Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans

Part 5

Chapter 53,993 wordsPublic domain

»Daar zullen wij wel een maand voor noodig hebben, om die te veroveren«, mompelen de soldaten.

In elk geval zal het er warmpjes toegaan en zal er hard gevochten moeten worden.

Ook Jeanne voorziet een zwaren dag. In Orléans teruggekeerd, zegt zij tot de burgers: »Staat morgen nog vroeger op dan vandaag en doet goed uw best«.

Aan Pasquerel verzoekt zij, haar den volgenden dag niet te verlaten, want zij voorspelt: »Ik zal morgen veel harder moeten werken dan ik tot nu toe gedaan heb en morgen zal er bloed vloeien uit mijn lichaam«. Ook tegenover anderen moet zij dien avond voorspeld hebben, dat zij gedurende de bestorming van les Tourelles gewond zou worden boven haar borst.

* * * * *

De zevende Mei is dus de groote dag van de verovering van les Tourelles, de beslissende dag voor de bevrijding van Orléans en het ontzet van Orléans zal in zijn gevolgen blijken te zijn een gewichtig keerpunt in den ganschen oorlog. Het is wel merkwaardig, dat het Engelsche geschiedschrijvers zijn, die het verst gaan in hunne bewondering voor dit wapenfeit der Franschen, en de verovering van les Tourelles rangschikken onder »de vijftien beslissende slagen« van de wereld. En allen, zelfs de meest sceptische schrijvers, zijn het hierover wel eens, dat het leeuwenaandeel van de eer voor deze belangrijke overwinning toekomt aan Jeanne, aan het zeventienjarig meisje, dat, hoewel zelf vrij ernstig gewond, hare troepen tot het einde toe bleef aanvoeren en bezielen, en dat, door op het goede oogenblik, de eenige noodige daad te verrichten en het juiste woord te spreken, hare manschappen onoverwinnelijk maakte.

Een onverklaarbaar punt in de geschiedenis van dezen dag is de houding van de Engelsche troepen, die buiten les Tourelles om Orléans gelegerd waren. Wanneer Talbot, wien het waarlijk niet aan moed ontbrak, met zijne troepen de belegerden in het fort tijdig te hulp was gesneld, wanneer hij gedurende de bestorming van les Tourelles een krachtigen aanval gewaagd had op de stad, waarin zich uit den aard der zaak slechts een veel kleinere bezetting bevond, wanneer hij of het garnizoen van les Tourelles in den nacht van den 6en op den 7en Mei de uitgeputte Fransche troepen overvallen was, die zonder Jeanne en de andere bevelhebbers kampeerden op de puinhoopen van het Augustijnerklooster, dan zouden de zaken voor de belegeraars hoogst waarschijnlijk een gansch anderen loop genomen hebben. Wat de verdediging van de bezetting van het fort zelf betreft, zij is zeker dapper en hardnekkig geweest, maar de tegenwoordigheid en het optreden van de »tooverheks«, de »koehoedster der Armagnacs«, zooals zij Jeanne noemden, en vooral haar weder verschijnen na de verwonding, maakte de Engelsche soldaten ten slotte zenuwachtig en bang en deze omstandigheid heeft zeker niet weinig bijgedragen tot het welslagen van de geheele onderneming.

Jeanne is bij het aanbreken van den dag al uit de veeren en gewapend; als gewoonlijk gaat zij voor alles bij Pasquerel te biecht en hoort de Mis.

Men brengt haar een geschenk, een mooie visch, dan zegt zij schertsend:

»Bewaar die voor van avond, voor het avondeten, dan breng ik een Godon mee, die er ook zijn deel van zal hebben. Ik kom terug over de Brug.«

Die laatste voorspelling maakt op alle omstanders een diepen indruk. Het geeft hun moed en bezielt hen weer met nieuwe geestdrift.

Als zij daarna weer te paard gestegen is, roept zij nog kinderlijk vertrouwelijk:

»Wie mij lief heeft, volge mij!«

Er zijn er velen die haar volgen, hoewel enkele van de leiders nog willen wachten en de troepen laten rusten. Met haar vertrekken Dunois, Gaucourt, la Hire en Poton de Xaintrailles en nog een deel van de burgerwacht ter versterking van de troepen, die zich reeds op de bouwvallen van de voorstad de Portereau bevinden. Het achterblijvende deel van de bezetting zal den ganschen dag zich bezighouden met de voorbereiding van een aanval op les Tourelles van de zijde van de stad, en dus met de vervaardiging van een hulpbrug.

Zoodra de Franschen allen bijeen zijn, worden de troepen in slagorde gebracht en wordt het signaal gegeven voor een eersten aanval op de bolwerken, die nog op den oever van de Loire zijn gelegen en door een houten ophaalbrug gescheiden zijn van het eigenlijke fort. De muren van den boulevard zijn stevig en hoog en worden dapper verdedigd door zeshonderd man onder bevel van Moleyns, Poynings en Glasdale. De eerste aanvallen worden afgeslagen. Het lukt den aanvallers niet, de stormladders tegen de muren te plaatsen onder den regen van Engelsche projectielen.

Jeanne is ook nu weer vooraan; zij geeft het voorbeeld en roept haar manschappen steeds toe, dat zij moed moeten houden en voorwaarts trekken. Zoodra men er in geslaagd is, een stormladder tegen den muur te plaatsen, snelt zij er heen, zij is de eerste, die naar boven wil klauteren. Maar dan op eens valt ze neer: een pijl is doorgedrongen onder de schouderplaat van haar harnas. Zij is vrij ernstig gewond boven de rechterborst.

De Franschen snellen toe en brengen haar buiten het gewoel. De trouwe Pasquerel en haar page Mugot zijn aan haar zijde. Voorzichtig wordt de gewonde plek bloot gelegd. Van alle kanten komen er natuurlijk gedienstigen en ieder met een anderen raad en een andere remedie. Men dringt er vooral op aan, dat zij zich zal laten bezweren, maar daar wil Jeanne niet van hooren:

»Liever dood«, antwoordt zij daarop, »dan dat ik iets zou doen, waarvan ik weet, dat het zonde en tegen den wil van God is.«

Men bestrijkt den gewonden schouder met olijfolie en legt op de wonde zelf een plakje spek. Daarna stort Jeanne nogmaals haar hart uit voor haar biechtvader en bidt. Hare Heiligen verschijnen haar en dit geeft haar nieuwe kracht en moed. Met alle energie, die in haar is, staat zij op en zoekt geheel gewapend haar plaats op in het voorste gelid.

De Engelschen, die haar hadden zien vallen, en bloed hadden zien vloeien uit haar wond, hadden luide gejuicht. Nu was het uit met de macht van de tooverheks, want zoo geloofde men destijds algemeen: een heks verloor met haar bloed of een deel daarvan ook haar macht en haar invloed.

En ziet, daar op eenmaal nadert zij weer met vasten tred en onverschrokken. Daar is zij weer, die slanke gestalte in het blanke harnas en haar soldaten sluiten zich weer bij haar aan en volgen haar banier. De Engelschen staan verstomd, en een onbestemd gevoel van angst bekruipt hen.

De Franschen hebben intusschen tijdens de afwezigheid van Jeanne met hun aanval geen groote vorderingen gemaakt. Reeds loopt het tegen den avond en Dunois wil het signaal voor den aftocht laten geven. Maar Jeanne houdt hem hiervan terug; nog een weinig geduld en, bij God, zij zullen weldra het fort kunnen binnen trekken, verzekert zij.

»Twijfel niet, de plaats is ons,« roept zij haren getrouwen toe. Vervolgens vertrouwt zij haar banier een oogenblik toe aan de zorgen van een Baskisch soldaat en zondert zich een korten tijd af in een naburigen wijngaard om hare stemmen te raadplegen en zich te verdiepen in een rustig gebed. Gesterkt door dit gebed en aangemoedigd door hare Heiligen, komt zij terug. In het schemerduister ontdekt zij haren standaard aan den voet van den boulevard. Een oogenblik gelooft zij aan onraad en roept: »Mijn standaard, mijn standaard«, maar dan bemerkt zij dat hij nog in handen is van den Baskiër. Omringd van haar troepen met hun leiders, volgt Jeanne aandachtig de bewegingen van d'Aulon, haar schildknaap, die, vergezeld van den Baskiër en onder beschutting van een schild, wil trachten met den standaard van Jeanne als verzamelteeken den voet van het vijandige bolwerk te bereiken.

»Ziet goed toe,« roept Jeanne, »wanneer de stok van mijn standaard den muur zal aanraken«. Na eenige oogenblikken van spanning schreeuwt men haar toe van alle kanten: »Jeanne, de stok van den standaard raakt den muur!« Dan roept zij plotseling in geestdrift uit: »Welnu, trekt dan binnen, de vesting is ons!«

Dit was het tooverwoord waarop men wachtte. Nauwelijks is het uitgesproken, of de Franschen stormen als één man naar het vijandige bolwerk, de ladders worden beklommen onder een regen van projectielen, maar er is nu niets meer, dat de aanvallers kan tegenhouden; ze zien geen gevaar. Op de muren ontstaat een verwoede strijd van man tegen man en zwaar dreunen de slagen der zwaarden op de schilden en kurassen. De Franschen winnen veld: ze springen van de muren binnen de versterking en drijven langzamerhand den vijand achteruit, naar de ophaalbrug.

In het midden van het hevigst gewoel staat boven op den muur Jeanne, de schrik der Engelschen. Als zij Glasdale ziet, die den aftocht van zijn troepen dekt, sommeert ze hem nog, zich over te geven:

»Clasdas, Clasdas, ren-ti, ren-ti au roi des cieux«, roept zij hem toe.

»Gij hebt mij uitgescholden voor h......., maar ik heb medelijden met uwe ziel en die van uwe soldaten!«

Als de Engelschen op hun terugtocht de ophaalbrug naderen, wachten hen nieuwe rampen. De achtergebleven bezetting van Orléans is van de zijde van de stad een aanval op les Tourelles begonnen, de vijand zit tusschen twee vuren, en tot overmaat van ellende is men er van uit Orléans in geslaagd, een brander op de Loire onder de ophaalbrug te sturen en daar vast te leggen. Als Poynings, Mouleyns en Glasdale zich nog een oogenblik verdedigen op de houten brug, zakt deze brandend inéén en allen, die er op zijn, storten in de rivier en verdrinken. Met hen verdween ook de oude, beroemde standaard van Chandos. Intusschen zijn de Franschen van de andere zijde er in geslaagd, les Tourelles te bereiken. Een groot deel van de bezetting sneuvelt, het overige deel wordt gevangen genomen of springt in wanhoop in de Loire.

Te midden van dit bloedbad en deze algemeene slachting is Jeanne op hare knieën gevallen. Zij is diep ontroerd en schreit tranen van medelijden over de zielen van de gevallen dapperen, die niet naar haar hebben willen luisteren.

Spoedig is nu alles afgeloopen en komen de overwinnaars tot bezinning en tot rust. In de eerste plaats moet er nu aan gedacht worden, de troepen weer veilig binnen de muren van Orléans te brengen, want de zon is reeds onder en het wordt nacht.

Als na eenige uren van ingespannen arbeid de brug hersteld en voldoende versterkt is, begint de overtocht van de troepen. Zooals Jeanne beloofd en voorspeld had, komt zij terug over de brug aan de spits van haar zegevierend leger. Voor haar uit draagt men hare banieren en trekken de monniken en priesters onder het zingen van een Te Deum. Bij den rossigen gloed van toortsen en nog spookachtig verlicht door het brandende, veroverde fort, trekt de stoet in triumf de stad binnen, waar de klokken beieren, waar de vreugdevuren en lichten zijn ontstoken, evenals in den nacht van den eersten blijden intocht van Jeanne, en waar een opgewonden en geestdriftige menigte haar ontvangt met de vreugdekreet: »Noël!« »Noël!«

Bij Boucher aangekomen, wordt Jeanne verbonden door een chirurgijn, vervolgens neemt zij eenig voedsel en een glas wijn en dan begeeft zij zich kalm ter ruste: zij is vermoeid en uitgeput naar lichaam en naar geest.

Den volgenden morgen (Zondag 8 Mei) voeren de Engelschen onder Talbot nog eene schijnbeweging uit in de richting van de stad, daarna maken zij rechtsomkeert en trekken af: Orléans is ontzet!

Men vraagt Jeanne nog toestemming, het vertrekkende leger te vervolgen, maar zij verlangt, dat men rust zal nemen en den Zondag zal eerbiedigen.

De stad is ontzet: het teeken, door Jeanne beloofd, is dus ook werkelijk door haar voor Orléans gegeven. Hiermede is tevens reeds het eerste deel van hare roeping vervuld en de eerste helft van de haar door God gegeven taak volbracht. Na een angstig en benauwend beleg van zeven maanden is het Jeanne in acht dagen gelukt, de Engelschen te verjagen: men durft weer ademhalen binnen de muren van Orléans, de stad is bevrijd en behouden gebleven voor den dauphin.

Het bericht van de bevrijding van Orléans maakte een diepen indruk tot zelfs ver buiten de grenzen van het land. De dauphin zelf en velen uit zijne omgeving, die aanvankelijk getwijfeld hadden aan de belofte van Jeanne, erkennen in hun dankbaarheid en door de feiten overtuigd de »Goddelijke tusschenkomst«.

[Illustratie: Intocht van Jeanne d' Arc binnen Orléans.

Naar een schilderij van J. Scherrer. Museum Orléans.]

HOOFDSTUK III.

Jargeau.--Patay.--Reims.--Parijs.

Het ligt geheel in de lijn van het voortvarend karakter van Jeanne, dat zij na het behaalde succes in Orléans niet op haar lauweren gaat rusten. Zij heeft nog slechts een deel van haar taak volbracht en wil met alle kracht doorzetten. De Engelsche troepen zijn voor het oogenblik gedemoraliseerd, maar men moet hun den tijd niet laten van de schrik te bekomen en de geleden verliezen te herstellen. De Fransche troepen daarentegen zijn met nieuwen moed bezield; de bevrijding van Orléans heeft hun weer zelfvertrouwen gegeven, hun gevechtswaarde is zeker meer dan verdubbeld. Maar van die gunstige stemming moet gebruik gemaakt worden, men moet naar Reims, en vandaar naar Parijs, de Engelschen moeten het land uit, voor zij den tijd gehad hebben, tot bezinning te komen.

Aldus redeneert Jeanne en in dien zin spreekt zij ook tot den dauphin dadelijk bij het eerste wederzien in Tours. Maar de koning en zijn Raad denken er anders over. De oppositie van la Trémouille en de zijnen tegen de politiek van Jeanne wordt steeds duidelijker en Karel VII is geen persoon, waarvan men kan verwachten, dat hij openlijk in verzet tegen zijn Raad zal komen. In de omgeving van den koning acht men het oogenblik voor den opmarsch naar Reims nog niet gekomen. Men wil eerst vanuit Orléans de verdere Loire-streek van vijanden zuiveren. Ook acht men een tocht door het land tusschen Orléans en Reims niet zonder gevaar, zoolang de voornaamste plaatsen, die men langs moet, als Troyes en Châlons, zich in handen der Engelschen bevinden. Maar, hoewel zij niet openlijk werd uitgesproken, zal de voornaamste reden van het verzet tegen het plan van Jeanne wel geweest zijn, dat men het groote nut van de kroning te Reims nog niet inzag, nog niet voldoende doordrongen was van de noodzakelijkheid ervan, of het geniale van de vinding nog niet wilde erkennen.

Eenige dagen na het ontzet van Orléans verlaten enkele leiders met hunne troepen de stad, een ander gedeelte van de troepen wordt afgedankt bij gebrek aan middelen om hen onder de wapens te houden. Ook Jeanne vertrekt met Gilles de Rais. Een geestdriftige en innig dankbare menigte doet haar uitgeleide tot de poort en velen zijn tot tranen toe geroerd bij het afscheid. Als zij te Tours aankomt, is de koning er nog niet en zij besluit dus, hem te gemoet te trekken.

Bij het eerste wederzien betoont Karel VII zich tegenover Jeanne hartelijk en vriendelijk, maar zonder eenige geestdrift. Het is de koning, die na een overwinning zijn zegevierenden veldheer ontvangt, die zijn plicht gedaan heeft. Ook uit zijn brieven van die dagen spreekt nog altijd groote voorzichtigheid en een zekere angst om zich te veel bloot te geven, als hij den bewoners van de steden, die hem trouw bleven, op het hart drukt, God te loven en de dappere daden in Orléans bedreven in eere te houden en wel vooral die van Jeanne »die steeds en in persoon bij dat alles tegenwoordig was«. Maar na zoo'n koude douche willen wij ons weer even verwarmen aan het enthousiasme van d'Alençon en Dunois en de eerste over Jeanne laten verklaren:

»Zij was zeer bekwaam in den oorlog, in het in slagorder brengen van de troepen zoowel als in het opstellen van de kanonnen. Allen bewonderden hare voorzichtigheid en haar zorg voor alles, alsof zij een kapitein was met dertig jaar ondervinding.«

en de tweede:

»Zij ontwikkelde een bewonderenswaardige geestkracht en deed meer werk dan twee of drie van de beroemdste veldheeren met de meeste ondervinding.«

* * * * *

Tien dagen blijft Jeanne met het hof te Tours, daarna volgt zij den koning naar Loches. Maar zij is verre van tevreden over dit talmen; het is verloren tijd; zij wil naar Reims. Helaas, men luistert niet naar haar goeden raad, zelfs niet als zij waarschuwt:

»Ik zal slechts een jaar duren en niet veel langer.«

Bij een van hare bezoeken bij den dauphin om hem te smeeken, toch niet langer te dralen en vooral »niet zoo dikwijls en zoolang te vergaderen«, maar haar te volgen naar Reims, ontmoet zij den heer van Harcourt, die, als de koning geen antwoord geeft op het verzoek van Jeanne, gebruik maakt van de gelegenheid, om haar weer te ondervragen over hare stemmen en den raad van hare Heiligen. Maar Jeanne laat ook nu niet veel meer los, dan hetgeen men reeds weet; alleen legt zij er bij deze gelegenheid den nadruk op, dat zij er dikwijls veel verdriet van heeft, dat men haar niet gelooven wil en hare stemmen haar in die oogenblikken van neerslachtigheid troosten met de woorden: »Ga, dochter van God, ga!«

* * * * *

Den 6en Juni bevindt Jeanne zich met den koning te St. Aignan waar zij o. a. een heraut ontvangt, haar als opperbevelhebber van de Fransche troepen gezonden door de bewoners van Orléans, om haar op de hoogte te brengen van de bewegingen van den vijand.

Het plan, om van uit Orléans als operatie-basis, de geheele streek om de stad van Engelschen te zuiveren wordt doorgezet. Jeanne, verheugd dat zij tenminste niet langer met de armen over elkaar behoeft te zitten, komt in den avond van den 9en Juni te Orléans aan, waar zich de andere leiders met hunne troepen reeds verzameld hebben. Met een vrij aanzienlijk leger onder bevel van d'Alençon en La Hire vertrekt zij weldra weer in de richting van Jargeau. Men zal deze stad, die verdedigd wordt door den graaf van Suffolk, met een grootendeels uitgelezen bezetting, moeten belegeren, dus stormladders, kanonnen en alles, wat noodig is voor een geregeld beleg, wordt medegevoerd, o.m. la Bergère, een groot kanon, dat reeds bij de beschieting van les Tourelles uitstekende diensten had bewezen.

Zoodra de voorhoede der Franschen voor de stad is aangekomen, hebben er enkele schermutselingen plaats, waarbij de belegeraars worden afgeslagen. Dienzelfden dag wordt er krijgsraad gehouden. Men is het er nog niet over eens, of men Jargeau wel zal durven aanvallen en vooral niet sedert men heeft vernomen, dat Falstolf in aantocht is met een ontzettingsleger van tienduizend man. Het is Jeanne weer, die hun moed in moet spreken en den doorslag moet geven. Wat doet het ertoe, of de Engelschen sterker en talrijker zijn, als Messire strijdt aan de zijde der Franschen?

»Wanneer ik daar niet zeker van was«, verklaart zij, »zou ik liever schapen hoeden, dan mij blootstellen aan zulke gevaren.«

Maar voor den aanvang van het eigenlijke beleg sommeert zij Suffolk nog tot de overgave en biedt den Engelschen vrijen aftocht aan met achterlating van al hunne wapenen en munitie.

Den 12en Juni begint reeds in de vroegte een geregeld artillerie-duel en een algemeene stormloop. Met hare banier in de hand en aan de zijde van d'Alençon, haren »gentil duc«, voert Jeanne hare troepen aan.

Plotseling, in het heetst van het gevecht, duwt zij d'Alençon met kracht op zij:

»Ga gauw uit den weg«, roept ze hem nog toe, en wijzende op een groot kanon op de muren van de stad vervolgt zij: »die machine daar zou U dooden.« Degeen, die een oogenblik daarna d'Alençons plaats innam, kon niet meer gewaarschuwd worden en werd werkelijk gedood door een projectiel uit het bewuste kanon.

Evenals bij de bestorming van les Tourelles is Jeanne ook nu weer een van de eersten, die een voet durft zetten op de ladders tegen den muur. Maar zij wordt getroffen door een grooten steen, die de Engelschen naar beneden wierpen, en valt terug. Goddank, zij is niet ernstig gewond en springt weer overeind, roepende:

»Toe maar, vrienden, vooruit! Moed gehouden! De Engelschen zijn ons!«

Dan volgen allen haar weer, de muren worden beklommen, de vijand wijkt en de stad is genomen. Bij de vervolging van de bezetting valt ook de graaf van Suffolk in handen van de Franschen.

Dadelijk na de verovering van Jargeau trekt Jeanne met het leger terug naar Orléans, waar ter eere van deze nieuwe overwinning een groote processie wordt gehouden en men haar overlaadt met kostbare geschenken. Van den Raad van de stad ontvangt zij een huik en een overkleed van groene en karmozijnroode stof, en dus in de kleuren van den Hertog van Orléans, die in Engeland gevangen zat.

Na de verovering van Jargeau, dat ten oosten van Orléans is gelegen, wil Jeanne nu ook het westen gaan zuiveren en kondigt aan, dat zij de Engelschen te Meung zal gaan bestoken. Den 15en Juni trekt het leger er weer op uit. De versterkingen van de brug bij Meung worden zonder veel moeite genomen. Men laat er eenig garnizoen achter en zonder zich verder om de stad te bekommeren, zet het leger zijn opmarsch voort naar Beaugency. De voorsteden van het stadje worden niet verdedigd en de Franschen trekken er binnen, maar dan blijkt dat de vijand zich in de huizen heeft verschanst en ontstaat een verwoed straatgevecht. Het resultaat is evenwel dat de Engelschen worden verdreven en zich terugtrekken in het kasteel.

Terwijl de Fransche troepen bezig zijn, het kasteel en de bastilles van de brug te omsingelen, ontvangt d'Alençon het onaangename bericht, dat de connétable Arthur van Bretagne, heer van Richemont, in aantocht is, en verzoekt, zich met zijne troepen bij de belegeraars te mogen aansluiten. Deze onverwachte verschijning brengt den jongen d'Alençon in eene zeer netelige positie. De connétable was n.l. in ongenade bij den koning en had zelfs de troepen van la Trémouille openlijk bestreden. d'Alençon is dus aanvankelijk niet van plan, hem en zijne manschappen in zijn kamp te ontvangen en dreigt zelfs, hem met wapengeweld te zullen verjagen; maar hiervan houden gelukkig de anderen hem terug.

Jeanne evenwel denkt anders en practischer over de zaak. Zij weet, dat de heer van Richemont bekend staat als een van de meest geduchte veldheeren van het land. Doet men dan niet verstandiger, zijn hulp, die men zoo opperbest gebruiken kan, dankbaar te aanvaarden? D'Alençon laat zich ten slotte door de argumenten van Jeanne overreden en trekt den connétable met haar tegemoet. Jeanne begroet hem, zooals een ridder in die dagen zijn meerdere behoorde te begroeten, maar zegt daarna heel kalm tot hem:

»Connétable, gij zijt hier niet gekomen om mij, maar nu gij hier eenmaal zijt, heet ik U welkom«.

Waarop Richemont, die behalve als een uitstekend legeraanvoerder, bekend stond als een trouw zoon van de kerk en een aartsketterjager, antwoordt:

»Jeanne, ik heb gehoord, dat gij mij hebt willen bevechten. Ik weet niet, of gij door God gezonden zijt, of niet. Wanneer gij door God gezonden zijt, vrees ik U niet, want God is mijn vreugde. Wanneer gij door den duivel gezonden zijt, vrees ik U nog minder!«

Dien nacht houden de troepen van den connétable voor het belegerde kasteel de wacht en den volgenden dag nemen zij deel aan de bestorming. Met de kanonnen, die men uit Orléans heeft medegebracht, wordt den 17en Juni de sterkte beschoten, zoowel van de landzijde als van de zijde van de Loire, door geschut, dat men op platte vaartuigen heeft opgesteld! Eindelijk, tegen den nacht, geeft de vesting zich over.

Talbot en Falstolf zijn onder weg met een ontzettingsleger van vijfduizend man, maar zij komen te laat. De troepen van Jeanne en d'Alençon krijgen hen, als zij terugkomen van Beaugency, in het gezicht. De Engelschen stellen zich dadelijk in staat van verdediging en wel op dezelfde wijze als op den dag van de »bataille des Harengs«, namelijk achter een dichte haag van lansen en pieken en achter de wagens van hun convooi. Maar de Franschen laten hen dien dag ongemoeid en wijzen het aanbod af, om den strijd te doen beslissen door een gevecht van drie ridders van elke partij. Zij kondigen evenwel aan, dat men elkaar den volgenden dag nader zal spreken.