# Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken

## Part 22

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/jean-jacques-rousseau-een-beeld-van-zijn-leven-en-werken-12009/index.md

Waarheen? Hij trok naar Straatsburg, op goed geluk, met 't plan naar Potsdam te gaan, maar ten slotte zag hij te veel op tegen de reis: hij voelde zich ziek en uitgeput, "ofschoon blij," schreef hij nazijn aankomst in Straatsburg, "weer tusschen menschen te zijn, na de wilde beesten, die Zwitserland bewonen." Hij werd er warm ontvangen en befeest, ter zijner eere vond een opvoering van den "Dorpswaarzegger" plaats. Maar hij kon er niet blijven. Zijn vrienden, vooral Mme de Boufflers en Mme de Verdelin, verlangden erg dat hij naar Engeland zou gaan, dat toen met Pruisen de wijkplaats der vrije geesten was. Lord Keith ontried hem naar Berlijn te komen: dat gaf den doorslag. Hij besloot naar Engeland uit te wijken en schreef aan Hume, die er al herhaaldelijk op had aangedrongen dat hij zich aan hem toe zou vertrouwen. Zijn vrienden bezorgden hem een vrijgeleide om Frankrijk door te trekken. Den l6den December kwam hij in Parijs aan en bleef er een maand; voor alle zekerheid woonde hij in den Temple, het stadsgedeelte dat aan den prins van Conti behoorde en het recht van asyl bezat. Hij vertoonde zich weinig maar kreeg druk bezoek; van dat hij's morgens opstond tot aan zijn naar bed gaan was hij geen minuut alleen; hij vond dit verschrikkelijk: "nooit heb ik zoo geleden," schreef hij. Op een wenk der regeering bespoedigde Hume de toebereidselen tot de reis: den 17den Januari '66 vertrokken zij, met nog een derde reisgenoot, over Calais naar Londen.

NOOT:

[52] "Mijnheer," luidde in de jaren van Motiers zijn antwoord aan iemand die hem vroeg waarom hij niet meer wou schrijven, "ik heb gezegd, wat ik wist, en misschien wat ik niet wist. Wat zeker is, is dat ik niet meer weet dan ik gezegd heb: ik zou dus niets doen als leuteren en het is beter dat ik zwijg."

VIJFDE HOOFDSTUK

WAAN EN VREDE.

Voor de beide andere groote schrijvers, ondanks alle verschil hierin met Rousseau overeenstemmend, dat zij eveneens de aspiraties der burgerlijke klassen in de tweede helft der 18de eeuw naar een nieuwe orde van zaken op politiek, sociaal en godsdienstig gebied hebben vertolkt, voor Voltaire en Montesquieu is hun verblijf in Engeland naar alle richtingen vruchtbaar geweest. Het verdiepte hun wijsgeerige en verruimde hun politieke inzichten, voerde hun nieuwe energie toe en vermeerderde hun strijdvermogen. Op Rousseau daarentegen hadden de bijna anderhalf jaar die hij in Engeland doorbracht geen anderen invloed, dan dat zijn zenuw- en zielslijden er zeer verergerde. Maar hoe verschillend waren ook de omstandigheden, waaronder hij en zij Engeland bezochten! Montesquieu en Voltaire waren beide bij hun bezoek jong en plastisch genoeg, om de elementen eener vreemde kultuur in zich op te nemen, ofschoon oud genoeg om er zich ten volle rekenschap te geven, waarin deze met die van hun eigen land verschilde. Beide waren vol vurige belangstelling voor alle manifestaties van het openbare en geestelijke leven in het land, dat in menig opzicht hun staatkundige en sociale idealen belichaamde. Beide kenden de taal of leerden haar spoedig, wilden haar leeren om kontakt te krijgen met de nieuwe wereld die voor hen openging, om den geest, de gedachte, de instellingen en zeden dier wereld in zich te kunnen opnemen. Beider leven bewoog zich nog, en zou zich nog lang bewegen, in de opgaande lijn. Voor Rousseau daarentegen was, toen hij in Engeland een toevlucht zocht, de tijd van levens-neergang gekomen. Zijn enthousiasme voor de publieke zaak was uitgedoofd, zijn strijdmoed gebroken, in hem was geen andere begeerte dan naar rust. Hij had vroeger een paar maal gepoogd Engelsch te leeren, maar met weinig succes, en gedurende zijn verblijf in Engeland schijnt hij er niet de minste moeite meer toe gedaan te hebben: na verscheiden maanden beweerde hij nog slechts enkele woorden te kennen. Dit maakte dat hij zoo goed als geheel geïsoleerd was, machteloos tot eenig geestelijk verkeer met de natie in wier midden hij leefde. En de omstandigheid dat dit isolement niet vrijwillig maar gedwongen was, moest hem een gevoel geven van groote verlatenheid.

Dit was nog niet het ergste. Zich niet verstaanbaar te kunnen maken is onaangenaam en lastig, niets te kunnen verstaan echter van wat anderen zeggen, is voor een mensch, neigend tot ergdenkendheid, het ellendigste wat er bestaat; telkens meent hij dat men kwaad van hem spreekt of zich vroolijk over hem maakt; hij kan niet anders, zijn wantrouwen wordt voortdurend opgewekt. Rousseau, in wiens bewustzijn de argwaan monsterachtige afmetingen had aangenomen, werd door het feit van niet te kunnen verstaan wat anderen zeiden, tot razernij geprikkeld: hij verviel in den waan, dat het geheele engelsche volk tegen hem complotteerde.

Zijn onkunde van de taal maakte hem natuurlijk uitermate afhankelijk van Hume, die niet enkel als zijn gids en beschermer fungeerde, maar feitelijk zoo goed als zijn eenig middel van verbinding met de buitenwereld was. Een gevoel van wrevel tegen deze afhankelijkheid zou waarschijnlijk, hoe dan ook, spoedig hun verhouding vertroebeld en bedorven hebben: het was tegen zijn natuur, zich zoo zeer in de macht van eenig mensch te geven. In elk geval vereischte deze verhouding van de zijde van Hume veel takt en omzichtigheid. Maar Hume bezat geen takt, dit blijkt uit de wijze, waarop hij in bijzijn van anderen met zichtbaar genot over Rousseau ridderde en hem patroniseerde. Hij en Rousseau waren ook volstrekt geen menschen voor elkaar. De onaandoenlijkheid en het phlegma van den zelfgenoegzamen schotschen wijsgeer moesten den prikkelbaren en overgevoeligen dichter koud op 't lijf vallen, en Hume van zijn kant moest de onbeheerschte uitingen van zijn beschermeling in zijn hart weinig sympathiek en kinderachtig vinden. Hoe innerlijk vreemd de twee tegenover elkander stonden, blijkt o.a. uit een der "bewijzen" die Rousseau na zijn breuk met Hume, voor diens "verraad" aanhaalde: toen Rousseau op een goeden dag in een oogenblik van hevige gemoedsaandoening, Hume snikkend om den hals viel, had deze als eenig antwoord hem een paar keer kalmeerend op den schouder geklopt, herhalend: "maar mijn lieve meneertje, kom kom, mijn lieve meneertje." De sceptische Schot vond zoo'n scène waarschijnlijk bijzonder pijnlijk.

Bij deze onvereenigbaarheid van humeur kwamen verschillende omstandigheden, die in Rousseau, gelijk hij nu eenmaal was, wantrouwen tegen Hume moesten opwekken.

Terwijl Rousseau nog in Parijs was, had daar in de salons een brief de rondte gedaan, zoogenaamd door Frederik van Pruisen aan hem gericht. De koning bood den beroemden schrijver een toevlucht aan in zijn rijk en besloot aldus.... "Zoo ge het wilt, zal ik u goed doen; maar zoo ge er in volhardt mijn hulp te weigeren, moet ge niet verwachten dat ik dit aan iemand meedeelen zal. Zoo ge blijft voortgaan met u het hoofd te breken over het middel om nieuwe rampen op u te laden, laat ik u de vrije keus: ik ben koning, ik kan ze u bezorgen net gelijk ge wenscht en, wat uw vijanden zeker niet zullen doen, ik zal ophouden met u te vervolgen, wanneer ge er niet langer uw roem in zult stellen vervolgd te worden."

Men kan dezen brief moeilijk anders dan een ongepaste en onbehoorlijke grap noemen. Ook zoo men aanneemt dat Rousseau meer toegankelijk was voor ijdelheid en roemzucht, dan hij zich verbeeldde te zijn, teekent de voorstelling alsof hij eigenlijk voor zijn pleizier in half Europa vervolgd en uit Frankrijk en Zwitserland verjaagd was geworden, den opsteller van den brief als een kleingeestig mensch, vervuld van spijtachtigheid om Rousseau's vermaardheid, en dien zijn grootheid en het tragische van zijn lot ontging. Het was Horace Walpole, in dien tijd zeer in de mode in de Parijsche salons, die op een vroolijk diner, samen met andere letterkundigen, dezen "grappigen" brief had opgesteld. Rousseau kreeg hem pas in Engeland onder de oogen. Ook een evenwichtig mensch in zijn omstandigheden zou door dezen harteloozen spot ontstemd geworden zijn; hoeveel te meer een overprikkeld zenuwlijder, in wien de nietigste aanleiding de schromelijkste irritatie te voorschijn riep. Hij hield d'Alembert, dien hij wegens diens intimiteit met Voltaire in hooge mate wantrouwde, voor den schrijver, en was overtuigd dat ook Hume er de hand in had gehad. Geheel schoot hij met dit vermoeden den bal niet mis: dat Hume van den brief afwist, is zeker, en waarschijnlijk, dat hij aan de grap medeplichtig was.[53] Is dit werkelijk zoo, dan moet men 't op zijn zachtst grof van Hume noemen, dat hij, die tegenover Rousseau zich voordeed als vol bewondering, sympathie en affektie, zich achter zijn rug vroolijk maakte over zijn ellendige omstandigheden.

Er was nog meer, wat de ergdenkendheid van Rousseau moest prikkelen. Als zijn voornaamste hater en vervolger beschouwde hij, behalve de vroegere vrienden waarmee hij gebrouilleerd was: Grimm, Diderot, Mme d'Epinay, natuurlijk Voltaire en diens onmiddellijke omgeving. Nu wilde het toeval, dat een zoon van dokter Tronchin, die èn als geneesheer van Mme d'Epinay en Voltaire èn als broer van den procureur-generaal, den schrijver der "Lettres de la Campagne," bij Rousseau bijzonder verdacht moest zijn, in Londen bij Hume logeerde. Sedert Rousseau dit wist--hij zelf was toen reeds niet meer te Londen--stond het voor hem vast, dat Hume met zijn vijanden heulde.

Hume had hem aanvankelijk,--tegen zijn zin, hij zelf drong aan op grooter afzondering,--ingekwartierd in Chiswick, een dorpje in de buurt van Londen; daar voegde Thérèse, die onder de hoede van den engelschen letterkundige Boswell het Kanaal was overgestoken, zich weer bij hem. Maar hij wilde verder weg van de stad en van de menschen, geheel buiten zijn, in de eenzaamheid. Hij had de keus tusschen verschillende plaatsen; na eenige weifeling besloot hij om het aanbod van een zekeren Mr. Davenport, een vriend van Hume, aan te nemen, die een kasteeltje in het oosten van Wales, ongeveer vijftig mijl van Londen, ter zijner beschikking stelde. Hij zou daar geheel vrij zijn: de heer des huizes met zijn gezin kwam er maar enkele weken in het jaar.

In Maart betrokken Rousseau en Thérèse hun nieuw verblijf. Het buiten lag in een prachtige streek, ter halver hoogte op een heuvel. Het huis was geriefelijk ingericht, zooals de engelsche landhuizen zijn, en maakte op Rousseau een prettigen indruk. De wandelingen in de weiden en bosschen en parken van den omtrek waren mooi en vol afwisseling. Hij genoot van het engelsche landschap: één groot park, en van den aanleg der buitens; hij kon den gladden, stijven Le Nôtre-stijl van tuin-aanleg niet uitstaan en vermeldde zich in den engelschen stijl, die de natuur meer ongerept liet.

Hier was de eenzaamheid waarnaar hij verlangd had: in de buurt lag alleen het dorpje Wootton; de meest nabije stad was een paar uur ver.

Al den tijd van het jaar dat Mr. Davenport het huis niet bewoonde, hadden Rousseau en Thérèse met niemand verkeer als met den dominé van het dorp en een der heeren uit den omtrek, die fransch verstond. Een enkele keer kwam er bezoek van dezen of genen land-edelman, die in de buurt zijn bezitting had; Rousseau was dan uiterst hoffelijk en beminnelijk, gelijk doorgaans met nieuwe kennissen en ook wel met oude, wanneer zijn ergdenkendheid niet werd opgewekt. Met de jonge hertogin van Portland, die pleizier had in botanie, maakte hij lange wandelingen; zij onderzochten de mossen en varens, die welig groeiden in de vochtige streek.

Maar die bezoeken kwamen maar bij groote tusschen-poozen; heele tijden daartusschen in waren de twee geheel alleen. Het klimaat was ruw, het voorjaar begon laat, de zomer eindigde vroeg, en in den langen, donkeren, eenzamen winter besloop hem de vijand die sedert lang wachtte en loerde: waanzin omnachtte zijn gemoed.

De huiselijke verhoudingen waren zeer onbevredigend. Men begrijpt dat de goed gedrilde engelsche bedienden Rousseau en Thérèse een onmogelijk paar vonden en zich vroolijk maakten over hen. Dat Thérèse slecht met ze overweg kon, is eveneens natuurlijk. Zij was nooit bediening gewend geweest, zij had haar huishouding altijd zelve bezorgd; af te hangen van vreemde dienstboden, wien zij zich door gebaren verstaanbaar moest maken, was voor haar iets afschuwelijks. Rousseau maakte ten harer behoeve lijstjes van de meest voorkomende huishoudelijke termen, maar dat gaf ook niet veel. Al gauw kwam 't tot twist en gekijf tusschen Thérèse en de dienstboden. Waarschijnlijk gaf zij er zelve wel aanleiding toe, want haar eigen zenuwen werden in elk opzicht op een zware proef gesteld, nu de toestand van Rousseau zooveel erger was dan ooit te voren. Het is begrijpelijk dat de arme vrouw zich verschrikkelijk eenzaam voelde en maar één wensch had: "in godsnaam hier vandaan, terug naar Frankrijk."[54]

Rousseau kwam in Wootton met 't vaste voornemen om de wereld en haar strijd te vergeten, rust en innerlijken vrede te winnen. Maar een mensch vindt niet altijd rust en vrede omdat hij ze verlangt, vooral niet, wanneer zijn zenuwstelsel ernstig is aangedaan. In 't geval van Rousseau was aangeboren overgevoeligheid en gebrek aan zelfbeheersching door de onverstandige opvoeding die zijn vader hem gaf en door het tuchtelooze bestaan zijner jongelingsjaren erger geworden. Het leven te Parijs, in een omgeving die hem ergerde en antipathiek was, had zijn zenuwen zeer geprikkeld. Daarop waren jaren gevolgd van overmatige geestelijke inspanning en bijna voortdurend lichamelijk lijden. De grievende behandeling, hem door Mme d'Epinay en zijn andere oude vrienden aangedaan, de zenuwschokkende vlucht na de "Emile," de spanning van den tijd der laatste worsteling in Motiers, de catastrophe die aan zijn verblijf daar een einde maakte,--alles had er toe bijgedragen zijn evenwicht al meer te verstoren.

En nu voegde zich daarbij het overgeplant worden in een vreemd land en een vreemde omgeving, tusschen menschen die hij niet verstond. In zijn eenzaamheid drongen geruchten door over de voor hem onbegrijpelijke handelingen van Hume, hiervoor reeds vermeld; hij bracht die in verband met enkele dingen, die al eerder zijn argwaan hadden gewekt: een onderzoekenden blik, een woord in den slaap gemompeld, nietigheden, die zich vasthaken in een ontwricht gemoed. Hij wist dat de engelsche pers, na hem eerst hartelijk te hebben verwelkomd, zich thans af en toe spottende opmerkingen veroorloofde over de zonderlingheden van den beroemden gast. In een biographisch artikel had men hem de zoon van een muzikant genoemd: hij voelde dat als een beleediging die hem buiten zich zelven bracht. Het was duidelijk: zijn vijanden hadden zich van Hume bediend als een werktuig om hem uit Frankrijk weg te lokken; Hume was een valsche vriend, een verrader, hij zette de publieke opinie in Engeland tegen hem op.

Brieven uit Zwitserland hielden het gevoel van voortdurend belaagd te worden door een ring van vijanden, in hem levend. De leiders der Geneefsche demokratie stonden in geregelde briefwisseling met hem, en wat zij meldden moest hem uitermate prikkelen. Voltaire bleef tegen hem ageeren, hij had een nieuw schotschrift uitgegeven, waarin Rousseau wederom op de vuilste wijze belasterd werd. Tegen dit alles was hij niet bestand; hij voelde zich glijden naar den afgrond der verstands- verbijstering; hij deed wanhopende pogingen om zijn gemoedsrust terug te winnen, het afmattend getob over de slechtheid der menschen te onderdrukken. Hij trachtte zich volkomen af te zonderen van de buitenwereld: geen krant wilde hij meer inzien, geen brief meer lezen. Met Hume had hij, spoedig na zijn aankomst in Wootton, zonder verdere explikatie de briefwisseling afgebroken: hij deed dit ter wille van zijn eigen rust. Maar 't gevoel, verraden en bedrogen te worden door wie zich voordeed als zijn vriend en weldoener, brandde te bitter in hem, dan dat hij er over kòn zwijgen; ongelukkig en verlaten als hij zich voelde, had hij behoefte aan uiting. Aan al zijn vrienden schreef hij kortere of langere epistels, aan du Peyrou, aan d'Ivernois, aan de Malesherbes, aan Mme de Boufflers, aan Mme Verdelin, aan Milord Maréchal, aan Guy, zijn hollandschen uitgever, om zich te beklagen over Hume, die, samenzwerend met zijn bitterste vijanden, hem naar Engeland had gelokt om hem daar schandelijk te behandelen, van alle verkeer met de buitenwereld af te snijden en te doen omkomen van verdriet en ellende. Hoe Hume in die zaak van den brief van Walpole had gehandeld, hoe de jonge Tronchin bij hem verblijf hield, hoe hij tegen den wil van Rousseau, om dien te deemoedigen, aan anderen had verteld, dat de koning van Engeland den schrijver een jaargeld wilde schenken, hoe hij door Ramsay een portret van Rousseau had laten schilderen, dat hem afbeeldde als een cycloop zoo norsch en somber, terwijl Hume zelf op zijn konterfeitsel de trekken droeg van een cherubijn; hoe Rousseau Hume in zijn slaap, op den weg van Parijs naar Calais, had hooren uitroepen "je tiens Jean Jacques Rousseau" (ik heb Rousseau in mijn macht); hoe Hume op hem en Thérèse "lange, doordringende blikken" placht te vestigen, die Rousseau deden huiveren, enz. Hij verzond die brieven langs allerlei omwegen, door middel van derden, en gaf aan zijn vrienden dek-adressen op waarvan zij zich moesten bedienen: hij was vast overtuigd, dat al zijn correspondentie geregeld onderschept en zijn brieven geopend werden; tusschen Londen en Wootton waren "de netten uitgezet," die slechts met de grootste behoedzaamheid vermeden konden worden; hij zinde op een geheimschrift en duidde de namen zijner vijanden nog slechts door A, B, C enz. aan. Hume, door anderen op de hoogte gebracht, had herhaaldelijk bij Rousseau aangedrongen op een verklaring. Rousseau weigerde eerst; eindelijk stelde hij al zijn grieven op schrift in een formeele akte van beschuldiging en verzocht Hume om zich, zoo hij onschuldig was, te rechtvaardigen. Hume gedroeg zich--men kan bijna niet aannemen, dat hij uit den brief niet merkte hoe abnormaal Rousseau was--op zijn zachtst genomen weinig edelmoedig. Hij mengde zijn Parijsche kennissen in de zaak; de heele letterkundig-philosophische coterie, waarmee Rousseau op voet van oorlog was, werd er in gemoeid. Om aan de praatjes die rondgingen een einde te maken, gaf Hume ten slotte den brief van Rousseau te zamen met zijn zelfverdediging, onder den titel "Exposé succinct de ma querelle avec Monsieur Rousseau" (Beknopt overzicht van mijn twist met Rousseau) uit. Andere brochures verschenen: van Walpole, van Boswell, van Mme de la Tour; sommigen waren vóór, de meesten tegen Rousseau. De kliek van Holbach grinnikte vol leedvermaak: "zij hadden Hume gewaarschuwd, zij wisten wel dat Rousseau een monster van ondankbaarheid was." Wederzijdsche vrienden, voornamelijk Mme de Boufflers, trachtten de twistenden te kalmeeren, hun te doen inzien, dat zij geen van beiden heelemaal gelijk of ongelijk hadden. Het gaf natuurlijk niets: bij Rousseau lieten de waanvoorstellingen zich niet meer ontwortelen, en Hume was zelf te geprikkeld, om konsideratie te kunnen voelen met den man, die hem zoo had teleurgesteld: in dien twist met Rousseau, zei men, had hij zich voor 't eerst van zijn leven driftig gemaakt. Rousseau zelf zweeg verder, zooals hij zich voorgenomen had, en begroef zich in zichzelven. Hij was begonnen het oude plan te verwezenlijken van zijn bekentenissen te schrijven. Mémoires, gedenkschriften, schreef in dien tijd iedereen, dat was de mode; maar wat hij wilde doen was iets heel anders, nog nooit beproefd; 't vervulde hem met heimelijken hoogmoed in alle stilte iets te ondernemen, eenig in zijn soort. De geschiedenis van zijn ziel wilde hij schrijven, van haar aandoeningen en meest geheime bewegingen, de donkere diepten van het halfbewuste leven der aandriften, waarover niemand zich nog heengebogen had, onderzoeken en afbeelden wat hij er vond. Om de diepten van zijn wezen te leeren kennen, was het noodig dat hij zooveel mogelijk zichzelven waarnam. Hij vond daarin groot behagen. Aan Mme de Boufflers, die hem in 't begin van zijn verblijf te Wootton schreef, voor hem de gevolgen van afzondering en lediggang te vreezen, had hij geantwoord: "Gij vergist u, mevrouw, nooit verveel ik mij minder en ga minder ledig dan wanneer ik alleen ben. Behalve de botanie blijft mij nog een bezigheid, die mij zeer dierbaar is en waaraan ik mij elken dag met meer genoegen wijd. Er is hier een man van mijn kennis, en dien ik gaarne beter kennen wil. De omgang met hem zal mij weerhouden van eenigen anderen te wenschen. Ik heb achting genoeg voor hem om de vertrouwelijkheid waartoe hij mij noodigt niet te vreezen; en daar hij evenzeer als ik door de menschen mishandeld is, zullen wij elkaar troosten over den smaad dien zij ons aandoen, in 't hart van onzen vriend lezend, dat hij dien niet heeft verdiend."

In den winter van 66-67 besloot Rousseau Wootton te verlaten; hij dacht er over in Londen een woning te huren; misschien hoopte hij, dat zijn vijanden daar niet zoo makkelijk zijn correspondentie zouden kunnen onderscheppen, misschien dreef Thérèse hem tot dit besluit, om toch maar uit 't gehate buitenhuis weg te komen. De verhouding tusschen haar en de dienstboden werd onhoudbaar; en het voortdurend gekrakeel zal natuurlijk ook slecht op Rousseau gewerkt hebben. Eind April schreef hij aan Mr. Davenport om dien dank te zeggen voor zijn nobele gastvrijheid; maar de eer verbood hem, langer onder zijn dak te verwijlen. Den eersten Mei verliet hij Wootton in alle stilte; hij had geen geld bij zich en betaalde in de herbergen met stukken van een zilveren tafelservies. Thérèse vergezelde hem. Zijn doel was naar Dover te gaan, maar hij vergiste zich in de richting, verdwaalde, en kwam te land in Spalding, in Lincolnshire. Vandaar uit schreef hij, zich waarschijnlijk grenzeloos ongelukkig en verlaten voelend na 't ronddwalen in een land waar niemand hem verstond, weer aan Mr. Davenport en vroeg hem vergunning, naar Wootton terug te mogen keeren, maar toen zijn gastheer den armen zwerveling in Spalding liet zoeken, was hij alreeds vertrokken. Onrust dreef hem voort: hij verbeeldde zich, dat de Engelschen hem gevangen wilden houden en slechts een inval der Franschen hem bevrijden kon; hij was volslagen in de war. Toen hij na lang zwerven ten slotte Dover toch bereikte, richtte hij een smeekbrief tot den kanselier met het verzoek hem ongehinderd te laten vertrekken: hij zou zwijgen over Hume en niet verder schrijven aan zijn gedenkschriften. Van af een heuveltje hield hij een toespraak tot 't volk. Dienzelfden avond scheepte hij zich met Thérèse in naar Calais.

Op franschen grond kwam hij een weinig tot zichzelven: hij erkende later, gedurende dien tocht door Engeland uitzinnig te zijn geweest.

