# Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken

## Part 25

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/jean-jacques-rousseau-een-beeld-van-zijn-leven-en-werken-12009/index.md

En juist dit algemeene, dit betrekkelijk-onbestemde, dit schommelende en tegenstrijdige in hem maakte, dat alle partijen en groepen die in de jaren 1789-1794 gedurende korter of langer tijd de macht in handen hadden, van de voorstanders van het konstitutioneel koningschap in de Nationale Vergadering tot de strenge republikeinen der Bergpartij toe, zich op hem zouden beroepen en beweren zijn leer in praktijk te brengen en zijn voetstappen te volgen. Op hem beriepen zich de mannen die den koning handhaafden en de mannen die den koning terechtstelden en de republiek proclameerden. Op hem, op den gevoelsinhoud en gevoelstoon vooral van zijn werken, beriepen zich de aanvoerders der Girondijnen. Hun ietwat theatraal-verkondigde liefde tot de deugd, hun vaag idealisme, hun heroïsch patriotisme, dat in de romeinsche toga gehuld met groote gebaren het tooneel van het openbare leven beschreed, hadden zij van hem geleerd. Op hem beriepen zich de Jacobijnen, op zijn stoere demokratie, op zijn prijzen van het wantrouwen jegens elke regeering als een demokratische deugd, omdat elke regeering er naar streeft, de rechten der burgers te verkorten. Op hem beriepen zich de groote bourgeois, die in 1791 wel de souvereiniteit van het volk proklameerden, maar de burgers in aktieve en passieve verdeelden al naar hun inkomen, een verdeeling die Rousseau zelf van de verkiesbaarheid zou hebben uitgesloten. Op hem beriepen zich de kleine burgers der Bergpartij, de stoutmoedige revolutionnairen van '93, die tegen zijn uitdrukkelijke voorschriften de wetgevende en uitvoerende macht in hetzelfde orgaan vereenigden, die, gruwel voor zijne vredelievendheid, de Terreur tot regeermiddel maakten, die recht tegen zijn federalistische neigingen in, naar sterke centralisatie streefden,--en die toch terecht beseften meer dan welke andere partij der omwentelingsjaren bloed van zijn bloed en vleesch van zijn vleesch te zijn. Want in zoover zij anders handelden dan hij had voorgeschreven, handelden zij bekneld door omstandigheden die hij niet had voorzien; in hoogsten nood verkeerend, gedwongen, gelijktijdig besprongen als zij werden door het verraad der vijanden van binnen en den dreigenden inval der vijanden van buiten, tot elken maatregel die den vijand verzwakte en in toom hielp houden. In zijn vredelievendheid, zijn afkeer van geweld, zijn angst voor ingrijpende verandering, zijn verheerlijking van elke orde boven wanorde en elke rust boven onrust openbaarde zich de gezindheid van den kleinburger in normale tijden, wanneer de revolutionnaire exaltatie een droom schijnt en de revolutionnaire chaos een nachtmerrie, de revolutie zelve even verschrikkend als onreëel. Nu dat onreëele de werkelijkheid van elken dag en die verschrikking gemeenzaam was geworden, had de angstige behoedzaamheid afgedaan die hem nooit verliet: die leek nu het onwezenlijke, onbegrijpelijke. Maar de essensie van zijn wil, ontdaan van wat aan hen die volbrachten waarvan hij gedroomd had, waardelooze bijkomstigheden schenen--al had hij dit anders gevoeld--was ook de hunne: den wil tot menschengelijkheid en tot vrijheid van den mensch. Daarom vereerden zij in hem hun grooten voor-willer en voor-denker, en toen zij de "Rechten van den Mensch,"--gelijk zij die meenden uit het wezen van den mensch te volgen, eeuwig te zijn en onveranderlijk, --afkondigden, ze opstelden aan den gevel van het gebouw der constitutie van '93, ontleenden zij de gedachte-wendingen en de uitdrukking haast letterlijk aan het beroemde geschrift van hun grooten meester, dat hun staatkundig evangelie was.

In die dagen, dat de revolutionnaire spanning tot 't hoogst was gestegen, dat de meest-revolutionnaire burgerlijke groep het gezag in den staat uitoefende, poogden de stoutmoedige kleinburgers die Frankrijk regeerden, den droom van hun meester te verwezenlijken op staatkundig, op sociaal en op godsdienstig gebied.

Robespierre, een dorre en ondichterlijke Rousseau, door den greep der revolutie gevoerd op paden waar Rousseau van huiverde, voelde zich de uitvoerder zijner gedachten, de incarnatie van zijn stelsel. In de staatkunde streefde hij naar den regeeringsvorm die elks vrijheid het best zou verdedigen tegen de aanrandingen van allen en naar een groepeering der burgers, die deze het best in staat zou stellen de regeering te bewaken en elke overschrijding van hare bevoegdheden te keeren. Op sociaal gebied proclameerde hij--ofschoon zich kantend tegen iederen maatregel in communistische richting--de plicht van den staat om de gelijkheid der burgers te bevorderen en de weelde te bestrijden; het recht van zieken gebrekkigen en nooddruftigen op hulp van staatswege en dat op arbeid van alle burgers. Op religieus gebied verdedigde hij de vrijheid van godsdienst tegen het aanvallend materialisme van den Parijschen gemeenteraad, maakte den plechtigen eeredienst van het opperwezen tot een republikeinsche instelling, ankerde de gezindheid van den deugdzamen burger, den vrijheidslievenden patriot, in diens geloof aan het hoogste wezen en de onsterfelijkheid der ziel, deed de Nationale Conventie dit geloof plechtig bezweren. Want, meende hij, burgerdeugd, dat is het opofferen van het persoonlijk belang aan het algemeene, kan slechts bestaan bij wien overtuigd is na den dood de belooning voor zijn goede of de straf voor zijn slechte daden te zullen ontvangen.

Toen de heldhaftige poging om een maatschappij van vrijen en gelijken, een samenleving zonder heeren en zonder knechten te grondvesten op de basis van het privaat bezit der produktiemiddelen en de kapitalistische produktie, dat is van ekonomische ongelijkheid en ekonomische afhankelijkheid, te pletter was geloopen tegen de wanden der onmogelijkheid, toen de helden die dit onmogelijke hadden gewaagd waren ondergegaan in tragisch-grootsche worsteling en de edelste krachten der revolutie waren verbruikt; toen een handvol groote bourgeois, avonturiers en speculanten de vruchten begonnen te plukken van den heldenmoed, het lijden, de ongeëvenaarde ontberingen en opofferingen, de reusachtige inspanning van het geheele volk--toen taande ook de invloed van den grooten denker en droomer, wiens geest de besten in den strijd had bezield. In schijn vereerden hem ook de nieuwe regeerders, maar alleen in schijn. Na de Constitueerende en de Wetgevende vergadering, na de Gironde en de Montagne, na Mme Roland en Robespierre beriepen zich nu op hem de zatte bourgeois van het Directoire; zij haalden met welgevallen zijn liefde aan voor orde en rust, om de hunne te rechtvaardigen; zij trachtten den uitdoovenden geestdrift van het volk op te wekken door het organiseeren van openbare feesten, zooals hij er toe had aangespoord, maar waarin de gloed van vaderlandsliefde en de geest van broederlijkheid die ze moest bezielen, geheel ontbraken. Zij droegen zijn naam op de lippen, zij droegen niets van zijn wil meer in het hart.

Eén man was er in die dagen van uitputting en uitdooving, in wiens gemoed de revolutionnaire energie haar laatste stralen verzameld had. In zijn brein was een nieuwe gedachte opengegaan, de gedachte dat politieke vrijheid en gelijkheid niet verwezenlijkt kòn worden dan op den grondslag van ekonomische gelijkheid, en deze zelve niet kon bloeien dan op den bodem van gemeenschappelijk bezit der arbeidsmiddelen. Gracchus Baboeuf heette hij en werd spoedig terechtgesteld. Ook hij beriep zich op Rousseau evenals alle anderen. En hij mocht dit doen, al had Rousseau nooit het communisme gezien als een mogelijkheid. Maar hij had de gelijkheid en vrijheid boven alles liefgehad, de uitbuiting en onderdrukking boven alles gehaat, en nu gebleken was in de school der revolutie, dat het privaatbezit de wortel was van uitbuiting en dienstbaarheid, van lediggang en ellende, waren nu wie dat bezit wilden opheffen niet de echte zonen van zijn geest? Zijn drang tot de waarheid, zijn zedelijke ernst, zijn sterke demokratische gezindheid hadden hem gevoerd tot aan de uiterste grenzen der individualistisch-kleinburgerlijke sociale idealen. Verder was hij niet gekomen, maar wie ook slechts één stap verder ging, moest de zon van het socialisme zien opgaan. Dien stap deed Baboeuf.

* * * * *

In die klotsende tijden, dat de staatkundige denkbeelden van Rousseau leefden in duizenden dappere harten, keerden de menschen zich af van zijn pogen als kunstenaar. Zij waren onverschillig geworden voor de verinniging en de verinnerlijking der levens-beelding die hij gezocht en bereikt had, zij voelden niets voor de uitbeelding van den geheelen, natuurlijken, mensch. In de literatuur en de kunst heerschte in Frankrijk gedurende de revolutie het pseudo-klassicisme, het koud-rhetorische, uiterlijk-weidsche, over-regelmatige, oppervlakkig-cerebrale, zonder lichamelijke aandoening, zonder innigheid en zonder hartstocht, de richting die hij verfoeid en bestreden had. Het overstelpt worden door den stroom der gebeurtenissen van het uiterlijke leven, het zich inspireeren op antieke voorbeelden maakten de kunst zoo.

Maar bij den aanvang der nieuwe eeuw kwam de omkeer. In haar werk "Over Literatuur," dat in 1800 verscheen, rekende Mme de Staël, naast Bernardin de St. Pierre de eerste literaire discipel van Rousseau, met de klassicistische richting af en vatte de aesthetische neigingen en denkbeelden van haren meester samen. Men kan haar boek het eerste manifest van de romantiek noemen, het woord genomen in de meest algemeene en verstrekkende beteekenis. Sedert dien tijd dronken alle woord-kunstenaars aan de bronnen die hij ontsloten had. De groote wereldstroom der literatuur ging langs de banen, waarop hij was voorgegaan.

Weldra splitste zich die stroom, niet eenmaal, maar vele malen. Wat in Rousseau onverdeeld had samengewoond, streefde uiteen naar vele richtingen. Hij was een begin geweest, een stamvader van vele volken, een moederbekken van vele wateren, zoowel in het literaire, als in het politieke. De poëtische weemoed, de onstuimige bewogenheid, het innig natuurgevoel, het vage godsgeloof, de dweepende geestdrift voor de burgerlijke vrijheidsidealen, de exaltatie van het ik, de psychische zelfbeschouwing en zelfontleding, het beluisteren der vluchtige gewaarwording, dit alles was in hem nog ongescheiden. De ontwikkeling bracht, gelijk zij altijd doet, scheiding: differentiatie en specialisatie. Van wie na hem kwamen zochten sommigen voornamelijk het heroïsche pathos, streefden naar het uitdrukken van vage godsdienstige vereering of onbepaalde vrijheidsidealen. Anderen streefden vooral naar de uitbeelding van dien poëtischen weemoed, door welke de vereenzaamde enkeling in de burgerlijke maatschappij zijn eenzaamheid zet in den schijn der schoonheid, of naar die van den somberen trots, waarmee hij zijn eenzame ikheid trotseerend stelt tegenover het gansche matelooze heelal. Weer anderen voerden het verzinken van dit eenzame individu in de natuur, het versmelten met haar tot het uiterste. Dit alles deed de romantiek.

Nadat de eerste roes van verrukking over het verbreken der conventioneele banden waarin de literatuur lang bekneld was geweest, had uitgeraasd, en het eerste geslacht van romantici gefeest aan dit uitbeelden van den geheelen mensch en de geheele aarde, het uitbeelden ook van het slechte, zondige, leelijke, bizarre, schijnbaar nietige, gruwelijke en monsterlijke naar hartelust, kwamen anderen, die rustiger waren en stiller, zelfbeheerschter, aandachtiger. Zij legden zich vooral toe op het scherp bespieden en volledig afbeelden der uiterlijke en innerlijke ervaring, zij waren de diepe ploegers die de kunst verinnerlijkten, nadat die eersten hare grenzen vele mijlpalen verder hadden uitgezet. Zij beluisterden de verste en zwakste tonen en ondertonen, opstijgend uit de diepten van dien kosmos: den lichamelijk-geestelijken mensch. Dat waren de naturalisten en de impressionisten en de kunstenaars der gewaarwording. En ook van hunne kunst lag de kiem in Rousseau.

Elk van al deze, van de romantici en van wie na de romantiek kwamen, was anders dan alle anderen--en dit moest immers zoo zijn, want het groote wat zij gemeen hadden was toch het zoeken naar de meest-persoonlijke uitdrukking voor de meest-persoonlijke aandoening, en het stellen van het individu als een eenheid tegenover alle andere individuen. Dat was hun gemeenschappelijk ideaal. Het bewustzijn van elk hunner werd bestemd behalve door ieders persoonlijken aanleg, omgeving en levensloop, door de geschiedenis, de traditie, en den ekonomischen, socialen en politieken graad van ontwikkeling der nationale gemeenschap waartoe zij behoorden. Maar allen, ook zij die onderling het meest verschilden en elkaar het heftigst bestreden, hadden tegenover hun voorgangers, tegenover de literatuur van een vorig tijdperk, gewichtige trekken gemeen. Zij hadden gemeen de kleuriger, rijker taal, die geen woord en geen uitdrukking als laag of onedel uitsloot en versmaadde, de afkeer van doode regelmaat en konventioneele schema's, de hartstochtelijke liefde tot het leven, tot àl zijne verschijnselen. En al deze trekken, die zij onderling gemeen hadden, hadden zij ook gemeen met hun aller geestelijken stamvader, den stamvader van de moderne burgerlijke literatuur, van de lyrische poëzie en den naturalistischen roman, van de psychologische analyse en het sensitivisme: den schrijver der "Nouvelle Héloïse," der "Confessions" en der "Rêveries."

Van alle deze afstammelingen, deze groote bonte familie van 19e eeuwsche schrijvers en dichters, is er één in wien verscheiden der meest wezenlijke trekken van den stamvader terugkeeren als bij geen der anderen. Gelijk Rousseau vereenigt hij zinnelijken aanleg en innigheid van gemoed met scherpte van ontledend denken en met een verwonderlijke gave, de halfbewuste gewaarwording naar het licht der bewustheid omhoog te beuren. Hij noemde zichzelf de discipel, Rousseau zijn meester. Maar doordat de discipel Tolstoï een gezonder, forscher en klaarder fysio-psychischen aanleg van de natuur had mee gekregen dan de meester Rousseau, èn doordat de discipel opgroeide in een sociaal milieu, dat in tegenstelling tot de kleinburgerlijke sfeer waarin Rousseau wortelde de sociale neigingen boven de individualistische stelde, sterk beïnvloed gelijk het was door de tradities van het agrarisch communisme en het communistisch-gezinde oer-christendom, daardoor volbracht Tolstoï wat Rousseau niet vermocht: beelden te maken, niet slechts van zijn eigen lichamelijk-geestelijke ervaringen en zijn eigen aspiraties en idealen te projekteeren in enkele gestalten, maar een beelden-galerij te scheppen van de mannen en vrouwen van een geheel tijdperk, hunne gestalten doordringend met de gleur van zijn zedelijke idealen en de eigenheid van zijn wezen.

* * * * *

Rousseau had een Beeld voor de menschen opgericht, een ideaal van vele levensverhoudingen; daarom straalde zijn invloed uit naar vele sferen van het menschelijk leven. Zijn denkbeelden over den aard van het kind en de vorming van kinderen tot menschen zijn in latere geslachten overgegaan en een deel van ons wezen geworden, evenals zijn staatkundige idealen, zijn verinnerlijking der levensbeelding en zijn natuurgevoel dat zijn.

De voortgang van zijn opvoedingsleer, haar doordringen in de theorie maar vooral in de praktijk is telkens onderbroken geworden door reaktionnaire vlagen, zij werd tegengehouden en belemmerd door de inrichting der maatschappij. De klassentegenstellingen maakten den dwang- en de africhting waartegen hij zich gekeerd had noodig, zij bestendigden die in andere vormen, evenals het ingieten van de grootst-mogelijke hoeveelheid kennis ten koste van de lichamelijke ontwikkeling en van het karakter, die hij uit de opvoeding had willen bannen. De klassentegenstellingen verhinderden dat de opvoeding werd zooals hij gedroomd had: een oefening in zelfstandig doen en zelfstandig denken, want voor de rustige heerschappij der meesters was het van veel belang dat de hersens van het kind vroeg verwrongen werden en gefatsoeneerd in het pantser der godsdienstige of nationalistische dogma's. De burgerlijke maatschappij kon geen zelfstandig-denkende proletariërs gebruiken, zij had behoefte aan gedweeë, buigzame knechten. Zoo komt het, dat tot op den huidigen dag de opvoedingsleer van Rousseau, ofschoon in algemeene trekken sedert lang aanvaard door de wetenschap der paedagogie, een onvervuld denkbeeld is gebleven. Hier en daar, broks- en stukswijze, wordt zij toegepast, maar de _algemeene_ toepassing, dat is de hervorming van het onderwijs in den zin van doelbewust geleide zelf-werkzaamheid met lichamelijken arbeid tot basis, blijft uit en zal uitblijven, tot de arbeiders den staat zullen hebben veroverd en naar hunne behoeften, dat is socialistisch, ingericht.

Rousseau was geen socialist, zelfs niet in de meest vage beteekenis. Zijn denken op sociaal gebied overschreed de grenzen niet van zijn tijd en van zijn klasse, dat is de grenzen der klein-burgerlijke produktiewijze en produktieverhoudingen. Maar omdat haat voor onderdrukking en uitbuiting, liefde voor vrijheid en gelijkheid zoo groot, zoo sterk, zoo vurig, zoo allesbeheerschend in hem was op 't hoogtepunt van zijn leven, dat hij de vrije wilden, machteloos tegenover de natuur, verkoos boven de heeren en knechten der beschaving,--daarom bereikte hij de verste grenzen van het burgerlijk willen en is de arbeidersklasse in zekeren zin zijn erfgenaam. Want die demokratie, zijne geliefde, die gelijkheid van rechten en plichten voor alle menschen waarnaar hij hunkerde, kan niet verwezenlijkt worden dan in de socialistische maatschappij.

Het socialisme zal de beide zijden van het ideaal van Rousseau, de individualistische zijde en de sociale, verwezenlijken. Het zal de bevrijding der persoonlijkheid bereiken, ook van de vrouw, ook van het kind; het recht van elken mensch zich uit te leven naar de maat zijner krachten, de vrijheid voor elken mensch, volheid van levensgeluk te vinden in de innigste verbinding met een ander menschelijk wezen, in de liefde. Het zal een einde maken aan nood en gebrek en aan brooddronken weelde, aan den lediggang die het hart verwoest en de ellende die verstompt. Het zal elken mensch brengen in onmiddellijke aanraking met de natuur, doordat het allen, kinderen en menschen, zal doen deelnemen aan de stofwisseling tusschen mensch en natuur, het produktieproces. Het zal de lasten der gemeenschap verdeelen over alle schouders, instee van ze op de zwaksten te stapelen. Het zal de groote opeenhoopingen van menschen opheffen, hun in de steden saamgepakte scharen terugvoeren naar de ontvolkte landen. Het zal een einde maken aan veroverings- en koloniale oorlogen, aan de onderdrukking en de verdelging van ekonomisch-achterlijke volken. Het zal een oogst van broederschap en vrede doen opgaan over de aarde.

Dit alles wilde Rousseau. Het socialisme zal de hoogste droomen waar maken die hij droomde, maar waar maken langs banen waarvan hij geen voorstelling had.

Wanneer de oude verschrikking der dienstbaarheid en de oude afschuwelijkheid van hebzucht en heerschzucht tot een sprookje geworden zullen zijn;--wanneer de aarde bedekt zal wezen met vrije, gelukkige menschen, zalig in broederschap, en met lachende kinderen, tierend in vrijheid;--wanneer de onrust en de onvreê en de wanorde van onze dagen den vrede en rust en orde der komende zullen hebben voortgebracht, dan zal de groote Droomer wiens tranen vloeiden, brandend, om zijn bittere verlatenheid, lachend leven in de harten, een vriend en makker dier menschen, een stuk van hun bewustzijn, een ader in hun bloed. Omdat de diepste krachten van zijn wezen gingen naar wat zij bereikt zullen hebben: de weder-vereeniging van de vèr-uiteen geraakten, Natuur en Mensch. Omdat zijn hartstochtelijk verlangen ging naar wat voor hen vervulling is geworden: eenheid en broederschap tusschen de menschen, opgaan van den enkeling in het geheel.

Hij was een groot Zoeker en een groot Zaaier op de velden der Menschheid. Zijn naam zal niet vergaan.

NOTEN:

[53] Ook Faguet neemt dit aan.

[54] Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biographen er Thérèse een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame kasteelen--eerst in Engeland, later in Frankrijk--met een zenuwzieken man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij zich niet opgewassen voelde--alleronaangenaamst vond en hunkerde om er vandaan te komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen, met eigen neigingen en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in haar in.

[55] Rousseau geeft zelf 1100 francs op als zijn jaarlijksch inkomen; sommige biographen spreken van 1800 francs.

* * * * *

LIJST VAN ILLUSTRATIES

Jean Jacques Rousseau Thérèse Levasseur Jean Jacques Rousseau Rousseau aan het botaniseeren Rousseau's Graf

