Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans

Part 2

Chapter 23,715 wordsPublic domain

Hoogst merkwaardig is zeker, dat Jeanne soms met hare stemmen in discussie treedt. Zij is in haar verzet dan steeds volkomen logisch en bewijst dat zij ook in tegenwoordigheid van hare Heiligen of als hare stemmen tot haar spreken, de volle beschikking behoudt over haar gezond verstand. Zij wijst in deze eerste jaren hare stemmen op de schier onoverwinnelijke moeilijkheden aan haar taak verbonden: hoe kan zij wegkomen van het ouderlijk huis, hoe zal zij den Dauphin bereiken, die in een van zijne kasteelen aan de Loire vertoeft, dus op een afstand van eenige honderden kilometers van Domrémy, terwijl de tusschengelegen streek onveilig wordt gemaakt door vijandige Engelsch-Bourgondische troepen of ongeregelde plunderende benden?

Maar ook later, als zij met hare stemmen spreekt over haar plan, om uit het kasteel Beaurevoir te ontsnappen, zijn hare tegenwerpingen zoo nuchter verstandig, zoo zuiver menschelijk. Nu het er echter om gaat haar de aangevoerde moeielijkheden uit het hoofd te praten, weten hare stemmen haar een middel aan de hand te doen, dat een groot deel van hare bezwaren opheft, en waaraan Jeanne zelf niet gedacht had. Zij behoeft zich niet regelrecht bij den Koning aan te melden, houden zij haar telkens voor; zij kan beginnen met zich te wenden tot Robert de Baudricourt, kapitein van Vaucouleurs. Vaucouleurs is slechts eenige mijlen van Domrémy verwijderd en de bevolking van de plaats is den Koning trouw gebleven. De naam van den kapitein was Jeanne ook niet onbekend. Robert de Baudricourt was het type van een ruw soldaat, een echte houwdegen, maar een open, ronde kerel, hij deed genoeg van zich spreken in de gansche streek, en Jacquot d'Arc was meermalen persoonlijk met hem in aanraking geweest, o. a. bij de onderhandelingen over eene schadevergoeding aan Robert de Saarbrück, waarbij de kapitein als scheidsrechter optrad.

Hem kan Jeanne haar plan mededeelen; hij zal haar helpen en de noodige manschappen te harer beschikking stellen, die haar veilig en wel bij den Koning zullen brengen.

Maar Jeanne aarzelt nog en geen wonder.

Juist alles, wat zij over de Baudricourt gehoord heeft, doet haar betwijfelen of hij nu wel de rechte man is, die haar gelooven zal, en dien zij voor haar groote zaak zal kunnen winnen. Zal deze krijgsman haar wel ontvangen en aanhooren?

Hare stemmen houden aan, steeds dringender. De nood stijgt hooger; reeds hebben de vijanden het beleg voor Orléans gelegd en troepen worden gezonden, om ook het oosten van het land, de streek van Vaucouleurs, te onderwerpen.

Dan eindelijk, in de eerste dagen van Mei 1428, is haar besluit genomen. Jeanne vertrekt. Het is Gods wil, zij kan niet anders. Niets kan haar nu meer tegenhouden, en »al had zij ook honderd vaders en moeders gehad, al was zij eene koningsdochter geweest, zij zou toch vertrokken zijn«.

Zij verlaat de ouderlijke woning onder een voorwendsel. Zij krijgt toestemming van hare ouders, om voor eenige dagen naar haar »oom Durand Laxart« te Burey-le-Petit te gaan. Deze »oom«, in werkelijkheid een neef, die door de kinderen van Jacquot d'Arc, omdat hij veel ouder is, oom genoemd wordt, zal zij eerst in vertrouwen nemen, in de hoop dat hij haar helpen zal, om met Robert de Baudricourt in aanraking te komen.

Maar oom Durand schijnt niet op het eerste gehoor van de hooge roeping van zijn nicht overtuigd geweest te zijn en Jeanne heeft gedurende een week al hare overredingskracht noodig, om hem te winnen. Zij herinnert hem o.a. aan eene oude voorspelling »dat een vrouw het Fransche koninkrijk zou te gronde richten, en dat een Maagd het zou redden«.

Durand kent deze voorspelling en dit laatste argument van Jeanne stemt hem tot nadenken. De eerste helft van de voorspelling is reeds droeve waarheid geworden: heeft Isabeau de Bavière, de weduwe van Karel VI, het land niet aan zijn vijanden overgeleverd en verkocht? Waarom zou dan de tweede helft.... en waarom zou dan zijne nicht niet kunnen zijn de Maagd, gezonden door God, om te volbrengen, wat zij allen zoo vurig wenschen? Durand geeft eindelijk toe en met Jeanne vertrekt hij den 13en Mei naar Vaucouleurs. Daar aangekomen, begeven zij zich regelrecht naar het kasteel. Men brengt hen in de zaal, waar Robert zich bevindt in gezelschap van eenige andere krijgslieden. Maar Jeanne behoeft geen oogenblik te aarzelen, hare stemmen duiden haar aan tot wien zij zich wenden moet en vastberaden treedt zij op den kapitein toe met de woorden:

»Ik ben door Messire tot U gezonden, opdat gij den dauphin zult doen weten, dat hij stand houde en zijnen vijanden geen slag moet leveren.«

De bijzonderheden omtrent deze eerste ontmoeting tusschen Jeanne en Robert de Baudricourt zijn ons bekend uit de getuigenis van Bertrand de Poulengy, een schildknaap, die bij de samenkomst aanwezig was. Hij kende Domrémy en zijne bewoners, had meermalen zelfs Jacquot d' Arc bezocht, zoodat vermoedelijk Jeanne zelf ook geen vreemde voor hem was.

Seigneur Robert, hoewel voor geen kleintje vervaard, staat het eerste oogenblik toch eenigszins verwonderd tegenover Jeanne; de verschijning van dit jonge meisje, gekleed in een eenigszins armoedig rood jurkje, en dat hem zonder eenige inleiding, op kalmen en beslisten toon een opdracht geeft voor den dauphin, overvalt hem wel wat onverwacht.

Jeanne vervolgt en voorspelt: »Voor mi-carême zal Messire hem hulp zenden.«

Dan zet zij in enkele woorden uiteen een deel van de taak, die zij zich gesteld heeft: »In waarheid is het koninkrijk niet in het bezit van den dauphin. Maar Messire verlangt, dat de dauphin koning zal zijn en heerschen zal over het koninkrijk. Ondanks zijne vijanden zal de dauphin tot koning gekroond worden, en ik zal het zijn, die hem naar de kroningsplechtigheid geleiden zal.«

Robert begrijpt haar niet. Toch vraagt hij nog: »Wie is Messire?« en Jeanne legt hem uit: »De Koning der Hemelen.« Maar deze verklaring maakt voor den kapitein het geval niet duidelijker. Te drommel, wat wil ze van hem, die knappe verschijning met hare heldere oogen en haar manhaftig optreden? Tegenover de overige aanwezigen, zijn krijgsmakkers en onderhoorigen, redt hij zijn figuur door eenige ruwe, ongepaste soldatengrappen ten koste van het jonge meisje, dat tegenover hem staat; dan wendt hij zich tot oom Durand en stuurt hem weg met Jeanne: »Breng haar terug bij haar vader en wasch haar maar eens ferm de ooren!«

Deze eerste tegenslag doet Jeanne den moed niet verliezen. Haar vertrouwen heeft niet in het minst geleden, zij behoeft slechts te wachten op eene betere gelegenheid. Teruggekeerd in de ouderlijke woning, vertelt zij niets omtrent haar bezoek aan Vaucouleurs en ook oom Durand schijnt haar geheim trouw bewaard te hebben. Alleen in vage termen spreekt Jeanne met sommige personen over de groote dingen, die te gebeuren staan, maar zij verzwijgt de rol, die zij daarin vervullen zal. Zoo neemt zij b.v. Michel Lebuin, een knaap van haren leeftijd, in vertrouwen, en voorspelt hem (23 Juni):

»Er woont tusschen Coussey en Vaucouleurs een meisje, dat, vóór er een jaar verstreken is, den koning van Frankrijk zal doen kronen.«

* * * * *

De vijand zit intusschen niet stil. Er worden toebereidselen gemaakt om het werk der onderwerping van het geheele koninkrijk te voltooien. De regent van Hendrik VI in Frankrijk, de hertog van Bedford, draagt aan Antoine de Vergy, gouverneur van Champagne, op om een troepenmacht van een duizend man te verzamelen en het oostelijk deel van Frankrijk, de streek van Vaucouleurs, in bezit te nemen. In de tweede helft van Juli rukken de twee gebroeders Antoine en Jean de Vergy met hun leger op. Zooals het oorlogsgebruik van dien tijd medebrengt, worden de dorpen, die zij op hun marsch door trekken, geplunderd en verbrand en de bewoners, die zich niet tijdig uit de voeten hebben gemaakt, vermoord. Als zij Domrémy naderen, verlaten de bewoners met hun vee en alles, wat zij redden kunnen, het dorp en vluchten naar Neufchâteau in Lotharingen. Onder deze vluchtelingen bevindt zich ook Jacquot d'Arc met zijn gezin.

Jeanne en hare familie vinden een onderkomen bij eene vrouw, genaamd La Rousse die een herberg, wij zouden zeggen een klein hôtel, hield.

Valsche getuigen, booze tongen, hebben later verklaard, dat Jeanne in die dagen in die herberg met vrouwen van lichte zeden een losbandig leven heeft geleid. Maar de verklaringen van verscheidene geloofwaardige personen uit Domrémy, die met haar waren uitgeweken, zijn daar om te bewijzen, dat dit slechts vuile laster is.

Wel had Jeanne tijdens het korte verblijf te Neufchâteau een voor haar onaangename zaak te beredderen. Zij werd voor den rechter te Toul geroepen op aanklacht van een jongen man uit Domrémy, die beweerde, dat Jeanne hem trouwbeloften had gedaan. Later, in het proces te Rouaan, keert men de zaak om en verwijt men Jeanne, dat zij den jongen man had doen dagvaarden. Zij zet dan uiteen, hoe de zaak zich werkelijk heeft toegedragen: zij was gedaagde, zij had geen trouwbeloften gedaan, en wordt ook door den rechter in het gelijk gesteld, zeer tegen den wensch van haar vader, die het jongmensch genegen was, en hem gaarne met zijne dochter Jeanne had zien huwen.

Na een dag of veertien keeren de vluchtelingen naar hunne haardsteden terug, of beter gezegd, naar de plek, waar die zich eenmaal bevonden. Zij vinden van het dorp nagenoeg niets terug. Hunne huizen, de kerk, alles is verbrand en geplunderd en de oogst is verwoest.

Wij kunnen gerust aannemen, dat de gebeurtenissen van de tweede helft van Juli en van begin Augustus 1428, de vlucht naar Neufchâteau en de terugkeer in het verwoeste dorp, Jeanne buitengewoon gesterkt hebben in hare overtuiging, dat voor haar het oogenblik om te handelen gekomen was, dat spoedige hulp voor den dauphin en voor Frankrijk noodzakelijk was.

Ook laten hare stemmen haar geen dag met vreê. Steeds met meer nadruk dringen zij er bij Jeanne op aan, dat zij haar dorp zal verlaten en naar Frankrijk zal gaan. De nood is op het hoogst, ook Orléans wordt reeds door den vijand belegerd.

In het begin van 1429 komt het toeval Jeanne te hulp. De vrouw van oom Durand Laxart ligt in het kraambed en laat nu vragen, of Jeanne eenigen tijd in Burey-le-Petit mag komen, om voor het huishouden en de kleine te zorgen. Dit verzoek, dat volstrekt niets buitengewoons had onder familieleden in dien tijd, wordt toegestaan. In gezelschap van oom Durand, verlaat Jeanne dus, één van de eerste dagen van Februari, het ouderlijk huis en Domrémy, om er nooit meer terug te keeren. Zij is opgewekt en vol goeden moed. Onderweg groet zij vroolijk alle kennissen, haren speelkameraadjes, Guillemette de Greux en Mengette, roept zij toe »Adieu, ik ga naar Vaucouleurs.« Zij ontloopt alleen haar oudste vriendinnetje, Hauviette genaamd, dat eerst later verneemt, dat Jeanne vertrokken is, en dan zeer verdrietig is. In Vaucouleurs neemt zij haar intrek bij de vrouw van een wagenmaker, Henri Le Royer, eenen goeden bekende van hare familie.

Ditmaal schijnt Robert de Baudricourt moeilijker te genaken te zijn geweest. Er verloopen ten minste eenige dagen, voor het Jeanne gelukt, hem weer te spreken te krijgen. Zij brengt die dagen door met het verrichten van huishoudelijk werk voor hare gastvrouw, en verder met bidden in de kerk. Het eerste bezoek van Jeanne aan Robert de Baudricourt en het doel van haar komst waren in Vaucouleurs geen geheim gebleven.

De kapitein had er later met zijne krijgsmakkers nog eens hartelijk om gelachen. Eén van hen, Jean de Metz, een dappere jonge man van dertig jaar, vindt Jeanne op een morgen voor de deur van den wagenmaker en roept haar toe:

»Wel, beste meid, wat doe je nog hier? Moet de koning uit zijn rijk gejaagd worden en moeten wij Engelschen worden?«

Jeanne legt hem uit, dat het haar nog niet gelukt is met Robert de Baudricourt te spreken. Zij wilde hem verzoeken, haar naar den koning te zenden, want zij alleen kan Frankrijk redden. Dan geeft Jean de Metz haar heel kameraadschappelijk een hand en vraagt: »Welnu, beste meid, wanneer vertrekken wij?«

En Jeanne antwoordt:

»Liever nu dadelijk dan morgen, en liever morgen dan later.«

Jean de Metz en Bertrand de Poulengy, met welken laatste Jeanne een dergelijke ontmoeting had, dringen er bij den kapitein op aan, dat hij haar ontvangen zal. Hun moeite heeft het gewenschte resultaat. Nu, bij de tweede ontmoeting, hoort Robert Jeanne kalm aan en jaagt haar niet weg. Zij vertelt hem, dat Messire haar heeft opgedragen, naar den dauphin te gaan, daarna Orléans te ontzetten en vervolgens den koning te doen kronen te Reims.

[Illustratie: Kamer in het huis waar Jeanne d'Arc te Domremy woonde. Het huis wordt zooveel mogelijk in den oorspronkelijken toestand bewaard. In het midden een standbeeld van Jeanne.

Naar een photographie.]

Geheel gewonnen is Robert nog niet dadelijk. Hij zendt Jeanne naar Nancy om daar door den hertog van Lotharingen ondervraagd te worden. Deze geeft haar een geschenk in geld en zendt haar weer terug naar Vaucouleurs.

Zij komt daar aan den twaalfden Februari 1429, dus juist op den dag van de »Bataille des Harengs« te Rouvray bij Orléans, waarin de Franschen weer verslagen werden. Het is beslist onmogelijk, dat Jeanne op dien dag iets van dien veldslag en den uitslag daarvan heeft kunnen weten; toch zegt zij dadelijk bij haar aankomst tot de Baudricourt:

»In Godsnaam, gij talmt te lang met mij te zenden, want heden heeft de (gentil) dauphin bij Orléans een zeer groot verlies geleden. Hij loopt gevaar, een nog grooter verlies te lijden, wanneer gij mij niet spoedig naar hem toezendt«.

Als eenige dagen daarna het bericht van de nederlaag bij Rouvray Vaucouleurs bereikt, herinnert Robert zich de onheilspellende woorden van Jeanne. Er is m.i. voldoende grond voor het vermoeden, dat deze gebeurtenis er veel toe heeft bijgedragen, om hem voor de plannen van Jeanne te winnen. Hij neemt dan een besluit en laat haar vertrekken.

Voor haar vertrek uit Vaucouleurs ondergaat Jeanne in haar uiterlijk een belangrijke metamorphose. Zij legt het sjovele roode jurkje, waarin zij gekomen is, af en kleedt zich in een volledig, fonkelnieuw page-costuum, dat de bewoners van Vaucouleurs voor haar hebben laten maken. Verder laat zij zich de haren afknippen, tot boven de ooren, ook in den vorm, zooals destijds de pages het haar droegen. Zij acht het veiliger en behoorlijker, om in gezelschap van mannen ook als man gekleed te reizen. Vermoedelijk van het geld, haar door den hertog van Lotharingen geschonken, heeft zij zich een zwart paard gekocht en van Robert de Baudricourt heeft zij een zwaard ten geschenke gekregen. Volledig toegerust als een jong krijgsman, is zij dus gereed, den gevaarlijken tocht te ondernemen.

Haar escorte is zes man sterk en bestaat uit Jean de Novelompont, genaamd Jean de Metz, Bertrand de Poulengy, Jean en Julien, hun knechts, Richard, een boogschutter, en een boodschapper van den koning, Colet de Vienne genaamd. De reis is lang en gevaarlijk: de geheele streek, die zij moeten doortrekken, wordt nog onveilig gemaakt door vreemde krijgsbenden. Men heeft dus besloten, overdag te rusten en 's nachts te reizen. Jeanne alleen ziet geen gevaar: zij stelt een ieder, die haar waarschuwt, gerust:

»Messire zal mij een weg banen, om den dauphin te bereiken.«

Den 23en Februari, tegen den avond, heeft het vertrek plaats. Vrienden en kennissen van Jeanne vergezellen den kleinen troep tot aan de poort van Vaucouleurs. Ook Robert de Baudricourt is daar. Hij laat de mannen zweren dat zij goed zorg zullen dragen voor haar, die hij aan hunne hoede heeft toevertrouwd. Dan geeft hij Jeanne een brief voor den koning en neemt afscheid van haar met de woorden:

»Welnu, ga, en laat gebeuren wat wil.«

[Illustratie: Vertrek uit Vaucouleurs, 1429.

Naar een schilderij van J. Scherrer, Orléans.]

Nog eenige oogenblikken staren zij den kleinen page met zijn escorte na en luisteren naar den doffen hoefslag van de paarden, wier voeten met doeken omwoeld zijn. Dan verdwijnt het zevental in den mist en wordt het stil. Terwijl de ophaalbrug wordt opgehaald en de poort van Vaucouleurs gesloten, brengen wij den kleinen page het eere-saluut:

»Seigneurs, barons, inclinez-vous Devant celui qui part, il est plus grand que nous.«

* * * * *

De geheele reis was buitengewoon voorspoedig. Jean de Metz en Bertrand de Poulengy waren dergelijke tochten door eene gevaarlijke, vijandige streek gewoon. Zij hadden alle mogelijke voorzorgsmaatregelen genomen, kenden het land en wisten dus welke punten zij mijden moesten en waar zij de minste kans liepen, opgemerkt te worden.

Den eersten avond wordt doorgereden tot men tegen den nacht de abdij van Sint Urbain bereikt. Bij den Abt Arnoult d'Aulnoy, een bloedverwant van Robert de Baudricourt, vinden zij een veilig onderkomen. Den volgenden morgen voor hun vertrek hoort Jeanne de Mis.

Op het verdere traject wordt meestal 's nachts gereisd en overdag gerust onder den blooten hemel. Jeanne ligt dan geheel gekleed in een deken gewikkeld tusschen Jean de Metz en Bertrand de Poulengy in. Zij slaapt gerust en vol vertrouwen in hare beide ridders, die gezworen hebben, haar behoorlijk te zullen geleiden. En inderdaad de heeren hebben woord gehouden en haar behandeld als een zuster.

Hun voorzichtige en geheimzinnige wijze van reizen heeft voor Jeanne één groot bezwaar: zij heeft daardoor niet de gelegenheid, dagelijks de kerk te bezoeken en de Mis te hooren. Het valt haar zwaar, daarin te berusten en zij beklaagt zich herhaaldelijk over dit gemis. Verder stelt zij hare geleiders onder weg steeds gerust en deelt hun mede dat hare »broeders in het Paradijs« haar steeds zeggen, wat zij doen moet.

De moeilijkste en gevaarlijkste punten van den tocht zijn wel de rivieren. De overkant van de Marne bereiken zij over de brug bij Sint Urbain, maar zij doorwaden de Aube bij Bar sur Aube, de Seine bij Bar sur Seine en de Yonne bij Auxerre en dat in Februari na een strengen winter, terwijl de rivieren nog breed en gezwollen zijn!

Als zij eindelijk Gien bereiken, bevinden zij zich op gebied van den dauphin en is dus het voornaamste gevaar geweken.

Van Gien trekt men verder naar Fierbois. Te Fierbois bevond zich een beroemd heiligdom van één van de patronessen van Jeanne n.l. van de Heilige Cathérine, die in het bijzonder de Fransche krijgsgevangenen beschermde. Jeanne bezoekt de kapel en hoort te Fierbois eenige malen de Mis. Ook zendt zij van daaruit een bode naar den dauphin met den brief van Robert de Baudricourt en met een brief door haar zelf gedicteerd, waarin zij verzoekt, te Chinon te mogen komen, daar zij honderd vijftig mijlen te paard heeft afgelegd om den dauphin mededeelingen te doen, die hem van nut kunnen zijn en die zij alleen weet.

Te Chinon arriveert zij na haar vermoeienden tocht in volkomen welstand tegen den middag van den 6en Maart en stapt er af in een klein logement.

Dienzelfden dag nog begeeft zij zich naar het koninklijk slot, maar wordt niet toegelaten. Karel VII kent haar niet, hij laat vragen, wie ze is en wat zij komt doen. De beide brieven, door Jeanne gezonden hebben hem dus blijkbaar niet bereikt. In zijn omgeving had men ze waarschijnlijk ter zijde gelegd en niet noodig gevonden, hem daarmede in kennis te stellen. Nog voor het eerste verschijnen van Jeanne aan het hof van Karel VII ondervindt zij reeds tegenwerking, doet zich die geheime macht reeds gevoelen die, voortkomende uit de onmiddellijke omgeving van den dauphin, haar zal blijven dwarsboomen en een politiek zal voeren tegen de hare in, tot het einde toe.

Jeanne moet drie dagen geduld hebben. Op de vraag, haar namens Karel VII gedaan, wat zij kwam doen, heeft zij niets willen antwoorden dan in het algemeen, dat zij kwam om Orléans te ontzetten en den dauphin voor de kroning naar Reims te geleiden. Jean de Metz en Bertrand de Poulengy worden ondervraagd; in den Raad van den koning kan men het evenwel niet eens worden, men aarzelt, tot het laatste oogenblik toe, zelfs nog nadat de meerderheid reeds besloten heeft, dat Jeanne moet toegelaten worden en zij ook reeds onderweg is. Na lang wikken en wegen, en op advies van de meerderheid van zijn Raad, besluit Karel VII echter ten slotte, Jeanne te ontvangen.

Pasquerel, die Jeanne later als biechtvader naar Orléans zal vergezellen, deelt nog mede, dat zij op weg naar het koninklijk slot een ruiter ontmoette, die haar onder luid vloeken en razen grof beleedigde, waarop Jeanne tot hem zou gezegd hebben: »Gij vloekt den naam van God, en dat terwijl de dood U zoo nabij is.«

Dienzelfden avond nog, ja volgens het verhaal van Pasquerel, voor er een uur verstreken was, viel de man in het water en verdronk.

In de verklaring van Pasquerel wordt de vermaning van Jeanne natuurlijk een profetie, een van de vele bewijzen voor haar helderziendheid, haar bovenmenschelijkheid.

Maar ook teruggebracht tot het gewoon menschelijke behoudt de episode voor ons haar waarde. Ook indien de woorden van Jeanne slechts bedoeld zijn geweest als »memento mori« voor den krijgsman in die bange dagen van moord en slachting, dan nog staat deze vermaning van het jonge meisje door haar waardigheid en bezadigdheid reeds op één lijn met zoovele van hare voortreffelijke antwoorden uit het latere proces.

Nog dikwijls zal het voorkomen, dat Jeanne grof beleedigd wordt, vooral later door hare doodsvijanden, de Engelschen, en steeds zal het haar diep grieven en pijn doen, ja een enkele maal zelfs b.v. wanneer tijdens den strijd om Orléans, de Engelschen haar den laagsten scheldnaam naar het hoofd slingeren, dien men voor een jong meisje bedenken kan, zal zij in snikken uitbarsten. Hare Heiligen zullen haar dan moeten troosten en moed inspreken.

* * * * *

Als Jeanne dan eindelijk in het kasteel van Karel VII is aangekomen, wordt zij door Louis van Bourbon, graaf van Vendôme, geleid naar de zaal, waar de koning zich bevindt.

De houding van Jeanne bij haar eerste verschijnen in de omgeving van den koning is hoogst merkwaardig. De kalmte, waarmede dit zeventienjarige boerenmeisje de meest ongewone dingen eenvoudig aanvaardt, is gewoonweg verbluffend. Alles wat haar wedervaart in verband met de vervulling van hare Goddelijke roeping wordt door haar beschouwd als vanzelf sprekend: geen moeilijkheden schrikken haar af, geen milieu kan haar verblinden, geen mise-en-scène kan haar imponeeren.

Met de rust en het zelfvertrouwen, waarmede wij haar in Vaucouleurs te paard hebben zien stijgen voor een levensgevaarlijken tocht van twaalf dagen, zien wij haar nu de groote receptiezaal van het kasteel te Chinon binnentreden, en zullen wij haar eenmaal zien verschijnen voor een rechtbank van Kardinalen en Bisschoppen.

* * * * *