# Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken

## Part 8

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/jean-jacques-rousseau-een-beeld-van-zijn-leven-en-werken-12009/index.md

En daarna kwam de vuurproef: de "Emile" verscheen, Rousseau werd vervolgd en moest vluchten. Vluchten, in werkelijkheid, niet omdat _hem_ gevaar dreigde--maar omdat een proces voor zijn beschermers uit de groote wereld compromitteerend geweest zou zijn. Toen toonde zij haar "engelachtig hart," haar vrouwentrouw, Thérèse. Zij had rustig in Montmorency kunnen blijven: Rousseau stelde haar dat voor en zou voor haar zorgen, maar zij weigerde, zij wilde naar den man, dien zij liefhad, naar den eenzamen banneling in het zwitsersche dorp, om weer voor hem te kunnen zorgen, hem te verplegen en bij hem te zijn. Zij drong erop aan hem zoo spoedig mogelijk te volgen. "Ge weet wel," schreef zij hem naar Yverdun in haar gebrekkig, moeilijk te begrijpen brabbelfransch, "dat mijn hart u behoort, en altijd heb ik gezegd: moest ik over de zee trekken en over afgronden, zoo het gold u weer te vinden, had men 't mij maar te zeggen en ik zou dadelijk gaan." En zij onderteekende zich: "uw nederige, goede vriendin."

Ja, dat was zij. In hun werk over "De vrouw in de XVIIIde eeuw" geven de Goncourts vele aanhalingen uit brieven van vrouwen, groote dames en courtisanes, aan hun minnaars, ten bewijze dat groote en trouwe liefde ook in dien tijd van harte-verdorring, spotzucht en kille galanterie nog heeft gebloeid. Maar geen dier brieven is teederder en inniger, ademt in hooger mate de milde overgave van een liefhebbend hart, dan het haast onleesbaar epistel van dit eenvoudige zieltje, Rousseau's Thérèse.

Zij volgde hem naar Zwitserland, en toen kwamen de harde jaren in het sombere bergdorp, de jaren waarin Rousseau als een ondergaand held voor 't laatst worstelde tegen een wereld van vijanden; en toen zijn vlucht voor de steenen der door de dominés opgeruide boeren; en zijn kort verblijf in Engeland, eenzaam voor hem, den zich in jeugdherinneringen verdiepende, hoeveel eenzamer voor haar, die van de landstaal geen woord verstond, met haar behoefte aan uiting over de kleine dingen van 't dagelijksch leven. En toen het overhaast vertrek terug naar Frankrijk, in een bui van verstandsverbijstering, van vervolgingswaan; en daar het onrustig jagen van oord naar oord, en ten slotte weer naar Parijs terug, en ondanks de ontwrichting van zijn gemoed, de betrekkelijke rust en vrede van het handwerkers-huishoudentje in de rue Glacière, niet ongelijk aan dat van de al verre dagen hunner jeugd.

Zij werd toen ouder en zwakker, Thérèse, maar zij hield de woning toch proper en net, en zorgde voor haar oudje en haar kanarie, die in zijn kooitje te zingen zat, wanneer Bernardin de St. Pierre hen bezocht en aanzat aan hun tafel, voorzien als vanouds van eenvoudig, smakelijk eten, door haar bereid.

Zij werd ouder en zwakker, en hij verdiende al minder met muziek-kopieëren: het oude paar was bijna behoeftig, toen zij een toevlucht vonden in het kasteel Ermenonville. Dáár stierf hij in haar armen, de deur gegrendeld, dat niemand anders bij zijn sterven zou zijn. Tot het laatst had zij voor hem gedaan wat in haar vermogen was, en dat was véél.

De vrede, die zijn levensavond ondanks alles ademde, de uitstraling eener schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste geschrift, had niet kunnen bestaan dan op den materieëlen basis, die haar trouwe geduldige zorgzaamheid in stand hield, vier-en-dertig jaar lang.

Het wordt tijd dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen minder bevooroordeeld door klassegevoel en hoogmoedig intellektualisme, simpel hart, eenvoudig plebejerskind, veelgesmade, veelgelasterde Thérèse le Vasseur.

* * * * *

Keeren wij terug tot den tijd hunner jonge liefde.

Hij was nu secretaris geworden bij Mme Dupin en haar stiefzoon Francueil. Hij voelde de afhankelijkheid van zijn positie daar grievend, en de jaarwedde was klein, 900 frs., nauwelijks genoeg om te bestaan. Een paar keer werd Thérèse zwanger en baarde: hij deed de jonggeborenen naar het vondelingengesticht brengen. Zij verzette zich eerst heftig, maar schikte zich ten slotte, vooral omdat haar moeder 't ook wou, waar zij erg aan hing. Zij konden ook heusch geen kinderen gebruiken, en wat zij deden was immers heel gewoon. Zich van zijn kinderen op deze wijze ontdoen kwam in die dagen haast evenveel voor als in de onzen nieuw-malthusianisme; een vierde van alle te Parijs gedoopte kinderen werden te vondeling gelegd. Rousseau had in het eethuis waar hij vóór 't samenleven met Thérèse zijn maaltijd plagt te gebruiken, zooveel verhalen daarvan gehoord, dat hij 't als de natuurlijkste zaak van de wereld was gaan beschouwen dat men zijn kinderen naar 't vondelinghuis bracht. Hij dacht er verder niet veel over na.

Zijn pogingen naam te maken bleven falen. Zijn opéra "les Muses galantes" werd eenmaal gedeeltelijk opgevoerd bij een algemeen belastingpachter, La Popelinière, en toen nog eens bij een groot heer, den "intendant der menus." Het werk beviel den modeman der hoogste kringen, den hertog de Richelieu, die beloofde te zorgen dat 't voor den koning zou worden opgevoerd. Maar er kwam niets van. Wel hielp Richelieu hem aan wat anders: het omwerken van een zangspel, woorden en muziek, de "Fêtes de Ramire," door Voltaire geschreven, door Rameau gekomponeerd. Maar de afgunst van den vak-musicus op den dilettant-componist deed Rameau zeer deloyaal handelen; hij beschuldigde Rousseau van plagiaat en maakte dat diens naam bij de uitvoering op de programma's enz. niet genoemd werd. Francueil beloofde aan Rousseau te zorgen dat de "Muses galantes" door de Parijsche opéra werden aangenomen, maar ook daar kwam niets van. Toen probeerde hij 't nog met "Narcisse," trachtte dit gespeeld te krijgen. Ook weer vergeefs. Hij werd nu heelemaal ontmoedigd en gaf elke poging om naam te maken op.

Gaandeweg had hij vele menschen leeren kennen uit de intellektueele kringen en de wereld der groote finantiers. De dames uit die wereld vonden hem interessant, ondanks zijn gebrek aan gemakkelijkheid, zijn onhandige complimenten, zijn stijve manieren. Hij was heel anders als al de gladde heertjes die hun 't hof maakten, anders ook dan de overige intellektueelen, meest briljante verstands-menschen, maar zonder innerlijke warmte. In den regel slechtbespraakt, kon hij uitschieten in plotseling vuur van welsprekendheid als 't onderwerp hem ontroerde, uit diepten van zijn wezen die hij zelf nog niet kende, schoten dan gloeiende stroomen omhoog.

Hij zelf voelde zich in dat milieu altijd onzeker. In zijn bestaan was een pijnlijke gespletenheid: het leven dat hij leidde, de kringen waarin hij verkeerde, pasten niet bij zijn neigingen, zijn aanleg, zijn diepste ik. Zijn wezen bleef innerlijk vreemd tegenover dit milieu van zielsleege verfijning. Hij trachtte zich aan te passen, hij hoopte soms toch nog te slagen, deed overdreven-beleefd, zijn beleefdheid was zoetsappig en vermoeiend. Als hij op de kasteelen der groote heeren logeerde, maakte hij zich beminnelijk met komedietjes schrijven, die dan door de gasten werden opgevoerd; komediespelen was toen met coquetteeren de meest geliefde tijdpasseering der "wereld waarin men zich verveelt."

De dagen stroomden voorbij. Zij vielen den een na den ander in den afgrond van het verleden. Hij naderde al de veertig. Wat zou er van hem worden? Hoe zou hij ontwaken tot het besef van zijn eigenlijk zelf?

De dagen stroomden--stroomden. Elk hunner bracht iets bij tot zijn afkeer van de hartelooze, verdorven maatschappij die hem omgaf zonder dat hare wateren en die van zijn wezen zich waarlijk vermengden, elk hunner bracht iets bij tot zijn hunkeren naar levensvernieuwing, levensreiniging. Diep in hem, in 't warme nest van het onderbewuste, groeide het jong broedsel zijner gedachten, vogels die weldra zouden uitvliegen op breede vlerken, en uitzweven boven die poelen van pestilentie, en velen, velen meevoeren naar hoogten, waar men weer ademen kon.

III. DE EERSTE FANFAREN.

Men schreef het jaar 1749; een jaar van zengende gloei-hitte, die de velden verschroeide. Aan het hof was men vrolijk en speelde komedie, er werden vele nieuwe, groote en kleine, lustverblijven gebouwd. Door het land raasde de honger; nu hier, dan daar, maakte de wanhoop der boeren zich lucht in plaatselijke opstanden. Maar zulke opstanden verontrustten de heerschers weinig, die uitgemergelde scharen zonder samenhang, zonder leiding, waren niet gevaarlijk; gevaarlijk was alleen Parijs.

De hoofdstad zoemde als een vertoornde bijenkorf, er hing in haar een broeiïng van revolutionair verzet. Eerst waren de groote wetenschappelijke voorvechters der nieuwe ideeën begonnen de oude wereld te bombardeeren met dikke geleerde werken: in '48 was Montesquieu's "Esprit des Lois" verschenen; in '49 kwamen de eerste drie deelen uit van Buffons "Histoire Naturelle," een grootsch-opgezette geschiedenis van de aarde en het leven op haar, lijnrecht ingaande tegen het bijbelsch scheppingsverhaal. Onder het groote publiek drongen deze diepzinnige geschriften eerst langzaam door, het greep gretig naar het geharnaste proza der pamphletten, hun nijdig gezoem vulde de lucht. Het oude regiem voelde zich reeds verloren, de grond ontzonk hem; van nu af aan volgt de regeering geen algemeene lijn meer. Nog veertig jaar lang zal zij zwalken tusschen toegevendheid en gestrengheid, hervorming en reaktie, nù onderdrukken, dàn weer de teugels vieren, zonder iets anders te bereiken als haar vijanden te prikkelen door 't eene, stoutmoediger te maken door het andere.

In dien zomer van '49 en de jaren daarna woei een wind van reaktie, men nam gevangen, vervolgde, trachtte de oppositie den kop in te drukken. In de provincie waren de gevangenissen overvol. Men kon de gevangenen niet naar Parijs dirigeeren, want ook in de hoofdstad waren de kerkers opgepropt. Gedurende de maand Juli had men een razzia gehouden onder de intellektueelen, de eigenlijke leiders van het verzet: de regeering wilde een grooten slag slaan.

Vele letterkundigen, publicisten, geleerden, leeraars en geestelijken waren in hechtenis genomen; sommigen werden beschuldigd van verzen te hebben gemaakt tegen den koning, anderen te hebben geschreven tegen het ministerie, weer anderen tegen de goede zeden en vóór het deïsme.

Onder de gearresteerden bevond zich Diderot: hij had in zijn "Lettre sur les Aveugles," (Brief over de Blinden) een populair philosophisch werkje, een onvoorzichtigheid geschreven, waardoor een prinses zich beleedigd achtte.[26]

Hij werd naar Vincennes gebracht en in den toren van het kasteel opgesloten. Een maand lang bleef hij "au secret;" niemand werd bij hem toegelaten. De magistraat die hem kwam ondervragen ontving hij, zegt d'Argenson, met den trots van een fanaticus, dat wil zeggen met de hoogheid die den revolutionairen strijder betaamt.

De gevangenneming van Diderot in dien tijd van zenuw-spannende maatschappelijke onrust, gaf aan Rousseau een ontzettende schok. Heel zijn wezen kwam in opstand tegen de tyrannieke willekeur die hem den vriend ontroofde; zijn ontstelde verbeelding tooverde hem de ergste dingen voor: hij zag Diderot in den toren van Vincennes voor zijn geheele leven. In zijn radeloosheid wendde Rousseau zich tot Mme de Pompadour; hij smeekte de machtige gunstelinge te willen bewerken hetzij dat Diderot werd vrijgelaten, hetzij dat hij, Rousseau, de gevangenschap van zijn vriend deelen mocht. Er kwam natuurlijk geen antwoord op zijn smeekbrief. Maar al spoedig werd Diderot's gevangenschap verzacht, hij mocht zich vrij in het kasteel en het park van Vincennes bewegen en zijn kameraden werden tot hem toegelaten.

Welk een vreugde voor Rousseau den gevangen vriend te mogen bezoeken! Driemaal in de week legde hij, in de gloeiende middaghitte, den langen, haast schaduwloozen weg van Parijs af naar Vincennes; soms kon hij niet verder en viel, overmand door vermoeidheid, op den geblakerden grond neer. En gaande in de brandende zon of terugkeerend in den nog broeirigen avond, na 't samenspreken met den vriend, die, onversaagde strijder gelijk hij was, in zijn gevangenschap 't plan tot de koncentratie aller revolutionaire wetenschappelijke krachten in de Encyclopédie uitwerkte, groeide in Rousseau verbittering en haat tegen de machtigen en rijken en hun verkankerde maatschappij, tegen de valsche glans dier wereld waar een stank van verderf en ontbinding uit opsteeg, groeide onweerstaanbaar verlangen naar een nieuwe gemeenschap van eenvoudige harten en simpele, doorzichtige levensverhoudingen. Hij was in gisting, gelijk alles om hem heen in gisting was.

Het gebeurde dat hij op een dag, al gaande, bladerend in een nieuwsblad, de "Mercure de France," om de verveling van den weg te bekorten, toevallig de prijsvraag las, kort voordien door de Akademie van Dijon uitgeschreven: "Heeft de vooruitgang der wetenschappen en kunsten bijgedragen de zeden te verbeteren of ze te bederven." En plotseling, voor hemzelf gansch onverwacht, barstte een geweldige orkaan los door de bergen en dalen zijner ziel; zijn hart bonsde, zijn tranen vloeiden; hij merkte 't niet. Uit de warme vruchtbare verwardheid van de ondere zielsfeeren, maakten gedachten zich los in hem en stegen tot 't bewuste, met zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit 't diepst-van-'t-woud.

Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit de opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het Gezicht opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de afschuwelijkheid van de uitbuiting en de ellende van druk en slaafschheid beseffen; gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de verdrukkers en liefde voor de verdrukten, dat zij beven van hitte en kou, liefde en haat in eenen,--zoo was hij. En gelijk voor die dichters en droomers dan het lichtverschiet openwaait van een ander leven dan van willekeur der grooten en verdrukking der kleinen en strijd van allen tegen allen, een leven van vrede en broederlijke liefde en zachte aanhankelijkheid; en zij de armen uitstrekken daarheen en 't heerlijk visioen aanroepen, dat 't blijve, sidderend van verlangen--zoo deed hij.

Maar wanneer voor ons die nu leven, ons gelukkigen, 't Gezicht op het nieuwe leven opengaat, dan gaat tevens open zijn wording uit het tegenwoordige en 't Beeld der Communistische Toekomst rijst, vast en klaar in groote trekken, kind van den Arbeid en van den Strijd. En ook rijst 't Gezicht van de scharen der strijders, millioenenhoofdig, zooals zij optrekken door alle wereldsche landen, hun wilskrachtige, hoopverlichte gelaten bestraald door zon van zekerheid. En dan doortrilt de opperste vreugd van deze tijden, de vreugd van de makkerschap der Toekomststrijders, het sidderend dichterhart.

Maar de groote droomer, die in den gloeienden zomerdag op den weg naar het slot van Vincennes, overweldigd door zijn vervoering, was neergezonken onder een eikeboom, hij zag geen nieuw leven zacht en schoon opbloeien uit het oude; hij zag zijn sociale idealen niet opschemeren uit de heldere omtrekken der wordende maatschappij. Wel zag hij een wereld in wording, maar voor haar voelde hij een gelijke afschuw als voor de werkelijkheid die hem omgaf; zij was immers essentieel dezelfde, haar wezen evengoed onrecht, verdrukking, sociale ongelijkheid, verfijnde genietingen voor de kleine minderheid ten koste van de ellende der groote massa. Hij zag de werkelijkheid niet groeien naar zijn Ideaal, naar de demokratie van kleinburgers en boeren. En daarom stond zijn Ideaal-wereld niet helder, uit één stuk gegroeid, tegen den horizon, maar rees, een vreemde massa uit vele bestanddeelen opgebouwd. Aan hoop en herinnering en fantasie ontleende hij hare vormen; aan de verbeeldingen der grieksche en romeinsche gemeenschappen sedert zijn jongensjaren spokend door zijn hoofd; aan de diepgeprente indrukken zijner kindsheid; aan de zachtgetinte jeugdherinneringen van het patriarchale landleven onder de "Naturalwirthschaft," dat in de achterlijke berglanden van Zwitserland en Savoye hier en daar nog voortbestond; aan de beschrijvingen van reizigers, die in verre landstreken getroffen waren geworden door de zuivere zeden, de moreele kracht en zelfbeheersching, de waardigheid, makkertrouw en gastvrijheid van barbaarsche stammen. Zoo waren in zijn ideaal-wereld de trekken saamgesmolten van vele anti-kapitalistische, voor-kapitalistische ontwikkelings-trappen der menschheid. Maar wat in de eenheid die hij uit veelheid vormde overheerschte, was toch het klein-burgerlijk wezen eener maatschappij, gegrond op kleinbedrijf en handwerk, een maatschappij van kleine bezitters, boeren en ambachtslieden. Dat elke trek van communisme daarin ontbrak was natuurlijk.

Evenmin als de vreugd van een Ideaal, opgroeiend uit de werkelijkheid, voelde hij de vreugd van strijd-makkerschap.

Hij werd gerekend te behooren tot de philosofen, hij diende onder hun vaandel, maar hij diende met een half hart. De strijd dien zij voerden ging immers niet om zijn idealen, niet voorbehoudloos en zonder aarzeling, tegen de wereld van onnatuur, uiterlijke glans, innerlijke verrotting, die hij haatte. Zij zaten immers aan die wereld vast, want zij waren de voorvechters der groote bourgeoisie, der finantiëele. De strijd die de groep wier klasse-bewustzijn zich in hun ideeën spiegelde, voerde, was er een van uitbuiters tegen uitbuiters, van verdrukkers tegen verdrukkers, van weelde-menschen tegen weelde-menschen, van de heerschers van morgen tegen de heerschers van vandaag. Wat hij wilde, wat hij als maatschappelijk Ideaal zag opglanzen, een samenleving zonder uitbuiting en zonder verdrukking, zonder weelde en zonder verfijnd genot, dat wilde niemand onder die glanzende strijders, stormloopers op domheid en willekeur, die voorvechters van wettelijkheid en wetenschap, die wegbereiders der moderne bourgeoisie. Zulk een maatschappij zouden enkel de groote scharen der boeren en arbeiders en kleinburgers willen, voor haar zouden zij leven en sterven, voor haar vechten en dooden in den revolutie-tijd. Maar nu lagen zij nog gekromd onder het juk der verdrukking, stom en dof. Zijn stem eerst zou ze wekken tot verzet, tot bewustheid.

Zwaar is het lot van den mensch die tot taak kreeg te wekken de slapenden. Zwaar, immers hij is makkerloos.

Toen zijn vervoering een weinig bedaard was stond hij op, nat van tranen. Twaalf jaren lang brandde in hem de gloed van het enthousiasme, opgevlamd in dat uur. Hij had de gouden eeuw aanschouwd, het Heil der Menschheid had hij aanschouwd: dat waar te maken op aarde zou nu zijn leven zijn.

Hij ging tot zijn vriend, nog trillend van opwinding, vertelde hem over den prijsvraag en vroeg zijn raad. En zij bespraken samen, als vrienden en strijdmakkers plegen, wat hij schrijven zou.[27]

Uit kracht van alles, wat hem aangeboren was, en van alles wat het leven in hem tot ontwikkeling gebracht had, schreef hij zijn eerste "Discours." Zijn lange gegriefheid om de verongelijkingen hem aangedaan; zijn opgekropte geprikkeldheid tegen de geleerde, sierlijke, geraffineerde, verdorven en dorre wereld waarin hij zich nooit had thuisgevoeld; zijn oude liefde voor de natuur en voor de vaderlijke zeden, voor het sober onafhankelijk bestaan van den handwerksman; zijn meegevoel met de armen en verdrukten, met de eenvoudige harten die de groote oude waarheden wisten en in praktijk brachten waardoor de wereld leeft: arbeid, trouw, wederzijdsch hulpbetoon; zijn haat tegen een maatschappij, die kennis en genot voor enkelen slechts bereikte ten koste van de verdierlijking der groote massa en de zedelijke ontaarding van allen;--alles wat hij doorleefd en ervaren en gepeinsd had in zijn veelbewogen bestaan verbond zich tot ééne, van gevoel doorklonkene, levensconceptie. Hij spuwde de beschaving uit die de massa veroordeelde te kruipen in ellende, die allen de slaven der zonden deed zijn. Hij spuwde de kunst uit, "het kind van verslappende weelde;" hij spuwde de wetenschap uit, "het kind van ontzenuwenden lediggang."

Het was een nieuwe stem die zich uitstortte over de verbaasde maatschappij, een rauwe ongeoefende stem nog, maar hoe machtig van plechtigen ernst, hoe bewogen van innerlijk leven! Het was de stem van den linkschen plebejer, den ongepolijsten kleinburger, die de gladde hoffelijkheid waaronder de groote wereld zelfzucht en roemzucht en ijdelheid en moreele verdorvenheid bedekte, altijd had gevoeld als vijandelijk en haatbaar. Het was de stem van den gemoeds-mensch, uitbrekend in opstandigheid tegen het juk van hoogmoedig kritisch intellektualisme, dat alle geheimen driest ontkende, stellend tegenover de matelooze zelfverheffing der rede, den lof der bescheiden aan God welgevallige onwetendheid. Het was de stem van den patriot, den minnaar van Frankrijk, die vol verdriet haar ouden roem zag tanen, haar leger aangevreten worden door verwijfdheid en verslapping, die waarnam dat een vervallend régiem "nog wel geleerden en kunstenaars kan voortbrengen, maar geen burgers meer." Het was de stem van den individualist, opkomend tegen "de lage en bedriegelijke eenvormigheid der moderne beschaving." Het was de stem van den Boetprediker die tegenover de waardemeters dier dagen: fortuin en titels, geest en talenten, andere meters stelde: burgerdeugden, een zuiver hart, reine zeden, liefde voor het vaderland; de meters van eenvoudige arbeidzame lieden met onbedorven bloed. Het was de stem van den handwerksman, den _reaktionairen_ kleinburger, die niets voelde van Diderot's verrukking voor de verbetering der techniek en de toepassing der wetenschap op de produktie; intuïtief begrijpend dat door haar zou ondergaan wat hij het schoonst en lieflijkst achtte op aarde: het kleinburgerlijk gezinsleven. Het was de stem van den _revolutionair_, den voorvechter van massa's die niets te verliezen hadden bij een gewelddadige breuk met het verleden, die sterk zouden zijn door verachting voor het historisch-gewordene, die zouden overwinnen door de negatie van dien voozen glans en die onheilspellende schittering, opstijgend uit een maatschappij in ontbinding.--Ja, het was wel de stem der kleine burgerij, dier raadselachtige klasse, raadselachtig voor wie niet haar wezen ziet als het gevolg van haar positie in de produktie-verhoudingen; dier klasse gedoemd gelijktijdig reaktionair èn revolutionair te zijn.

Het boekje maakte zijn schrijver met één slag beroemd. De letterkundigen prezen den stijl; de philosophen apprecieerden de koenheid van denken; al schudden zij het hoofd over de aanvallen op de wetenschap, zij bleven Jean Jacques toch beschouwen als een der hunnen, ietwat een zonderlinge bondgenoot maar toch welkom om zijn ruige kracht. Wat hem zelf aangaat, hij had beloofd aan de Encyclopédie mee te werken en schreef daarin de artikelen over politieke economie en muziek. Het groote publiek beschouwde de "Discours sur les sciences et les arts" (Redevoering over de kunsten en wetenschappen) als een briljante paradox tegen de beschaving--een welkome afwisseling van zijn gewone lektuur.

Hij kreeg een heele sleep polemieken, waaronder één met den koning van Polen, en antwoordde in verscheiden brochures. Hij hield voet bij stuk en gebruikte de gelegenheid om verscheiden punten, o.a. zijn ideaal van maatschappelijke gelijkheid duidelijker uiteen te zetten. "De weelde bederft alles," luidt het in zijn "Antwoord aan den koning van Polen," "zoowel de rijkaard die er van geniet, als de ellendige die haar begeert." "De weelde" (in het "Antwoord aan den heer Bordes") "moge noodzakelijk zijn om aan de armen brood te geven; maar zoo er geen weelde bestond, zouden er ook geen armen bestaan." En als noot hierbij: "De weelde voedt honderd armen in de steden, maar doet er honderdduizend sterven op het platte land.... Het verspillen der grondstoffen die den mensch tot voedsel dienen maakt alleen reeds de weelde haatbaar. Er moet vleeschextrakt zijn in onze keuken, daardoor hebben zoo vele zieken geen bouillon. Er moeten likeuren zijn aan onzen disch, daarom drinkt de boer slechts water. Er moet poeder zijn voor onze pruiken, daarom hebben zooveel armen geen brood."

