# Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken

## Part 3

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/jean-jacques-rousseau-een-beeld-van-zijn-leven-en-werken-12009/index.md

Maar niet kende hij door haar den zinnenroes der eerste liefdesbedwelming. Integendeel, die ontging hem door haar, want in de dagen van zijn hoogsten hartstocht was hij een knaap die haar niet durfde naderen; en toen zij zich gaf, na jaren, schrok zijn lange vertrouwelijkheid en kinderlijk-volgzame aanhankelijkheid huiverend terug, als omhelsde hij in minne zijn moeder.

Zij was wel een wonderlijke achttiend'eeuwsche heilige. Kuischheid beschouwde zij als een vooroordeel: dat had een vroeger minnaar haar geleerd, en zij vond het een gemakkelijk beginsel. Haar hart was warm en zacht, haar zinnen waren koud; zij gaf zich aan de afhankelijke jongelieden uit haar omgeving die haar begeerden niet uit hartstocht, maar om hun te believen, haast achteloos. Alleen moesten die liefden voor de menschen verborgen blijven: zoo eischte het de welvoegelijkheid, haar maatschappelijk aanzien. Daaraan hield zij zich streng. Zij bezat een verwonderlijke levenskracht, haar ondernemingsgeest schuimde telkens over; een levendige verbeelding, zich richtend op allerlei onmogelijke plannen, sleepte haar mee. Gedurende haar huwelijk met den edelman de Loys had zij een kousenmanufaktuur opgericht en was in schulden en in groote verlegenheid geraakt: zij redde er zich uit door van Vevey over het meer naar Evian te vluchten, waar zij zich den koning te voet wierp. Spoedig volgde haar bekeering.

Wat heeft zij in haar lang leven al niet overhoop gehaald! Toen Rousseau bij haar inkeerde, was de bereiding van geneesmiddelen uit bergkruiden haar stokpaardje; zij kookte den lieven dag lang, en hij moest alles proeven, of hij wilde of niet. Later kwam de alchemie aan de beurt, en daarna de kousenfabriek, manufakturen van chocolade, van zeep, van aardewerk. En eindelijk allerlei mijnondernemingen in de bergen van Savoye, ijzer, steenkool, ook een hersenschimmige goudmijn; om ze te exploiteeren richtte zij verscheidene naamlooze vennootschappen op. Wat al plannen, wat al onrust, wat al menschen die haar oplichtten of dien zij geld afzette, wat al intrigues en natuurlijk wat al mislukkingen, wat al tegenslagen. Arme barones, zooveel verknoeide energie, en aan het einde de finantiëele ruïne en de moreele ondergang, na jaren van al nijpender schulden en al dreigender gebrek.

En toch ... bij die onrustige plannenmaakster was voor Rousseau de rust, de uiterlijke en innerlijke, te vinden. Hij had een beschermer noodig die hem brood gaf, hij had ruimte en tijd noodig om uit te groeien, zichzelf te worden, zich te bezinnen, kennis te vergaren; en de banden der liefde waren de eenige, die hij velen kon. Alle andere scheurde hij stuk in opwellingen van onafhankelijkheidszin en ongeduld. Zonder haar ware hij in landlooperij te gronde gegaan, om toch maar vrij te wezen. Zij was de zachte lamp, die altijd brandde, de goede herberg waar hij verkwikking vond voor zijn lichaam, zijn hart en zijn geest.

Hij, eenvoudige burgerknaap, zóó gesprongen uit het zwarte hol van zijn leertijd, had haar 't eerst gezien omgloried door vrouwelijke bekoring en wereldsche superioriteit. En die eerste indruk bleef, werd tot fundament van het gebouw zijner gevoelens. Hij zag haar in schoonheid, in verheerlijking--dat is, in diepste waarheid, de waarheid die enkel de oogen der liefde zien. Hij zag de beste mogelijkheden van haar vrouwenaard, het geduld en de mildheid, die altijd weer vergaven en vertrouwden; de speelsche gratie, die alle hardheden van dood en leven effen streek; de aandoenlijke zachtheid, die door alle verwringing van onrust klonk, en vrede-verspreidend rond haar een sfeer maakte van harmonie. Zoo zag hij haar, zoo zoog hij haar in zich, zoo hield hij haar vast en deed haar leven voor latere geslachten in bekoorlijke tafreelen van de dagen van zijn gelukkigen, door háár gelukkigen jongelingstijd.

Eerst gaan hun wegen nog uiteen, een poosje. Zij stuurt hem naar Turijn, om bekeerd te worden. Gewillig gaat hij over de bergen, dol van zwerverslust. Waar is de gloed van geestdrift gebleven, die door zijn kinderjaren vlamde voor het geloof der vaderen en de vrijheid? Katholiek-worden beteekent met alles breken, zijn plaats verliezen in de burger-gemeenschap, zijn kinder-ideaal verloochenen. Maar zijn zedelijk leven is in de jaren van zijn leerling-zijn verslapt; de zedelijke gloeden van het kind zijn ondergegaan in den knaap, verstikt door heete begeerten van liefde, van roem, door ijdelheid en eerzucht. Eens zullen zij weer opleven: het kind is vader van den man. Nu denkt hij alleen aan de vreemde landen en prachtige steden die hij zien zal en aan de schoone vrouw wier wil hij gaande, doet. Zoo blijft hij immers toch aan haar verbonden, haar beschermeling. Vrijheid zweeft voor hem uit, aanhankelijkheid verwarmt zijn hart: de wereld schiet vol van een nieuwe schoonheid, rijk en zinnig staat elk ding te pralen: droomend, genietend, juichend, maakt hij zijn Alpen-tocht en komt te Turijn.

Daar, de ontgoocheling; begin van eenzame ellende en vernedering. Hij wordt toegelaten tot het gesticht, achter hem sluiten de zware deuren zich knarsend: de vogel is geknipt. Hij vindt er arme schooiers als hij is, maar ook sinistere gezellen, uitvaagsel van alle landen, die het bekeerd-worden als ambacht bedrijven. Hij wordt zich de lafheid bewust van wat hij gaat doen: om brood van geloof veranderen. Hij stribbelt tegen, tracht de priesters die hem onderrichten in 't nauw te brengen met argumenten uit de kerkgeschiedenis en den katechismus. Wat kan het geven? Hij zou een reus hebben moeten zijn aan zedelijke kracht, een man van ijzeren wil, om nu nog los te breken. Als katholiek verlaat hij, na vier maanden van kwelling, het gesticht. Ach, en hij had zulke schoone droomen gedroomd, toen hij de stad binnenkwam en zijn oogen hief tot de paleizen, hij had verwacht dat het buitensporige nu waar ging worden. Die in het klooster gaven hem twintig francs, het bedrag eener voor hem gehouden kollekte, en zetten hem op straat.

Hij zwerft door de stad, genietend haar residentie-pracht en de weergevonden vrijheid; voor een stuiver per nacht vindt hij onderdak bij de vrouw van een soldaat. Hij probeert wat te verdienen met graveeren, zoo goed en kwaad als 't gaat. Zoo komt hij in aanraking met een mooie hupsche italiaansche winkeliers-vrouw en wordt natuurlijk verliefd; de schoone moedigt hem zoetjes aan, maar hij is te verlegen, en eer 't tot een avontuurtje kan komen, snijdt de bramarbas van een echtgenoot alles af.

Zijn grootste genot in die dagen is het bijwonen van de mis. Het streelt zijn ijdelheid in de kerk samen te zijn met den vorst en zijn hofstoet, maar dat niet alleen. De kerkelijke kapel van den koning van Sardinië was wijd en zijd beroemd om haar voortreffelijkheid; de pracht der italiaansche kerkmuziek, heerlijk uitgevoerd, overstelpt hem, muziekhartstocht wordt wakker vele jaren eer de schrijvers-drang ontwaakt.

Zijn geld raakt op; zijn kostvrouw bezorgt hem eindelijk een postje: hij wordt lakei bij een oude zieke adellijke dame. Na drie maanden sterft zij. Haar dood geeft aanleiding tot een voorval in zijn leven, dat nietig op zich zelf, bewijst hoe klein de zedelijke kracht is in den jongeling. Hij ontvreemdt een zijden lint en als de diefstal uitkomt, geeft hij, in verwarring en valsche schaamte, de schuld aan een keukenmeisje, een goed onschuldig kind, die hem nooit iets had gedaan en die hij in 't minst niet slechtgezind is. Vele jaren lang vervolgt hem het berouw over die slechte daad uit zwakheid; als hij haar biecht in de "Confessions", schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn aanleg, bazuinen zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit.

Hij krijgt opnieuw een dienstbetrekking bij aristokraten, en verlieft op een der freuletjes die hij bedient. Door een toeval komt aan den dag dat zijn opvoeding en ontwikkeling meer zijn, dan van een lakei te verwachten valt. Zijn heeren blijken hem genegen; de zoon van den graaf, een geestelijke, geeft hem latijnsche les, en gebruikt hem als sekretaris, zoo leert hij zuiver italiaansch. Een ander geestelijke met wien hij bekend wordt, een jonge man van wijde gedachten en grooten levensernst, zeer zachtmoedig en verdraagzaam, stelt belang in hem, geeft hem goeden raad, tracht zijn naïeve, onstuimige bewondering voor de ijdelheden der wereld te temperen. Later rijpen die zaden en dragen dubbele vrucht: zijn gemoed aanvaardt ze als levens-waarheid, zijn verheerlijkende verbeelding herschept de herinnering van den zacht-peinzende jongen priester tot de groote gestalte van den "Vicaire Savoyard," figuur die een zeer belangrijke faze verpersoonlijkt in de ontwikkeling van het godsdienstig denken.

Zijn toekomst schijnt verzekerd: het geslacht der Gouvon's behoeft in hun diplomatieke carrière een begaafden, schranderen, eerzuchtigen jongeling gelijk Rousseau tot vertrouwd sekretaris. Maar hij breekt weer los.

Een landgenoot duikt op, een vrolijke snuiter; voor den jongen avonturier krijgt hij een van die onweerstaanbare bevliegingen waaraan toe te geven hem in 't bloed zit. Hij wil, hij moet met Bâcle mee, hij moet weer zwerven; hij verwaarloost zijn plichten bij den graaf om toch maar weggejaagd te worden en is dol blij als hem dit lukt. Met zijn nieuwen vriend trekt hij de wereld in: beide zijn overtuigd door 't vertoonen van een "wonderfonteintje," dat wijn uitspuit nadat 't schijnbaar met water gevuld is, gouden bergen te zullen winnen.

Een paar weken geniet hij 't vrije onbezorgde zwerversleven, dan raakt hun geld op en trekken de jonge dwazen op Annecy aan; daar gekomen, neemt hij afscheid van zijn vroolijken metgezel en ijlt naar Mme de Warens. Zijn hart klopt van vrees, door haar afgewezen te worden; niet de armoede ducht hij, maar haar afkeuring van zijn dolle streek. Zij ontvangt den "arme kleine" met een glimlach en een meedoogend woord; een bed wordt voor hem gereedgemaakt; zijn zwerftochten zijn niet ten einde, maar in de tien volgende jaren zullen hun levensstroomen zich altijd weer vermengen en haar dak zal zijn tehuis wezen, telkens weer.

Nu begint voor hem de reeks der zoete dagen waarvan hij vele jaren later getuigde, dat zij de eenigen in zijn leven geweest waren, waarin hij gansch zichzelf kon zijn. Zijn wezen dat elke dwang, elke verplichting verafschuwde en ondragelijk gevoelde, gedijde, want de band die hem bond was liefde, dat is vrijheid; zachte volle vrijheid die rondom hem veerde, altijd meegaf, een donzige wolk.

Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te worden, de liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn binnenste bevrozen, alles kil en doods. De liefde voor vrouwen gelijk hij die meermalen gevoelde, niet als onstuimige hartstocht maar als zinnelijke verteedering en teedere zinnelijkheid, maakte de krachtstroom in hem levend, joeg dien door zijn bloed, door zijn hart, door zijn hersens, verscherpte de doezelige omtrekken zijner verbeeldingen, ontwarde de vervlochten slingeringen zijner gedachten. Slechts eenmaal in zijn leven schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid. Wat hij toen schreef werd hol en retorisch, van een gloed die niet verwarmde.

In zijn herinnering bleef de liefde van zijn jeugd, die van nu af aan wast in zijn hart en een tijdlang alles opeet, voortleven, niet als passie, onrust van begeeren, maar als teedere aanhankelijkheid, zachte overgave, volheid van rust en vertrouwen. Zijn liefde voor Mme de Warens was een dier grensgevoelens waarin al wat menschelijke affektie teeders heeft, zich vermengt. En zulk een liefde te gevoelen zonk in hem als de hoogste gelukzaligheid. Wie slechts de hartstocht der liefde kent, heeft hij getuigd in de "Bekentenissen", kent niet de zachtste zachtheid des levens. "Ik ken een zachter gevoel, minder onstuimig misschien, maar duizendmaal heerlijker, dat somtijds wèl, somtijds nièt samengaat met liefde-hartstocht. Enkele vriendschap is dit gevoel niet, het is teederder; ik kan mij niet denken, dat 't zou bestaan voor een wezen van hetzelfde geslacht. Want zoo iemand een goed vriend is, ben ik dat en toch heb ik voor wien ook mijner vrienden nimmer dit gevoeld."

Het zoete schemergevoel tusschen vriendschap en liefde, dat 't hart niet doet zich verteren in verlangen, maar zacht en welig uitzetten als een vrucht in zomertijd, was 't sterkste element, 't wezenlijke in de liefde van Rousseau voor Mme de Warens. Dit gevoel deed hem groeien.

Daarom is het lieftallige maar vlakke wezen dat hem nooit begreep, in de tien jaren dat hij van jongeling tot man rijpte, de groote vormende kracht in zijn leven geweest. Zij ontbolsterde den schuwen knaap, polijstte den verwilderden zwerver, leerde den houterigen burgerzoon goede manieren en korrekt fransch. Zij gaf hem wat zij zelve bezat aan weten, een weinig oppervlakkige kennis van de fransche filosofie en literatuur van den tijd, en van de opkomende burgerlijke engelsche prozaliteratuur, zooals Addison (in vertaling). Zij gaf hem het vernisje van wereldwijsheid dat zij zelf had verworven door een beetje lezen en ervaring en in gesprekken met mannen van eenige ontwikkeling, zooals er te vinden waren onder den adel van Savoye. Het was alles niet veel, maar hij kon ook niet veel verdragen, hij was nog zoo rauw en ongevormd. Maar het maakte hem toch geschikter om na eenige jaren van langzaam rijpen, de geestelijke beweging van zijn tijd zelfstandig in zich op te nemen en te verwerken. En zij gaf hem haar eigen geloof dat zoo wel bij zijn weekheid paste: het zachtaardige, poëtisch milde, vage christendom van Fénélon waarin haar faciele natuur zich behagelijk neervleide als in een donzen bed. Het piëtisme was al voor het begin der eeuw van uit Duitschland naar Zwitserland overgewaaid en Mme de Warens had als meisje een zijner voornaamste apostelen leeren kennen en was door hem beïnvloed geworden. De leer die het gevoel, de innige liefdes-verhouding tot God verheerlijkte tegenover de uiterlijke werken, de daden, moest haar wel behagen, het was immers een vrijbrief voor haar zwakheden en een verheerlijking van haar eigen liefde-warme hart. Rousseau zoog die gedachten in zonder hun oorsprong te kennen; het makkelijk-vloeiend geloof van haar ondiepe gratie verinnerlijkte en verdiepte zich in de donkere gewelven van zijn gemoed.

En met de teerheid en zachte levenshouding en oppervlakkige kennis die hij inzoog en die een deel van hem werden, deed hij het ook de schoonheid der omgeving waarin hij deze jaren leefde; het oude voorname stadje dat met de guirlandes van arkaden langs zijn straten, zijn middeleeuwsche torens en stille, in 't meer mondende kanalen een provinciaalsch-verkleind Venetië scheen, en de natuur waarin de bekoorlijke bloem van dit stedelijk schoon gegroeid was. Van uit zijn kamer zag hij het vruchtbaar dal dat achter de stad zich strekte en de hellingen der heuvels daarachter zich welven en de flauwe lijn van den bergrug in het noorden die den horizon sloot, een lange kam tegen de gouden bleekte der avond-lucht. Hoeveel zachter was dit alles dan Genève, hoe innig en klaar! En als hij liep aan het parelend meer, onder de hooge peppels en platanen, zag hij de romantiek der bergen: woeste rotstinnen en besneeuwde toppen links en rechts het meer omsluiten en op den achtergrond de bergkoulissen over elkander schuiven. Het landschap was wijd, en toch omsloten; zwitsersch-groots, en liefelijk als Italië, een bad van vrede en harmonie.

Dit land werd één met zijn ziel en één met zijn liefde. Had hij niet langs de hellingen dwalend en peinzend van zachte verrukkingen geduizeld, en het alles-etend verlangen hem voelen overstelpen van altijd met de geliefde saam te zijn? Want zij waren toen nog dikwijls gescheiden. En toen hij later droomen schiep, schoone verbeeldingen van liefde, zag hij ze gebeuren aan bergen en aan een meer.

Mme de Warens dacht veel na tot welk beroep haar beschermeling viel op te leiden. Hij was haar in huis misschien ook wel wat lastig, om de verhouding met Claude Anet. Zij liet hem examineeren door een kennis, en de uitspraak luidde, gelijk zij in Genève geluid had: de knaap is zeer zwak begaafd, beperkt van geestvermogens. Hoogstens, meende de ondervrager, kon hij het brengen tot dorpspastoor. Zij sloten hem op in 't seminarie boven de stad; opnieuw geknipt, dorstte hij weer naar de zoete vrijheid. Hij deed zijn best maar bleek te hardleers. Hij kon niet leeren van anderen, allerminst door dwang; alles moest hij zelf verwerken, maar dit wisten zijn meesters natuurlijk niet. Hij werd weggestuurd en kwam weer thuis. Toen probeerde zij wat anders: deed hem aan huis bij den kapelmeester van de kathedraal, om voor den koorzang opgeleid te worden. Zijn vorderingen waren niet heel groot, maar muziek verrukte hem, hij voelde zich in die atmosfeer volkomen gelukkig en studeerde ijverig, tot ieders tevredenheid. Nu was hij ook niet afgesneden van de liefste, zooals in 't seminarie: de zangschool voor de koorknapen lag tegenover haar huis, hij kon dagelijks met haar verkeeren. Maar ongelukkig kreeg zijn meester twist met een kanunnik; de prikkelbare musicus voelde zich beleedigd en besloot Annecy heimelijk te verlaten. Toen Mme de Warens merkte, dat zij hem niet kon terughouden, was zij hem behulpzaam bij zijn vlucht en wenschte dat Rousseau den huisvriend zou vergezellen. Deze gehoorzaamde, maar toen de arme musicus in Lyon op straat door een aanval van vallende ziekte werd getroffen, krijgt opnieuw een van die plotselinge opwellingen, waartegen de jongeling niet geleerd heeft te strijden, macht over hem: hij holt weg, zonder zich verder om den zieken meester te bekommeren. Als een duif naar zijn nest, vliegt hij naar Annecy terug, maar Mme de Warens is verdwenen; de eene of andere politieke intrigue waarnaar Rousseau haar nooit gevraagd heeft, riep haar naar Parijs. Hij verwijlt nog een poosje in Annecy, zonder bezigheid en zonder middelen. In dien tijd van doelloos onrustig leven valt hem in den schoot een dier schaarsche dagen van volkomen gouden geluk, wier herinnering nooit in den mensch verloren gaat. Twee gestalten zweven door dien dag, lieflijke meisjesgestalten, de eene teeder en peinzend, de ander meer lachend-schalks, beide aanbiddelijk. Hij gemoet hen, schoone rijdsters in den vroegsten morgen, eer de zon nog op is in het nauwe dal. Hij helpt hen over de beek, zij lachen met hem, zij schertsen, zij vragen hem mee. Achter de eene stijgt hij te paard, zijn armen omvatten haar leest, hij beeft van verrukking. En dan die rit door den zomermorgen, bloeiend van zon en geur en vogels; en aan het doel van den tocht gekomen, het kostelijk landelijk maal in de schuur van het kasteel, en daarna in den boomgaard het kersen-eten, die hij plukt en hun toewerpt, fijntjes mikkend. De lange dag van morgen tot avond één bekoring; vol, vol van geluk als een zomerwolk van glans. En alles in onschuld en zoete eerbaarheid. Heerlijk zinkt de herinnering in zijn gemoed, warm en zilv'rig; zij leeft voort en rankt en rankt in 't onbewuste, tot zij, als de tijd gekomen is, weer zal stijgen in 't licht, en haar draden spinnen door dit lieflijk droomweefsel, het vriendinnen-paar Claire en Julie.

Nu begint voor Rousseau de laatste en ergste zwerftijd, alles vloeit door elkander, zijn leven verwart zich als een kluwen. Hij geleidt de kamenier van Mme de Warens, een hupsch meisje en hem genegen, terug naar Fribourg en zoekt onderweg zijn vader op. In Lausanne geeft hij zich uit voor musicus en krijgt enkele lessen; naar het voorbeeld van een muzikalen avonturier dien hij in Annecy had leeren kennen en geweldig bewonderde, neemt hij een andere naam aan en doet de dolste dingen: met een overmoed die zweemt naar verstandsverbijstering, laat hij, den muziek nog bijna geheel onkundige, een "kompositie" van zijn hand voor orkest uitvoeren, ware kattenmuziek. Door bittere armoe gedwongen, schrijft hij aan zijn vader, vraagt hem om hulp. De horlogemaker eischt, dat zijn zoon tot het protestantisme zal terug keeren; dat weigert hij. Nu zwerft hij een poosje rond met een oplichter die zich uitgeeft voor een griekschen monnik, naar West-Europa gekomen om te kollecteeren voor het Heilige Graf. Links en rechts vraagt hij hulp. De fransche gezant in Berne bezorgt hem een postje te Parijs als oppasser van een jongen officier, een kolonels-neefje; hij gaat er met zijn meester heen, vindt de stad vies, zwart en morsig, breekt weer los en keert te voet, heel oostelijk Frankrijk door, terug naar Savoye. Heerlijk zwerft hij, zorgeloos genietend, arm als een muis, vroolijk als een vogel en als een dichter rijk van gemoed. Wat hij noodig heeft vraagt hij. Hem verrukt de natuur, haar mildheid en schoonheid, maar meer nog verrukken hem de lieflijke verbeeldingen, die de beweging in de vrije lucht in zijn geest te voorschijn roept. In Lyon verneemt hij, dat Mme de Warens in Savoye is teruggekeerd en zich te Chambéry heeft gevestigd; daar vindt hij haar en trekt weer bij haar in, ditmaal voor jaren. Het zwervers-bestaan is ten einde, de ergste gisting der jeugd uitgewoed, een bewuster leven gaat beginnen.

Vier jaar was het geleden, dat hij uit Genève vluchtte; hij was nu twintig jaar oud, een jonkman. Hij had veel verworven in dien tijd en iets verloren, veel in zich gegaard dat van belang was voor den toekomstigen dichter-hervormer. Niet min of meer verwaterde levens-abstrakties hadden hem gevormd, gelijkt men die leert op de scholen: het leven zelf had hem in handen genomen en vorm gegeven; soms zachtjes, dikwijls ruw. Maar haast voortdurend, sedert hij zijn vaderstad verliet, had hij, zijn vreemden droomerigen maar ontembaren vrijheidsdrang volgend, geleefd een leven van vrije overgave aan de volheid zijner eigen impressies. In onbewuste onbuigzaamheid had hij, geboren individualist, hardnekkig geweigerd, zich te laten linealen naar de regels van het maatschappelijk fatsoen, hij was een vrije vogel gebleven.

