Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans
Part 12
Nu wij ons toch op het gebied der pathologie bewegen, willen wij volledigheidshalve vermelden, hoe d'Aulon geopperd heeft, dat Jeanne nooit de maandelijksche ongesteldheden gekend heeft der huwbare vrouw. Tegen dit vermoeden pleiten haar physieke kracht en buitengewoon uithoudingsvermogen, haar normaal ontwikkeld kuischheidsgevoel en de flink ontwikkelde lichaamsbouw, die Aimond de Macy en den kleermaker van de hertogin van Bedford, tot ongepaste vrijmoedigheid verleidt.
Wat m.i. vast staat is, dat Jeanne enkele verschijnselen van »eviratie« vertoont. Het liefst gaat zij om met hare krijgslieden en onder hen gevoelt zij zich ook het best thuis. Hoewel zij niet zelf doodt, bevindt zij zich het meest in haar element, in volle actie, in het heetst van het gevecht. Zij rijdt uren, ja soms dagen achtereen te paard, zij is een uitstekend en onvermoeibaar ruiter. En dan, en dat is misschien wel het voornaamste verschijnsel, haar groote voorliefde voor het mans-costuum. Zeer zeker had dit costuum ook groote voordeelen voor haar; zij zat er gemakkelijker mede te paard, zij gevoelde zich er veiliger in op hare tochten, die soms dagen duurden, in het gezelschap van uitsluitend mannen, maar opvallend is toch het gemak, waarmede zij het aanneemt en waarmede zij zich van het begin af aan er in beweegt. Ondanks deze eviratie-verschijnselen evenwel moeten wij ons wel wachten, ons Jeanne voor te stellen als een soort man-wijf. Het is en blijft een door en door vrouwelijke verschijning, en de bekoring die van haar uitgaat, is die van een negentienjarig meisje.
Maar wat bereiken wij voor de verklaring van de groote hoofdzaak, van de persoon van Jeanne, zooals die voor ons leeft, met al deze min of meer pathologische verschijnselen? Pailleron heeft het zoo fijntjes gezegd:
»Men heeft Jeanne d'Arc verbrand en men heeft haar verklaard«.
»De Engelschen hebben er een martelares van gemaakt en de geleerden een hysterica«.
»Ik houd mij bij de Engelschen«.
Wat heeft de zeer positieve oppositie van Jeanne tegen de politiek van de hofkliek van Karel VII, tegen de politiek der wapenstilstanden, wat heeft het scherpe doorzicht, dat haar doet aandringen op den tocht naar Reims, dien zij met geweld moet doordrijven, wat heeft eindelijk de door haar bij meer dan één gelegenheid getoonde krijgsmanskunst te maken met mogelijke hysterie? Is het voor ons niet belangrijker dat generaal Davout haar een doorkneed strateeg noemt, dan dat Dr. Dumas vermoedt dat zij hysterica was?
Wanneer het waar is, wat sommigen beweren, dat Napoleon epilepticus was, verklaart dat dan zijn verhouding tot zijne soldaten, verklaart dat Marengo en Austerlitz?
Neen, wat Frankrijk in den beklagenswaardigen toestand, waarin het in de laatste jaren voor Jeanne's verschijnen verkeerde, voor haar redding noodig had, was een genie, een boven alles uitblinkenden geest, een waarlijk groot karakter. Het genie, dat zich zelf bewust is genie te zijn en zich als zoodanig boven andere aardsche grootheid verheven gevoelt, vinden wij in de analphabeet Jeanne d'Arc. Haar goddelijke roeping wordt dan voor ons het zelfbewustzijn dat zij Frankrijk kan en dus moet redden. Zij heeft zich dit als taak gesteld, omdat zij de kracht daartoe in zich voelt, en zal het dus volbrengen. Door haar voorbeeld leert zij haren tijdgenooten wat is plichtbesef en liefde voor het vaderland. Hiervoor is het noodig dat zij zelf een weg bewandelt, die dood loopt op den brandstapel. In Godsnaam, zij zal daardoor haar doel bereiken en zij zal Frankrijk redden.
Wanneer de innig vrome Jeanne zegt: »goddelijk roeping« en wij zeggen: »genie«, geven we dan niet elk een andere benaming aan hetzelfde begrip? Als »fille de Dieu« treedt zij vrijmoedig haren koning, met alle grooten van het hof, tegemoet en tracht ze te bewegen haar te volgen, zich zonder meer aan haar leiding toe te vertrouwen; met de zelfbewustheid van het genie zegt zij haren Rouaanschen rechters waar het op staat, stelt zij zich op een standpunt, van waar zij over hunne mijters en kardinaalshoeden heen kan zien, werpt zij Cauchon de simpele waarheid voor de voeten: »Bisschop, ik sterf door Uw schuld!«
Voor mij persoonlijk bestaan er geen Heiligen in den zin der Katholieke Kerk, en ik geloof dus niet aan hunne wonder-verschijningen, maar het staat voor mij vast, dat Jeanne hare Heiligen gezien en hare stemmen gehoord heeft, en dat zij volkomen te goeder trouw is geweest in hare mededeelingen hierover. In hoeverre hare visioenen wijzen op pathologische afwijkingen en waar een dergelijk »geval« dan verder moet worden ondergebracht, ik herhaal het, het laat mij tot op zekere hoogte koud. De hoofdzaak is voor mij, dat Jeanne in de oogenblikken, dat wij haar het meest bewonderen, bewijst, te beschikken over een helder doorzicht, een ruime mate van goede logica en een buitengewoon gezond verstand.
Het meest krijgen wij m. i. den indruk, dat Jeanne met hare begrippen haar tijd verre vooruit is, als wij hare antwoorden lezen op de strikvragen van hare rechters. Nemen wij als voorbeeld het verhoor, dat den 31en Maart, den dag voor Paschen, plaats heeft in den kerker. De rechters doen een hernieuwde poging om van Jeanne de verklaring te verkrijgen, dat zij zich onderwerpt aan de Strijdende Kerk.
»Gelooft gij niet«, wordt haar gevraagd, »dat gij onderworpen zijt aan Gods Kerk hier op aarde, dat wil zeggen aan onzen Heiligen Vader den Paus, aan de kardinalen, aartsbisschoppen, bisschoppen en andere prelaten van de Kerk?«
Waarop zij het buitengewoon treffende antwoord geeft:
»Oui, Notre Sire Dieu premier servi.«
Voor hare rechters klinkt deze verklaring als een gewone uiting van insubordinatie tegen de Kerkelijke discipline, als een ketterij, zonder meer. Maar wij hooren daarin iets anders en ten opzichte van een verklaring als deze staan wij weer op een ander standpunt als de Fransche biografen van Jeanne, die allen, ook al zijn er onder hen vrijdenkers, zooals Anatole France, leven in een Katholiek land en opgevoed zijn met Katholieke begrippen. Met dit beroemde »Dieu premier servi« doet Jeanne een stap van eenige eeuwen tot zelfs ver over de Kerkhervorming heen.
Ik zal niet beweren, dat Jeanne met dit gezegde heeft willen te kennen geven, dat zij zich geen getrouwe dochter gevoelde van de Alleen Zaligmakende Kerk, maar zij belijdt hier voor het eerst de groote waarheid, dat hetgeen, waar het voor alle geloovige en vrome menschen in de allereerste plaats op aan komt, is hun persoonlijke verhouding tot God, afgescheiden van wat daaromtrent de dogmata der Kerken en andere door menschen gestichte genootschappen ook leeren en voorschrijven.
Even te voren was haar gevraagd:
»En indien de Strijdende Kerk U beval het tegendeel te doen (van wat gij in het proces verklaard hebt op bevel van God gedaan te hebben)?«
Waarop Jeanne geantwoord had:
»In geval de Strijdende Kerk mij beval het tegendeel te doen, zou ik mij op geen mensch ter wereld verlaten, maar op God alleen, en ik zou steeds Zijne bevelen volgen.«
Daar hebben wij het al. Geen mensch ter wereld, geen priesters, geen concilie, geen Kerk kan wijziging brengen in hetgeen zij volgens haar geweten is overeengekomen met God. Zij voelt bij intuitie wat wij kinderen van de twintigste eeuw gerust hardop durven zeggen, dat onze verhouding tot God niet afhangt van en niets te maken heeft met de Kerk of de godsdienstige secte waartoe wij behooren, dat waarachtige vroomheid en Godsvrucht mogelijk is bij menschen, voor wie er geen Kerk bestaat en die niet thuis hooren in een van de vakjes, waarin men gewoon is de Christenen te verdeelen.
Met zulk een verlichting moest men Cauchon en zijnen mederechters nog niet aankomen, maar zelfs voor de ooren van Calvijn en Luther waren deze woorden nog niet geschikt, evenmin als voor allen voor wie in onze dagen begrippen als vroomheid en geloof nog niet te scheiden zijn van een Kerkgenootschap of Godsdienstige secte.
[Illustratie: Ruiterstandbeeld van Jeanne d' Arc te Reims.
Door P. Dubois.]
Hoe vreemd dit ook moge klinken over een persoontje, dat op negentienjarigen leeftijd levend wordt verbrand, toch blijft het waar: _Jeanne heeft in haar leven veel geluk gehad_. Maar ook dat heeft zij gemeen met de meeste groote figuren, die zich op hetzelfde gebied bewogen hebben. Het is haast een gemeenplaats geworden, om te spreken over de geluksster van sommige groote veldheeren, en zeer in het bijzonder over die van Napoleon, maar wij weten, dat hij zelf in zijn ster geloofde en nog iets verder ging in deze richting, wanneer hij er openlijk voor uitkwam, dat hij geen generaals kon gebruiken zonder »veine«. De beroemde uitroep van Jeanne, bij de bestorming van les Tourelles, blijkt te zijn een tooverwoord, dat in één oogenblik beslist over de geheele krijgsverrichting en eigenlijk een wending geeft aan den loop van den geheelen verderen oorlog. Komt de eer daarvan niet eerlijk toe aan haar, die het woord gesproken heeft, en is haar verdienste minder groot, dan die van Napoleon, als schrijver van de rollende en knetterende, maar zeer zeker ook bezielende zinnen, in zijne terecht beroemd geworden proclamaties?
Als bij de aankomst van Jeanne voor Orléans de Engelschen binnen hunne verschansingen blijven, en ter gelegener ure de wind draait, roepen de geloovigen binnen de stad: »een wonder!« en vallen dankbaar op hunne knieën. Wij constateeren »veine«, maar zonder eenige geringschatting, want het is de veine, die zelfs de grootste schaker noodig heeft, en hem in staat stelt, te profiteeren van een oogenblik van onbedachtzaamheid, van een minder goed gekozen zet van zijn tegenpartij.
In het heetst van het gevecht, en bij haar eigenaardige wijze van strijden steeds in het voorste gelid en op het gevaarlijkste punt, dient Jeanne het geluk, dat aan zoovele beroemde veldheeren is te beurt gevallen, als zij »onder een dichten kogelregen, die hunne troepen decimeerde«, zelf ongedeerd bleven. De keeren, dat zij getroffen of gewond wordt, is het niet doodelijk en zelfs zonder ernstige gevolgen.
De tijd en de omstandigheden maken, of wilt ge liever, »openbaren« het genie. Is dat dus ook niet reeds een kwestie van »veine«? Om haar land te behoeden voor een wissen ondergang, moet Jeanne opgroeien in een tijd, dat »grande pitié était au royaume de France«. Om hare hervormingen en verbeteringen in te voeren, moest zij wantoestanden en verwarring aantreffen, om in de harten en hoofden van hare tijdgenooten voor het eerst begrippen te prenten van plicht, discipline en vaderlandsliefde, moest zij leven in den avond der middeneeuwen, om te werken en zich geheel te geven, moest zij een vruchtbaar arbeidsveld vinden. Maar dat alles doet niets af aan de grootte van haar genie, want om een Luther te doen spreken moesten er misbruiken in de Katholieke Kerk zijn, voor ridders is er een verdrukte onschuld, zijn er draken en monsters noodig en voor een Herakles een Augiasstal.
* * * * *
Jeanne, de Maagd van Orléans, een voorbeeld van ingetogenheid en ongeveinsde kuischheid. Ook deze intiemere kant van haar leven en karakter is in het eerste proces te Rouaan tot in de kleinste bijzonderheden nageplozen en allerhande lasterpraatjes zijn gretig verzameld. Het opschrift aan de paal op den brandstapel vermeldde uitdrukkelijk dat Jeanne o.a. schuldig was bevonden aan »losbandigheid« maar deze verklaring van hare rechters heeft evenveel waarde als de overige conclusies uit hun vonnis en kon evengoed afkomstig zijn van de Engelsche soldaten, die Jeanne nooit anders genoemd en aangesproken hebben dan als »de heks of de hoer der Armagnacs«.
Jeanne was kuisch en is als maagd gestorven, maar zij was een kind van haar tijd en was afkomstig van het platte land, m. a. w. Jeanne _wist_ van hetgeen er destijds in de wereld te koop was, alles wat een boerenmeisje van haar leeftijd wel weten moest, omdat de natuur en het leven zelf het haar geleerd hadden en er haar vertrouwelijk mede hadden gemaakt.
Wij moeten dit goed voor oogen houden. Het bepaalt voor ons de waarde, die wij hechten kunnen aan de belofte, die Jeanne reeds op dertienjarigen leeftijd aan hare Heiligen doet »dat zij maagd zal blijven, zoolang het God behaagt« en het houdt bovendien voor ons een verklaring in voor den hardnekkigen en verwoeden strijd door Jeanne aangebonden en tot het einde toe gevoerd tegen de gewoonte, dat vrouwen van lichte zeden medetrokken in den tros van de legers.
Is het feit dat Jeanne ten minste eenig begrip had van wat er in de wereld op sexueel gebied te koop is, m. a. w. dat zij wist waarvoor zij zich te hoeden had, niet juist de oorzaak van haar behoud geweest? Zou zij argeloos en groen van den eersten dag af aan de rechte en juiste houding hebben kunnen aannemen tegenover al die krijgslieden, waarmede zij in aanraking kwam en in wier gezelschap zij soms dagen en nachten achtereen vertoeven moest? Zij beweegt zich met het grootste gemak, is niet overdreven preutsch, dat zou oogenblikkelijk tot botsingen geleid hebben en misschien tot erger, maar zij weet de grenzen en het is vermoedelijk ook weer voor een groot deel aan haar buitengewone takt te danken geweest, dat al die mannen, die ruwe krijgslieden van 1400-zooveel, waarmede zij omging, zich ook steeds in haar tegenwoordigheid op hun gemak hebben gevoeld en haar gerespecteerd hebben.
Bij het onderzoek te Vaucouleurs voor het eerste proces, heeft men een relaas opgedaan over een gesprek van Jeanne met Robert de Baudricourt. De bron er van is niet zeer vertrouwenwekkend en Jeanne heeft, toen zij er over ondervraagd werd, ook verklaard zich niets van dit onderhoud te herinneren.
Wij geven het dan ook slechts weer, omdat wij het ons zouden kunnen voorstellen als een voorbeeld van de wijze waarop Jeanne iemand te woord staat als den kapitein van Vaucouleurs, die ook in een gesprek met een jong meisje geen blad voor zijn mond neemt en er niet voor terugschrikt zich op gewaagd terrein te begeven.
Jeanne zou dan Robert verteld hebben, dat wanneer eenmaal de groote opdracht, haar door Messire gegeven, volbracht zou zijn, zij zou trouwen en drie zoons krijgen, waarvan de een paus, de tweede keizer en de derde koning zou worden.
De schalk Robert vatte hierop dadelijk vuur, zeggende:
»Als dat zulke voorname lui zullen zijn, zou ik je er wel één van willen maken. Mijn aanzien zou daardoor ook verhoogd worden.«
Maar Jeanne antwoordde kalm en vrijmoedig: »Nennil, nennil, gentil Robert, zoover zijn we nog niet. En te zijner tijd zal daar dan de Heilige Geest wel voor zorgen.«
A la guerre, comme à la guerre. In den namiddag van den vierden Mei zien wij hoe Jeanne die een vermoeienden morgen achter den rug heeft, zich zonder haar wapenrusting, dat wil dus zeggen, grootendeels ontkleed, ter ruste begeeft met het dochtertje van haar gastheer, in hetzelfde vertrek waar d'Aulon zich ook te slapen legt. Door hare stemmen gewekt en gewaarschuwd dat er gevochten wordt, vliegt zij spoedig daarna weer overeind en is het ook weer d'Aulon, die haar als kamenier of laten wij zeggen als schildknaap behulpzaam is bij het aantrekken van haar wapenrusting. En ten overvloede hooren wij denzelfden d'Aulon in het proces van rehabilitatie verklaren dat Jeanne mooi en welgevormd was, en dat hij meerdere malen, als hij haar hielp om zich te kleeden (te wapenen) of bij het behandelen van hare wonden, hare bloote beenen had gezien, zonder dat dit in hem eenig vleeschelijk verlangen had opgewekt. Maar Aimond de Macy en Jeannotin, de kleermaker van de hertogin van Bedford, weten zich minder goed te beheerschen. Hun beider poging om hun hand in de boezem van Jeanne te steken bekomt hun slecht. Wij zouden misschien tot hunne verontschuldiging kunnen aanvoeren, dat zij mogelijk geen bepaald slechte bedoelingen hadden, en dat hun vrijpostigheid meer thuis behoort op het gebied der ongeoorloofde aardigheidjes. Zij zagen trouwens Jeanne onder geheel andere omstandigheden dan hare krijgsmakkers, de heldin is ontwapend, de Heilige mist haar aureool.
Bepaald stuitend en grievend is alles wat op dat gebied hare vijanden haar aandoen. Wij hebben Jeanne zien schreien op de brug van Orléans toen de Engelschen haar laatste sommatie in ontvangst namen met den kreet: »Er is nieuws van de hoer van de Armagnacs!« en wij zijn er getuige van geweest hoe zij het arme schepseltje schier tot vertwijfeling brengen door haar in haar gevangenschap bloot te stellen aan de ruwe en schandelijke bejegening van hare bewakers. Een van de getuigen in het proces van rehabilitatie heeft zelfs verklaard dat Warwick tot tweemaal toe op de hartverscheurende kreten van het jonge meisje is toegesneld om haar te beschermen tegen de beestachtige belagingen van de Engelsche soldaten die de wacht hielden in haar kerker. Hoewel met zware ketens aan handen en voeten geboeid is Jeanne blijkbaar toch in staat geweest haar lijf te verdedigen, maar zij had ooren, die hoorden en oogen, die zagen.... en wij doen beter de onze te sluiten en deze gruwelen te laten in het afschuwelijk duister, waarin ze thuis hooren.
Maar telkens weer, als wij denken aan den smaad en de ellende, het arme schepseltje in de dagen van haar gevangenschap door haar vijanden aangedaan, hooren wij den wanhoopskreet waarmee zij ineenzinkt als zij vernomen heeft, dat zij den volgenden dag op den brandstapel moet sterven: »Mijn lichaam, dat ik tot het einde toe rein en ongerept heb weten te houden, zal dus verbrand, en tot asch verteerd moeten worden!« Hoe diep weemoedig ze ook zijn, toch bevatten deze woorden voor ons iets, dat klinkt als een troost, omdat deze kreet, die plotseling opwelde uit het diepst van haar gemoed de waarheid bevat en niets dan de waarheid: Jeanne is volkomen rein en als Maagd gestorven.
HOOFDSTUK VII.
Jeanne in Beeld: Uiterlijk en Costuum.
Het is weer door een verklaring van Jeanne zelf, dat wij weten, dat zij nimmer voor een schilder geposeerd heeft, noch op andere wijze ooit een beeltenis van zich zelf heeft laten maken. Wel is zij ook tijdens haar leven talrijke malen afgebeeld, maar zij heeft gezegd, dat zij slechts eenmaal een portret zag met eenige gelijkenis. Onder de andere afbeeldingen, tijdens haar leven vervaardigd, kunnen er geweest zijn van de hand van kunstenaars, die haar gezien en gekend hebben, maar tot op heden is er van Jeanne geen enkel portret gevonden, waardoor wij ons een voorstelling kunnen maken hoe zij er werkelijk heeft uitgezien. Tijdens het leven van Jeanne en vooral tijdens het proces hebben er beeltenissen van haar gehangen in de kerken van Frankrijk, maar die zijn verloren geraakt en bovendien waren zij vermoedelijk voor het grootste gedeelte gefantaseerd.
Wat ons hare tijdgenooten omtrent het uiterlijk van Jeanne hebben medegedeeld, komt hierop neer: zij was slank gebouwd, haar gansche verschijning was bijzonder innemend en vol jeugdige gratie. Zij had een knap gezicht met een paar heldere, mooie oogen, een sierlijke, dunne hals, een klein rood vlekje achter een van de ooren, een fraai gewelfde borst (»videbat ejus mammas, quae pulchrae erant.« Verklaring van den duc d'Alençon).
Verder weten wij nog een belangrijke bizonderheid: Jeanne had zwart haar. Er is n.l. een brief van haar bewaard gebleven aan Dunois, en deze brief is, volgens gebruik van dien tijd, verzegeld geweest met een afdruk van haar cachet in was en een zwart haar: een haar van de afzendster.
Dit zijn ongeveer de eenige gegevens waarover de tallooze beeldende kunstenaars hebben beschikt, die in de laatste vijf eeuwen, door Jeanne geïnspireerd, haar beeltenis hebben vervaardigd.
Merkwaardig is het wel te zien, hoe de meesten zich van deze schoone taak hebben gekweten, hoe betrekkelijk zeer weinigen er zijn onder die velen, wier opvatting ons kan bevredigen. De ouderen onder hen vallen wij niet hard om hun naïviteit, wanneer zij van Jeanne een goedig vrouwtje aan het spinnewiel, een soort oorlogsgodin, een veldheer van de zeventiende eeuw of een balletfiguurtje uit een Bergerie gemaakt hebben. Zij wisten niet beter en deden hetzelfde wat Rembrandt heeft gedaan als hij zijne Bijbelsche figuren stak in costumes van zijn eigen tijd. Maar van de artisten van den lateren en van onzen tijd verwondert het ons meer, als wij zien welke vrijheden zij zich veroorloven in het costuum en hoe weinigen er aan gedacht hebben, dat zij de beeltenis moesten scheppen van een jong meisje, in elk geval niet ouder dan negentien jaar.
Want wat het costuum betreft tasten wij niet in het duister. Het verstelde jurkje van roode wollen stof, waarin zij Domremy verlaat, is te reconstrueeren, het pagecostuum, haar door de bewoners van Vaucouleurs geschonken, was het costuum, dat alle pages droegen in dien tijd, en is dus bekend, het blanke harnas, waarin zij ten strijde trekt, en de huik, die zij bij sommige gelegenheden over haar wapenrusting droeg, zijn voor een ieder, die zich de moeite wil geven, b.v. het boek van Quicherat »Histoire du Costume en France« te raadplegen, tot in de kleinste bijzonderheden weer te geven zonder hinderlijke fouten en anachronismen.
Vreemd is b.v. dat Ingres, al had hij dan ook Quicherat nog niet tot zijn dispositie, in 1854 met een portret van Jeanne voor den dag komt in den vorm van een »plantureus uitgedijde« vrouw, met een paar heupen, waarop een Katwijksche visschersvrouw jaloersch zou worden en in een costuum waarop uit een historisch oogpunt ook nog wel het een en ander aan te merken valt.
Hoeveel momenten zijn er in het korte, doch veel bewogen leven van Jeanne niet, die een schilder of beeldhouwer konden inspireeren?
Jeanne, als kind, luisterende naar hare stemmen, en wij denken onder veel meer aan de schilderijen van Pierre Lagarde, Bastien Lepage, Cabanes, Benouville en Wagrez, het standbeeld van Lefeuvre en de beeldengroep van Allar te Domremy.
Jeanne in volle wapenrusting te voet of te paard; en wij noemen de ruiterstandbeelden te Parijs, Reims, Nancy, Orléans, Chinon en van Moreau en le Nordez, de beelden van Allouard, Beylard, le Veel en te Compiègne en Beaurevoir en de schilderijen van Scherrer.
Jeanne op den brandstapel; en wij vermelden het beeld van Cordonnier, een brons van Cugnot, een céramiek naar Blondat en de schilderij van Carrier-Belleuse.
Maar er is nog veel meer, te veel om op te sommen, als wij ons b.v. maar even herinneren,--en wij hadden die wel in de eerste plaats mogen noemen,--de bekende fresco's van Lenepveu in het Panthéon te Parijs, en de bijzonder schoone illustraties van Guillonnet voor het boek van Funck-Brentano.