Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans
Part 13
Wat ons in de platen van Guillonnet dadelijk treft en zoo bijzonder aantrekt, is, dat ze ons Jeanne zoo gewoon menschelijk weergeven, en niet steeds als een soort gehallucineerde, met oogen voortdurend naar den hemel gericht, en die slechts dingen zien, die voor ons onzichtbaar zijn. Zelfs Lenepveu laat haar b.v. Orléans binnen rijden, met eene uitdrukking op het gelaat, of zij met hare gedachten geheel in hooger sfeeren is. Met die opvatting kunnen wij ons vereenigen bij de kroning van Reims en verder o.a. op den brandstapel, maar toen zij Vaucouleurs verliet, toen zij haar eersten triumftocht hield binnen Orléans, en bij nog zoovele andere gelegenheden, die men in beeld gebracht heeft, stellen wij ons voor, dat zij de omstanders met een opgewekt en van dankbaarheid stralend gezicht in de oogen heeft gezien, en ze bekoord heeft door haar eenvoud en haar ongekunstelden glimlach. De deemoed en berusting waarmede Jeanne geknield heeft gelegen voor het altaar in de basiliek van St. Denis, toen zij daar haar harnas neerlegde, haar houding en uiterlijk op dat onvergetelijke oogenblik, hoe dankbaar en decoratief zij voor een kunstenaar ook mogen geweest zijn, zijn daarom voor ons van minder belang, omdat zij op zich zelf beschouwd en als zoodanig geene gevolgen hebben gehad. Maar haar verschijning en de uitdrukking van haar gelaat op het oogenblik dat zij als met een tooverwoord hare troepen plotseling bezielde, of hare rechters te Rouaan verblufte door haar gevatheid en logica, interesseeren ons tot in de kleinste bijzonderheden, omdat een juiste voorstelling daarvan onontbeerlijk is, voor een verklaring en een zuiver begrip van het door Jeanne behaalde succes. En dan, wij herhalen het, dan is het ons niet mogelijk haar beeld voor den geest te roepen als een gehallucineerde, als iemand levende in een soort extase, zooals zoovelen haar in die oogenblikken hebben afgebeeld; er moet behalve haar jeugd en gratie, kracht en fierheid van haar zijn uitgestraald; zij moet vertrouwen gewekt en geïmponeerd hebben.
Een ander bezwaar dat wij hebben tegen zeer vele afbeeldingen van Jeanne, is dat zij haar weergeven met een soort rokje aan. Mogelijk hebben de kunstenaars dit gedaan om aan het geharnaste figuurtje iets vrouwelijks te geven. Maar zij schijnen dan niet geweten of althans vergeten te hebben, dat één van de grieven van de rechters in Rouaan is geweest dat Jeanne een manscostuum droeg, en dat zij zelf daarvoor als zeer aanneembare redenen opgaf, dat dit costuum haar gemakkelijker was bij het paardrijden, en dat het haar welvoegelijker voorkwam in het gezelschap van uitsluitend mannen ook als man gekleed te gaan. Met haar rokje aan zooals wij haar o.a. vereeuwigd vinden in het Panthéon te Parijs in een standbeeld van polychroom marmer door Allouard, had zij zeker geen paard kunnen rijden en zou zij ook het andere doel dat zij beoogde, vermoedelijk niet bereikt hebben.
Eigenaardig is, dat uit de chaos van duizende afbeeldingen, die van Jeanne gemaakt zijn, tot op heden nog geen duidelijk type naar voren is getreden. De meest natuurgetrouwe afbeeldingen zullen vermoedelijk zijn de bovengenoemde ruiterstandbeelden in het volle harnas. Maar ook al dragen deze figuren een open vizier, toch zijn zij, juist door de harnasbekleeding, nog te anoniem, en ongeschikt tot het scheppen van een type. De voorstelling op de banier, dus een van buiten toegevoegd attribuut, is ook in deze gevallen, soms nog het eenige teeken, waardoor het ons duidelijk wordt, dat wij met een Jeanne d'Arc en niet met een ander willekeurig jong strijder uit haar tijd te doen hebben.
Wij wachten nog met ongeduld op den kunstenaar, wien het zal mogen gelukken ons niet voor de zooveelste maal _een_ Jeanne d'Arc uit te beelden, maar eens en voor altijd _de_ Jeanne d'Arc te geven, het type, zooals zoovele historische figuren, waarvan geen portretten naar het leven bestaan, toch door de tijden heen een vast en gemakkelijk herkenbaar type hebben gekregen, dat de groote massa, maar ook de genen, die door studie meer met de figuur bekend zijn geraakt, in hoofdzaak en over het algemeen bevredigt. L'image à faire serait l'image qui crée le type.
De taak, die wij voor dezen artiest hebben uitgezocht is niet gemakkelijk, maar ze is dankbaar, hij zal daardoor zijn naam voor eeuwig verbinden aan den naam van de schoone figuur die hem inspireerde.
Zijn loon zal zijn de onsterfelijkheid.
HOOFDSTUK VIII.
De Zaligverklaring.
Wanneer ik het een zestal jaren geleden had ondernomen een geschiedenis van Jeanne d'Arc te schrijven, had ik destijds het zuiver geschiedkundig gedeelte kunnen afsluiten na het proces van rehabilitatie. Thans staan wij er echter geheel anders voor, nu na de Rehabilitatie van 1456 de Beatificatie gevolgd is in 1909. Sedert de nagedachtenis van Jeanne door het tweede proces in eer en aanzien is hersteld, bestaat in Orléans de gewoonte, het ontzet van de stad in 1429 op den 8en Mei feestelijk en plechtig te herdenken o.a. door het uitspreken van een lofrede op Jeanne van den kansel in de groote kathedraal. Meer dan eens komt het voor, dat voor die gelegenheid bekende redenaars door den Bisschop van Orléans worden uitgenoodigd. Zoo zien wij op den 8en Mei 1860 een nog jong geestelijke, genaamd Freppel, den kansel bestijgen. Zijn naam als schitterend redenaar was in die dagen reeds gevestigd. Hij is het, die aan het slot van zijn eerste panégyrique een geheel nieuw element inlascht, al is het ook nog slechts aarzelend en in den vorm van een enkele onderstelling. »Misschien«, zoo waagt hij te zeggen, »zal het God eenmaal behagen Zijn lieflijke dienares te verheerlijken met de aardsche kroon, die de Kerk bewaart (réserve) voor den heldenmoed van de deugd.«
Als hem in 1867 andermaal de eer te beurt valt op uitnoodiging van Mgr. Dupanloup, den Bisschop, op den 8en Mei de gemeente van Orléans te mogen toespreken, durft hij reeds een groote stap verder gaan. De vraag omtrent een mogelijke zaligverklaring wordt nu voor de eerste maal duidelijk gesteld, onderzocht en besproken.
Aan de hand van de daarvoor geijkte formule, die hij ontleent aan het werk van Paus Benedictus XIV, over de »Canonisatie der Heiligen«, stelt hij nu onomwonden de volgende vragen:
»Kan men verdedigen dat Jeanne d'Arc de christelijke deugden betracht heeft tot in het heldhaftige« (à un degré héroïque) »en dat God de heiligheid van Zijne dienares heeft bevestigd door geloofwaardige« (authentique) »en onbetwistbare wonderen?«
Van een redenaar, die geroepen is om den volke den lof te verkondigen van een persoon, die in reuke van Heiligheid staat, en die daarbij de boven aangehaalde vragen aldus stelt, en tevens een oogenblik later uitroept: »O, wat mij betreft, ik kan het niet ontkennen, er zijn weinig menschelijke levens, die ik zoo waarachtig stichtelijk vind«, is het dunkt mij niet te gewaagd te veronderstellen, dat hij voor zich althans geneigd zou zijn, de gestelde vragen met een volmondige bevestiging te beantwoorden. Als die zelfde redenaar in volle geestdrift over Jeanne verklaart: »Haar openbare leven is één doorloopend wonder«, verraden dan die woorden niet reeds den geest, waarin hij de tweede door hem opgeworpen vraag beantwoorden zou? Maar Freppel, hoewel toekomstig Bisschop, was op het oogenblik, dat hij zoo sprak, nog slechts een jong geestelijke, en het past hem dus voorzichtig en bescheiden te zijn.
»Ik heb niet de bevoegdheid«, laat hij er dan ook wijselijk op volgen, »om in deze kwestie te beslissen, zelfs niet om haar voor de bevoegde machten in de Kerk te brengen. Het is aan de Bisschoppen om na te gaan of de zaak daar rijp voor is; het is aan den Stedehouder van Jezus Christus om te beoordeelen of Gods uur geslagen heeft.«
Dit staat in elk geval vast, dat door de woorden van Mgr. Freppel de kwestie van een mogelijke Zaligverklaring van Jeanne d'Arc voor het eerst en tevens definitief op het tapijt is gebracht. De bewonderaars van Jeanne laten de zaak niet meer los, de Bisschoppen rusten niet, alvorens zij het noodige materiaal bijeen vergaard hebben, en zij de zaak rijp achten om haar voor den Stoel van den Stedehouder van Christus te brengen.
Den 13en December 1908 verschijnt een decreet van Paus Pius X tot erkenning van drie wonderen, verkregen door de tusschenkomst van de Eerbiedwaardige Jeanne d'Arc, maagd van Orléans. Het verhaal van de in dit decreet bedoelde drie wonderen, komt voor in een herderlijken brief van Mgr. Touchet, Bisschop van Orléans.
Het eerste van de drie bevat de geschiedenis van Zuster Thérèse van St. Augustinus, Benedictijner-non van het Calvarie van Orléans. Zij is sinds drie jaren lijdende aan hevige maagpijnen, die gepaard gaan met steeds heviger, veelvuldiger bloedspuwingen. Voedsel kan zij niet meer tot zich nemen: de dokter acht haar einde nabij. Dan stelt den 30en Juli 1900 de moeder-overste haar voor aan Jeanne d'Arc haar genezing te vragen. Het geheele klooster zal zich met haar in het gebed vereenigen.
Gedurende de novene, die den 31en Juli geopend wordt, neemt de kwaal nog aanmerkelijk in hevigheid toe. Men houdt het Heilige oliesel voortdurend in de infirmerie bij de hand, want elk oogenblik vreest men, dat zuster Thérèse bezwijken zal.
In den avond van den 7en Augustus vraagt de zieke, midden in een heftigen aanval, om hare kleeren. Zij zal morgen kunnen opstaan, want dan zal zij genezen zijn. De ziekenverzorgsters kijken elkaar aan: »Laten wij haar hare kleeren maar beneden halen«, zeggen zij tot elkaar, »zij zullen haar als doodskleed kunnen dienen«.
Daarop slaapt zuster Thérèse in tot twee uur na middernacht. Zij wil opstaan, maar men gebiedt haar te blijven rusten tot half zes. Zij gehoorzaamt.
Den 8en Augustus om 5½ uur kleedt zij zich alleen aan en gaat zij alleen naar beneden naar de kapel, bidt daar een Onze Vader, een Ave en spreekt er, met de armen in kruisvorm uitgestrekt, verschillende invocaties uit. Dan ontvangt zij de communie, en vervolgens gebruikt zij met de andere zusters een maal, bestaande uit aardappelen in de asch gesmoord, zonder dat het haar iets hindert.
Haar volkomen en plotselinge genezing heeft zich sedert dien geen oogenblik verloochend.
De geschiedenis van Zuster Julie Gauthier in het tweede wonderverhaal ademt een geest van zoo'n verrukkelijke naïviteit, zij is zoo'n prachtig voorbeeld van vrouwelijke logica door hare toepassing van de waarheid, dat 9 × 1 = 1 × 9, dat wij hier in extenso de vertaling laten volgen van het verslag daarvan in den herderlijken brief van Mgr. Touchet gegeven.
Tweede Wonder.
Te Faverolles, diocees Evreux, leed Zuster Julie Gauthier aan een kankerachtige zweer aan de linker borst. Na een smartelijk lijden van vijftien jaren, heeft zij alle hoop op genezing verloren: als dan op een dag de pijnen haar met dubbele hevigheid folteren, en zij het plan heeft opgevat haren superieuren te verzoeken haar van haren post als onderwijzeres te ontheffen, gebeurt het haar dat zij haren leerlingen vertelt over Jeanne d'Arc. Het idée komt plotseling bij haar op om genezing te bidden door de Heilige Bevrijdster. Maar, daar zij haast heeft, vindt zij eene novene uit van een nieuwe soort. Zij zal naar de kerk gaan met acht van hare kleine meisjes leerlingen, zij zullen dus negen in getal zijn, en met haar negenen zullen zij dus eene novene van gebeden kunnen maken in één enkele séance. Dit oprechte geloof, deze kort aangebonden, maar naïve piëteit, deze bijstand van kinderen, konden de Zalige moeilijk mishagen, verondersteld ten minste, dat wij daarboven eenige van onze neigingen van hier beneden behouden.
Julie Gauthier werd verhoord. Zij, die zich met moeite naar de kerk had kunnen slepen, keert er flink en moedig uit terug. De wond is gesloten en voor altijd genezen.
* * * * *
In het derde wonderverhaal is het Zuster Marie Saguier, van de Congregatie van de Heilige Familie, te Fruges, diocees Atrecht, die sinds maanden lijdende is aan eene tuberculeuse periostitis (beenvliesontsteking). De kanunnik Debout, schrijver van een levensgeschiedenis van Jeanne d'Arc, raadt haar een novene tot Jeanne aan. Zuster Marie, die zich reeds verzoend heeft met de gedachte spoedig te zullen sterven, is hiertoe slechts met moeite te bewegen (ten minste »als ik hieromtrent goed ben ingelicht« voegt Mgr. Touchet er aan toe). Zij wijst op hare verbonden ledematen, zeggende: »Hoe wilt ge dat Jeanne d'Arc dat genezen zal?« Ten slotte evenwel laat zij zich overhalen, en reeds den morgen van den vijfden dag komt zij volkomen en voor goed genezen naar beneden, om deel te nemen aan het gemeenschappelijk gebed.
* * * * *
Het decreet van de Zaligverklaring van Jeanne d'Arc is gedateerd van den 11en April 1909. Het vangt aan met in enkele regels te schetsen wie Jeanne geweest is en wat zij voor Frankrijk gedaan heeft. Verder bevat het natuurlijk een kort verslag van het onderzoek, dat aan het besluit is voorafgegaan en de gronden waarop het eindelijk met algemeene stemmen is genomen.
Wij achten het niet noodig het gewichtige stuk of een vertaling er van hier over te drukken, ook zullen wij ons niet wagen aan een critiek op een decreet van Paus Pius X, geteekend door den Staatssecretaris Kardinaal Merry del Val en handelende over een zaak, waarin Kardinaal Ferrata rapporteur was; wij willen er ons slechts toe bepalen enkele punten aan te stippen, die ons bij de lezing van het document bijzonder hebben getroffen.
Zoo zien wij in de eerste plaats, dat het zoogenaamde »bois chesnu«, gelegen bij Domremy, in de officiëele stijl van het decreet wordt tot »een duister woud, eertijds het toevluchtsoord van Druïdisch bijgeloof« (prope lucum opacum Druidicae quondam superstitionis asylum).
Verder is het wel merkwaardig, maar er zijn in het decreet drie plaatsen aan te wijzen, die aantoonen, dat men ook thans te Rome nog aanneemt, dat Jeanne zich in hare jonge jaren thuis voornamelijk heeft bezig gehouden met het hoeden van de kudden (schapen) van haar vader. Ook de armoede van het gezin, waartoe Jeanne behoorde, en waarvan de tekst tot tweemaal toe gewaagt, achten wij voor burgers van dien tijd zeer betrekkelijk.
»Tantique belli strepitus vix ejus aures contigerat« zegt de tekst, en wanneer met het rumoer van den grooten oorlog, dat de ooren van Jeanne te Domremy ter nauwernood zou bereikt hebben, letterlijk bedoeld wordt het gebulder van de belegeringskanonnen en het geweld van groote veldslagen, dan kunnen wij deze opvatting deelen. Maar wij zetten in ons eerste hoofdstuk reeds uit één, hoe Jeanne door de bijzondere ligging van haar ouderlijk huis veel over de verschrikkingen van den oorlog hoorde spreken, dat zij wel degelijk wist, dat »grande pitié était au royaume de France«, dat het ook in de streek van Domremy volstrekt niet veilig was, en dat men ook daar, evenals in het geheele deel van Frankrijk, dat ten Noorden van de Loire gelegen is, zoowel direct als indirect de gevolgen van den oorlog ondervond, al hebben wij daarbij nog niet eens het oog op de ernstige gebeurtenissen van de tweede helft van Juli en van begin Augustus 1428, en die dus vielen tusschen het eerste en het tweede bezoek van Jeanne aan Vaucouleurs.
Het spreekt wel van zelf, dat hetgeen wij gezegd hebben over het »genie« en de »veine« van Jeanne, slecht passen zou in een Pauselijk decreet van Zaligverklaring, en het kan dus geen verwondering baren, dat wij daarin lezen, dat »God het arme boerinnetje, dat zelfs niet lezen of schrijven kon, wijsheid, kennis, krijgskundige bekwaamheid gaf en tevens de wetenschap van verborgen en goddelijke zaken.«
De beschrijving, die het decreet geeft van den standaard, die Jeanne droeg: »een witte banier met gouden leliën bestikt«, klopt niet met de beschrijving daarvan door Jeanne in het proces gegeven, of is althans niet volledig. Wij weten immers, en de rechters die haar ondervroegen wisten het ook, dat de Schotsche schilder James Power naar het voorschrift van Jeanne op de voorzijde van haar standaard, die van wit linnen was, bezaaid met Fransche leliën, in het midden bovenaan haar devies: »Jhesu Maria« schilderde en daaronder God den Vader, gezeten op een regenboog en aan weerskanten geflankeerd door de figuur van een geknielden engel.
De uitéénzetting van de gronden, waarop tot de Beatificatie is besloten, is eigenlijk niet meer dan een beantwoording van de vragen, reeds door Mgr. Freppel gesteld aan de hand van de formule van Benedictus XIV.
»Virtutes heroicum attigisse fastigium«. Uitgemaakt wordt dus dat inderdaad de deugden van Jeanne »het toppunt van heldenmoed bereikt hebben« en verder wordt verwezen naar het door ons reeds genoemde decreet van 13 December 1908, waarbij verklaard werd »dat er zekerheid bestaat omtrent drie wonderen«, (de tribus miraculis constare suprema auctoritate apostolica declaravimus.)
Had men werkelijk na de verklaring uit den aanvang van het decreet, dat heel het leven van Jeanne een wonder is geweest (tota vita prodigium visa est), die drie »posthume« en door Mgr. Touchet gerapporteerde wonderen nog noodig, om te voldoen aan de letter van de voorschriften uit het werk van Benedictus XIV?
Na een vrij uitvoerige toespeling op de moeilijkheden in Frankrijk, ontstaan ten gevolge van de wet op de scheiding van Kerk en Staat, volgt dan de eigenlijke Zaligverklaring met daarbij de bepalingen: 1e. dat hare beelden met een stralenkrans mogen worden versierd; 2e. dat voor haar eens in het jaar een Mis mag worden gevierd in de kerken van de Diocees Orléans; 3e. dat in diezelfde kerken de Zaligverklaring mag worden gevierd, door een driedaagsch feest, binnen een jaar nadat dezelfde plechtigheid in de patriarchale basiliek van het Vaticaan zal zijn gevierd.
* * * * *
Met het decreet van 11 April 1909 is dus de Zaligverklaring van Jeanne d'Arc een voldongen feit. Het blijft evenwel de vraag of de Katholieke Kerk hiermede officiëel haar laatste woord in deze zaak heeft gesproken, of de bewoners van Orléans, of alle Franschen hiermede hun schuld tegenover hunne bevrijdster als vereffend zullen beschouwen.
De Katholieke Kerk kent naast of beter gezegd boven de Zaligverklaring nog de Heiligverklaring. Als verschil tusschen deze beiden wordt mij van bevoegde zijde opgegeven, dat:
»de Heiligverklaring is eene _definitieve_ beslissing van de Kerk (resp. den Paus), waardoor verklaard wordt, dat een bepaald persoon Heilig is, d. w. z. in den hemel, en als zoodanig kan _en moet_ vereerd worden.
»De zaligverklaring is slechts _een schrede op den weg tot de heiligverklaring_, het is een voorloopige niet een definitieve beslissing, dat een persoon in den hemel is; om dit definitief te beslissen moeten nog meer wonderen geschieden en worden goedgekeurd. De vereering van zulk een persoon wordt bovendien niet voorgeschreven, doch alleen _toegestaan_ en gewoonlijk slechts voor een bepaalde streek.«
Zullen de trouwe bewonderaars van Jeanne het bij deze eerste _schrede_ laten, zullen zij rusten zoolang niet de geheele weg is afgelegd, die leiden moet tot de definitieve Heiligverklaring?
Haar nagedachtenis leeft in Frankrijk bij oud en jong, bij groot en klein, daar kunnen wij zeker van zijn. In de hoogst ernstige uren, in de moeilijke tijden, die Frankrijk nu (December 1914) doorleeft, komt telkens en telkens weer de herinnering boven aan haar, die eens toen »grande pitié était au royaume de France« den grooten stoot heeft gegeven, om haar land te bevrijden en van vijanden te zuiveren. De streek van het Noorden van Frankrijk, waar nu de bondgenooten een reuzenstrijd voeren op leven en dood, is dezelfde waar Jeanne eens door trok aan het hoofd van hare zegevierende troepen: in Compiègne werd zij gevangen genomen, naar Reims voerde zij haren »gentil Dauphin« voor zijn kroning in de thans zoo zwaar geteisterde kathedraal. Maar hoort wat een ooggetuige nu onlangs nog berichtte: »Op het kleine plein voor de kathedraal is het standbeeld van Jeanne d'Arc _als door een wonder_ gespaard gebleven, niettegenstaande de stad bijna dagelijks gebombardeerd wordt. De Fransche driekleur, die er aan bevestigd is, wappert fier in de lucht.«
Daar hebt ge reeds een van de nieuwe wonderen, al manifesteert het zich ook slechts aan het beeld van Haar, wier openbare leven, volgens Mgr. Freppel, één doorloopend wonder was. En wilt ge nog een ander bewijs, dat de vrienden van Jeanne naar nieuwe wonderen zoeken, dan vindt gij er een in de Libre Parole, die in September j.l. duidelijk liet doorschemeren »dat de Duitschers hun opmarsch naar Parijs hadden moeten staken, omdat den dag, dat ze tot Compiègne genaderd waren, het wachtwoord in het versterkte kamp van de hoofdstad »Jeanne d'Arc« was.«
Met groote ontroering en diepe verontwaardiging heeft heel de beschaafde wereld het bericht vernomen van de gedeeltelijke vernieling van de Kathedraal van Reims, en bij duizenden, ja misschien bij millioenen heeft het de herinnering weer wakker geroepen, aan de kroning van Karel VII, die Jeanne met zooveel moeite had doorgezet. Want zeker is het, dat de Kathedraal van Reims, die na de Notre Dame te Parijs misschien de meest bekende kerk van geheel Frankrijk is, het grootste deel van haar, als wij het zoo noemen mogen, »wereld-populariteit« te danken heeft aan de kroningsplechtigheid uit het jaar 1429 en aan de rol daarbij door Jeanne d'Arc vervuld.
»Jeanne d'Arc! ô fantôme adoré, vous voici! Haussant votre étendard le héraut sonne, et Charles est de pourpre vêtu qui, docile, vous suit...« roept Paul Fort uit in een gedicht in proza-vorm (d.d. 21 September 1914) getiteld »La Cathédrale de Reims«. Want de Kathedraal bezingen en Jeanne d'Arc niet noemen, het is bijna niet mogelijk.
* * * * *
De herinnering aan Jeanne leeft in de diocees Orléans, waar zij als een Heilige vereerd wordt, in Parijs, waar nog éénmaal in het jaar een onafzienbare schare van trouwe bewonderaars in optocht haar standbeeld voorbijtrekt en het bedekt met bloemen en kransen, in heel Frankrijk, ja, maar ook daar buiten, in Rome, waar het decreet van hare Zaligverklaring werd uitgevaardigd, en waar Pius X op den 19en April 1909 op eene audiëntie voor Fransche pelgrims in zijn toespraak ook een woord wijdde aan »die heldin, slachtoffer van de lage schijnheiligheid en van de wreedheid van een afvallige, die zich aan den vreemdeling verkocht had«, in Engeland, dat o.a. Mgr. Bourne afvaardigde naar de Jeanne d'Arc-feesten te Reims en zelfs in Amerika, waar een Mark Twain in een van zijne zeldzame ernstige oogenblikken heeft verklaard:
»Het karakter van Jeanne is eenig.... Het neemt nog de meest verhevene plaats in die een menschelijk wezen kan bereiken, verhevener dan die, waartoe eenig ander sterveling, wie ook, heeft kunnen geraken«.
* * * * *
Is het niet door en door begrijpelijk, dat de geloovigen in Frankrijk, in deze dagen van angst en spanning, hunne gebeden opzenden tot Haar, die reeds eenmaal hun vaderland bevrijd heeft?
Op den 13en September 1914, dus kort na de overwinning der Franschen aan de Marne, heeft Kardinaal Amette, in eigen persoon en in vol ornaat, de menigte toegesproken, die zich verdrong zoowel in de Notre Dame te Parijs, als op het groote plein voor de kathedraal. In zijne rede beloofde hij plechtig gevolg te zullen geven, aan zijn lang gekoesterd voornemen, om in Parijs een kerk op te richten, gewijd aan Jeanne d'Arc. Na de preek ging de processie rond met de relieken van Notre Dame, waaronder zich ook de banier van Jeanne bevindt. Vervolgens hield de Kardinaal nog een toespraak tot de geloovigen op het voorplein. De indrukwekkende plechtigheid eindigde met de invocaties, uitgeroepen door den aartspriester van Notre Dame, en waarvan de laatste gericht was tot de »Gelukzalige Jeanne d'Arc, bevrijdster van het vaderland«. En de duizenden, die daar neergeknield lagen, antwoordden daarop in koor: »Zegen ons, red ons!«
Utrecht, April-December 1914.
NASCHRIFT.