Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans

Part 10

Chapter 103,873 wordsPublic domain

Den 23en Mei wordt het resultaat van de beraadslagingen van de Parijsche Sorbonne aan Jeanne voorgelezen door den jongste der zes afgevaardigden: Pierre Maurice. Hij spreekt haar daarna toe in een lange redevoering, maar zijn toon is kalm vermanend, bijna vertrouwelijk. Hij vergelijkt haar ongehoorzaamheid aan de geestelijken, dat is aan de officieren van Christus, bij de ongehoorzaamheid van een ridder aan de bevelen van den koning en diens officieren. Hij tracht op haar gevoel te werken. Aan het eind van zijn rede genaderd vraagt hij aan Jeanne, die hem kalm en aandachtig heeft aangehoord, of zij niet tot inkeer wil komen en hare daden en gezegden wil onderwerpen aan het oordeel van de strijdende Kerk. Doch geen menschelijke welsprekendheid is bij machte haar te doen wankelen. Zij belijdt voor de zooveelste maal:

Jeanne: »Wat ik gezegd en volgehouden heb in het proces, handhaaf ik ook thans nog. Wanneer ik veroordeeld was en ik zag den beul gereed om het vuur aan te steken, ik zag de takkenbossen branden en ik stond midden in het vuur, dan nog zou ik niets anders zeggen, en wat ik verklaard heb in het proces, zou ik volhouden tot aan den dood.«

In margine vinden wij bij dit antwoord de ongevraagde opmerking van den griffier: Responsio Johannae superba.

* * * * *

Dan sluit Cauchon de beraadslagingen en bepaalt de uitspraak van het vonnis op den volgenden dag.

* * * * *

Nog enkele uren dus en het onherroepelijke woord, dat Jeanne vonnist, zal gesproken worden. Nog is het niet te laat, nog is er redding mogelijk.

Ik sprak soms op bitteren toon over Jeanne's rechters en noemde ze hare beulen. Ik neem hiervan niets terug, want, weliswaar leven wij met Jeanne in een tijd van oorlog, maar hare rechters waren Franschen, tenminste verreweg de meesten en bovendien, wat nog bezwarender is, het waren geestelijken.

Maar hoe dan te oordeelen over hare vrienden, over hare bloedverwanten? Zijn zij niet medeplichtig aan haren dood?

Niemand van haar partij heeft een woord gesproken, een vinger uitgestoken om haar te verdedigen of te bevrijden. Onder Jeanne's familieleden waren geestelijken: waarom zijn die dan niet naar Rouaan gegaan om te getuigen, waarom hebben die van hun kant de hulp van den Paus niet ingeroepen? De geestelijken, doctoren en advocaten, die door de Engelschen en Bourgondiërs uit Parijs verjaagd waren, waarom hebben die geen van allen geprotesteerd? De Bisschop van Reims, die aan Jeanne zooveel te danken had, waarom is hij niet tusschenbeide gekomen door gebruik te maken van zijn recht om Cauchon, zijn wij-bisschop, tot de orde te roepen? De raadslieden van Karel VII, de priesters uit de naaste omgeving van den koning, de doctoren te Poitiers die Jeanne ondervraagd hadden, waarom hebben ze allen een misdadig stilzwijgen bewaard?

En dan eindelijk de koning zelf; waarom doet Karel VII geen beroep bij den Paus, waarom brengt hij de bisschoppen en andere geestelijken, die hem trouw zijn gebleven, niet in actie, waarom doet hij geen enkele poging om Jeanne met geweld van wapenen te bevrijden? Is hij alles vergeten wat Jeanne voor hem gedaan heeft, wil hij het zich niet bekennen dat het de bezieling is geweest, die van haar uitging, die zijn eigen troepen nieuwe moed heeft gegeven, dat haar verschijning, haar naam soms voldoende was om verwarring te brengen onder de vijanden? Weet hij niet meer, dat het Jeanne is geweest die hem naar Reims gebracht heeft? Was zij niet zijn »porte-bonheur?« Waarom waagt hij dan, al was het slechts uit welbegrepen eigenbelang, geen poging haar te redden?

Ik voor mij geloof, dat op al deze vragen één en hetzelfde antwoord kan gegeven worden. Wij behoeven niet te zoeken op politiek gebied, naar geheime beweegredenen, ook is het niet noodzakelijk een fijnere détailstudie van het karakter van Karel VII te maken. Ik ben overtuigd, dat wij den vinger op de wonde plek leggen indien wij zeggen: zij durfden niet.

Van het oogenblik af, dat uitgemaakt was, dat Jeanne terecht zou staan voor een geestelijke rechtbank, durft niemand meer een mond open doen of een vinger verroeren. Zelfs de collega's en gelijken van Cauchon zijn daarmede ontwapend.

Voor hen, evengoed als voor de lagere geestelijken, en zelfs voor den koning is het buitengewoon gevaarlijk zich te mengen in een geestelijk proces, of in de zaken van de Inquisitie.

De Kerk zal spreken, en dan heeft elk geloovige te zwijgen op gevaar van zelf in botsing met de Inquisitie te komen.

Hierin schuilt m. i. het geheele geheim waarom enkele van de rechters zich laten dwingen de verhooren bij te wonen, waarom niemand van hare vrienden, waarom de koning, ja zelfs haar eigen broeders, die aan haar zijde hadden gestreden, in het proces te Rouaan geen partij durven kiezen voor de arme beklaagde, en op een afstand zullen moeten aanzien dat Jeanne beleedigd, mishandeld en eindelijk ter dood gebracht wordt.

Jeanne toont ook hier haar waarachtige grootheid. Zij beschouwt ook dezen tegenslag, deze ellende als een gevolg van Gods wil: zij berust. Geen verwijt over de ontrouw of de lafhartigheid van hare vroegere vrienden komt over hare lippen; integendeel, zij blijft ze steeds een goed hart toedragen en verdedigen: haar liefde en bewondering voor den koning behoudt zij tot het einde toe.

* * * * *

In den morgen van den 24en Mei bezoekt Jean Beaupère Jeanne in haar kerker, ook ontmoet ze Nicolas Loiseleur nog. Beiden trachten haar nog te overreden zich te onderwerpen aan de Kerk en Loiseleur doet haar zelfs valsche beloften en valsche voorspiegelingen. Wij behoeven niet alle beschuldigingen te gelooven, die in het tweede proces tegen Nicolas Loiseleur zijn uitgesproken, maar vast staat het wel, dat deze kanunnik de Judasrol tegenover Jeanne heeft gespeeld.

Onder voorwendsel een gevangene van haar partij te zijn, heeft hij haar vertrouwen weten te winnen en haar zelfs de biecht afgenomen, terwijl hij wist, dat zijne gesprekken met Jeanne in het belendende vertrek werden afgeluisterd en opgeteekend. Ook nu bij de zoogenaamde afzwering staat Loiseleur aan haar zijde en zal het gedeeltelijk op zijn aandringen zijn, dat Jeanne het perkament teekent, dat men haar voorhoudt.

Evenals Judas zou ook hij zijn ure van wroeging en berouw gehad hebben, waarin hij handenwringend en in wanhoop Jeanne volgde en om vergeving smeekte op haar laatsten tocht naar de Oude Markt. Men brengt Jeanne nu in een open kar onder gewapend geleide naar het ruime kerkhof van den abdij van Saint Ouen, waar zij nogmaals plechtig en in het openbaar zal worden toegesproken en waar de scène van de zoogenaamde afzwering zal plaats hebben.

Op dit kerkhof heeft men voor deze gelegenheid een groote tribune gebouwd tegen het schip van de kerk. Daarop hebben plaats genomen Pierre Cauchon, Bisschop van Beauvais, Jean Lemaître, Vicaris van den inquisiteur, de Kardinaal van Winchester, verder alle hooge en lagere geestelijken, die aan het proces hebben deel genomen, en verscheidene hooggeplaatste Engelsche heeren. Rondom het kerkhof verdringt zich een dichte menigte, die door Engelsche soldaten op een eerbiedigen afstand wordt gehouden.

Op een kleine verhevenheid tegenover de groote tribune bevindt zich meester Guilleaume Erard. Zeer tegen zijn zin heeft men hem aangewezen om Jeanne in deze plechtige bijeenkomst toe te spreken, zooals het gebruik van de Heilige Inquisitie dat meebracht.

Dan brengt men Jeanne in den kring: zij draagt manskleeren, en hoewel zichtbaar onder den indruk, eenigszins beduust door de openlucht en het volle zonlicht treedt zij kalm en vastberaden voorwaarts. Men plaatst haar op de verhevenheid naast Guilleaume Erard, en zoodra men stilte heeft verkregen onder de talrijke aanwezigen, neemt deze het woord.

Hij heeft zich als tekst voor zijn toespraak gekozen het woord uit het Evangelie naar Johannes, hoofdstuk XV: »De rank kan geen vrucht dragen van haar zelven, zoo zij niet in den wijnstok blijft.« »Zoo moeten dan ook alle katholieken in den wijnstok blijven van onze Heilige Moederkerk, die de hand van onzen Heere Jezus Christus heeft geplant.«

In den loop van zijn heftige toespraak herhaalt hij, de verschillende punten van beschuldiging tegen Jeanne, en zet die nader uiteen. Op haar is zeer zeker van toepassing het woord van dezen tekst: Zij heeft de Moederkerk verlaten, is van de eene dwaling in de andere, van de eene misdaad in de andere vervallen, en heeft op duizenderlei wijze het christelijke volk geërgerd. Nooit te voren was er een grooter monster dan Jeanne in Frankrijk.

De arme Jeanne hoorde dit schelden en schimpen rustig aan: zij was er in de laatste maanden reeds aan gewoon geraakt.

Maar zoodra hoort zij niet den naam des konings noemen, of zij richt zich op, luistert met dubbele aandacht, en al de oude strijdlust wordt weer in haar wakker. Waarschijnlijk om de aanwezige Engelschen in het gevlei te komen valt Guilleaume Erard Karel VII heftig aan. Dan richt hij zich uitdrukkelijk tot Jeanne met de woorden:

»Jeanne ik spreek tot U en ik zeg U dat Uw koning is een ketter en een afvallige.«

Dat is te veel voor de arme Jeanne. Die woorden krenken haar in het diepst van haar ziel. Een groote ontroering maakt zich van haar meester, hare Heiligen verschijnen haar, zij hoort hare stemmen. Zij raden haar:

»Antwoord hem flinkweg, dien prediker die U toespreekt.«

En oogenblikkelijk stuift zij op en valt Guilleaume Erard in de rede:

Jeanne: »Voorwaar, Messire, met allen eerbied, ik durf te verklaren en zweren op straffe des doods, dat hij de edelste Christen van alle Christenen is, die het geloof en de Kerk het meest liefheeft; en hij is niet zooals gij zegt«.

Erard, vertoornd over deze onderbreking, laat Jeanne door den deurwaarder tot zwijgen brengen. Hij is het einde van zijn preek genaderd en komt nog eenmaal op het oude thema terug: wil zij hare woorden en daden onderwerpen aan het oordeel van de Kerk.

Maar wat zij gedaan heeft, deed zij uit naam van God, niemand heeft daar schuld aan, noch de koning, noch iemand anders. Dan doet zij een officieel beroep op den Paus. Het laffe antwoord van de rechters, dat de Paus te ver weg is, en men hem niet kan gaan halen, slaat haar niet uit het veld. Laat men haar dan naar den Paus brengen en laat die haar dan ondervragen. Zij wil niet, dat men een uittreksel uit het proces-verbaal van dit proces, ter beoordeeling van den Paus, naar Rome zendt, daar heeft zij geen vertrouwen in, men kan daarin zetten wat men wil. Neen, zelf en in persoon wil zij zich tegenover den Heiligen Vader verantwoorden.

Op eene laatste vermaning komt hetzelfde antwoord: zij herroept niets van hetgeen zij heeft verklaard.

Hiermede is de zaak beslist.

Het woord is thans aan Cauchon. Van de twee vonnissen, die hij bij zich heeft, één voor het geval Jeanne ter elfder ure tot inkeer zou komen, het andere voor het geval zij in hare dwaling bleef volharden, heeft hij het laatste te voorschijn gehaald. Hij is opgestaan en leest het vonnis.

Het bestaat uit een lange reeks van beschuldigingen, waarvan wij de meesten reeds kennen. De rechters hebben »met Christus en de eer van het orthodoxe geloof voor oogen« Jeanne schuldig bevonden aan: leugen, aan de uitvinding van zoogenaamde goddelijke verschijningen en openbaringen, aan betoovering, bijgeloof, waarzeggerij, Godslastering, verachting van God zelf in zijne Heilige sacramenten, enz. enz.

Cauchon leest langzaam verder en onderwijl dringen er nog enkele rechters, waaronder Guilleaume Erard en Loiseleur, bij Jeanne op aan, dat zij zal afzweren. Nog is het tijd, houden zij haar voor.

»Onderwerp je aan de kerk«, zegt Erard, die persoonlijk gaarne zou zien dat de afzwering van Jeanne kon worden aangemerkt als de vrucht van zijn toespraak. »Beloof dat je weer vrouwenkleeren zult aantrekken«, dringt Loiseleur aan, en beiden dreigen ze met den brandstapel. Erard heeft eene verklaring van afzwering gereed en houdt die Jeanne voor.

Dan geeft Jeanne een teeken en Cauchon onderbreekt oogenblikkelijk de voorlezing van het vonnis.

Een volkomen juist en getrouw beeld geven van hetgeen nu gebeurt is niet geheel mogelijk: er blijft vooralsnog één duister punt.

Vast staat dat zoodra Cauchon zwijgt er eenige verwarring ontstaat onder de Engelsche soldaten en zelfs eenig rumoer onder de Engelsche heeren op de tribune. Zij begrijpen niet geheel wat er gebeurt, maar zij vreezen verraad en zijn bang dat Jeanne hun ontsnapt. Warwick bijt Cauchon toe: »De zaken van den koning gaan slecht, die vrouw zal ons nog ontglippen.«

Cauchon tracht hem gerust te stellen en mompelt: »Wees maar niet bang, wij zullen haar wel weer vangen.«

Maar ook andere Engelschen maken het hem lastig en beschuldigen hem zelfs openlijk van verraad. Dan stuift Cauchon op, dat laat hij zich niet zeggen. Hij is beleedigd, hij wil niet verder procedeeren voor men hem voldoening gegeven heeft. Is hij als rechter in geloofszaken niet verplicht eerder het heil van die vrouw te zoeken dan haar dood? zoo huichelt hij. Warwick brengt de andere heeren tot kalmte. Cauchon's verklaring »wij zullen haar wel weer vangen« heeft hem voldoende gerustgesteld, dat de zaak bij dezen rechter nog steeds in goede handen is.

Op de kleine verhooging midden in den kring is al even veel verwarring als op de groote tribune. Van alle kanten bestormt men Jeanne, dat zij de verklaring van Erard zal teekenen. Uit de menigte, die voor een deel bestaat uit Franschen, die haar sympathiek zijn, roept men haar toe, dat zij moet doen, wat men haar aanraadt en zoodoende haar leven moet redden. Jeanne wil nog een uitstel om de zaak te overwegen en om hare stemmen te raadplegen. Zij vraagt aan Jean Massieu wat zij doen moet. Maar men wil ditmaal van geen uitstel weten en ook Jean Massieu dringt er op aan, dat zij teekenen zal, en wel nu dadelijk nu het nog tijd is.

Jeanne geeft toe; tenminste afgaande op de voorspiegelingen en beloften die men haar doet, teekent zij een stuk, dat men haar voorhoudt, en waarvan men haar in de verwarring met enkele woorden den inhoud heeft medegedeeld.

Maar wat heeft men haar beloofd, wat heeft er in het stuk gestaan, dat Jeanne teekende en eindelijk, hoe heeft zij geteekend? Zie hier het duistere punt, waarop ik zooeven zinspeelde. Zeker heeft men haar beloofd, dat wanneer zij teekende, zij voortaan zou behandeld worden als een gevangene van de Kerk en dus onder toezicht zou komen van vrouwen in plaats van Engelsche soldaten. Dit blijkt overtuigend uit hetgeen Jeanne zegt aan het einde van deze plechtigheid. Maar welk stuk heeft zij geteekend en hoe? De verklaring van afzwering, die zich in het dossier bevindt, draagt geen handteekening, doch een kruisje. Nu is het nagenoeg zeker, dat Jeanne in die dagen het zoover gebracht had, dat zij ten minste haar handteekening kon plaatsen. In dat geval is een stuk met een kruisje geteekend niet geldig.

Wat verder den inhoud van het stuk betreft hebben wij in de eerste plaats de verklaring door Jeanne zelf twee dagen later gegeven, dat zij begrepen had, dat het er om ging dat zij van kleeding zou veranderen en bovendien de zeer bezwarende verklaring door Jean Massieu in het proces van rehabilitatie afgelegd en door nog verscheidene andere getuigen bevestigd, dat het lange latijnsche stuk, dat zich in het dossier bevindt, een geheel ander is als de korte Fransche verklaring, die Massieu aan Jeanne heeft voorgelezen en die zij onderteekend heeft. Maar bovendien, heeft zij Erard, op zijn krachtig aandringen niet kalm toegevoegd: »U geeft U werkelijk te veel moeite om mij te verleiden«.

En was Jeanne niet gedurende de geheele plechtigheid volkomen rustig? Stond zij niet, tot groote verontwaardiging van hare Engelsche vijanden, glimlachend te midden van de priesters die haar tot teekenen trachtten te bewegen? Zou zij dan glimlachend de overtuiging en het geloof, waarvoor zij reeds zooveel geleden had, en die zij zoo dapper al die weken, in een strijd op leven en dood, verdedigd had, prijs gegeven hebben?

Neen, driewerf neen! Men heeft haar misleid, er heeft vervalsching of verwisseling van de processtukken plaats gehad, maar Jeanne heeft niet afgezworen.

* * * * *

Als Cauchon eindelijk weer het woord neemt is het thans om het andere, het minder strenge vonnis voor te lezen, waarbij Jeanne veroordeeld wordt tot levenslange gevangenisstraf, op water en brood, of zooals het in de latijnsche vertaling van het vonnis luidt: »in perpetuum carcerem, cum pane doloris et aqua tristitiae«, om hare zonden en fouten te beweenen.

* * * * *

Daarna is de plechtigheid afgeloopen. Jeanne verwacht nu, dat men de zooeven afgelegde belofte zal nakomen en zegt tot hare rechters:

»Welnu dan, heeren geestelijken, brengt mij in Uwe gevangenissen, en levert mij niet meer over in handen van die Engelschen!«

Men had haar schandelijk bedrogen. Trouwens wat Jeanne vroeg, omdat men het haar beloofd had, was niet mogelijk, want met de Engelschen was uitdrukkelijk overeengekomen, dat Jeanne hun na het proces weer zou worden uitgeleverd.

Het laatste woord is aan hem, die Warwick toegefluisterd heeft: »Wees maar niet bang wij zullen haar wel weer vangen.«

Als eenig antwoord op haar bede, geeft Cauchon aan de bewakers van Jeanne het korte, doch voor haar vernietigende bevel:

»Brengt haar daar waar gij haar vandaan gehaald hebt.«

* * * * *

Zoodra Jeanne weer terug is in haar ouden kerker en men haar opnieuw in ketenen heeft vastgeklonken, wordt zij herinnerd aan de belofte om van costuum te veranderen. Zij is daartoe thans bereid, en trekt een japon aan, die de hertogin van Bedford voor haar heeft laten maken. Evenals Aimond de Macy op het kasteel Beaurevoir, veroorlooft de kleermaker, die Jeanne de japon brengt en haar behulpzaam is bij het aantrekken ervan, zich een vrijmoedigheid, die Jeanne zoo boos maakt, dat zij hem een fermen oorvijg geeft. Het haar van Jeanne, dat zij droeg als de krijgslieden van dien tijd, wordt afgeknipt.

Zoo laat men dit negentienjarige meisje, thans weer als vrouw gekleed, dag en nacht bewaken door Engelsche soldaten, d. w. z. door halve bandieten, halve beesten. Wij herhalen het, dit is mogelijk wel de wreedste en meest verfijnde marteling die men dit arme schepseltje heeft laten ondergaan. Wel was Jeanne moedig en zou zij zich, zoo goed haar ketenen dit toelieten, tegen aanrandingen hebben weten te verdedigen, maar de hoon, de spot, de beleedigingen, de ruwe dronkemanstaal van hare bewakers, die in hare tegenwoordigheid zaten te dobbelen en te drinken, heeft zij moeten verduren en aanhooren. Onbeschrijfelijk moet zij daaronder geleden hebben; toch houdt zij den strijd nog twee dagen vol, dan legt zij haren japon af, steekt zich opnieuw in manskleeren, en breekt hiermede de door haar afgelegde belofte.

Dit geschiedt in den morgen van den 27en Mei, op den Zondag van de Heilige Drievuldigheid. Als wij de verklaring van den deurwaarder Maître Jean Massieu in het proces van rehabilitatie moeten gelooven, is het niet vrijwillig dat Jeanne hare belofte gebroken heeft, maar heeft men er haar bepaald met geweld toe gedwongen, door in den nacht van den 26en op den 27en Mei, terwijl zij sliep, hare vrouwenkleeren te verbergen en het mans-costuum voor haar gereed te leggen. Zij moet zelfs aanvankelijk geweigerd hebben het verboden costuum weer aan te trekken, er op wijzende, dat dit in strijd zou zijn met hare belofte, maar ten slotte was zij wel genoodzaakt toe te geven, aangezien zij voor een zuiver menschelijke behoefte het bed en zelfs een oogenblik haar kerker moest verlaten. (»Intendens ventrem purgare«).

In de getuigen-verklaringen van het proces van rehabilitatie komen evenwel meerdere dergelijke verhalen voor van schandelijk bedrog, van ten hemel schreiend verraad. Wij aanvaarden ze met de noodige voorzichtigheid en wij hebben ze trouwens niet noodig. De geschiedenis zooals wij haar kennen uit de feiten die onomstootelijk vaststaan, is reeds verschrikkelijk en tragisch genoeg.

Het bericht van Jeanne's weder-afvalligheid ging als een loopend vuur door de stad. Oogenblikkelijk zetten hare rechters en vijanden zich in beweging. De door Cauchon verwachte gelegenheid om haar weder te vangen, biedt zich aan. Jeanne is verloren.

Den volgenden morgen begeeft Cauchon zich met verscheidene andere rechters naar het kasteel waar Jeanne gevangen zit. Onderweg worden zij bespot en uitgejouwd door een troep Engelsche soldaten. De griffier van het proces wordt ontboden. Men vindt Jeanne in manskleeren, maar zij is diep terneer geslagen, afgetobd en in tranen.

Als men haar naar de reden vraagt antwoordt zij, dat het haar, nu zij onder mannen verkeert, behoorlijker voorkomt, dat zij ook manskleeren draagt en verder: »Ik heb niet begrepen wat de verklaring van afzwering behelsde. Ik heb niets willen herroepen, dan wat God verlangde.... Als de heeren er op staan zal ik weer vrouwenkleeren aandoen, maar dan moet men ook volbrengen wat men mij beloofd heeft en mij in een kerkelijke gevangenis brengen. Verder zal ik niets doen«.

In margine teekent de griffier hier weer bij aan: »Responsio mortifera«.

Ondanks den wanhopigen toestand, waarin zij Jeanne aantreffen, hebben Cauchon en de zijnen nog den treurigen moed, haar weer lastig te vallen en te kwellen met de oude, bekende vragen omtrent de kroon in Reims en het geheime teeken te Chinon.

Maar de ongelukkige Jeanne staat ze hierover niet meer te woord. Zij kan niet meer, zij is geestelijk lam geslagen. Dan liever op eenmaal boete gedaan met haar leven, dan langer die eindelooze kwellingen en pijnigingen te doorstaan. Wat geeft het haar of zij blijft strijden, men zal niet rusten, dat voelt zij nu, voor men haar gedood heeft. Nog één verzuchting van de wanhopige: »Ik wil liever sterven«, en dan zwijgt zij.

Den volgenden dag komen de rechters bijeen in het aartsbisschoppelijk paleis. De zaak is nu voor hen heel eenvoudig geworden. Zij zijn het er over eens dat Jeanne zich heeft schuldig gemaakt aan meineed en weder-afvallig is geworden, en aangezien de Kerk de door haar uitgesproken doodvonnissen niet zelf voltrekt, zal de veroordeelde worden overgeleverd aan den wereldlijken rechter.

De broeders Martin Ladvenu en Isambart de la Pierre krijgen de opdracht de veroordeelde te gaan mededeelen, dat zij den volgenden dag zal verbrand worden.

In den vroegen morgen van den 30en komen zij in den kerker van Jeanne. Martin voert het woord. Als hij uitgesproken heeft, barst Jeanne in een wanhopig snikken los. Daar ligt ze nu, het arme, moedige, lieve schepseltje als verpletterd door deze vreeselijke tijding, daar ligt ze nu alleen, door iedereen verlaten in haar ellende. Geen liefderijke hand is er, die zich naar haar uitstrekt, geen woord van troost of medelijden wordt tot haar gesproken. In dit oogenblik van angst en felle smart hoort zij ook hare stemmen niet. Zij jammert en weeklaagt luid. »Haar lichaam, dat zij tot het einde toe rein en ongerept heeft weten te houden, zal dus verbrand en tot asch verteerd worden«, en voor het leed en onrecht haar aangedaan, beroept zij zich op God, den rechter aller rechters.

Nog verscheidene andere geestelijken en doctoren zijn onder Jeanne's snikken haar kerker binnengekomen en kwellen haar met vragen. Zij beantwoordt de meesten nog geduldig en gedwee, maar dan staat plotseling Cauchon zelf op den drempel. Zij ziet in hem een van de hoofdoorzaken van al haar leed en van haar dood. Zij richt zich op en met haar nog betraande oogen ziet ze hem aan. Nog eenmaal staat ze daar in hare maagdelijke fierheid, in de volle majesteit van hare tengere jeugd en met dezelfde heldere, krachtige stem, waarmee zij op het slagveld hare troepen had aangemoedigd en bezield, dondert zij haar rechter het striemende verwijt tegemoet: »Bisschop, ik sterf door Uw schuld!«

* * * * *