zullen doen haar te bevrijden, maar van Engelsche zijde worden hem groote sommen geboden, wanneer hij hun Jeanne wil overleveren.

Na overleg met Philips van Bourgondië brengt hij Jeanne tegen het eind van September naar Arras, vermoedelijk naar het kasteel la Cour le Comte. Van verschillende zijden blijft men het hem lastig maken, blijft men bij hem aandringen dat hij de »porte-bonheur des Armagnacs« zal uitleveren aan de Godons, die lokkend blijven rammelen met hun goud. De Parijsche Universiteit gaat in haar edelen ijver zelfs zoover, dat zij Monseigneur Jean dreigt met den banvloek, wanneer hij het bod van de Engelschen afslaat. Eindelijk tegen half November besluit hij tot den verkoop voor tienduizend gouden kronen. Voorwaar een koninklijke prijs.

Van Arras wordt Jeanne nu vervoerd naar Crotoy en aldaar aan haar doodsvijanden overgeleverd. Van Crotoy brengt men haar over Saint-Valery en Dieppe naar Rouaan, waar zij tegen Kerstmis aankomt en waar zij opgesloten wordt in den toren van het Oude Kasteel.

Rouaan zal zij niet meer verlaten. Met de uitlevering van Jeanne aan de Engelschen is eigenlijk haar doodvonnis in beginsel reeds geteekend. Toch zullen er nog vijf maanden moeten verloopen, vijf lange maanden van moreele en geestelijke marteling voor onze negentienjarige heldin, eer de beul haar in handen krijgt.

* * * * *

Van het oogenblik af, dat Jeanne gevangen was genomen, hadden zich verschillende machten in beweging gesteld, om zich van haar meester te maken en haar uit den weg te ruimen. Hiertoe behoorde in de eerste plaats de Parijsche Universiteit.

Onder de eerste processtukken treffen we al dadelijk aan:

1e. Een brief van de Universiteit aan den Hertog van Bourgondië om hem te verzoeken Jeanne over te leveren aan den Bisschop van Beauvais.