Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans

Part 6

Chapter 63,967 wordsPublic domain

Den volgenden morgen merken de Franschen tot hun verbazing, dat de vijand is verdwenen. Ver af kunnen ze evenwel niet zijn, en men besluit dus, ze te gaan zoeken. Merkwaardig is wel, dat dien dag de voorhoede van het Fransche leger en de hoofdtroep onder bevel staan van Poton, La Hire, d'Alençon en Dunois, terwijl men Jeanne met Gilles de Rais in de achterhoede heeft geplaatst. Dat men dit gedaan zou hebben uit angst, dat Jeanne in een hinderlaag zou vallen, lijkt mij niet waarschijnlijk. Had zij tot nu toe op alle tochten niet steeds de leiding genomen, en had zij bij de bestormingen niet steeds vooraan gestreden, in het voorste gelid en op het gevaarlijkste punt?

Het is in de vlakte bij Patay en door een bloot toeval dat de Fransche éclaireurs, terwijl zij op een hert jagen, eensklaps stuiten op de achterhoede van het Engelsche leger.

Zonder dralen gaat La Hire met zijn troepen oogenblikkelijk tot den aanval over. Maar de eerste schok is dadelijk zoo hevig dat zij eigenlijk beslissend is voor den geheelen slag. Voor nog Falstolf zich met Talbot heeft kunnen vereenigen en eigenlijk nog voor de Fransche achterhoede met Jeanne aan het gevecht kan deelnemen, hebben de Franschen den slag gewonnen en is het grootste gedeelte van het vijandelijke leger in de pan gehakt en gevangen genomen. Onder de gevangenen was ook de dappere Talbot.

Van het geheele gevecht bij Patay woonde Jeanne slechts het eind van de algemeene slachting bij, maar ook ditmaal was zij zeer geroerd bij dit gruwelijke schouwspel en stortte zij tranen van medelij met al de gesneuvelde dapperen. De terugkomst binnen de muren van Orléans na den slag bij Patay is voor Jeanne weer een triumftocht. Zij mocht dan persoonlijk aan dit laatste gevecht een minder werkzaam deel hebben genomen, men schrijft het min of meer terecht aan haar optreden toe, dat de krijgskansen plotseling gekeerd zijn, en de Franschen overal, waar zij zich met haar vertoonen, de overwinning behalen.

Waarom was de koning niet in Orléans? De bewoners hadden op zijn komst gerekend en zelfs de straten en huizen reeds met vlaggen en bloemen versierd. Was het zijn plicht niet geweest, nu hij toch in de buurt was, de stad te bezoeken, die zich zoo moedig verdedigd had?

Jeanne ontmoet haar »gentil dauphin« te St. Benoit sur Loire. Zij komt natuurlijk met het doel om, nu het Engelsche leger verslagen en de streek om Orléans gezuiverd is, den koning te bewegen, haar naar Reims te volgen. Maar voor zij dit onderwerp aanroert, heeft zij nog een anderen plicht te vervullen: zij smeekt Karel VII, dat hij den connétable weer in genade zal ontvangen, maar dit verzoek wordt haar geweigerd. De koning en zijn raadsman la Trémouille willen van die verzoening niets weten.

Vervolgens vertrekt het hof naar Gien en aldaar wordt na veel wikken en wegen tot den tocht naar Reims besloten.

Als men de houding van den koning in die jaren gadeslaat, maakt zich soms een gevoel van wrevel van ons meester over zooveel aarzeling, zooveel slapheid en zoo'n totaal gemis aan alles, wat zou zweemen naar eenige vastheid van karakter, en, hoewel innig overtuigd dat het zijne Raadslieden zijn, die er hem toe brengen, slaakt men een zucht van verluchting, wanneer men hem een enkele maal een belangrijk besluit ziet nemen.

Met een zucht van verluchting en een dankbaar gemoed verlaat ook Jeanne den 27en Juni Gien, en de koning met zijn gevolg vertrekt twee dagen later. Even voor haar vertrek uit Gien had Jeanne nog een brief gedicteerd aan de bewoners van Tournai, die Karel VII als hunnen koning erkend hadden. Zij deelt hun mede, dat zij de geheele Loire-streek van Engelschen gezuiverd heeft, en dringt er op aan, dat zij zich vooral door eene deputatie moeten laten vertegenwoordigen bij de kroningsplechtigheid te Reims.

Zooals wij reeds opmerkten bevonden zich de voornaamste plaatsen, waar Jeanne op weg naar Reims langs trekt, in handen van den hertog van Bourgondië. Auxerre sluit dan ook zijne poorten, maar zendt afgevaardigden om over een voorwaardelijke overgave te onderhandelen. La Trémouille moet bij die gelegenheid door de afgevaardigden van Auxerre zijn omgekocht voor tweeduizend kronen, waarna eene schikking tot stand kwam, dat de stad het voorbijtrekkende leger van levensmiddelen zou voorzien, maar verder neutraal zou blijven.

Het eenige ernstige oponthoud heeft plaats voor Troyes. De stad verdedigt zich en wordt den 5en Juli tot overgave gesommeerd.

De Fransche leiders aarzelen. Zal men aanvallen of maar niet liever terugkeeren, want met een vijandige stad in den rug durft men den tocht niet voortzetten. De Rijkskanselier en Aartsbisschop van Reims raadpleegt Jeanne en het zijn ook ditmaal weer haar invloed, hare doortastendheid, die een belachelijke mislukking van de gansche onderneming voorkomen.

Niet omkeeren, raadt zij natuurlijk aan, maar zich gereed maken voor de bestorming van de stad en zij staat er voor in, dat Troyes zich binnen twee dagen zal overgeven. Een belangrijken steun ondervindt Jeanne bij deze gelegenheid van de zijde van broeder Richard. Deze gevaarlijke drijver, die door zijn geestdriftige welsprekendheid een machtigen invloed had op de bevolking van Troyes, ziet in Jeanne niet anders, dan een afgevaardigde van den duivel. Men zendt hem met een groote wijwaterkwast op haar af en hij komt geheel bekeerd en volkomen overtuigd van de heiligheid van Jeanne in de stad terug. Op den verderen tocht naar Reims volgt hij haar.

Na de overgave van Troyes op den 9en Juli kan het Fransche leger zijn weg rustig vervolgen tot aan Reims toe. Evenals Châlons zendt de stad van den Aartsbisschop den koning een deputatie tegemoet met de sleutels.

[Illustratie: Kathedraal van Reims waarheen Karel VII door Jeanne d' Arc en haar zegevierend leger geleid werd, om daar gekroond te worden.

De Kathedraal, die zich bij het uitbreken van den tegenwoordigen wereldoorlog nog in den zelfden toestand bevond, heeft thans door het bombardement van de stad zeer geleden.

(Naar een photographie)]

In den avond van den 16en Juli houdt de koning met zijn gevolg en zijn leger zijn feestelijken intocht in Reims. 's Nachts worden in allerijl de noodige toebereidselen gemaakt voor de groote plechtigheid van den volgenden dag, en inderdaad schijnt men daarin bijzonder goed geslaagd te zijn, want volgens de verklaring van ooggetuigen was het een wonderschoon schouwspel en »even plechtig en tot in de kleinste bijzonderheden voortreffelijk geregeld, alsof men daarvoor een jaar den tijd had gehad«.

Tegen negen uur in den morgen van den 17en Juli begeeft de koning zich met zijn gevolg naar de groote kathedraal. Onmiddellijk achter hem loopt Jeanne met haar standaard en gevolgd door haar page en broeder Richard. Het geheele kerkgebouw is gevuld met een dicht opeengepakte menigte, die den koning bij het binnentreden geestdriftig toejuicht. Voor het hoofdaltaar aangekomen, knielt hij neer en wordt eerst volgens de oude voorschriften tot ridder geslagen door zijn neef d'Alençon. Daarna treedt Regnault de Chartres, de Aartsbisschop, naar voren en wordt Karel van Valois gezalfd met de geheimzinnige, heilige olie die te Reims bewaard wordt en nooit vermindert, en vervolgens drukt de Aartsbisschop, bijgestaan door twaalf pairs, den koning de kroon, die in de schatkamer van de kathedraal aanwezig was, op het hoofd. Dan schallen en schetteren de bazuinen en het volk jubelt: »Noël, Noël!«

Gedurende de gansche plechtigheid, die met alle ceremoniën toch nog eenige uren geduurd heeft, staat Jeanne aan den voet van het altaar met haar witten standaard in de hand. Maar als eindelijk de plechtigheid is afgeloopen en de menigte in gejubel is losgebarsten, knielt zij voor den koning neer en innig verrukt en dankbaar stamelt ze:

»Nu, koning, is Gods wensch vervuld, die wilde dat ik het beleg van Orléans zou opheffen en U naar Reims zou geleiden voor Uwe plechtige kroning, om daarmede te toonen dat gij zijt de ware koning en degeen, aan wien het koninkrijk Frankrijk moet toebehooren.«

* * * * *

Ja, waarlijk, zoo is het. Als de plechtigheid van de kroning in de kathedraal te Reims is afgeloopen, is daarmede de taak, die Jeanne zich gesteld had, volbracht. Na het eerste wonder van hare gelofte is thans ook het tweede: de vervulling dier belofte, geschied. Zij staat nog op het hoogste punt van haar invloed en macht; maar haar geluksster zal snel verbleeken en spoedig ondergaan.

Zou men niet verwachten en was het niet volkomen logisch geweest, dat men na alle bewijzen, die Jeanne van haar helder doorzicht gegeven had, steeds meer vertrouwen was gaan stellen in hare adviezen, en in de door haar aangegeven politiek van flink doorzetten tot het einde toe? Integendeel zullen wij zien, dat van dit oogenblik af de partij der oppositie steeds meer in macht zal toenemen, dat men Jeanne, nu zij gegeven heeft, wat zij geven kon, langzamerhand zal gaan verwaarloozen en eindelijk geheel aan haar lot zal overlaten.

[Illustratie: Kroning van Karel VII te Reims, 1429.

Naar een muurschildering van Lenepveu in het Panthéon.]

Na de plechtigheid van de kroning blijft Jeanne nog eenige dagen te Reims. Evenals te Orléans aanbidt de bevolking haar als eene heilige, juicht haar toe en verdringt zich in de straten om haar te zien, of om haar hand, haar kleed aan te raken en te kussen. Zij ontmoet er behalve haar oom Durand Laxart ook nog haar vader die uit Domrémy was gekomen, om getuige te zijn van de glorie van zijne dochter, om de plechtigheid in de kathedraal bij te wonen en om den koning te verzoeken om vrijstelling van belasting voor de bewoners van zijn dorp. De oude Jacquot d'Arc wordt door de burgers van Reims als vader van hunne heilige gastvrij ontvangen, zij bekostigen zijn verblijf en schenken hem bij zijn vertrek nog een paard voor de terugreis.

De koning geeft na zijne kroning de gebruikelijke feesten en geschenken, en o.m. krijgt la Trémouille den titel van graaf en wordt Gilles de Rais bevorderd tot Maarschalk van Frankrijk.

Het verblijf te Reims duurt evenwel naar het oordeel van Jeanne weer onnoodig lang. Waartoe thans weer dit talmen? Zij heeft er op aangedrongen dat men zoo spoedig mogelijk na de kroning naar Parijs zou optrekken, waarvan een deel der bevolking bereid is, de poorten voor den koning te openen. Maar dan moet men met spoed te werk gaan, want er zijn Engelsche hulptroepen in aantocht en het is dus van het grootste belang, Parijs te veroveren en te bezetten vóór de versterkingen de stad bereikt hebben. Helaas, de oppositie denkt er anders over. Er zijn onderhandelingen aangeknoopt over een wapenstilstand met Bourgondië, en men zal daarvan eerst rustig het resultaat afwachten. Een eerste botsing dus tusschen de doortastende politiek van Jeanne en de lijnrecht daarmede in strijd zijnde »politiek der wapenstilstanden«.

Eindelijk, den 21en Juli, verlaat de koning met Jeanne en het leger Reims en begeeft zich in de eerste plaats naar St. Marcoul de Corbeny, voor de traditioneele plechtigheid van de genezing der kliergezwellen. Volgens een oud geloof kregen de Fransche koningen door de zalving met de Heilige Olie de macht, om door aanraking genezing te brengen aan lijders aan kliergezwellen of de zoogenaamde »koninklijke ziekte.«

Gedurende eenige dagen marcheert alles naar wensch: men is op weg naar Parijs en de steden, die men passeert, als Laon en Soissons, openen hunne poorten voor de koninklijke troepen. Maar dan plotseling, den 1en Augustus, maakt het leger een zwenking naar het Zuiden en trekt bij Château Thierry de Marne over. Een wapenstilstand van veertien dagen is gesloten met Filips van Bourgondië en men heeft het Parijsche plan laten varen.

Jeanne is door deze wijziging in de plannen diep teleurgesteld. Wel is haar invloed op het leger en op haar naaste omgeving nog groot, maar zij voelt bij intuïtie, dat er in den Raad des konings machten aan het werk zijn, waar zij niet tegen op kan. Uit die dagen is ons een uitlating van haar bekend, die ons een duidelijk beeld geeft van hare gemoedsstemming. Als het leger n.l. gekomen is in de buurt van Crépy en Valois, rijdt Jeanne tusschen den Rijkskanselier en Dunois. Het volk is den koning tegemoet getrokken met de vreugdekreet: »Noël, Noël!« Innig dankbaar voor deze goede ontvangst zegt zij tot Regnault de Chartres:

[Illustratie: Karel VII, Koning van Frankrijk.

Naar een schilderij uit het »Musée du Louvre«, te Parijs.]

»Dat is een goed volk; ik heb nog nooit het volk zoo verheugd gezien bij de aankomst van den edelen koning. Ach, dat ik het geluk moge hebben, als eenmaal mijn laatste uur zal zijn geslagen, om in deze streek begraven te worden.«

Op de vraag van den Kanselier, waar zij denkt te sterven, antwoordt zij:

»Waar het God zal behagen. Omtrent den tijd en de plaats weet ik niets met zekerheid, evenmin als gij zelf.«

En zij laat er de verzuchting op volgen:

»O, dat het Gode mijnen Schepper mocht behagen, dat ik thans mijne wapens kon afleggen en heen kon gaan om mijn vader en moeder te dienen en hun kudde te hoeden met mijn zuster en mijn broers, die zoo gelukkig zouden zijn als ze mij weer zagen.« Een hoogst merkwaardige uiting; de eenige, waarin Jeanne spreekt over hare ouders en het ouderlijk huis. Zelfs wanneer men haar later in het proces ondervraagt over hare familie en haar jeugd, zal zij zich beperken tot korte, zuiver zakelijke antwoorden, maar in de bangste oogenblikken in haar kerker en aan het slot op den brandstapel komt geen enkele maal een beroep op of een woord van verlangen naar hare familie haar over de lippen.

* * * * *

Bij Crépy, of beter gezegd op den weg tusschen Crépy en Senlis, stuit het Fransche leger op de troepen van Bedford. Van den 14en tot den 16en Augustus staan de vijandelijke machten tegenover elkaar, zonder dat het evenwel tot een beslissend gevecht komt. Bedford had al den tijd gehad, zich stevig te verschansen achter hooge palissaden, maar de Franschen denken er niet aan hem, in die gunstige positie aan te vallen. Zij doen alle mogelijke moeite, hem naar buiten te lokken. Jeanne met haar banier in de hand nadert de versterkingen en klopt zelfs tegen de palissaden. Zij daagt de Engelschen uit tot een strijd in het open veld, maar tevergeefs. Eindelijk, in den morgen van den 17en, verlaat Bedford zijne positie en trekt het Noorden in.

Dienzelfden dag nog ontvangt de koning de sleutels van Compiègne en trekt hij daar met het geheele leger naar toe. Op een van de eerste dagen van zijn verblijf binnen Compiègne worden hem de sleutels gebracht van Beauvais. Cauchon, de Bisschop van Beauvais, had de bevolking geraden, de poorten te sluiten en de stad in staat van verdediging te brengen. Maar dit advies viel bij de geloovigen in slechte aarde, zij joegen hun Bisschop de stad uit en zonden afgevaardigden naar Compiègne om den koning als hun Heer en Meester te begroeten. In Rouaan en in het proces zullen wij zien, hoe de Bisschop revanche nam voor zijn nederlaag.

In Compiègne is het weer wachten en talmen, talmen en wachten. Het is weer de oude scène: Jeanne, vol ongeduld, dringt er op aan, dat men onverwijld zal voorttrekken naar Parijs en profiteeren zal van de gunstige omstandigheden, en de oppositie remt, onderhandelt met Bourgondië over wapenstilstanden. Maar in den ganschen Raad van Karel VII is er niemand, die de politiek van den sluwen hertog van Bourgondië doorziet; zij volgen hem allen gedwee, daarheen, waar hij ze hebben wil, en dat alleen omdat hij de handigheid heeft, om ze als lokaas van uit de verte iets voor te houden, dat lijkt op een duurzamen vrede.

Op den laatsten dag van het verblijf van Jeanne te Compiègne, ontvangt zij nog een brief van den graaf van Armagnac, waarin deze haar vraagt, welke van de drie door hem genoemde Pausen de ware is. Wanneer zij op dat oogenblik een verstandigen raadsman bij zich had gehad, had zij kunnen volstaan met een antwoord in telegramstijl: Martinus V. Vermoedelijk wist zij niets af van den strijd, die op dat oogenblik gevoerd werd tusschen Paus en tegenpausen, maar dat wil zij niet erkennen en bovendien zij wil den graaf van Armagnac, als zij kan, wel van dienst zijn. Het antwoord, waarmede zij zich voorloopig van de zaak afmaakt, komt hier op neer, dat zij er eens rustig over wil nadenken en er met den koning en de anderen over wil raadplegen. In het proces wordt haar later dit weiflend antwoord verweten.

Met d'Alençon en een deel van het leger verlaat zij eindelijk den 23en Augustus Compiègne en den 25en arriveert zij te St. Denis. Van uit St. Denis, waar zij haar hoofdkwartier vestigt, begint Jeanne oogenblikkelijk hare verkenningen om Parijs. Maar helaas, de omstandigheden zijn er de laatste dagen niet beter op geworden. Bedford heeft een deel van de Engelsche troepen uit Parijs teruggetrokken en de verdediging van de stad hoofdzakelijk aan de burgerwacht en Bourgondische troepen overgelaten. Juist de aanwezigheid van al die Engelsche soldaten in de stad, waar ze bij de bevolking zoo gehaat waren, had een groote kans gegeven, dat ook Parijs, wanneer de koning zich tijdig vertoond had, zich zou hebben overgegeven. En ook nu is de koning er nog niet, en Jeanne en d'Alençon voelen beiden, dat zij met een beslissenden aanval moeten wachten tot zij het geheele leger van den koning tot hunne beschikking hebben, tot Karel VII zelf zich kan vertoonen en de overgave van zijn hoofdstad kan eischen. Wel heeft de koning Compiègne verlaten, hij nadert, maar met een slakkengang, zoodat d'Alençon hem van uit St. Denis meer dan eens gaat opzoeken om hem tot meer spoed te bewegen. Maar Karel maakt geen haast en waarom zou hij ook? Den 28en Augustus wordt te Compiègne tusschen hem en den hertog van Bourgondië voor zes maanden een wapenstilstand gesloten. De bepalingen van dit verdrag, juist op dat oogenblik gesloten, zijn wel buitengewoon zonderling. Om een voorbeeld te noemen, werd overeengekomen, dat de koning Parijs mocht aanvallen, maar dat Bourgondië het recht behield, de Engelschen ter zijde te staan met de troepen, waarover hij in de stad beschikte. En dan de houding van Karel VII tegenover Compiègne: deze stad, die zich loyaal betoond had en den koning bij zijn nadering hare afgevaardigden met de sleutels tegemoet gezonden had, wordt gedurende den wapenstilstand weer aan Bourgondië afgestaan. Gelukkig neemt de stad zelf hier geen genoegen mede, en geen wonder. Is dit de wijze, waarop een koning de onderdanen, die hem trouw blijven, beloont? Welken invloed moet het voorbeeld van een behandeling als van Compiègne wel niet uitoefenen op het gedrag van de andere steden?

Sommige biografen van Jeanne, waaronder enkele van de meest geestdriftigen, trachten toch nog een woord van verdediging te spreken voor de politiek van den koning, en beroepen zich daarbij op het eindresultaat van den oorlog, dat voor de Franschen toch gunstig is geweest. Zij beoordeelen de bekwaamheden van den metselaar naar den muur. Maar ik kan daarin onmogelijk met hen medegaan. Karel VII is niet anders geweest dan een domper voor alle enthousiasme, en een bluschmiddel voor elke warme en spontane opvlamming van loyauteit. Wat bereikt is, is bereikt ondanks zijne remmende politiek van schipperen en talmen. De eindzege, ook al kwam die na haar dood, is te danken geweest aan Jeanne, aan haar invloed, haar genie, aan haar heerlijk enthousiasme, haar geloof in eigen kracht, aan het plichtsbesef en het begrip van vaderlandsliefde, dat zij door haar voorbeeld, voor het eerst haren troepen gegeven en nagelaten heeft.

* * * * *

Mokkend en tegen zijn zin komt de koning eindelijk den 7en September te St. Denis. Den volgenden dag, den 8en, heeft de eerste aanval op Parijs plaats. Het is zeer waarschijnlijk, dat d'Alençon, Gaucourt, de Rais en de andere bevelhebbers, nog gemeend hebben, dat een ernstige aanval niet noodig zou zijn, en dat na eenig machtsvertoon en een soort schijnaanval de hoofdstad hare poorten wel zou openen. Jeanne heeft verklaard, dat zij voor dezen aanval geen bijzondere opdracht van hare stemmen heeft ontvangen. Aan alles is dan ook duidelijk te zien, dat de regeling en de voorbereiding van het gevecht niet het werk van Jeanne zijn geweest. Toch is zij het geweest, die van het oogenblik, dat zij hare medewerking aan den aanval heeft toegezegd, er nog van gemaakt heeft, wat er van te maken was.

Het eigenlijke gevecht begint pas in den namiddag en dus veel te laat. De Franschen rukken op tusschen de poorten van St. Denis en St. Honoré aan den voet van den heuvel met de molens, het tegenwoordige Montmartre. Van een tegenaanval op een ander punt, om de aandacht af te leiden, is geen sprake. De eerste aanval op de buiten-boulevard bij de poort St. Honoré gelukt en het bolwerk wordt bezet. Dan neemt Jeanne een oogenblik weer de leiding. Met haar standaard in de hand, steekt zij de diepe buitengracht over, waarin geen water staat, en met den stok van haar vaandel begint zij de diepte te peilen van de binnengracht.

Een boogschutter op den muur ziet haar hiermede bezig en onder het uitbraken van de grofste scheldwoorden schiet hij haar een pijl door haar dij, en met een tweede schot doodt hij haar banierdrager. Zwaar gewond wordt Jeanne weggedragen. Zij tracht nog met hare stem hare troepen tot een aanval te bewegen, maar de avond begint reeds te vallen, en d'Alençon met de reserve-troepen is te ver af, achter de »butte«; het is zeker te laat, om zonder de leiding van Jeanne nog over een ernstigen aanval te denken.

Ondanks hare zware verwonding en het bloedverlies, dat zij geleden heeft, is Jeanne den volgenden morgen reeds vroeg in de weer. Zij wil het signaal tot een nieuwen aanval laten blazen, zij heeft geen rust, voor ook de hoofdstad veroverd is. Zij overlegt met d'Alençon en de andere chefs; er komen nog versterkingen aan.... maar dan opeens ontvangen zij bericht, dat de koning van geen nieuwen aanval op Parijs weten wil en dat het leger bij hem te St. Denis terug moet komen. Een oogenblik is er nog van aarzeling, of men wel aan dit onverwachte en alles verstorende bevel zal gehoorzamen. Den volgenden morgen zelfs doet Jeanne met d'Alençon nog een verkenningstocht naar een brug, die d'Alençon in de buurt van St. Denis heeft laten slaan, maar tot hun groote verbazing bemerken zij, dat gedurende den nacht een gedeelte van die brug op bevel van den koning weer is afgebroken. Deze ontdekking breekt hun verzet en slaat hen met lamheid.

Karel VII heeft dus eindelijk gesproken, hij heeft zelfs gehandeld. Zou dit beduiden een eerste teeken van ontwaken? Wee dan, wee! want zijn eerste gebaar is er een geweest, waarmede hij Jeanne ontrouw wordt, verloochent en »désavoueert.«

Diep terneergeslagen begeeft Jeanne zich met de andere leiders en het leger naar St. Denis. Eenige dagen besteden zij nog om te trachten, den koning tot andere gedachten te brengen, maar hun geestdrift en hun welsprekendheid stuiten af op de koppige domheid van hun koning en zij staan daar tegenover machteloos.

Het gebaar, waarmede Jeanne antwoordt op de eerste formeele daad van laffe verloochening van haar dierbaren koning, is van geheel anderen aard. Het is een daad, zoo geheel liggende in de lijn van haar groot karakter, een daad die ontroert door haar plechtigen eenvoud. Zoodra het vast staat, dat een deel van het leger zal worden afgedankt en de koning met het overschot zich weer zal terugtrekken aan de Loire, begeeft Jeanne zich naar de kathedraal te St. Denis en legt daar haar blanke wapenrusting neer op het altaar van de Heilige Maagd. Op dit oogenblik is het haar dus wel duidelijk, dat haar taak in hoofdzaak is volbracht en zij toont dit in een vroom gebaar van kinderlijke dankbaarheid en verheven berusting.

Als men haar later in het proces vraagt, waarom zij hare wapenrusting juist te St. Denis gebracht had, antwoordt zij: »Omdat St. Denis de oorlogskreet van Frankrijk is.«