# Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken

## Part 21

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/jean-jacques-rousseau-een-beeld-van-zijn-leven-en-werken-12009/index.md

Natuurlijk verhoogden de geheimzinnigheid en ongewoonheid die Rousseau omhing, de belangstelling van het publiek voor den grooten schrijver. Alles aan hem was opzien-wekkend en bevreemdend: zijn verkiezen van armoede boven afhankelijkheid; zijn hardnekkig afwijzen van wat alle anderen najoegen: geld, gunsten, eerbewijzen, wereldsch aanzien en wereldsche genoegens; zijn minachting voor de letteren waaraan hij zijn leven wijdde en zijn vermaardheid dankte, zijn teruggetrokken leven in een eenzaam bergdal, zijn zwerftochten in de wildernis der natuur, de vreemdsoortige kleedij die hij had aangenomen, zijn weglaten in 't schriftelijk verkeer van de ceremonieuze vormen die de tijd eischte. En sedert harde en onrechtvaardige vervolgingen hem hadden getroffen, droeg hij daarenboven, wat Voltaire, omringd van weelde en goede sier in zijn vorstelijk lustverblijf, hem misschien van alles het meest benijdde: den martelaarskroon. De glorie van het martelaarschap maakte, dat vrouwen en jongelingen vooral, dat alle gevoelige naturen hem niet enkel bewonderden, maar dwepend aanbaden. Half Europa lag aan de voeten van Voltaire, maar Rousseau leefde in duizenden harten, een zacht-gekoesterde heilige.

Brieven stroomden hem toe van alle kanten; brieven bij honderden, als hij een dag of wat van huis geweest was kon hij er haast niet doorkomen en de hooge onkosten aan porto mishaagden hem zeer. Reeds 't lezen was een plaag voor hem; 't antwoorden een veel ergere. Vele der briefschrijvers schreven enkel uit behoefte, om hun bewondering voor zijn werken te luchten, die zij in hun hart niet zooveel minder gewichtig vonden als die werken zelf. Zulken beantwoordde hij somtijds met een ontstemden uitval, somtijds met bijtende spot die voor de onbescheiden briefschrijvers niet pleizierig geweest moet zijn. Andere wilden disputeeren over den godsdienst; de meeste vroegen om raad in persoonlijke aangelegenheden van allerlei aard. Een prins wilde zijn nog ongeboren spruit opvoeden volgens de beginselen van den "Emile" en overstelpte Rousseau met details over de inrichting der kraamkamer; een jongeling wilde met zijn moeder breken, afstand doen van titel en goed, om als ambachtsman zijn brood te verdienen; een onbegrepen vrouw zocht bij hem vastheid voor haar gemoed. Zijn raad ging altijd in de richting van gematigdheid, afhoudend van uiterste handelwijzen, van elk ruw breken met geworden verhoudingen. Hij ried een ieder om te blijven in zijn godsdienst en in zijn staat, eenvoudig en zuiver te leven, zooveel mogelijk goed te doen; hij verklaarde telkens en telkens weer, dat het opvoedingsplan van "Emile" niet letterlijk gevolgd kon en mocht worden: hij had daarmee bedoeld, de algemeene richting aan te geven waarin de opvoeding zich moest bewegen, niet meer.

Er is in zijn talrijke brieven van raadgeving niets van de heetheid van den fanaticus, den stichter eener sekte, die zijn discipelen een bepaalden vorm van leven en denken opdwingen wil. Integendeel: niets verschrikte hem zoo zeer als de geëxalteerde geestdriftigheid die onbekookt zijn ideeën in daden omzetten wou. De levenswijsheid van wie veel-ervaren en veel geleden en geduld heeft geleerd, lag aan deze houding ten grondslag; en ook wel een weinig het sociaal-konservatisme van den angstigen kleinburger en de afkeer van den geboren droomer voor het onherroepelijke van de daad.

Behalve brieven, stroomde het bezoekers naar Motiers. Gedurende de zomermaanden was Rousseau geen dag zeker voor een inval. "Niet meer bij tweeën en drieën, als in Montmorency, maar bij heele benden van zevenen en achten komen zij," klaagde hij. In het afgelegen dorp raakte men de ongenoode gasten niet makkelijk kwijt, zij moesten geherbergd worden, bleven soms dagen lang hangen. En wat voor menschen waren het vaak! Een enkele maal bewonderende geestverwanten, mannen van smaak en ontwikkeling; --in den regel louter nieuwsgierigen, die zijn werken amper kenden, maar het vreemde beest waarover zoo veel gesproken werd, toch ook eens wilden zien. Die bezoeken verdroten hem zoo, dat hij om ze te ontvluchten 's zomers zooveel mogelijk van huis ging, de bergen in.

Maar nu Voltaire. In een der "Brieven uit de Bergen," had Rousseau Voltaire ten tooneele gevoerd als verdediger der verdraagzaamheid en op hoogst vermakelijke wijze met den ouden spotvogel den draak gestoken, door zijn eigen spottende betoogtrant na te bootsen. Voltaire, die met alles en iedereen den gek stak, duldde natuurlijk niet dat een ander met zijne heiligheid een loopje nam, allerminst Rousseau. Zijn nijd en wraakzucht braakte hij spoedig na de verschijning der "Brieven uit de Bergen" uit in een ongeteekend smaadschrift, een der vuilste produkten die literaire afgunst en beleedigde ijdelheid hebben voortgebracht. "Is het een geleerde" heette het in dit pamphlet, dat de titel "Le Sentiment des Citoyens" (De meening der burgers) droeg, "die tegen geleerden in het veld treedt? Neen, het is de schrijver van een opera en twee uitgefloten comedies. Is het een deugdzaam mensch, door verkeerden ijver bedrogen?... Het is een man die de noodlottige gevolgen van zijn uitspattingen nog aan den lijve draagt, die verkleed als een kermis- reiziger van dorp tot dorp en van berg tot berg met zich de rampzalige meesleept, wier moeder hij sterven en wier kinderen hij aan de poort van een hospitaal te vondeling deed leggen, het aanbod weigerend van een medelijdende ziel die zorg voor ze wilde dragen, en alle natuurlijke gevoelens verzakend, gelijk hij die van eer en godsdienst verzaakt.... Komen wij tot wat ons in 't bijzonder aangaat: onze stad, die hij in beroering wil brengen, omdat hij met de justitie in aanraking is geweest.... Wil hij dat wij elkaar naar de keel vliegen omdat men in Parijs en in Genève een slecht boek heeft verbrand?... Wil hij onze constitutie omverwerpen door haar verminkt voor te stellen, zooals hij het Christendom wil omverwerpen dat hij waagt te belijden? Het zij voldoende te waarschuwen dat de stad die hij verontrusten wil hem met afkeer verloochent. Zoo hij gedacht heeft, dat wij voor den roman "Emile" het zwaard zouden trekken, kan hij die gedachte rekenen onder zijn dwaasheden en zotternijen te behooren. Maar men moet hem leeren dat, zoo men tegen een godlasterend schrijver genadig handelt, _men een gemeenen oproermaker straft met den doodstraf_."

Voltaire optredend als verdediger van godsdienst en goede zeden; Voltaire de overheid ophitsend om een mensch wegens het uiten eener meening met smadelijken dood te straffen. Voltaire, de zeventigjarige vorst der letteren, de gevierde, de vergoodde, afdalend tot de lage en platte gemeenheid van dit pamphlet! Het is begrijpelijk dat Rousseau, ondanks zijn ziekelijk wantrouwen tegen alles wat van dien kant kwam, geen oogenblik vermoedde dat Voltaire de schrijver van deze vuile verdachtmakingen, deze laster, waarheidsverdraaiïng en laffe ophitserij kon zijn. Hij hield daarvoor een ander, den predikant Vernes, waarmee hij vroeger zeer bevriend geweest was en was van die gedachte niet af te brengen, hoe de man zijn onschuld ook bezwoer.

Het smaadschrift van Voltaire--een brochuretje van een bladzijde of zeven-acht--werd op groote schaal verspreid, ook onder de bevolking van Motiers. De aantijgingen, ten deele onzinnig, als dat Rousseau schuldig zou zijn aan den dood van de moeder van Thérèse (een verre uitlooper der oude malle praatjes van Diderot) ten deele de meest kwetsbare plek in zijn leven, het te vondeling leggen zijner kinderen rakend, waren juist geschikt om indruk te maken op de bekrompen boerenhersens. Dit, en 't bekend worden van zijn onregelmatige verhouding met Thérèse, waren natuurlijk prachtmiddelen om den verheerlijker van burgerlijke eerbaarheid en burgerlijken familiezin als een schijnheilige slechtaard voor te stellen, een monster van ontaarding. Aan de rechtzinnige dorpsbewoners moest een man, die de kerkelijke instellingen aanviel, het wondergeloof en de openbaring verwierp, een zedeloos leven had geleid, zijn kinderen verstooten had en in vrije liefde met zijn huishoudster samen woonde, wel de baarlijke duivel toeschijnen. Een geest van vijandelijkheid kwam in het dorp tegen hem op en werd in den loop van het jaar '65 al erger; Thérèse, die door de vrouwen aanvankelijk vriendelijk was bejegend, kreeg nu de volle laag; zij werd nageroepen en nagebauwd. Rousseau zelf hoorde op zijn wandelingen, inplaats van den vroegeren minzamen groet, nog slechts beleedigingen, verwenschingen, bedreigingen hem neer te zullen schieten. Men vertelde dat hij op zijn botanische tochten kwaadaardige planten zocht, om mensch en dier te schaden; men zeide dat hij ontkende dat vrouwen een ziel hebben; men schold hem voor den anti-christ. Mme de Verdelin, die hem in Motiers bezocht, kwam zoo onder den indruk van de vijandelijke stemming der bevolking, dat zij hem bezwoer de wijk te nemen naar Engeland, en aan David Hume verzocht een toevlucht voor hem te vinden.

Natuurlijk was niet alléén het smaadschrift van Voltaire oorzaak van de vijandelijkheid der bevolking, de felle campagne der predikanten droeg hier eveneens toe bij. Na de verschijning der "Brieven uit de Bergen" kreeg Rousseau de organisatie van het protestantisme op zijn lijf. De "eerwaardige klasse," dat is de vereeniging der predikanten van Neuchâtel, verzocht den Raad van het vorstendom om de "Brieven" en hun schrijver te vervolgen en gelastte den dominé van Motiers, om Rousseau voor den kerkeraad te dagen ten einde hem uit de kerk te stooten. Montmollin, een goedhartig en vriendelijk man, algemeen bemind in zijn gemeente, maar zwak van karakter en gemakkelijk te beïnvloeden, probeerde nog tot een schikking te komen: hij verzocht Rousseau ten einde schandaal te voorkomen, met Paschen vrijwillig van het avondmaal weg te blijven. Rousseau weigerde beslist: hij vond zichzelf immers een uitstekend protestant, dus had hij het recht daaraan deel te nemen. Daarbij kwam zijn koppigheid in het spel. Zijn wil, zoo machteloos in het najagen en vasthouden, was grenzeloos-sterk in het weerstand-bieden: alle machten ter wereld vermochten hem niet te doen buigen als hij niet wou. Toegeven scheen hem in dit geval lafhartig: hij wilde binnen of buiten zijn, in vrede of oorlog, wolf of schaap. Ook de ambachtsheer van Motiers trachtte hem tot een verklaring te bewegen die de "eerwaardige klasse" gerust zou stellen. Vergeefs: Rousseau wilde niet anders verklaren, als dit: "hij zou voortgaan met in zijn gevoelens en door zijn handelingen het geluk te bewijzen, dat het lidmaatschap van de kerkelijke gemeenschap hem verschafte." Na deze verklaring moest de zaak natuurlijk haar loop hebben.

Rousseau werd voor den kerkeraad van Motiers gedaagd, een zestal boeren. Hij stelde zijn verdediging op schrift en leerde die van buiten, maar door de overspanning waarin hij verkeerde was hij op den dag dat hij voor moest komen alles vergeten. Hij zond toen een verdedigend schrijven aan den kerkeraad, waarin hij o.a. verklaarde, dat God alleen bevoegd was om over zijn geloof te oordeelen. De stemmen staakten; de ambachtsheer die de vergadering bijwoonde wist gedaan te krijgen dat de zaak aan de wereldlijke overheid onderworpen werd. De autoriteiten van Neuchâtel hadden van hoogerhand bevel gekregen het dringen der predikanten te weerstaan, daarbij zaten in den Raad van het vorstendom verscheidene vrienden van Rousseau: de Raad onthief hem van de jurisdiktie van den kerkeraad en veroorloofde den herdruk der "Brieven uit de Bergen." Voor de barsche vermaningen van Frederik de IIde kropen de dominé's in hun schulp: de "eerwaardige klasse" besloot, protest aanteekenend tegen de aanranding der kerkelijke rechten door den vorst, om Rousseau "aan zijn dwalingen over te laten."

Hij had overwonnen, maar tot welken prijs! Het despotisme, en nog wel het despotisme van een vreemden heerscher, had hem beschermd tegen de wettige demokratie der kerkelijke organisatie, waartoe hij vrijwillig behoorde; het recht van den sterkste, dat hij eenmaal had verklaard géén recht te zijn, handhaafde hem tegen den volkswil, waarvan hij had geschreven, dat die niet dwalen kon. Zijn individualisme, zijn vrijheidsdrang, zijn onbuigzaam-staan voor wat hij als waarheid erkende, de fierheid en stoere onverzettelijkheid die het beste waren van zijn wezen, hadden hem in konflikt gebracht met het demokratisch beginsel dat hij vurig aanhing, zijn leven lang. Tragisch was dat konflikt, tragisch zijn ondergang, wijl onvermijdelijk en niet zonder schuld.

Sedert de verschijning der "Brieven uit de Bergen" den storm tegen hem hadden opgeroepen, werd hij ellendig heen en weer geslingerd. Zijn gemoed, gelijk zijn brieven uit dien tijd het weerspiegelen, was een en al wankelheid.

Hij wou gaan, hij wou blijven; de nabijheid van Genève verontrustte en benauwde hem; hij zou in geen geval meer antwoorden, hij zou doorgaan met schrijven. Hij zocht in de buurt naar een andere woonplaats, maar vond niets geschikts; hij dacht er over, naar Venetië de wijk te nemen, "waar het klimaat en de inkwisitie allicht zachter zouden zijn dan in Zwitserland" (een grapje, dat hij tegen al zijn vrienden herhaalde); hij dacht over Engeland, over Potsdam, over Korsika, waarheen bewonderaars hem hadden uitgenoodigd, om een grondwet voor het eiland te ontwerpen. Soms maakte hij zich vroolijk over al dat verbranden van zijn boeken; "'t wordt zoo kinderachtig, dat ik er om moet lachen," schreef hij; soms gaf hij toe, zich diep-geschokt en rampzalig te voelen. "Mijn zedelijk leven is ten einde," schreef hij in Februari; "het beste deel van mijzelf is reeds gestorven, de menschen vermogen niets meer op mij, en ik beschouw al die barbaarsche magistraten als zoovele wurmeft die knagen aan mijn lijk." Maar dan rees zijn mannelijkheid weer in hem op, de oude kracht diep-geworteld in zijn wezen, zijn strijd-instinkt. "Gij zijt getuige, mijnheer," schreef hij in Maart, "dat ik de wapens met vreugde had neergelegd. Zoo men mij noodzaakt ze weer op te nemen, zal ik ze opnemen, want ik wil mij niet tegen den grond laten slaan: dit punt staat voor mij boven alle bedenking vast."

Zoo leed hij slingering des gemoeds en sloopende onzekerheid, het deel van den mensch die beklemd raakt tusschen de dingen, en niet éénen weg klaar en helder, als den goeden, rechten, waren, voor zich ziet. Ten slotte besloot hij toch, tegen alle raadgevingen in, in Motiers te blijven tot de storm voorbij was: hoe krachteloos en ellendig hij zich dikwijls voelde, hij moest trotseeren, hij kon niet anders, gaan loopen kon hij niet.

Montmollin, van uit Genève opgestookt, ageerde nu heftig tegen hem en beschuldigde hem in een brochure de belofte, waarop hij hem tot het heilig avondmaal had toegelaten, gebroken te hebben; Rousseau antwoordde in een langen brief, voor de openbaarheid bestemd, aan zijn vriend du Peyrou. Er verschenen nog meer brochures, over en weer werden allerlei persoonlijke kwesties in den strijd gehaald, de streek was in rep en roer. Op den 1sten September verklaarde de predikant van af den kansel, dat zoo de kuiperijen der overheid tegen hem niet ophielden, hij de gemeente zou verlaten; in zijn preek trok hij met duidelijke toespelingen heftig tegen Rousseau van leer. Dat bracht de gemoederen op 't kookpunt. Een week na die preek--het was net kermis--werd zijn huis 's nachts met steenen gebombardeerd; een er van drong door de ruiten der galerij tot in zijn slaapkamer; de ambachtsheer werd gehaald, er werden posten voor de deur gesteld, om het huis te bewaken.

Daags daarop verliet Rousseau Motiers: de strijd was beslist, de dominé's hadden met hulp van de domme massa overwonnen. Het was ook tegen de rede, dat de geest van 't vrije denken, te midden van een achterlijke plattelands-bevolking, de kerkelijke demagogie zou kunnen weerstaan.

Zonder zich te bekommeren om het feit, dat de senaat van Bern hem drie jaar geleden het grondgebied der stad ontzegd had, begaf Rousseau zich van uit Motiers naar het eilandje St. Pierre, in het meer van Bienne, dat aan het hospitaal van Bern behoorde en heden nog behoort. Hij was er eenmaal geweest op een van zijn zwerftochten; en hem lokte de welige vrede van dit aardsche paradijs. Hij was grenzeloos moe van hart, moe van den strijd en de menschen. Hij wilde rusten, hij wilde niets anders meer.

Na die steeniging van Motiers heeft hij nooit meer iets anders gewild als rust en vergetelheid; hij heeft zijn stem niet meer verheven voor de idealen van recht en vrijheid, hij heeft niet meer de liefde tot de makkers, de begeerte voor het heil der menschheid te leven en te sterven als een heerlijke warmte in zich gevoeld. Zijn hart is nooit meer uitgegaan tot de menschen: dat hart was verscheurd door 't gezicht van de haat des volks.

Hij had droomen gedroomd, en zij waren gebroken; hij had gestreden en in alles gefaald. Hij had voor God getuigd, alléén onder de ongeloovigen, nu was hij uitgeworpen als een godloochenaar. Hij had wettelijkheid boven alles gesteld en gemaand tot vrede, nu werd hij uitgekreten voor een oproermaker, een aanstoker van burgertwist. Hij had zijn vaderstad verheerlijkt als de stut der gerechtigheid, haar instellingen aan die van alle staten ten voorbeeld gesteld, haar vroede mannen geprezen als wijs en beleidvol: nu hadden die instellingen zich tegen hem gekeerd en die vroede mannen hem onrechtvaardig veroordeeld; en zijn stad, de stad die hij nooit kon naderen zonder dat zijn hart hoog begon te kloppen als voor een geliefde, had hem beladen met smaad. Hij was zijn leven lang de vriend der armen geweest, der eenvoudigen en nederigen, hun had hij de teerheid van zijn hart gegeven, hij had gesidderd van toorn over wat aan hen misdaan werd, hij had snijdend en scherp als geen ander de grooten aangeklaagd, die hen verdrukten; nu hadden de kleinen hem verjaagd uit hun midden, met steenen, als een dolle hond. Wat deed hij nog op aarde? Hij voelde verder leven als doelloos.

Hij leefde nog vijftien jaar na dien slag, hij genoot nog van de natuur en van zachte herinneringen, hij was nog vatbaar voor vele aandoeningen en sensaties en genoot het uitbeelden daarvan, hij schreef nog twee meesterlijke werken: de "Confessions" en de "Rêveries." Maar zijn moreele veerkracht was gebroken, geheel en voor goed. De hooge ideeën, die hem ontroerd en opgetogen, en de krachten van zijn wezen tot 't uiterste hadden gespannen, verwaasden; hij werd zijn eigen middelpunt, hij voelde zich nog slechts bewogen over zichzelven. Hij dook onder in droevige mijmeringen over wat hem, den onschuldige, die naar 't goede gestreefd had, was aangedaan; hij bebroeide zijn naargeestige gedachten, tot ze in monsterlijke weligheid opschoten en vermeerderden in alle windingen van zijn bewustzijn; zonder wil, zonder moed, zonder hoop, zonder krachten, gaf hij zich weerloos over aan den vijand, die al lang op de loer lag in duistere diepten van zijn wezen: broeiende, borende melancholie.

* * * * *

Maar eerst nog die zachte straal vóór de jaren van duisternis, van waanzin en rusteloos zwerven: St. Pierre, het liefelijk eiland in het liefelijk meer. Als een hooge, groene schildpad rijst het boven het water; de heuvelrug is een hoog dicht loof woud van eiken en beuken, kastanjes en noteboomen, met reuzen-sparren en altijd-groene struiken gemengd; tegen zijn flanken klimmen de boomgaarden op en beneden aan den oever spreiden zich welige landouwen. In het voorjaar strooien honderde bloesemboomen hun teere pracht uit over de weilanden, die schitteren van witte en gele sterren; in 't najaar glinstert tusschen de takken het rijpe rood-gouden ooft. De lucht is er zoet van bloemengeur en van de kruidige geur der naaldboomen en heesters, de lucht is er vol vogelengeschal en gezoem van insekten; het is alles heerlijkheid, streeling der zinnen, paradijs-weelde, een bad van geneugten voor zinnen en ziel.

Er staat één huis op het eiland; omlaag tusschen de weien staat het aan den voet der boomgaarden, aan den ingang van een laan van reuzen- populieren, dik met klimop begroeid, die voert naar den zandigen oever. De rentmeester woont er met zijn gezin, heden nog, evenals toen Rousseau er voor bijna honderd-vijftig jaar neerstreek, een moegestreden overwonneling. Een groote ontspanning kwam over hem, een zalige vergetelheid; hij wist niets meer, wilde niets meer weten van de onvreê der wereld; zijn boeken en papieren, die Thérèse had meegebracht, liet hij onuitgepakt; met zijn Linnaeus onder den arm, zwierf hij door bosch en wei, beschouwde, vergeleek, ontleedde; hij was juist begonnen om de bevruchtings-inrichting der planten te bestudeeren en was een en al opgetogenheid over die wonderen. Soms nam hij een bootje en liet zich urenlang door de deining meevoeren, op den bodem uitgestrekt, gedachteloos, in vage, gelukkige droomerijen verzonken. Of hij roeide langs den oever, en baadde in het heldere meer. Soms vergezelde hij den rentmeester op diens inspektie van de akkers en velden, of hielp hij in den boomgaard bij den pluk van het najaarsfruit. Tegen den avond ging hij naar een eenzame plek aan het strand en zat daar vaak te droomen tot de nacht gedaald was over de aarde; het golf geklots en de kabbeling van het water wiegden hem zoet tot rust; hij voelde zich leven en genoot het gevoel te leven, maar zonder gedachten of begeerten, zonder vrees of hoop. Later, de herinnering aan deze dagen terugroepend, scheen het hem dat hij nooit, in heel zijn leven, een zoo volkomen en ongerept geluk genoten had. De tijd was niets werkelijks meer voor zijn ziel, de oogenblikken vervloeiden zonder eenige schok in elkander, het gevoel te bestaan vervulde haar volkomen, hierin vond zij zaligheid, als had zij, God-gelijk, genoeg aan zich zelve.

Twee maanden duurde die volheid van geluk; toen wierpen menschen tot gruis de brooze wanden van het Nirwana, waarin zijn ziel was gevlucht.

Hij dacht dat de regeering van Bern zijn verblijf in St. Pierre stilzwijgend gedoogde en hem met rust zou laten: hij voelde zich zoo ongevaarlijk, zoo ver van alle theologisch en staatkundig getwist. Misschien, dacht hij, was het zijn vijanden welkom, dat hij op dat vergeten eiland een toevlucht had gezocht, misschien wilden zij hem daar wel voor goed gevangen houden. Hij hoopte dit, inniger dan hij ooit iets gehoopt had. O, te mogen wonen tot zijn dood, in dat geurend Arcadie, in die bloemige, ruischende eenzaamheid!

Toen kwam 't bevel van den senaat om binnen vier en twintig uur het grondgebied der stad Bern te verlaten: weer werd hij opgejaagd, een edel, doodelijk-gewond hert.

