# Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken

## Part 2

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/jean-jacques-rousseau-een-beeld-van-zijn-leven-en-werken-12009/index.md

Na zes jaar keerde hij terug: zijn vrouw was hem trouw gebleven, zij had hem nog lief. De vrucht van deze terugkomst, de "droevige vrucht," gelijk hij zegt, was Jean Jacques. Hij kwam den 28en Juni 1712 ter wereld.

Zijn geboorte kostte zijn moeder het leven. Maar kan moederliefde ooit vervangen worden, dan werd zij het in dit geval. "Geen koningszoon," heeft hij zelf getuigd, "kan met grooter liefde verzorgd worden dan mij gedurende mijn eerste jaren ten deel viel, verafgood door mijn omgeving en, wat veel zeldzamer is, altijd gekoesterd maar nooit verwend."

Het was een zuster van zijn vader, die hem deze koestering gaf. Haar zorg redde zijn leven, want hij werd stervend geboren. Zijn levenlang heeft hij haar aangehangen met liefde en erkentelijkheid om de zoete geur van innigheid, die haar wezen in de herinnering zijner kindsheid mengde. Zij was vroolijk, lieftallig, gelijkmatig en zacht. Vele oude wijsjes kende ze, zong ze met dunne kleine stem. Die zonken in het gemoed van het knaapje en lagen vele jaren lang op den bodem, slapend. Eerst door heel den tijd, dat hij zich op de golven der levenszee liet deinen; toen door den anderen, dat de wil in hem rees zelf een kracht te zijn en hij met een geestdriftig hart worstelde tegen storm en tij. Maar toen de tijd van moeheid en inkeer kwam, dook hij in zich zelven en vond er de oude leizen die zijn jeugd gewiegd hadden en wekte ze en droeg ze omhoog. En met de dunne stroom hunner melodie en het lichte getrip hunner woordjes kwamen al de zachte blijheden van zijn kinderleventje in dat veilige warme nestje mee, want zijn ziel hoorde tot de zeldzamen, die met de herinnering der dingen hun geur bewaren en met het beeld de atmosfeer der vroegere aandoening herleven doen. Hij bezat de gave, die doorleefde vreugde en smart voorttrillen laat door 't wezen dat ze voelde: het geheugen van 't gemoed.

Zijn vader bracht op Jean Jacques de lange teederheid over, waarmee hij de lieve Suzanna had aangehangen. En toch zag hij in 't knaapje de oorzaak van haar dood. Zoo was zijn vadergevoel gespleten en troebel. Hij beheerschte zich weinig; als hij 't kind aan zijn hart sloot en met hartstochtelijke liefkoozingen streelde, merkte dit in die overgroote teerheid 't verlangen naar haar, die niet meer was. Als de vader zei: "we zullen over moeder praten," antwoordde het knaapje, "dan gaan we schreien, vader."

Zoo'n omgang was voor het zwakke en vroegrijpe kind een school van overgevoeligheid, gelijk ook de verdere opvoedingswijze van vader Isaac. Zoodra Jean Jacques lezen kon--hoe hij 't leerde wist hij zich niet te herinneren--toog zijn vader met hem aan 't lezen van de romans die Suzanne had nagelaten; verhalen vol valsch pathos en opgeschroefd gevoel. De man en het kind zwelgden in die avontuurlijke wereld, vergaten de huisbakken werkelijkheid. De nacht verging, de eerste zwaluw kondigde cirkelend den dageraad aan eer de vader, uit den roes van romantiek ontwakend, beschaamd fluisterde: "ik ben nog grooter kind dan jij." Jean Jacques was toen zeven jaar oud.

Binnen de engbegrensde horizon van het ouderlijk huis voelde het kind zich veilig, warm-gekoesterd en gelukkig. Ook later bleef een eng-omsloten levensveld noodig tot zijn geluk; zoodra het zich opende en wijde uitzichten won, verloor hij zijn rust en zichzelven. Hij had geen vriendjes en geen verlangen er naar; zijn broer, een deugniet die jong naar Duitschland trok en waarvan nooit meer iets gehoord werd, scheelde te veel met hem om zijn speelmakker te wezen; zoo had hij dan geen anderen dagelijkschen omgang dan met vader en tante en de goede trouwe meid.

Maar naast het engbegrensde simpele leven van den dag begon vroeg een ander voor hem, wijd en onbegrensd: dat der verbeelding. Zij was in hem het sterkste vermogen, zij voerde hem mee, zijn levenlang, waarheen 't haar lustte en haar rijk was werkelijker voor hem dan de werkelijkheid zijner zinnen, hij vergat er armoede, verdriet en lichaamspijn. Uit de vroeg-gelezen verhalen was in hem een wereldbeeld gegroeid, dat geen ervaringen ooit geheel verdrongen, een vreemde wereld vol romantisch gebeuren, vol heldhaftige ridders en smachtende jonkvrouwen. De gevoelens in die wereld waren ongezond, broeierig en zwoel;--natuurlijk, want zij was niets als de bleeke, tallooze malen verslapte kopie der middeneeuwsche romantiek. En hun zwoelheid zonk in hem en doortrok zijn wezen en werd een deel daarvan, voor goed.

Maar gelukkig, aan de voorraad romans kwam een einde. Vader en zoon vonden in de boeken van Suzanna's voogd, den predikant, afkomstig, nieuw voedsel om hun leeshonger te stillen. En dit was beter kost: Bossuet, Ovidius, Plutarchus. Voor het kind ging de wereld der klassieke oudheid open, de verheerlijking van burgerdeugd en soldatenmoed, van rechtvaardigheid en zelfverloochening, van zedelijk enthousiasme. Er was een vrijheid om voor te leven en te sterven, er waren genooten om te redden door standvastig verdragen smart en dood; de heerlijkheid bestond van een trouw, onverzettelijk bewaard. Het knaapje gloeide: in zijn oogen vonkten tranen, rillingen van geestdriftig begeeren tintelden langs zijn rug: o een held te zijn, een martelaar voor de vrijheid, groote daden voor de makkers te doen. Machtig ontwaakten in hem de oerneigingen van sympathie en meegevoel, de sociale driften. En machtig blies de wind der verbeelding hun vlammen aan. Hij wèrd Aristides, hij wèrd Brutus, hij wèrd Scevola, hij leefde in die helden of zij in hem. Dan sprak hij met zijn vader, en vond in diens oogen en stem iets van zijn eigen verrukking, als de horlogemaker van hun eigen stad verhaalde, die een republiek was evenals Sparta en Rome, en wier burgers ook voor de vrijheid hadden gestreden tot den dood. Soms zag het kind hen, gewapend en met rustigen tred, van de oefening op het marktplein keeren, en hoorde hun krijgshaftige liederen klinken langs de straat. En de haat tegen oude tyrannen en de liefde voor de helden van lang geleden versmolt in zijn hart tot één gevoel, met de liefde voor de vaderstad en de levende burgers, en hij zag hen omstraald met de deugden der burgers van Sparta en Rome en met hun roem.

En ook deze kiemen en zaden zonken in zijn gemoed en dreven wortel en kiemden; kiemden en stegen, een bosch van halmen in zijn bewustzijn, toen hij man geworden was. Hij maakte hartstochtelijke boeken van de gevoelens, die zijn kinderhart zoo heerlijk en zoo fel bewogen hadden. En toen door zijn woorden de oude deugden der Grieken en Romeinen opstonden en de fiere gestalten van tyrannenhaters bewogen, strekten zich duizende handen naar hem en duizenden harten klopten het zijne tegen in verrukking: de harten van mannen en vrouwen die als hij burgerdeugd en onkreukbaarheid en rechtvaardigheid liefhadden en eenvoud en familiezin. Dat waren de kleinburgers. Zij maakten zich op om een grooten strijd te strijden tegen tyrannie en privilegie, tegen de weelde en de lichte zeden der heerschers van toen. En vol waardigheid hulden zij zich in het heroïsche gewaad der oudheid, dat Rousseau hun reikte: hun eigen drang en wil en streven leek hun in die omhulling veelmalen schooner toe.

* * * * *

Toen Jean Jacques twaalf jaar was kreeg zijn vader op de jacht--een hartstochtelijk jager was hij--twist met een zekeren kapitein Gautier, die gediend had in de lijfwacht van den koning van Polen. Isaac, prikkelbaar en heetbloedig, achtte zich beleedigd, en toen hij den ouden ijzervreter een poos na hun twist in de stad tegen kwam, trok hij zijn zwaard, viel hem aan en verwondde hem. Het vonnis luidde: een boete, drie maanden gevangenis, en op de knieën vergiffenis vragen. Maar Isaac achtte het vonnis onbillijk en liever dan te buigen, vestigde hij zich voor goed te Nyon, een plaatsje dicht bij Genève maar buiten het stadsgebied, waarheen hij na zijn daad de wijk had genomen. Zijn kinderen liet hij achter, een broeder zijner vrouw zou verder zorg voor hen dragen. Met het zoontje van zijn oom, een goeie jongen, kwam Jean Jacques in de kost bij een dominé in Bossey, een dorpje op Geneefsch gebied aan den voet van de Salève. De Grieken en Romeinen raakten op den achtergrond van zijn bewustzijn: hij leerde spelen en kattekwaad uitvoeren en werd, voor 't eerst eigenlijk, kind. En een nieuwe vreugde ging open: hij die tot nu toe geleefd had binnen stadsmuren kwam buiten, in de natuur. Zij zou, in zijn verder leven, hem over alles troosten; in zorg, in verdriet, in verbittering, in geestelijke omnachting zijn hart tot rust brengen; zij zou voor hem de diepste zoetheid des levens zijn.

Twee jaar bleef hij in het predikanten-gezin; leerde er wat latijn en kerkgeschiedenis en den katechismus. De moreele atmosfeer was dezelfde als thuis, de predikant en zijn zuster behandelden hem met liefde: het zachte, affektueuze en levendige kind won alle harten. Met zijn neefje Bernard sloot hij een echte jongensvriendschap: zij waren onafscheidelijk, kibbelden soms, maar konden geen kwartier buiten elkaar.

Aan 't eind van die twee jaar kreeg zijn kindergemoed de groote schok waarvan het zich nooit geheel herstelde. De menschen waaraan zijn hartje hing straften hem, ondanks zijn hartstochtelijke betuigingen van onschuld, hard en onmeedoogenloos voor een vergrijp dat hij niet misdreven had. Er brak iets in hem: hij doorvoelde de monsterlijkheid van onrecht. De groote kloof viel in zijn leven tusschen 't kinderparadijs van ongerept vertrouwen en het bewustzijn van de wereld als vijandelijke overmacht. Haast alle kinderen beleven dit, alle voelen in die oogenblikken de wanhoop der machteloosheid, maar de meesten herstellen zich spoedig, want het normale kindergemoed is elastisch als een ongebruikte veer.

Maar zijn gemoed miste die soort veerkracht, en dit kon niet anders zijn door de gave, met de herinnering de aandoening weer wakker te roepen. Wie haar bezitten dragen zwaar aan het leven, en hun verdriet gaat niet voorbij.

Hij was week van natuur, vatbaarheid voor teedere aandoeningen vormde de grondslag van zijn wezen, maar meer passief toch nog dan aktief, meer als begeerte liefde te voelen uitstroomen over hem dan als uitstroomende liefde. Hij hunkerde naar koestering, zoog haar in als dauw. Op kwaad hem aangedaan, reageerde hij zelden aktief door drift en toornen. Tweemaal, verhaalt hij, werd hij als kind ernstig bezeerd door de onhandigheid of wildheid van kameraadjes. Hun schrik en angst voor straf wekte zulk een groot medegevoel in hem, dat hij onmiddellijk in de eerste oogenblikken van hevige pijn, een valsche oorzaak van zijn verwonding opgaf en nooit tegen wien ook de ware bekende. En ondanks pijn en ontsteltenis doorvloeide hem in die oogenblikken een zoete verteedering; hij genoot zijne weekheid en hun medegevoel.

De eerste ervaring van machteloosheid tegen onrecht was de eerste groote proef zijner natuur. Zij bleek een wonderlijk mengsel van staal en brosheid. De wreede kastijding verdroeg hij stoïcyns: zoo zij niet ophielden te slaan, hij hield niet op te ontkennen. In 't verdragen was hij toen reeds sterk en standvastig. Maar hij schoot te kort in herstelkracht. De pijn van machteloosheid tegen onrecht bleef, lang nadat hij zijn radelooze verontwaardiging had uitgegild; zij stak nog, als hij na vijftig jaar het voorval ophaalde uit den stroom der herinnering, zijn pols joeg dan sneller. Zijn kinderblijheid was weg, het fundament zijner wereld ondergraven, haar glans verduisterd.

Maar andere gaven in hem verkeerden die zwakheid van overmatige depressieve reaktie weer tot kracht. Zijn gevoel sloot zich niet over de bitterheid van het eigen lichamelijk-doorproefde leed. Neen: het rankte uit, door medegevoel en verbeelding gevoed, tot andere menschen die dit óók geleden hadden, verstrengelde zich met hùn gevoel. Wanneer hij van af dien dag menschen of dieren gekweld zag worden, of verhalen van triumfeerend onrecht las, kwam zijn bloed in zieding en zijn vuisten balden zich. Want hij wist wat dit was en voelde in de pijn dier anderen zijn pijnen. En dit zou sterker in hem worden, tot de tijd kwam, dat hij zijn verontwaardiging òmsmeedde tot gloeiende woorden tegen de algemeene oorzaak van alle verdrukking en onrecht: de maatschappelijke ongelijkheid.

De bekoring van het vredig leven in de pastorie was gebroken, de zachte gemeenzaamheid verstoord. Jean Jacques keerde met zijn neefje naar Genève terug. De vraag was nu voor welk beroep hij opgeleid zou worden: horlogemaker, notaris of predikant. Het laatste trok hem aan, maar de nalatenschap van zijn moeder bleek niet voldoende voor de studiekosten. Zijn vader was hertrouwd en liet zich weinig aan den jongen gelegen liggen. Hij kwam als klerk op een notaris-kantoor, maar het werk stond hem tegen en zijn meester vond hem te stom voor het vak. Hij schold hem een ezel en stuurde hem spoedig weg. Het zou de laatste maal niet zijn, dat Jean Jacques den indruk maakte maar een heele gewone jongen te zijn met beperkte geestvermogens. Hij voelde hevig, maar dacht moeizaam en traag en zijn gedachten wonden zich langzaam los uit de vruchtbare, warme verwarring van het onderbewuste.

Hij werd bij een graveur in de leer gedaan. Zijn meester, een jong man nog, verbond zich den leerling in te wijden in alle geheimen van het ambacht, hem op te voeden in de vreeze Gods en de goede zeden. Hij was dertien jaar toen de ellende van den leerlingentijd voor hem begon.

Zijn aard was niet uit één stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en toch ontembaar, zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en meegesleept-worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met zichzelven, en moest zoowel het genot als de wijsheid derven. In zijn jeugd liet hij zich geheel drijven op aandoeningen en indrukken, en wat omstandigheden en omgeving van hem maakten, dat was hij.

Nu kwam hij in een omgeving, die al de lage aandriften en neigingen in hem naar boven haalde en al het zachte en edele verschrompelen deed. Zijn meester was ruw, lichtzinnig en hardvochtig, hij sloeg het kind, gaf het niet genoeg te eten, terroriseerde het op alle manieren. Al de ellende van het leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van overgeleverd te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren onder den druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun liefdeloosheid, maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten, hij leed altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als een knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig, verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot zich in verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. Eerst in later dagen werd hij zich pijnlijk-bewust, hoe snel zijn karakter in korten tijd was vervallen.

Met zijn neefje Bernard kwam hij nu nog maar weinig samen. Die woonde in de hooge stad, het kwartier der notabelen; hij, Jean Jacques, in de lage, waar de ambachtslieden huisden en het gemeene volk.

Zoo was hij dan geheel en al ontrukt aan zijn oude warme levenssfeer. Alles om hem werd kil en grauw.

Wie telt de duizende knapen, wier geest verstompt en wier karakter voor goed bedorven werd door de ellende van hun leerlingen-bestaan? Jean Jacques ontkwam den ondergang: een goede fee had aan zijn wieg gestaan en als de werkelijkheid te nijpend werd strekte zij haar staf uit en voerde hem mee tot haar lichte domeinen. Het was de fee: verbeelding.

In Bossey had hij gestoeid en gedarteld en in de werkelijkheid geluk gevonden. Nu vluchtte hij voor haar pijn in het rijk der fantaizie. En omdat eigen vleugels hem nog niet konden dragen, borgde hij vleugels van anderen.

Hij las. Hij las zonder keus, zonder onderscheiding, met hartstocht, met razernij. Hij was onverzadigbaar, want hij volgde zijn instinkt van zelfbehoud. Als zijn geld op was, verpandde hij zijn kleeren om boeken te kunnen huren. Bont en vreemdstaltig zal de wereld er hebben uitgezien waarin hij zich redde! Want hij nam gretig aan wat de boeken-verhuurster hem voor zette, haar heele winkel las hij leeg. Alleen voor de liederlijke boeken die zij hem, geheimzinnig-doende, aanprees, bedankte hij uit schaamte.

Hij leerde zijn ambacht niet ten einde. Maar hij leerde lang genoeg om het element van vorming in zich op te nemen dat voor ieder ligt, maar in 't bijzonder voor zijn dichternatuur in de discipline van den handenarbeid lag. Hij leerde geduld, nauwkeurigheid, stadigheid. Hij, voor wien de verbeeldingswereld werkelijker aanvoelde dan die der zinnelijke werkelijkheid, raakte althans met één stukje dezer laatste innig vertrouwd, leerde dat beheerschen, vervormen. Hij, de droomer, leerde het respekt voor den handen-arbeid, dat enkel geheel doorvoeld kan zijn bij wien zelf een handwerk verstaat.

Ook deze kiemen droegen vrucht. Dat hij in zijn jeugd een ambachtsman geweest was, maakte hem zijn leven lang het arbeidzame volk dieper eigen. En toen hij, aan den drempel van den roem, het moedig besluit nam om, zijn vrijheid reddend, voortaan van den arbeid zijner handen te leven, deed de spottende verbazing der vak-letterkundigen, zijn vrienden, hem vreemd aan: hij keerde immers terug tot een hem vertrouwden levensstaat.

Met dat al was het gelukkig, dat zijn leerlingen-bestaan niet te lang duurde. Het kwam ten einde door een toeval en een opwelling. Hij placht op vrije dagen met kameraadjes buiten de stad te zwerven; dan herleefde de oude overmoed en uitgelatenheid, hij werd hun aanvoerder, vergat afstand en tijd. Al een paar keer hadden zij, terugkeerend, de poorten gesloten gevonden en buiten overnacht. Zijn meester had hem afgestraft en zóó fel bedreigd, dat de knaap bevreesd werd en de derde maal niet terug dorst keeren. Toen hij, die ademloos aanrennen kwam, zag hoe de brug werd opgehaald en haar horens de lucht in boorden, wierp hij zich in wanhoop neder en beet in den grond. Hij zwoer, nimmer terug te keeren. Zijn kameraden brachten de boodschap over aan den jongen Bernard, of die van zijn neefje afscheid wou komen nemen. Hij kwam, maar zocht den vluchteling met geen woord tegen te houden.

Zoo trok Jean Jacques, door vrees bewogen, op zijn zestiende jaar de wereld in. Hij had geen geld, geen beschermers, geen kennis, geen ervaring, hij stak vol romantische droomen en vage matelooze eerzuchtigheden, hij was een arme verdwaasde jongen, zonder wapens in den strijd om het bestaan.

Maar de wereld waasde, vol avontuur, en de wind woei vrijheid.

III. DE ZWERVER.

Het was vroeg-lente, het zoet getijde, dat alle dwaze droomen opengaan. Hij kwam nu in het land Savoye; op de heuvels boven de dalen stonden de kasteelen der heeren, en hij dacht smachtend aan de schoone jonkvrouwen, die op hem gingen verlieven en hij op hen. Hij had, meende hij, de hand slechts uit te strekken om het wonder aan te raken, overal geurde de minne, het duffe leven van gewoonheid lag achter hem, zijn dagen gingen zich kronkelen door verrassingen en avonturen, als een stroom zich kronkelt door bergen. Zoete verwachting van wat ging komen! En zoete bandeloosheid van het oogenblik! Hij dwaalde naar willekeur, kwam, ging, rustte, droomde, de boeren gaven hem voedsel en onderdak; hij voelde zich baden in vrijheid.

Die droomen waren--droomen. En de vrijheid, die hem omwoei, was schijn. Wat hij gedaan had was niet willekeurig, maar een kleine golf in den oceaan van het menschelijk gebeuren, een van de duizenden stipjes te zamen de lijnen vormend die wij noemen "maatschappelijke verschijnselen." Zijn vlucht was het gevolg van het leerlingenstelsel, een werking van dat stelsel op een uiterst-sensitieve natuur. En wat hem na zijn vlucht ging gemoeten en gebeuren, had elk kunnen voorspellen, die hem kende en de streek waar hij kwam. Hij kon haast geen stap doen buiten 't grondgebied van Genève, of hij was bij den erfvijand, in 't land der hertogen van Savoye. In vroeger tijden hadden zij met de wapens gepoogd de burgerlijk-protestantsche stad ten onder te brengen, vele malen, telkens weer. Maar 't was hun nooit gelukt haar te vermeesteren en de veete was ten slotte gedempt. Nu voerden de papen den strijd verder met andere middelen: geniep en listen en omkooperij. De zwarte spinnen hadden hun webben gesponnen tot aan de poorten van Genève, zij lagen op de loer naar de afgedwaalde zonen van het protestantisme; er werden vele bekeerlingen gemaakt. Wie jong en onnoozel, zonder middelen van bestaan zwierf langs de wegen, moest in hun netten raken voor hij 't wist.

De eerste de beste man van aanzien en middelen bij wien de vluchteling na een paar dagen zwervens belandde, was een van de geestelijken die het bekeeringswerk stelselmatig bedreven. Hij verzorgde den hongerigen knaap met een flink maal, schonk hem rijkelijk van den gelen landwijn die het hart licht maakt en de gedachten welig, polste hem, vond een zieltje te winnen, en gaf hem een schrijven voor Mme de Warens, een adellijke dame, die te Annecy van de karige mildheid van den koning van Sardinië leefde. Zelve een nieuwbekeerde, was zij een werktuig in handen der priesters: haar huis fungeerde als doorgangspunt, vanwaar de bekeerings-candidaten uit de streek verder werden gezonden naar het centraal gesticht in de hoofdstad Turijn, om daar onderwezen te worden in de leer van het katholicisme.

Hij meldde zich aan: men zei hem, dat zij naar de mis was. Hij achterhaalde haar op 't pad dat de beek langs, van haar huis naar de kerk voerde; zij hoorde hem komen en wendde zich om. Hij had een oude kwezel te vinden verwacht en stond in verbazing: zij glansde hem tegen, lieftallig schoon en jong.

Mme de Warens was toen 28 jaar oud, 12 jaar ouder dan Rousseau. Sedert zes jaren leefde zij, van haar echtgenoot gescheiden, te Annecy met haar bediende-intendant Claude Anet, een Zwitser, die haar minnaar was. Niemand wist van hun liefde. Zij was klein van gestalte, poezel en weelderig van vormen, een vrouwtje van Watteau. Haar gelaatskleur bloeide als lelies en rozen, uit haar oogen straalde zachtheid, haar teeder gelaat omgolfde een weelde van aschblond haar, haar stem klonk als zilveren klokjes, haar glimlach bekoorde. Zoo zag Rousseau haar niet alleen, zoo zagen haar ook anderen. Zij bezat de zoete gave van lieftalligheid.

Hij had al veel van vrouwen gedroomd en was ook wel kinderlijk-verliefd geweest op groote meisjes. Maar nu ging de liefde open voor zijn hart. Vurige aanhankelijkheid en volmaakt vertrouwen stegen daarin op, als twee witte duiven. Hij had de ster van zijn jeugd gevonden.

Over het oogenblik hunner eerste ontmoeting schreef hij vijftig jaar later--het waren de laatste woorden die hij schreef--dat het zijn leven beslist had en langs onvermijdelijke schakels het lot zijner dagen voortgebracht. Zij bond hem met den éénen band waartegen hij nooit in pijn steigerde. Zijn verlegenheid, zijn linksheid, versmolten voor hare gratie; hij raakte los, alles in hem ging open, de teruggedrongen zachtheid in zijn wezen stroomde uit en vond hàre zachtheid ... dat was het geluk.

Was het de liefde-hartstocht? Hij heeft het nooit geweten, toen niet en later niet. Zij werd daar en onmiddellijk, de liefelijke verschijning die hem omhoog trok, de hooge vrouw van zijn romantische vereering; al heel spoedig, de milde weldoenster die hem opnam uit zwervende armoe in haar behagelijk thuis; wat later, de moederlijke vriendin die hem terechtwees, zijn ruigheid polijstte met zachte hand, en tevens de geliefde die hij, hartstochtelijk dwepend, verafgoodde. En eindelijk werd zij zijn minnares, niet uit zinne-lust naar zij zeide, maar om hem te beveiligen voor anderen. Al de jaren van zijn onstuimige jeugd vulde zij zijn hart en zijn zinnen; hij was van haar voortaan, bij haar voelde hij zich veilig geborgen, en of hij zwierf of keerde, zij hield hem gebonden, en die gebondenheid was zijn geluk.

