Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans
Part 14
Kalm, doch met een vast doel voor oogen, werkt de Kerk voort. Zij zal niet rusten voor het Haar gelukt is Jeanne te doen opnemen in de rij der Uitverkorenen, voor de geheele Katholieke wereld haar heilig verklaard heeft. Maar ook van wereldsche zijde zit men niet stil en wordt er zelfs in deze spannende en gewichtige dagen, door enkele van hare getrouwen, rusteloos voortgearbeid aan de verheerlijking van haar, die wellicht meer dan ooit eenig ander, de groote deugden heeft bezeten, die in het bijzonder het Fransche volk eigen zijn, van haar, die ééns in dagen, oneindig donkerder, dan die welke Frankrijk thans doorleeft, haar volk voor het eerst, door haar voorbeeld en haar woord, geleerd heeft wat vaderlandsliefde was. Hun streven gaat volstrekt niet tegen het werk van de Kerk in, maar loopt daarmede min of meer evenwijdig. Voor hen is Jeanne in de eerste plaats de bij uitstek nationale figuur, de incarnatie van het patriotisme, die verdient verheerlijkt en vereerd te worden door alle Franschen, groot en klein, van welk geloof ook of van welke religie. Heeft zij niet zelf haar volk de eenige religie gepredikt, die geen atheisten duldt, de religie van het vaderland? O zeker, zij erkennen, dat Jeanne visioenen gehad heeft en stemmen gehoord heeft, maar waar het voor hun op aankomt is, dat zij boven alles uit gezien heeft de »grande pitié qui était au royaume de France« en gehoord heeft de noodkreet van het vaderland, dat in gevaar verkeerde.
Aan het hoofd van de wereldsche beweging staat Joseph Fabre, oud-kamerlid, senator en groot kenner van de geschiedenis van Jeanne. Van zijn hand hebben reeds verscheidene werken over onze heldin het licht gezien en het zijn vooral zijne geschriften en studies die voor ons van Jeanne een figuur hebben gemaakt, die leeft. Quicherat, zoo drukt Anatole France het uit, had Jeanne ontdekt, maar Fabre heeft haar toegelicht.
Sinds jaren reeds ijvert hij voor de officieele instelling van eene tweeden nationalen feestdag in Frankrijk, die dan gewijd zou zijn aan Jeanne d'Arc. Naast den 14en Juli, het feest van de vrijheid, den 8en of den 30en Mei, het feest van het patriotisme, dat zou kunnen en moeten zijn een dag van algemeene verbroedering, een dag, waarop alle partijstrijd tijdelijk zou rusten en worden vergeten, een feest voor alle Franschen, groot en klein, omdat Jeanne, ook, al zal de Kerk haar aanstonds onder hare Heiligen plaatsen op hare altaren, niet toebehoort aan eenige partij of aan eenig kerkgenootschap, maar aan het vaderland, dat zij gered heeft en aan het volk dat zij heeft doen ontwaken.
In zijn laatste werk »Les Bourreaux de Jeanne d'Arc« et »Sa Fête Nationale« (Paris 1915) geeft Fabre verslag van wat hij gedaan heeft en reeds bereikt heeft om te geraken tot de instelling van het Nationale Feest.
In 1883 reeds heeft hij voor het eerst het plan geopperd en den 30en Juni 1884 bereikt de Kamer reeds een wetsvoorstel in dien zin, geteekend door 252 kamerleden.
In Mei 1894 wordt een aanvang gemaakt met de behandeling van datzelfde wetsontwerp in den Senaat. Fabre zelf brengt als rapporteur van de commissie van onderzoek verslag uit in een welsprekende en luid toegejuichte rede. Maar hij stuit op eenige oppositie. Art. 1 van het door hem verdedigde en door 128 Senatoren onderteekende wetsvoorstel luidt: »De Fransche Republiek viert jaarlijks het feest van Jeanne d'Arc, feest van het patriotisme«, maar hierop is door enkele Senatoren een tegen-voorstel ingediend van één enkel artikel, dat luidt: »Er zal, ter eere van Jeanne d'Arc, op het plein te Rouaan, waar zij levend verbrand werd, een monument worden opgericht met deze inscriptie: »Aan Jeanne d'Arc. Het dankbare Fransche Volk.««
Senator Demôle treedt op als verdediger van het tegen-voorstel. Wat al dadelijk bij de discussie in den Senaat in het oog springt, is dat de politiek in de zaak gemengd wordt. Wij hooren toejuichingen van links, tegen teekenen van afkeuring van rechts, interrupties van royalisten, uitroepen van vrijmetselaars. Het is duidelijk, dat de heeren Senatoren nog niet voldoende van de waarheid »Johanna nostra est« doordrongen zijn. De royalisten zien kans uit de figuur van Jeanne politieke munt te slaan en beroepen zich daarbij op het feit, dat Jeanne zich door God gezonden achtte om den koning te doen kronen en op zijn troon te bevestigen, maar zij vergeten daarbij voor het gemak het allerdroevigste figuur, dat Z.M. Karel VII in de geheele geschiedenis van Jeanne geslagen heeft. De vrijmetselaars staan eenigszins huiverig tegenover iemand, die door de Kerk reeds zalig verklaard is en op het punt staat op den R.K. kalender haar heiligen dag te krijgen. Zal de nationale feestdag, wanneer die samenvalt met den Heiligen dag, niet »ontaarden« in een zuiver kerkelijk feest? Moeten de Republikeinen zich dan niet herinneren, dat Jeanne voor het koningschap gestreden en geleden heeft? »Zoudt gij dan willen«, vraagt een van de sprekers van de tribune, »dat Jeanne in 1400-zooveel Republiekeinsch geweest was?«
Een figuur als die van Jeanne, die juist als zuivere incarnatie van het patriotisme, boven alle partijen staat, wordt ook nu weer bezoedeld en besmeurd, enkel door het feit, dat zij met geweld wordt neergehaald tot in het politieke strijdperk. »Ook nu weer«, ja zeker, want het verschijnsel is niet nieuw. Het duidelijkst blijkt dit wel uit de geschiedenis, die wij hier voor de curiositeit laten volgen, en die wij ontleenen aan de redevoering van Senator Wallon, van het monument voor Jeanne, opgericht in Orléans.
21 Juli 1456 werd door één van de Bisschoppen, die deel hadden genomen aan het proces van rehabilitatie, en door den Inquisiteur van Frankrijk, ter herinnering aan Jeanne een kruis opgericht, dat tegen het einde van de vijftiende eeuw werd vervangen door een monument, opgericht uit vrijwillige bijdragen van de vrouwen van Orléans.
Dit monument wordt in 1567 verwoest door de protestanten, weer hersteld in 1570, weer verwoest in 1793 door de Revolutie, en met toestemming van den Eersten Consul Bonaparte, weer opgebouwd in 1804, en eindelijk in 1855 vervangen door het monument, dat er nu nog staat.
Maar gelukkig, het eind van de discussie in den Senaat is toch, dat het wetsvoorstel van de commissie wordt aangenomen met 145 tegen 92 stemmen, en het voorstel omtrent het nationale monument met 180 tegen 20 stemmen.
18 Juni 1894 verhuist het wetsvoorstel naar de Chambre des Députés, waar het op dit oogenblik nog ligt.
Het geheele ontwerp, zooals het nu luidt, bestaat uit de drie volgende artikelen.
Art. 1.
De Fransche Republiek viert jaarlijks het feest van Jeanne d'Arc, feest van het patriotisme.
Art. 2.
Dit feest heeft plaats den tweeden Zondag van Mei, verjaardag van de bevrijding van Orléans.
Art. 3.
Er zal, ter eere van Jeanne d'Arc, op het plein te Rouaan waar zij levend verbrand werd, een monument worden opgericht met deze inscriptie:
Aan Jeanne d'Arc. Het dankbare Fransche volk.
Meer dan eens heeft men getracht urgentie voor de behandeling van het wetsvoorstel te verkrijgen, doch te vergeefs. Monsterpetities zijn er bij de Kamer ingekomen, o. a. een van de Fransche vrouwen, om er op aan te dringen, dat de behandeling aan de orde van den dag zal worden gesteld. De afgevaardigde de Mahy, zelf vrijmetselaar, trotseert het veto van zijn orde, dient een rapport in, waarin hij pleit voor spoedige behandeling van de wet, »die hem evenals heel Frankrijk, zoo na aan het hart ligt«. Belangrijke onderdeelen van het groote Gemeenebest zijn intusschen de Regeering voorgegaan, hebben het goede voorbeeld gegeven. In Juli 1890 reeds verklaarde de »Conseil Supérieur de l'Instruction publique« den 8en Mei tot feestdag voor alle inrichtingen van Openbaar Onderwijs. Met algemeene stemmen heeft ook reeds de Academische Senaat te Parijs besloten tot de jaarlijksche viering van een universiteitsfeest voor Jeanne d'Arc binnen haar geheele gebied.
In 1912 brengt de afgevaardigde Aynard in de Kamer het rapport uit van de commissie van onderzoek, en eindelijk in December 1914 kondigt Maurice Barrès aan, dat hij het wetsvoorstel opnieuw zal indienen aan het Bureau van de Kamer. Maar de Minister-President verzoekt hem dit voorloopig uit te stellen en Maurice Barrès, hoewel persoonlijk overtuigd, dat de Minister-President hierin ongelijk heeft, acht het met het oog op de hoogst ernstige tijden, thans niet het moment daarover met hem in discussie te treden, en onderwerpt zich dus aan zijn verlangen.
»Le Président du Conseil a-t-il tort, a-t-il raison?« vraagt Maurice Barrès zich af, en er zijn er in Frankrijk, die hem daarop zouden willen antwoorden: »Il a raison« en daarbij zouden willen aanvoeren, dat men toch in deze dagen nu Frankrijk en Engeland zijde aan zijde strijden tegen een gemeenschappelijken vijand, niet vergeten moet, dat Jeanne juist tegen de Engelschen gevochten heeft, en dat hoewel zij gevonnist werd door een rechtbank voor het meerendeel bestaande uit Fransche priesters, het toch in de eerste plaats de Engelschen zijn, die hare veroordeeling bewerkstelligd en haren dood veroorzaakt hebben. Maar ook in deze moeilijkheid is voorzien en het is hoogst merkwaardig te hooren, hoe Joseph Fabre en zijne volgelingen zich met de noodige spitsvondigheden hier uitredden. Het is evenwel zeker het best en het onpartijdigst om de eindbeslissing in deze kwestie bij de Engelschen zelf te zoeken en geheel aan hen over te laten.
Of is het geen spitsvondigheid, wanneer de vrienden van Jeanne in dit verband er aan herinneren, dat zij zelf heeft verklaard niets liever te willen dan, wanneer eenmaal de vrede gesloten en het land van vijanden gezuiverd zou zijn, gezamenlijk met de Engelschen een kruistocht te ondernemen ter verdediging van de beschaving en het Christendom.
Neen, laten we in dit geval liever luisteren naar hetgeen zij te zeggen hebben van wie men oppositie vreest, en dus het woord geven aan de Engelschen zelf.
Als wij dan in de eerste plaats herlezen het warme en enthousiaste pleidooi dat Andrew Lang ons levert in zijn »Maid of France« zijn wij dan eigenlijk niet al voldoende op de hoogte van hetgeen het Engeland van onze dagen denkt over Jeanne? Is het dan nog noodig terug te gaan naar 1795 toen Robert Southey Jeanne verheerlijkte in een lang gedicht? Moeten wij dan nog lezen hoe Coleridge den grooten Shakespeare onderhanden neemt over zijn eerste deel van Henry VI of hoe Thomas de Quincey haar verdedigt?
Het verwijt van Carlyle: »Hartelooze Franschen, spotters, gij zijt de edele maagd niet waard!«, lijkt ons wat hard en onverdiend. Rudyard Kipling treft beter den toon, wanneer hij de bondgenooten van heden samen de verantwoordelijkheid voor Jeanne's dood laat dragen en zegt: »Wij vergeven elkaar onze wederzijdsche fouten en de oude, onvergeeflijke misdaad, de zonde, waaraan elk onzer zijn deel had, op het Marktplein te Rouaan.«
En wat dunkt U verder van de navolgende aanhalingen ontleend aan een hoofdartikel in de Times van 29 Januari 1894 en dus geschreven in de dagen, toen te Rome de eerste stappen werden gedaan voor de Zaligverklaring:
»Wanneer de dag zal aanbreken van de Heiligverklaring van Jeanne d'Arc, zullen zelfs zij, die de aanmatiging van Rome absurd of belachelijk vinden, moeten erkennen, dat nooit edeler figuur aan de vereering der zielen werd aangeboden.
In geheel de Middeleeuwen is er geen eenvoudiger en schitterender geschiedenis, geen smartelijker tragedie dan die van het arme, kleine herderinnetje, dat door haar hartstochtelijk geloof, haar vaderland heeft opgeheven uit de diepten der vernedering en der wanhoop, om daarna zelf door de handen harer vijanden de wreedste en schandelijkste dood te ondergaan.
De verhevenheid en de moreele schoonheid van het karakter van Jeanne hebben de harten veroverd van alle menschen, en de Engelschen herinneren zich met schaamte de misdaad waarvan zij het slachtoffer werd....
Was er ooit een natuur zoo oprecht, zoo teeder, zoo rein, zoo innig vroom?.....
Tegenover de gevangenen is zij zacht en mededoogend. Zelfs voor de Engelschen is haar ziel vol medelijden. Zij noodigt ze uit om zich met haar te vereenigen voor een grooten kruistocht tegen den vijand van de Christenheid.
..... hare laatste woorden zijn woorden van vergeving voor hare beulen.
In Jeanne d'Arc vereert de Roomsche Kerk een _type_, waaraan niet alleen een natie, maar de geheele wereld hulde zal brengen, het type van de goede, teedere, reine Christin, in een zinnelijken en meedoogenloozen tijd.«
* * * * *
En ten slotte voor hen die nu nog mochten twijfelen, nog dit: »Een Engelsch Gebaar« uit de oorlogsdagen van heden, opgeteekend door Joseph Fabre:
»Ziehier een gebaar van onze Engelsche vrienden, dat van een zeldzame kieschheid is, en wel waard dat men er even over nadenkt. De officieren van de legers van koning George, verpleegd in het Engelsche hospitaal te Versailles, wenschten hulde te brengen aan de Fransche soldaten, die met hen strijden op de zelfde slagvelden. Op het lint van een fraaie garve witte rozen en anjers lieten zij deze woorden plaatsen: »De Officieren van het algemeene hospitaal van het Britsche leger te Versailles, als aandenken en betuiging van bewondering aan hunne Fransche kameraden«. Vervolgens gingen zij, eenvoudig weg, deze garve nederleggen aan den voet van het standbeeld van Jeanne d'Arc in de Kerk van den Heiligen Lodewijk in Versailles.«
»Is dat niet schoon?«
Ja zeker is het schoon. Voorwaar een veelzeggend, symbolisch gebaar van groote suggestieve kracht, dat slechts zijn verklaring kan vinden in hetzelfde gevoel van oprechte bewondering, dat den Engelschen bevelhebber bezielde, toen hij order gaf, dat bij de jongste viering van het Jeanne d'Arc feest, de eerewachten bij hare standbeelden moesten worden betrokken door Britsche soldaten.
* * * * *
Onze conclusie kan kort zijn. Wanneer de Fransche Regeering thans besluit tot de instelling van een tweeden nationalen feestdag, het feest van het patriotisme en gewijd aan Jeanne d'Arc, zal zij voorzeker handelen in den geest van de overgroote meerderheid van het Fransche volk. Ook behoeft zij niet bevreesd te zijn voor eenige oppositie van den kant van den machtigen Britschen bondgenoot, want ook aan gene zijde van het Kanaal zal het besluit gewaardeerd en met vreugde begroet worden.
Waartoe dan langer getalmd? Met Maurice Barrès verlangen wij »que justice soit enfin rendue, après quatre siècles d'ingratitude, à la sainte de la patrie«.
[Illustratie: SCHETSKAARTJE VAN FRANKRIJK]
DE MEULENHOFF-EDITIE
WIL EEN GOED BOEK IN EEN GOED KLEED GEVEN VOOR WEINIG GELD.
De boeken zijn alle in degelijke, keurige cartonnage met geïllustreerd omslag verkrijgbaar. Tegen zeer geringe prijsverhooging zijn de werken der ~MEULENHOFF-EDITIE~ ook verkrijgbaar in smaakvollen prachtband met goudsnede.
Voor een zeer billijken prijs ontvangt men een goed boek, #goed# van inhoud en #goed# van uiterlijk. In de Meulenhoff-Editie worden boeken gegeven op elk gebied. Onze boeken zijn niet ernstig en geleerd; het zijn boeken voor _ieder_, zij vormen een bibliotheek voor #huiskamer# en #salon#.
Wij laten hier de titels volgen die reeds verschenen zijn.
No. 1. DE POLITIE-SPION.
Roman uit den tijd van de Revolutie in Rusland, door Maxim Gorki f 0.75 (Uitverkocht).
No. 2. SARAH BERNHARDT.
Gedenkschriften door haar zelf geschreven.--Jeugd.--Eerste Tooneeljaren. 2e druk. (6e-10e duizendtal) f 0.75
#Een zeer ter lezing aanbevolen prettig geschreven boek, deze gedenkschriften zijn als de schrijfster zelf, opgewekt, dartel, geestig, vol leven en beweging.# #J. H. Rössing, in het N. v. d. Dag.#
No. 3. HET HUWELIJK VAN EEFKE BRIËST.
Roman door Th. Fontane. 2e dr. f 0.75
#Effi Briëst is psychologisch stellig zijn beste roman. Het is het verhaal van een huwelijk tusschen een ouderen volkomen gerijpten man en een »blutjunge« vrouw.# #Elsevier's Maandschrift.#
No. 4. NAPOLEON. Opkomst en Grootheid. Met vele illustratiën, door H. P. Geerke. 2e druk. (6e-10e duizendtal) f 0.75
#Een degelijk, boeiend boek over Napoleon, keurig uitgegeven en rijk geïllustreerd.# #Utr. Dagblad.#
No. 5. WALLY.
De Roman van een Kelnerin, door Edw. Stillgebauer. 2e druk f 0.75
#De auteur van »Götz Krafft« geeft hier een eenvoudig en treffend verhaal, onopgesmukt en daardoor overtuigend. Het banale geval is niet banaal of eenzijdig behandeld. Een mooi boek.# #De Avondpost.#
No. 6. DE FRAAIE COMEDIE.
Een Haagsch Verhaal, door Henri van Booven f 0.75
#In dit boek vindt men een prachtige zelf-analyse en een leuke bespotting van burgerlijk Den Haag.# #G. van Hulzen.#
No. 7. SARAH BERNHARDT.
Gedenkschriften door haar zelf geschreven.--Na den Oorlog.--Sarah Bernhardt als »Ster« f 0.75
#Heel interessant is dit boek. Men kan dankbaar zijn voor deze uitgaaf. Een boek dat er in zal gaan.# #Het Vaderland.#
No. 8. LIEFDE, door Björnstjerne Björnson. Uit het Noorsch door Cl. Bienfait. f 0.85
#Met vreugde hebben wij dit meesterwerk van den eeuwig-jeugdigen Noor gelezen, met een blij oog voor het vele zonnige, het fijn typeerende, echt dichterlijke en zacht harmonische in dit verhaal van prachtig en sterk uit Noorschen bodem verrezen menschen.# #De Hofstad.#
No. 9. DE VAL VAN NAPOLEON,
door A. Kielland en H. P. Geerke. Geïllustreerd f 0.75
#Een boeiende beschrijving, met vele illustraties, die zeker met genoegen gelezen zal worden.# #Algemeen Handelsblad.#
No. 10. ALS HET IJZER GESMEED WORDT.
Roman door Clara Viebig f 0.85
#Deze roman is als een monumentaal gebouw, dat door zijn grootsche eenheid imponeert en liefde opwekt tot het waarachtig schoone. Het is wel een zeer bijzonder talent, dat zulk een kunstwerk heeft gewrocht. Een bijzonder mooi boek.# #N. Arnhemsche Courant.#
No. 11. RICHARD WAGNER.
Zijn leven en werken, door J. Hartog. Rijk geïllustreerd f 0.95
#Een keurig uitgevoerd prachtwerk, met rijken inhoud, dat zich prettig laat lezen, en velen--ook om den zeer lagen prijs--hoogst welkom zal zijn. De schrijver geeft hier een zuiver onpartijdig oordeel. Een welverdiend succes zal het boek wachten.# #C. v. d. Linden (in de Muziekbode).#
No. 12. KIPPEVEER of Het geschaakte Meisje. Roman door Cosinus, 419 bladzijden. Deel I. 5e druk (25e-30e duizendt.) f 0.85
No. 13. KIPPEVEER of Het geschaakte Meisje. Roman door Cosinus, 381 bladzijden. Deel II. 5e druk (25e-30e duizendt.) f 0.85
#Deze beroemd geworden, ~ALLERVERMAKELIJKSTE~ roman zal ongetwijfeld in den nieuwen vorm weder vele lezers vinden. Aardige illustraties van Raemaekers.# #Nieuws v. d. Dag.#
No. 14. GALERIJ van beroemde Fransche Tooneelspelers. Hun intiem leven anecdotisch beschreven, door J. H. van der Hoeven, met vele illustraties f 0.75
#Een kostelijke bundel, luchtig geschreven kantteekeningen van meer of minder piquante gedenkschriften. Het is een keurige uitgaaf, ook naar het uiterlijk.# #F. Lapidoth in de Nieuwe Crt.#
No. 15. MONNA VANNA,
door M. Maeterlinck, vertaling van Frans Mijnssen, met 1 portret. 4e druk. f 0.65
#De meesterlijke vertaling van Frans Mijnssen in het nieuwe aantrekkelijke gewaad, der bekende Meulenhoff-Editie.# #Avondpost.#
No. 16. HET HEKSENLIED,
door Von Wildenbruch, op maat overgezet voor de muziek van Max Schillings door Fr. Pauwels f 0.45
#Een handige uitgaaf van het beroemde »Heksenlied« in goede bewerking, en in maat overgezet voor de muziek van Max Schillings.# #Utrechtsch Dagblad.#
No. 17. EEN VROUWENBIECHT.
Oorspronkelijke roman door G. van Hulzen f 0.75
#Het goede in dit boek is de voortreffelijke psychische uitbeelding, en vooral, dat de overgave van deze vrouw zelfsprekend is geworden.# #De Groene Amsterdammer.#
No. 18. MARIE ANTOINETTE.
Jeugd.--Eerste jaren der Revolutie, door Cl. Tschudi. Naar de oorspronkelijke Noorsche uitgaaf door J. Clant v. d. Mijll-Piepers. Met vele illustraties f 0.85
#Een aanbevelenswaardig boek; levendig is hier de geschiedenis van de ongelukkige koningin beschreven, men leest het boek als een diep tragische roman.# #Opr. Haarl. Courant.#
No. 19. DRAMATISCHE WERKEN, door Björnstjerne Björnson. Naar de oorspr. Noorsche uitgaaf vertaald door Marg. Meijboom. Drie spelen van recht: De jonggehuwden; Een handschoen; Leonarda. f 0.85
#De bekende, in korten tijd populair geworden Meulenhoff-Editie, brengt een verdienstelijke uitgaaf van Björnson's dramatische werken, waarin de gelijkheid van man en vrouw behandeld wordt wat betreft het peil van zedelijkheid, recht en maatschappelijk optreden.# #Alg. Bibl.#
No. 20. MARIE ANTOINETTE EN DE REVOLUTIE, door Cl. Tschudi. Naar de oorspronkelijke Noorsche uitgaaf door J. Clant van der Mijll-Piepers. Met vele illustraties. 469 bladz. f 0.95
#Dit boek toont ons het leven van de arme Koningin op haar lijdenspad naar het treurig einde.#
#De schokkende gebeurtenissen der Fransche Revolutie met al haar verschrikkingen ziet men hier levendig, en getrouw aan de historische feiten, wedergegeven. Het geheel is in onderhoudenden, boeienden trant verteld.#
No. 21. HALFBLOED. Een huwelijk in de tropen.
Roman door A. Perrin. Vertaald door D. Jacobson f 0.85
#Een goed doorgewerkte roman; de strijd tusschen liefde en bijgeloof van de Indische vrouw is goed weergegeven.#
No. 22. NA HET DERDE KIND.
Roman door H. von Mühlau, vertaald door Anna van Gogh-Kaulbach. f 0.75
#Was het derde kind gewenscht?#
#Mag men deze vraag zelfs opwerpen?#
#Ziedaar een stukje sociale quaestie waarover deze roman handelt, en die in den tegenwoordigen tijd aller belangstelling zal wekken.#
No. 23. VERLOVING EN HUWELIJK IN VROEGER DAGEN, door Prof. Dr. L. Knappert.
Rijk geïllustreerd f 0.95
#Een historisch overzicht met vele bijzonderheden over »hoe men elkaar vroeger vond en kreeg.« Interessant geïllustreerd.#
No. 24. DE OORLOG. Geïllustreerde Geschiedenis van den Wereldoorlog, door H. P. Geerke en G. A. Brands.
Deel I. Rijk geïllustreerd f 0.95
#Een interessant boek, dat met zijn vele illustraties en documenten een blijvende herinnering aan dezen oorlog vormt. Een en ander geeft aan het boek een eigenaardig cachet. De heer Meulenhoff heeft voor een fraaie uitvoering gezorgd. 't Is eigenlijk onnoodig dit te zeggen. Men kent zijn »Editie's«.# #Prov. Overijss. en Zw. Crt.#