Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans
Part 11
Broeder Martin neemt haar de biecht af. Jeanne is diep geroerd en schreit bitter, als zij daarna voor de laatste maal de heilige Hostie, het lichaam des Heeren ontvangt.
Wat moeten wij toch denken van deze tegenstrijdigheid? Diezelfde Kerk, die een oogenblik te voren de arme Jeanne als ketterin verstooten had en haar had overgeleverd aan den wereldlijken rechter, stemt er thans in toe, dat men haar het Avondmaal toedient en zelfs dat het Sacrament, zooals Ladvenu het uitdrukkelijk verzoekt, haar met alle mogelijke praal en heerlijkheid wordt gebracht, door een gansche stoet van geestelijken en met een menigte gewijde kaarsen. (»avec beaucoup de lumière«).
Van de pogingen die men daarna nog eenmaal gewaagd heeft om Jeanne tot nieuwe bekentenissen te brengen, is later een proces-verbaal opgemaakt, dat de griffier, die er bij tegenwoordig was, geweigerd heeft te teekenen.
* * * * *
Eindelijk om negen uur verlaat Jeanne voor goed den kerker en het oude kasteel, waar zij honderd acht en zeventig bange dagen en nachten heeft doorgebracht.
Zij is gekleed in een lange japon en op het hoofd draagt zij een kapje. Met een gewapend escorte van tachtig Engelsche soldaten, voert men het slachtoffer in een wagen naar het oude marktplein van Rouaan. Martin Ladvenu en Massieu vergezellen haar. Zij schreit en bidt, en eenmaal roept zij onderweg in wanhoop uit:
»Rouaan, Rouaan, zal ik hier dan sterven? Zult gij mijn laatste woonplaats zijn?«
* * * * *
Het marktplein is afgezet door Engelsche soldaten, waarachter zich een dichte menigte van nieuwsgierigen verdringt. Aan de eene zijde van het plein, op het kerkhof van de Saint Sauveur heeft men een groote tribune gebouwd, waarop de rechters hebben plaats genomen, daartegenover een kleine verhooging, waarop Jeanne zal worden tentoongesteld en toegesproken, en eindelijk in het midden op een gemetselde verhooging, een stapel takkebossen: de brandstapel. Aan een paal op den brandstapel leest men het volgende opschrift:
»Jeanne, die zich laat noemen la Pucelle, leugenaarster, volksmisleidster, Godslasteraarster, afvallige van het geloof van Jezus Christus, ketterin, enz. enz.« in het geheel zestien beschuldigingen, maar zestien valsche beschuldigingen, zestien leugens.
Ditmaal is het een van de zes afgevaardigden van de Parijsche Universiteit, een dokter in de theologie en wel Nicolas Midy, die de eer geniet de ongelukkige veroordeelde, in hare laatste oogenblikken, te mogen toespreken, en hij doet dit, evenals Beaupère, zijn voorganger, in heftige en beleedigende bewoordingen. Als tekst neemt hij een woord uit den eersten zendbrief van Paulus aan de Corinthiërs: (XII: 26). »En het zij dat één lid lijdt, zoo lijden alle de leden mede.«
Dit woord van Paulus, op waardige wijze toegepast, zou zeker eenen prediker met een hart, ook in deze omstandigheden, stof en gelegenheid genoeg geboden hebben om Jeanne een oogenblik voor haar dood nog enkele woorden toe te voegen, waaruit althans eenig menschelijk gevoel, ja misschien medelijden sprak. Maar niet aldus deed deze Parijsche godgeleerde. »Het lid dat lijdt« uit den brief van Paulus wordt in zijn mond, het lid dat rot, en dreigt zijn besmetting over te brengen op de andere leden, het lid dat uitgeworpen moet worden uit de eenheid van de Kerk, dat uitgerukt moet worden uit het lichaam, en overgeleverd moet worden aan de wereldlijke macht.
Aldus luidt ook het vonnis dat Cauchon, na het einde van de toespraak van Midy, voorleest. Het eindigt met de geijkte, schijnheilige formule, waarbij hij die zelfde wereldlijke macht verzoekt zich in haar oordeel over het arme slachtoffer te matigen. (»Rogando eam ut cum ea velit mite agere, citra mortem et membrorum mutilationem«). Bij de beraadslagingen over de sententie hadden twee geestelijken toch nog den treurigen moed gehad te verklaren, dat naar hun oordeel in het onderhavige geval deze »supplication misèricordieuse« wel achterwege kon blijven.
Als Jeanne het vonnis vernomen heeft barst zij in tranen en snikken uit; met gevouwen handen zinkt zij op hare knieën en bidt tot God. Zij roept Maria aan en de Heiligen in het Paradijs. In hartroerende woorden smeekt zij allen, die zij eenig leed mocht berokkend hebben, ja zelfs haren rechters en den Engelschen om vergeving. Geruimen tijd blijft zij zoo in wanhoop liggen. Waar wacht men op? De geestelijke rechters hebben hun rol afgespeeld en gaan heen. Velen van hen zijn diep geroerd en ook Cauchon verdwijnt met tranen in de oogen. De Engelsche soldaten, die ongeduldig worden, roepen hem nog toe: »Zeg eens, priester, zullen we hier nog moeten blijven eten?«
* * * * *
Jehan Salvaing, de wereldlijke rechter in wiens handen Jeanne nu is overgeleverd, had haar naar het raadhuis behooren te brengen, om haar het vonnis voor te lezen. In de haast worden deze formaliteiten overgeslagen. Men verlangt naar het einde van het drama, dat velen reeds te lang geduurd heeft. Op een teeken van den schout, pakken zijne dienaren Jeanne beet en voeren haar in den wagen, die haar gebracht heeft, naar den brandstapel.
Men heeft haar het kapje van het hoofd genomen en haar een mijter opgezet met het opschrift: »Ketterin, Afvallige, Afgodendienares.« Tegen deze beschuldigingen waagt Jeanne nog een laatst protest.
Zoo geeft men haar over aan den beul en zijne knechts. De deurwaarder Massieu en twee jonge geestelijken, de broeders Isambard de la Pierre en Martin Ladvenu (laten wij hunne namen goed onthouden), die allen diep geroerd zijn, vergezellen haar tot den brandstapel. Voor zij dien bestijgt roept zij nog: »Oh, Rouaan, ik vrees wel, dat gij door mijn dood zult moeten lijden.«
Als eenmaal de beul, vermoedelijk genaamd Geoffroy Thérage, zijn moordend werk begonnen is, en de takkenbossen in brand gestoken heeft, vraagt Jeanne een kruis. Een Engelsche soldaat maakt er een van twee stokjes en geeft het haar. Zij kust het en drukt het vast tegen zich aan. Op haar verzoek laat broeder Isambard nog een groot kruis halen uit de Saint-Sauveurkerk. Ook dit omhelst ze nog onder een hevig snikken.
Deze trouwe broeder Isambard blijft haar bijstaan tot het einde toe. Staande op een der takkenbossen van den brandstapel houdt hij, op haar uitdrukkelijk verzoek, haar steeds het groote kruis voor oogen, hoort haar aan en spreekt haar toe, en eindelijk als het vuur zich verspreidt en de vlammen hem kunnen bereiken, is het op verzoek van Jeanne, dat hij eenige schreden terug gaat. Ook in deze oogenblikken dus heeft zij nog oog voor het gevaar, dat een ander bedreigt en is zij vervuld van teedere zorg.
Te midden van een zee van hoog oplaaiende vlammen en van een schier verstikkenden rook verklaart zij nog eenmaal met heldere, luide stem, dat zij geen ketterin, geen afvallige is,.... dat alles wat zij gedaan heeft haar door God bevolen was,.... dat hare stemmen haar niet bedrogen hebben.
En eindelijk eenige oogenblikken later in den barnenden gloed roept Jeanne luid: »Jezus!«.... buigt het hoofd, en.... geeft den geest.
* * * * *
Als Jeanne gestorven is, dooft men op bevel van den hoofdschout het vuur: men wil zekerheid hebben, dat zij niet met behulp van den duivel ontsnapt is. Doch men vindt hare overblijfselen: de overlevering zegt zelfs dat het hart niet door het vuur verteerd was. Haar asch wordt verzameld en in de Seine geworpen.
Zoo verliet dan Jeanne een wereld waarvoor zij te groot en te goed was. Zoo bleef zij tot het einde getrouw aan hare roeping als bode des Hemels, als reddende Engel van Frankrijk, en ging zij heen als Martelares voor de goede zaak, die zij gediend had.
* * * * *
[Illustratie: Jeanne d' Arc op den brandstapel.
Naar een muurschildering van Lenepveu in het Panthéon.]
Is het wonder dat velen, die getuige waren geweest van haar lijden en sterven, het angstig gevoel hadden een Heilige verbrand te hebben? Hoor de verzuchting van Jean Alespée den avond na Jeanne's dood: »Ik zou willen, dat mijn ziel was dààr waar de ziel van die vrouw thans is«, is zij niet begrijpelijk en door en door menschelijk? Het leven van Jeanne, maar bovenal haar einde was dat van een Heilige, een geloofsheldin. Haren tijdgenooten en ook het nageslacht gaf zij een voorbeeld van moed en trouw en een onwankelbaar geloof. In heel het drama dat zich afspeelt in de laatste weken van haar leven, en waarin zij staat tegenover zoovele mannen van gezag en aanzien, is dit negentienjarige meisje de eenige, die blijk geeft van zedelijken moed, van groote vastberadenheid en een machtig vertrouwen. Hare vrienden, haar Koning zelfs, zij laten haar aan haar lot over, zij durven zich niet roeren van het oogenblik af, dat Jeanne is overgeleverd in handen van de kerk: zij zijn bang. Hare geestelijke rechters talmden maanden lang en dat in een tijd, dat men werkelijk zooveel omhaal niet maakte om een ketter naar den brandstapel te verwijzen. Cauchon zoekt medeplichtigen in de Inquisitie en de Parijsche Universiteit, aan wie hij een deel van de medeverantwoordelijkheid op de schouders laadt. Cauchon en heel de geestelijke rechterschaar zijn bang. En dan hare doodsvijanden de Engelschen. Ze razen, ze tieren, omdat ze niet verstaan en begrijpen wat er gebeurt. Ze jachten, ze dringen op spoed aan, zij zijn niet gerust voor het einde daar is; en dan nog zoeken zij de overblijfselen van hun slachtoffer bijeen en laten ze door den wind verstuiven over het water van de Seine, want... ze zijn bang.
Jeanne heeft velen geïmponeerd door haar uiterlijke verschijning, hare woorden en daden, en dat is iets dat kleine zielen een medemensch dikwijls niet vergeven. Maar hen, die haar zagen in hare laatste oogenblikken, moet zij bovenal diep getroffen hebben door haar innige vroomheid, haar verheven gelatenheid, haar waarachtige grootheid. Zij moeten, toen Jeanne was heengegaan, het gevoel gehad hebben, dat de Hoofdman over honderd en hen die met hem waren op Golgotha, na Jezus verscheiden, bezielde: »ende ziende de dingen die geschied waren, werden zij zeer bevreesd, zeggende: »Waarlijk, deze was Gods zoon«.«
HOOFDSTUK V.
PROCES VAN REHABILITATIE.
Het proces in 1431 te Rouaan tegen Jeanne gevoerd, had in de eerste plaats een politieke strekking. Jeanne moest worden terechtgesteld als ketterin en afgodendienares, omdat daarmede eens en voor altijd werd te niet gedaan de waarde van al hare verklaringen omtrent de wettige aanspraken van Karel VII op den troon van Frankrijk.
Het proces van rehabilitatie in 1456 te Rouaan gevoerd, heeft eveneens eene politieke strekking en wel juist in tegenovergestelden zin. Het vonnis van 1431 moet worden vernietigd, en Jeanne moet in eere en aanzien worden hersteld, omdat men daarmede bewijzen wil, dat zij, die den dauphin naar Reims gevoerd had, was gekomen met een opdracht van God, en dat het dus God zelf was geweest, die Karel VII als den wettigen koning had aangewezen.
Als wij Karel VII in 1450 de eerste voorloopige stappen zien doen om tot een revisie van het vonnis van 1431 te geraken, kunnen wij hem met droge oogen volgen en behoeven wij ons geen oogenblik illusie te maken, dat hij handelt onder den machtigen drang van wroeging en berouw. Hij veegt de stoep schoon voor zijn eigen deur, hij handelt zuiver uit welbegrepen eigenbelang, het komt hem minder gewenscht voor, dat zij, op wier aandringen hij zich te Reims heeft laten kronen, in de annalen van de Kerk en van de Inquisitie geboekt blijft staan als heks en ketterin.
De eerste pogingen van Karel VII hebben evenwel weinig succes. Het bevel tot revisie van een kerkelijk proces moet van Rome uitgaan, en Rome of liever gezegd de toenmalige Paus, Nicolaas V, heeft er weinig ooren naar. Het feit, dat de eerste pogingen uitgingen van het Fransche Hof, bracht de politieke kant van de zaak openlijk te veel naar voren. Rome had er op dat oogenblik te veel belang bij om Engeland, dat natuurlijk ook Katholiek was, niet te kwetsen.
Na eenig wikken en wegen vindt men een middel. De familie, d. w. z. de moeder en de beide broers van Jeanne leven nog, en het ligt dus geheel op hun weg de noodige stappen te doen om, zoo mogelijk, tot een herziening van het onteerende vonnis te komen en de nagedachtenis van Jeanne weer te rehabiliteeren.
Het is Paus Calixtus III, Alphonse Borgia, die de zaak eindelijk ernstig aanpakt en in Juni 1455 zijn toestemming geeft. Er is heel wat beleid en voorzichtigheid noodig om de zaak goed in elkaar te zetten. Het doel dat men voor oogen heeft, moet bereikt worden, Jeanne moet gerehabiliteerd worden, maar aan den anderen kant zijn er machten en personen, die een werkzaam deel aan het eerste proces genomen hadden en die men ontzien moet.
Uit de geheele opzet van het proces en uit de wijze waarop het gevoerd wordt, blijkt wel duidelijk, en dit is van groot belang, dat van te voren heeft vastgestaan, hoe ver men gaan zal, en dat onder andere het resultaat zal zijn een bekrachtiging van de straffeloosheid der ware schuldigen.
De Parijsche Universiteit b.v. moet men te vriend houden en moet er zonder te veel kleerscheuren afkomen. Er wordt daarom uitgemaakt, dat de Sorbonne ter goeder trouw was afgegaan op de twaalf artikelen. Van het feit dat de twaalf artikelen een valsch en bedriegelijk beeld van de zaak gaven, kan men de Sorbonne geen verwijt maken, en men kan haar dus buiten het geding laten. Maar zondenbokken heeft men noodig en als zoodanig worden uitverkoren Cauchon, de leider van het gansche proces en de promotor Guilleaume d'Estivet, beiden overleden als het tweede proces aanvangt.
Tegen 12 December 1455 worden de beschuldigers, allen, die iets ten nadeele van Jeanne wenschen te verklaren, opgeroepen om te Rouaan te verschijnen. Niemand komt op.
Daarna wordt een aanvang gemaakt met het onderzoek te Domremy, Vaucouleurs, Poitiers, Chinon, Orléans, enz. enz., alleen niet te Reims en te Compiègne, en evenals in 1431 wordt een heele reeks van zorgvuldig uitgekozen getuigen gehoord.
Voor de biographen van Jeanne en in het algemeen voor allen, die belang stellen in haar geschiedenis, is het proces van rehabilitatie voornamelijk hierom van belang, dat het door de talrijke en uitvoerige getuigen-verklaringen, een aanvulling vormt op het eerste proces.
De mise en scène is weer grandioos, en het geheele proces wordt met buitengewone plechtigheid gevoerd. Men was hiertoe in staat gesteld door den koning, die alle kosten voor zijn rekening nam. Zelfs de overhandiging van het eerste verzoekschrift van de familie van Jeanne, geschiedt zoo officieel mogelijk in de Notre Dame te Parijs. De aartsbisschop van Reims, de Bisschop van Parijs en meester Jean Bréhal, Inquisiteur, zijn daar om het verzoekschrift in ontvangst te nemen van Isabelle Romée, de moeder van Jeanne, (haar vader en Jacquemin, haar oudste broer, waren van verdriet gestorven) die hun, onder luid snikken, in rouwkleeren gehuld en in knielende houding, nadert. De talrijke menigte, die is toegestroomd, doet de gansche kerk weergalmen van hare zuchten en weeklachten.
Dadelijk, bij de voorloopige verhooren, krijgen wij reeds belangrijke mededeelingen, o. a. van broeder Toutmouillé, die Jeanne gezien had den laatsten dag van haar leven en naast Cauchon stond, toen Jeanne hem geeselde met de woorden: »Bisschop, ik sterf door Uw schuld!« En vervolgens de verklaringen van Isambart de la Pierre, die officieel bevestigt den uitval van Cauchon: »Zwijg voor den duivel« en die er bij was geweest dat Cauchon, toen hij op den laatsten dag de gevangenis verliet, de Engelschen gerust stelde met de woorden: »Farewell, eet lekker, het is in orde«.
En dan in het eigenlijke proces, de verklaringen van hen, die Jeanne in hare kinderjaren gekend hadden, van hen, die met haar gestreden hadden en eindelijk van hen, die bij het eerste proces waren betrokken geweest.
Hauviette, Mengette en Isabellette, de drie vriendinnetjes van Jeanne, worden gehoord. Hauviette vertelt ons: »Ze was zoo goed en ik hield zooveel van haar. Ze was mijn vriendin«. Van Isabellette hooren wij dat Jeanne armen en ongelukkigen lief had en ze gaarne hielp. Voor hen was ze zelfs steeds bereid haar bedje af te staan en zelf op den grond bij den haard te gaan slapen.
Merkwaardig en in het oog loopend is, dat de meeste verklaringen van de getuigen uit Domremy, een punt gemeen hebben. Luister maar:
Hauviette: »Jeanne was goed, eenvoudig en zacht«.
Mengette: »Het was een goed, eenvoudig en vroom meisje«.
Isabellette: »Zij was zelfs eenvoudig en goed«.
Katharina (van Vaucouleurs): »Zij was een goed, eenvoudig, zacht en zeer bescheiden meisje«.
Gérardin: »Zij was bescheiden, eenvoudig en vroom«.
Simonin Musnier: »Jeannette was goed, eenvoudig en vroom«.
Perrin de klokkenluider van Domremy: »Jeannette was steeds een goed, kuisch, eenvoudig meisje«.
En tot slot de pastoor van Domremy: »Jeannette was een goed, eenvoudig en welopgevoed meisje«.
Is het toeval dat die eenvoud van Jeanne zoo naar voren wordt gebracht of moeten wij met Anatole France mede gaan en het woord »simple« eenigszins nemen in den zin van het Hollandsche woord »simpel« en m. a. w. constateeren, dat het er in het proces van rehabilitatie om te doen was Jeanne voor te stellen als een meisje dat, laten we het eenigszins familiaar mogen zeggen »ze niet alle vijf bij elkaar had«, en dat hare rechters in het eerste proces niet had kunnen volgen en niet begrepen had? Dit drijven van de rechters in 1456 zou volgens die opvatting nog bovendien het voordeel gehad hebben, dat het Gods almacht beter deed uitkomen, die zich van een dergelijk »simpel« persoontje bediend had om het wettige en door Hem uitverkoren koningshuis in Frankrijk te herstellen. Ik geloof van neen. Het zou te mal, het zou absurd zijn. Een dergelijk drijven zou toch ook niet vol te houden zijn geweest en in botsing zijn gekomen met de verklaringen van de getuigen van de tweede groep n.l. van hen, die Jeanne in actie hadden gezien, die aan haar zijde gestreden hadden en die zij door haar helder doorzicht en hare daden dikwijls in verrukking had gebracht.
Ik geloof eerder dat de getuigen uit Domremy met hunne verklaringen omtrent den eenvoud van Jeanne, _die trouwens het antwoord bevatten op de vastgestelde vragen, saamgevat in een en hetzelfde formulier_, moeten bewijzen, dat zij Jeanne steeds gekend hadden als een dood gewoon, lief, kalm schepseltje, meteen kinderlijk vroom gemoed, zonder eenige bijzondere eerzucht of pretentie.
Met de verklaringen van oom Durand Laxart komen wij van Domremy tot Vaucouleurs en de getuigenissen van Bertrand de Poulengy en Jean de Metz, die ons bijzonderheden geven over de bezoeken aan Robert de Beaudricourt, den tocht naar en het verblijf te Chinon. Van de commissie te Poitiers worden slechts enkele leden gehoord.
Daarna volgen de hoofdpersonen van de tweede getuigengroep: Pasquerel, de wapenbroeders van Jeanne: Dunois, de Gaucourt, d'Alençon, d'Aulon, de page Louis de Contes en enkele burgers van Orléans. De verklaringen van hen, die Jeanne op hare tochten vergezelden en aan hare zijde streden, die haar soms dagen en nachten achtereen geen oogenblik verlieten, zijn ook daarom van groot gewicht, omdat zij Jeanne, behalve in het gewoel van den strijd, ook hadden leeren kennen in het meer intieme leven, en steeds vol bewondering waren geweest voor haar groote ingetogenheid, en haar buitengewone, ongeveinsde kuischheid.
En eindelijk wordt de rij gesloten door de droevige figuren van hen, die deelgenomen hadden aan het eerste proces. Het zijn povere verschijningen van meest hoog bejaarde geestelijken en monniken, die elk op hun manier een houding zoeken om hun medeplichtigheid aan den dood van Jeanne te doen vergeten en de schuld van zich af te schuiven. Er is er een, die zich niets herinnert (zoo slecht nog niet bedacht), anderen die onder luid snikken en weeklagen in hartverscheurende bewoordingen erkennen hoe zij getroffen zijn geweest door de oprechte vroomheid van Jeanne in hare laatste oogenblikken. De inquisiteur van het proces van 1431 wordt wel gedagvaard en gezocht, maar niet gevonden. De griffiers en notarissen zijn het ijverigst in het afbreken van Cauchon: hij is dood, hij is de zondenbok, aan hem de schuld.
Maar een verklaring als die van den griffier Manchon, is behalve bezwarend voor Cauchon toch ook wel heel interessant. Het is o. a. daardoor, dat wij te weten zijn gekomen tot welke valsche listen en lagen men zijn toevlucht heeft durven nemen om het arme slachtoffer er in te laten loopen en ten val te brengen. Manchon weet uit den mond van Warwick en Cauchon alle bijzonderheden omtrent de Judasrol door Loiseleur gespeeld; hij verklapt ons dat er bij de verhooren, behalve de officieele griffiers nog twee geheime schrijvers in de zaal verborgen waren, die wanneer het op collationeeren aankwam, bleken uitsluitend genoteerd te hebben wat bezwarend voor de beklaagde kon zijn. Door zijn relaas is het ook, dat wij weten, dat sommige rechters met tegenzin hebben deelgenomen aan het afschuwelijke proces, en dat zij, evenals degenen, die Jeanne dorsten bijstaan met goeden raad, of iets in haar voordeel waagden te berde te brengen, steeds door Cauchon's dreigementen met banvloek of brandstapel, tot de orde geroepen en tot zwijgen gebracht werden.
De eindzittingen van de rechtbank hadden met groote plechtigheid plaats in de eerste week van Juli 1456, in het aartsbisschoppelijk paleis te Rouaan, onder presidium van den aartsbisschop van Reims, Jean Jouvenel des Ursins, en in tegenwoordigheid van Jean Bréhal, den inquisiteur-generaal. De broer van Jeanne, Jean d'Arc vertegenwoordigt de familie.
De voorbereiding van de zaak heeft zes maanden geduurd; thans zijn alle getuigen gehoord. Petrus Maugier, Rijksprocureur bij de Universiteit te Parijs en advocaat van de familie, heeft al zijne grieven tegen het eerste proces uiteengezet, en den 7en Juli wordt de vertooning gesloten, met de voorlezing van het vonnis, waarbij de rechtbank:
»uitspreekt, decreteert en verklaart, dat de gevoerde processen en vonnissen, bezoedeld met bedrog, laster, onrechtvaardigheid, tegenspraak en duidelijke dwaling... zijn geweest, van nul en geener waarde en te niet worden gedaan«;
verder: »verklarende, dat op gezegde Jeanne en hare bloedverwanten, door genoemde vonnissen geen enkele smet of vlek van eerloosheid kan rusten«.
* * * * *
In Orléans werd het resultaat van het tweede proces met groote vreugde vernomen, en de vrienden van Jeanne vierden plechtig de rehabilitatie van hun Heilige.
HOOFDSTUK VI.
GENIE EN PUCELLE.
Wat was Jeanne d'Arc? Voor de Katholieken een Heilige, voor andere geloovigen een uitverkorene des Heeren, iemand die een roeping te vervullen had uit naam van God en die ook vervuld heeft. Dit is zeker wel de gemakkelijkste en eenvoudigste verklaring, die verder alle commentaar en onderzoek overbodig maakt.
Voor anderen weer en o. a. voor Anatole France en Dr. G. Dumas, vermoedelijk een hysterica met eenzijdige hallucinaties, die volgens de théorie van Charcot waarschijnlijk gepaard zijn gegaan met halve ongevoeligheid. Omtrent dit laatste punt van de halve ongevoeligheid had de pijnbank zekerheid kunnen geven, zegt Dr. Dumas bijna op een toon, alsof hij het betreurt, dat door dit verzuim van Jeanne's rechters het ziektebeeld niet volkomen duidelijk is geworden. Neen, zekerheid kan de groote neuropatholoog op dit punt niet geven, »een retrospectieve diagnose«, na bijna vijf eeuwen is niet mogelijk. Maar bovendien, wanneer de naam van Jeanne thuis behoort op de lijst van de groote hystericae, dan nog zou deze ziekte slechts eene verklaring kunnen geven van hare visioenen en hallucinaties. Slechts een onderdeel dus, want dit is zeker, en dat erkent Dr. Dumas ook aan het slot van zijn verklaring, het verstand en de wil van Jeanne blijven, te oordeelen naar de gegevens, die wij bezitten, tot aan het einde van haar leven volkomen gezond.