Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans
Part 4
Na het vertrek van Jeanne uit Vaucouleurs was oom Durand aan de familie te Domrémy gaan mededeelen, wat er gebeurd was. Toen men bekomen was van den eersten schrik, besloot men zich te schikken in het onvermijdelijke, en werden haar beide jongste broeders haar achterna gezonden om haar te volgen en zoo noodig te beschermen.
Het eenvoudige boerendeerntje, dat in Februari van hetzelfde jaar (1429) op bloote voeten en in een schamel, rood wollen jurkje haar dorpje had vaarwel gezegd, verlaat thans Tours een van de laatste dagen van April in een schitterende wapenrusting, voorafgegaan door hare banieren, aan het hoofd van een groot gevolg, en in gezelschap van nog vele andere voorname personaadjes, waaronder Regnault de Chartres, Rijkskanselier en Aartsbisschop van Reims, om zich naar Blois te begeven, waar zij den 27en aankomt.
HOOFDSTUK II.
ORLÉANS.
Den 12en October 1428 begint het beleg van Orléans. Een aanzienlijk Engelsch-Bourgondisch leger onder bevel van den graaf van Salisbury heeft de gansche streek tusschen Parijs en Orléans onderworpen. Ernstigen weerstand hebben zij op hun veroveringstocht niet ondervonden, maar een veertigtal grootere en kleinere versterkte plaatsen hebben zij onderweg bezet, en zooals toen gebruikelijk was, uitgemoord en geplunderd. Vanuit Janville, waar Salisbury den 5en September met zijne troepen was aangekomen, heeft hij twee herauten naar Orléans gezonden, om de sleutels van de stad op te eischen, maar zij is niet van plan het vijandige leger binnen hare muren te ontvangen en stelt zich dus in staat van verdediging. Op den 12en October, dus op den dag dat het Engelsch-Bourgondische leger uit het zuiden van de zijde van la Sologne op Orléans komt aanrukken, verwoesten de burgers van de stad nog in allerijl de aan den overkant van de Loire gelegen voorstad de Portereau en maken haar geheel gelijk met den grond, om den vijand te beletten zich in de huizen of in het klooster te verschansen. De bewoners van de Portereau en van de andere voorsteden trekken zich terug binnen de muren van de eigenlijke stad, zoodat Orléans, dat destijds in gewone dagen eene bevolking van vijftienduizend zielen telde, tijdens het beleg een bevolking van dertigduizend inwoners moest huisvesten en voeden. Voor de verdediging van de vesting rekende men in hoofdzaak op de burgerwacht van de stad, die bestond uit ongeveer 3000 man met 71 kanonnen.
Voor een zuiver begrip van den loop van het gansche beleg van Orléans willen wij beginnen met de aandacht erop te vestigen, dat de insluiting van de stad geen oogenblik volkomen is geweest, zoodat kleine convooien met levensmiddelen steeds gelegenheid houden, al is het dan ook des nachts en in alle stilte, binnen de belegerde vesting te komen. Ook kleinere of grootere troepenafdeelingen gelukt het soms, de belegerde stad van uit het omliggende land te bereiken of haar te verlaten.
[Illustratie: ORLÉANS TEN TIJDE VAN HET BELEG IN 1429
Gereconstrueerd door Mej. F. Bremer (Penteekening)]
De belegeraars beginnen met zich te verschansen ten zuiden van de stad, op de puinhoopen van de verwoeste voorstad en tegenover de groote steenen brug over de Loire, die verdedigd wordt door het op het uiteinde van de brug gelegen fort les Tourelles. Zoodra het leger van Salisbury zijn kanonnen in positie heeft gebracht, wordt een aanvang gemaakt met het bombardement van de brug en het fort en van de stad daarachter. Den 21en October volgt dan een eerste algemeene aanval op les Tourelles. De burgers van Orléans, geholpen door hunne vrouwen, drijven die eerste maal de Godons terug, maar bij een herhaalden aanval op den 24en October bemerken zij, dat de vijand loopgraven onder de brug heeft gemaakt en zien zij zich gedwongen, het fort te verlaten. Op hun terugtocht slagen zij er nog in, twee bogen van de brug aan de stadszijde te vernielen en daardoor de verbinding met den anderen oever van de Loire te verbreken.
Salisbury zelf, de Engelsche bevelhebber, wordt dienzelfden avond, staande op een van de torens van het nieuw veroverde fort, door een kanonskogel uit de stad getroffen en sterft drie dagen later. Het bevel over zijne troepen wordt overgenomen door William Pole, door Jeanne genoemd la Poule, John Thalbot en Thomas de Scales.
De belegerden lijden door de verovering van les Tourelles een zwaar verlies. Van af de torens van het fort overziet men het geheele plan van de stad, hetgeen een belangrijk voordeel bij de beschieting oplevert.
Eigenaardig en ook al weer teekenend voor de gebrekkige afsluiting van de stad, is het feit, dat eerst daags na den val van les Tourelles, Dunois, de bastaard van Orléans, met nog eenige voorname heeren, waaronder de bekende kapitein la Hire, binnen de muren van Orléans verschijnt en het opperbevel over de verdedigingstroepen op zich neemt.
Onder zijne leiding worden gedurende de eerste wintermaanden ook de andere voorsteden van de stad geraseerd, daar de belegeraars begonnen waren, hunne schansen op te werpen aan de overzijde van de Loire ten oosten en ten westen van de stad. Belangrijke gevechten hebben in den aanvang van den winter niet plaats; alleen heeft men binnen de stad veel te lijden van het hardnekkige bombardement van de vijandige kanonnen. Maar de toestand zoowel binnen de muren van de »benarde veste« als in het kamp van de belegeraars is alles behalve rooskleurig. De winter is koud en de levensmiddelen raken op. De convooien met proviand worden dikwijls onderschept en zij, die de plaats van hunne bestemming bereiken, zijn klein en ten eenenmale onvoldoende: hongersnood staat voor de deur.
In het begin van Februari 1429 verneemt men in de stad, dat een groot convooi met proviand, van Parijs komende, onderweg is voor het Engelsch-Bourgondische leger. Dunois verlaat de stad met een escorte van tweehonderd man en trekt naar Blois om met den jongen graaf van Clermont te beraadslagen, wat men doen zal. Besloten wordt, dat de troepen van Orléans en van Blois door een gecombineerden aanval zullen trachten, het convooi te onderscheppen: men zal elkaar ontmoeten te Rouvray. De verdedigers van Orléans komen het eerst te Rouvray aan; even voor het leger uit Blois en even voor het vijandig convooi onder leiding van Falstolf. Hadden la Hire, Poton de Xaintrailles en William Stuart, de broer van den connétable van Schotland, hun zin kunnen volgen en met de burgerwacht van Orléans den vijand dadelijk aangevallen, zij zouden Falstolf, die aanvankelijk niets kwaads vermoedde, overrompeld en zich zonder veel moeite meester gemaakt hebben van het geheele convooi. Men zond nog ijlings renboden naar den graaf van Clermont, maar deze liet uitdrukkelijk bevelen, dat men niets zou ondernemen voor zijn aankomst. In dien tijd had Falstolf rustig de gelegenheid, zich in staat van verdediging te stellen en te verschansen achter de wagens van zijn eigen convooi. De besluiteloosheid van den jongen, onervaren graaf van Clermont, had tengevolge dat die 12e Februari voor de Fransche troepen zeer ongelukkig afliep. De Engelsche ruiterij sloeg de Franschen voor zij zich vereenigd hadden uiteen. Vele dapperen sneuvelden; de graaf van Clermont vluchtte met zijn leger binnen Orléans; hun aftocht werd gedekt door la Hire en Poton.
Het vurig begeerde convooi, dat, aangezien men in de vasten was, grootendeels bestond uit haringen, kon verder rustig zijn bestemming bereiken. De nederlaag bij Rouvray, die door de Franschen genoemd wordt »la journée des Harengs«, wordt door Jeanne dienzelfden dag te Vaucouleurs aangekondigd als zij tot Robert de Baudricourt zegt: »Heden heeft de (gentil) dauphin bij Orléans een zeer groot verlies geleden.«
Na dezen grooten tegenslag laten de belegerden den moed zinken. Regnault de Chartres verlaat de stad en begeeft zich naar den koning. Ook la Hire trekt Orléans uit met tweeduizend man, maar hij belooft terug te zullen komen met levensmiddelen en hulptroepen. De graaf van Clermont, die na zijn optreden bij Rouvray weinig sympathie bij de burgers van de belegerde stad vond, acht het veiliger zich met zijne troepen uit de voeten te maken. De stad gaat nu hulp zoeken aan een gansch andere zijde en zendt eenige afgevaardigden naar den hertog van Bourgondië, om met hem te onderhandelen over eene mogelijke opheffing van het beleg.
In die dagen dringt langzamerhand tot Orléans het bericht door, dat aan het hof van den dauphin een jonge maagd verschenen is, die beweert door God gezonden te zijn om Orléans te bevrijden, en den dauphin daarna voor zijne kroning naar Reims te geleiden.
Een maagd door God gezonden, om hen uit hun bangen, benauwden toestand te verlossen! Geen wonder, dat dergelijke geruchten bij de bewoners van Orléans een dankbaar gehoor vonden en gretig aanvaard werden: men gelooft zoo gemakkelijk, wat men vurig wenscht. Van hooger hand wordt geen poging gedaan, om de geruchten tegen te spreken; integendeel, men ziet, dat ze de bevolking weer bezielen met nieuwen moed en met een groot vertrouwen.
Voor alles wil men echter weten, of de berichten waarheid bevatten en Dunois zendt dus twee afgevaardigden naar Chinon om naar de zaak te informeeren.
Als Jeanne den 27en April te Blois aankomt, vindt zij daar behalve Gilles de Rais, la Hire, Ambroise de Loré en nog andere groote heeren, de hulptroepen en het convooi, die zij naar Orléans zal geleiden. De koning was er ten slotte eindelijk in geslaagd, het noodige geld voor de expeditie te vinden, en men kan dus vertrekken. Dienzelfden dag nog zet de trein zich in beweging, d.w.z. dat men een deel van het convooi, dat in zijn geheel bestond uit zeshonderd wagens met levensmiddelen en munitie en vierhonderd stuks vee, voorloopig nog te Blois laat, om zich in de vijandelijke streek sneller en gemakkelijker te kunnen bewegen. Hoe groot het ontzettingsleger is, door Jeanne aangevoerd, is niet met zekerheid te zeggen: de een zegt tienduizend man, een ander zeven à achtduizend, maar vermoedelijk zal het niet meer dan ongeveer vierduizend man sterk zijn geweest. Aan de spits van dit leger rijdt Jeanne in haar blanke wapenrusting met haar schitterend gevolg van edelen en onmiddellijk voorafgegaan door hare banierdragers en door een breede schaar van priesters en monniken, die het »Veni Creator Spiritus« aanheffen.
Van het eerste oogenblik af aan en nog voor de eerste vijand in het gezicht is, stelt Jeanne zich niet tevreden met de passieve rol van door God gezondene, die zich laat leiden, maar neemt zij zelf de leiding in handen en begint met te veranderen wat haar in haar eigen troepen niet aanstaat en grieft. Hare manschappen zoo goed als zij zelf hebben eene Goddelijke zending te vervullen en daarom verlangt zij, dat in haar leger de naam des Heeren niet ijdelijk gebruikt zal worden: zij verbiedt het vloeken. Ook wil zij niet, dat, zooals het algemeen gebruik van dien tijd dat medebracht, een groot aantal publieke vrouwen medetrok in den tros van haar leger.
Om van uit Blois het belegerde Orléans te bereiken stonden twee wegen open. Men kon den rechter Loire-oever volgen en de stad dus naderen van de westzijde door la Beauce, of langs den linker oever en dus door la Sologne op de stad aantrekken. Is dit punt voor het vertrek in tegenwoordigheid van Jeanne besproken en heeft men haar op haar uitdrukkelijk verlangen om den eersten weg te volgen, eenige toezegging in dien zin gedaan? Met andere woorden, heeft men haar willens en wetens misleid? Het is moeilijk, hierop met beslistheid te antwoorden, maar zeker is het, dat Jeanne, die in de vaste overtuiging verkeerde, dat men de stad zou naderen van uit het westen en dus van de zijde, waar Talbot zich met zijne Engelsche troepen verschanst had, diep teleurgesteld en hoogst ontstemd was, toen men op den avond van den 29en April even ten Oosten van Orléans maar aan den linkeroever van de Loire halt hield.
Zoodra de wachters op de wallen en torens van de belegerde stad de aankomst van het leger van Jeanne hadden aangekondigd had, Dunois de stad verlaten en was hij Jeanne te gemoet getrokken. Maar de ontvangst van hare zijde is bij die eerste ontmoeting niet bijster vriendelijk. Zij verwijt hem, dat men haar bedrogen heeft. Is het op zijn advies, dat men deze route gevolgd heeft? Dan heeft hij nu zijn verdiende loon, want een sterke tegenwind maakt het vooralsnog onmogelijk de troepen en het convooi met de gereed liggende zeilbooten over de rivier en binnen de belegerde stad te brengen.
»Bij God«, roept zij uit, »de raad van Messire is zekerder en wijzer dan de Uwe. Gij hebt mij willen bedriegen en hebt U zelf bedrogen.«
Maar de voor het prestige van Jeanne op dat oogenblik zoo noodzakelijke wonderen geschieden. In de eerste plaats draait de wind, zoodat de zeilbooten, met troepen en proviand geladen, Orléans kunnen bereiken en in de tweede plaats blijft de vijand op een afstand rustig toekijken en steekt geen hand uit om den overtocht te beletten of zelfs ook maar te bemoeilijken.
De bewoners van de belegerde stad zijn op het eerste bericht van de nadering van haar, die hun door God gezonden wordt te hunner verlossing, naar de wallen gestormd. Zij zien van daaruit de aankomst van het ontzettingsleger, leven de oogenblikken van spanning mede als de tegenwind de booten belet de stad te naderen en steeds nog vreezen zij, dat de vijand op het laatste oogenblik hun hoop zal verijdelen. Maar langzamerhand beginnen zij te begrijpen, als zij getuige zijn van de wonderen, die geschieden. In het vijandige kamp blijft alles rustig en plotseling draait de wind, zoodat veilig met het overbrengen van troepen en proviand een aanvang kan gemaakt worden.
Dan maakt zich van de gansche bevolking een koortsachtige geestdrift meester. Het is dus waar, het kan niet anders, geen twijfel is meer mogelijk. Dat kan geen werk zijn van menschen, maar slechts van haar, die met een Goddelijke opdracht tot hen komt. Als de avond begint te vallen wil Jeanne terug naar Blois om het achtergebleven gedeelte van het convooi te halen en Gilles de Rais en Dunois hebben al hun overredingskracht noodig, om haar dit voornemen uit het hoofd te praten. Dunois vooral is er bijzonder op gesteld, dat Jeanne nog dien avond haar intocht binnen Orléans zal houden. Hij voorziet de heftigste tooneelen van wanhoop en vertwijfeling, wanneer hij zonder de door zijn volk verwachte Heilige terugkomt.
Het is reeds laat in den avond als Jeanne eindelijk toegeeft en met Dunois en een klein gevolg de poort van Orléans binnenrijdt. Men verwacht haar en ondanks het vergevorderd uur is de geheele stad op de been. De geestdrift, waarmede de bevolking van Orléans haar ontvangt, is eenvoudig onbeschrijfelijk. Voorafgegaan door een aantal toortsdragers rijdt Jeanne naast Dunois door de straten van Orléans, waarin zich eene dichte menigte heeft opgehoopt. In alle huizen heeft men de lichten ontstoken als even vele vreugdevuren. Arm en rijk, oud en jong verdringt zich niet alleen om haar te zien, maar om zoo mogelijk haar de hand te kussen of slechts den zoom van haar kleed aan te raken. De vreugde, zegt een ooggetuige, had niet grooter kunnen zijn, wanneer God zelf in de stad was neergedaald.
Op het einde van haar zegetocht begeeft Jeanne zich naar de kerk van het Heilige Kruis, waar zij God dankt in een lang en vurig gebed. Vervolgens brengt men haar bij Jacques Boucher, den thesaurier van den hertog van Orléans, in wiens huis zij den nacht zal doorbrengen.
Zooals het toenmalig gebruik verlangde, sliep zij dien nacht en de overige nachten van haar verblijf te Orléans, bij het dochtertje van haar gastheer, een meisje van een jaar of negen, genaamd Charlotte.
Den volgenden dag (30 April) wil zij besteden om de Engelschen te sommeeren, in vrede heen te gaan, zonder dat zij ze met geweld van wapenen behoeft te verjagen. Omtrent de bijzonderheden van deze sommatie bestaan verschillende lezingen. Volgens de eene zond Jeanne twee herauten, genaamd Ambleville en Guyenne naar het vijandige kamp met den brief, dien zij reeds in Maart te Poitiers gedicteerd had. Volgens anderen was deze brief dadelijk in Maart verzonden en wendde zij zich van uit Orléans tot de Engelschen met een nieuw schrijven.
Vast staat in elk geval, dat van de twee herauten van Jeanne, wanneer zij ook gezonden werden, slechts één terugkeerde. Guyenne hielden de Engelschen gevangen: zij dreigden hem te zullen verbranden tegen alle wetten van het volkenrecht in, volgens welke de persoon van een heraut heilig was.
Terwijl Dunois naar Blois vertrokken is, om het achtergebleven deel van het convooi te halen, besluit Jeanne eenige dagen rustig af te wachten of de Engelschen gehoor geven aan hare aanmaning.
Intusschen heeft men moeite, het volk kalm en in bedwang te houden. Ze willen hun Heilige zien en bewonderen en verdringen zich voor het huis van den zilversmid Boucher. Men dringt er bij Jeanne op aan, dat zij zich zal vertoonen en Zondag den 1en Mei rijdt zij dan met een klein gevolg door de straten van Orléans, toegejuicht en gehuldigd door een talrijke menigte.
Ook den volgenden dag (2 Mei) stijgt zij vroeg weer te paard en gaat met enkelen van hare getrouwen de positie van het vijandelijke leger verkennen.
's Morgens van den derden Mei kondigen de wachters de nadering aan van het leger van Blois. Jeanne rijdt het tegemoet. Ook Dunois komt terug. Hij brengt de tijding mee, dat Falstolf weer onderweg is met een groot convooi. Hij moet Jeanne vast en stellig belooven dat hij haar waarschuwen zal, als Falstolf passeert: ze wil hem zien.
Den voormiddag van den vierden is Jeanne druk in de weer bij het binnen brengen van de troepen en het convooi uit Blois. Na het middagmaal om één uur legt zij zich met haar slaapkameraadje een oogenblik te rusten. Maar plotseling vliegt ze weer overeind. Hare stemmen hebben haar gewaarschuwd, dat er gevochten wordt, maar ze weet niet precies waar. Ze waarschuwt d'Aulon, die eveneens vermoeid zich in hetzelfde vertrek te slapen had gelegd.
In allerijl wordt zij gekleed en gewapend. Zij stormt de kamer uit en ontmoet haar page Louis de Contes.
»Waarom heb je mij niet gewaarschuwd, dat er Fransch bloed vergoten wordt?« roept ze hem toe:
»Breng mij mijn paard«.--
Door een raam reikt men haar haar banier nog toe en dan ijlt zij in vollen galop door de straten van Orléans in de richting, waar zij het meeste rumoer hoort. D'Aulon en de Contes volgen haar. Door de Bourgondische poort verlaat zij de stad: er wordt gevochten om de Bastille de Saint Loup, ten einde de aandacht van de Engelschen van den overtocht van het convooi af te leiden.
[Illustratie: De belegering van Orléans.
Naar een muurschildering van Lenepveu in het Panthéon.]
Als de Franschen onder Gilles de Rais Jeanne zien naderen, juichen zij haar toe. Haar tegenwoordigheid geeft hun nieuwen moed en zal hun geluk aanbrengen. Als een goed veldheer begint Jeanne met hare troepen te verzamelen; ze waren te veel verspreid en ieder vocht op zijn eigen gelegenheid. Met haar banier in de hand, bevindt zij zich weldra vooraan bij de gracht, waar het pijlen en projectielen regent. Men verzamelt zich om haar heen, een forsche, algemeene aanval volgt en de Bastille wordt genomen. Als Talbot met zijn troepen te hulp snelt, ziet hij op een afstand nog slechts den rook van de brandende Bastille.
De geheele bezetting was gedood of gevangen genomen. Het zien van zoovele dooden, die gestorven zijn zonder toediening van de sacramenten der stervenden, maakt Jeanne diep bedroefd. Onder de gevangene Godons vindt zij enkele krijgslieden, die zich gekleed hebben in priestergewaden uit de naburige sakristie. Zij wil niet, dat hun eenig leed zal geschieden: »Men moet dezen geestelijken niets vragen,« zegt zij spottend.
Dien avond, terwijl haar soldaten de overblijfselen van de Bastille verder verwoesten, gaat Jeanne te biecht bij Pasquerel en deelt haar biechtvader mede dat zij den volgenden dag ter eere van den Hemelvaartsdag niet zal vechten.
Op dien dag wordt er binnen Orléans krijgsraad gehouden. Men besluit tot een schijnaanval op het kamp van Saint-Laurent, ten einde de Engelsche troepen daarheen te lokken; intusschen wil men dan een poging wagen, zich meester te maken van het fort les Tourelles op de groote steenen brug over de Loire. Na eenig over en weer praten acht de meerderheid het raadzaam, Jeanne althans met dat deel van de plannen in kennis te stellen, dat meer in het bijzonder de burgerwacht van Orléans betreft. Maar Jeanne laat zich niet misleiden, zij voelt dat men haar iets verbergt en dat maakt haar boos.
»Zeg mij wat gij besloten en beschikt hebt. Ik kan wel een belangrijker geheim bewaren«, valt zij uit.
Dunois kalmeert haar door de waarheid te vertellen.
Dienzelfden dag nog schrijft Jeanne een nieuwen brief aan de belegeraars, waarin zij ze nogmaals sommeert, het beleg op te breken. Ze zegt zelf: »Dit is voor de derde en laatste maal, dat ik U schrijf; nu schrijf ik U niet meer.«
Dit zou dus pleiten voor de lezing, dat de brief, gedicteerd in Poitiers, en die van den 30en April niet dezelfde waren.
Zij begeeft zich zelf met haar schrijven naar de brug. Door luid te roepen kan zij zich daar verstaanbaar maken voor de bezetting van het fort les Tourelles. Zij toont den Godons het perkament en roept hun toe: »Leest dit! Het is nieuws!«
Dan hecht zij haar brief aan een pijl en laat dien in het vijandige kamp schieten. De Engelschen bespotten en hoonen haar, schelden haar uit.
»Er is nieuws van de h... van de Armagnacs«, roepen zij uit.
Als Jeanne dit hoort, is zij diep bedroefd en barst in tranen uit. Maar hare stemmen troosten haar en spreken haar moed in.
De beide volgende dagen zullen dagen zijn van belangrijke en beslissende krijgsbedrijven. Men is bij het krieken van den morgen reeds in de weer, maar voor de troepen zich in beweging zetten, wordt op voorschrift van Jeanne door Pasquerel voor het front de mis gelezen, en wordt de zegen des hemels afgebeden voor hun onderneming. Daarna verlaat men de stad door de Bourgondische poort en steekt Jeanne met hare troepen de Loire over. Het eerste belangrijke punt, waarop zij stuiten is de Bastille de Saint Jean le Blanc.
Volgens sommigen was deze op dat oogenblik verlaten en behoefden de troepen uit Orléans haar slechts in het voorbijgaan te verbranden en te verwoesten. Volgens anderen daarentegen was zij sterk bezet, maar bezweek zij na een algemeenen aanval, waarbij Jeanne met haar banier vooraan reed en de haren aanmoedigde door ze toe te roepen:
»Bij God, houdt moed, vooruit, vooruit!«
De soldaten meenden, dat zij na de verwoesting van de Bastille van St. Jean weer binnen Orléans zouden terugkeeren. Maar daar wil Jeanne niets van weten, ze wil vooruit: de dag is nog lang. Men trekt dus verder naar de Bastille van de Augustijners.
Wij weten in elk geval zeker, dat deze laatste Bastille, die achter het fort les Tourelles en in het verlengde van de brug gelegen was, door de Engelschen hardnekkig verdedigd werd. Het was voor hen een belangrijk punt. De eerste aanval van de Franschen wordt zelfs afgeslagen en ze trekken terug. Maar er komen versterkingen uit de stad. Dunois steekt de rivier over met Gilles de Rais. Ze brengen kanonnen mede en alles, wat er noodig is voor een krachtigen aanval. Het geschut maakt een bres in de buitenste palissade en dan volgt de algemeene stormloop. Jeanne is in het voorste gelid met Gilles de Rais. Zij moedigt de soldaten aan door haar voorbeeld.
»Vooruit maar«, roept zij steeds, »moed gehouden, trekt maar binnen.«
Tegen zoo'n aanval zijn de verdedigers niet bestand, zij wijken en de Bastille wordt genomen. De Godons worden bijna allen gedood of gevangen genomen. Slechts enkelen van hen kunnen nog tijdig het fort les Tourelles bereiken. Na de Bastille wordt nog het naburige, door de Engelschen bezette, Augustijner klooster aangevallen en veroverd, waarna de gebouwen en de Bastille door de Franschen worden verbrand en verwoest.
Het plan is nu, den volgenden dag een aanval te wagen op les Tourelles. Men vreest, dat dit niet zoo gemakkelijk zal gaan.