# Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken

## Part 19

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/jean-jacques-rousseau-een-beeld-van-zijn-leven-en-werken-12009/index.md

[39] Zie K. Marx, "Das Kapital" Deel I, Hoofdstuk I, afd. IV Der Fetisch-charakter der Ware und sein Geheimniss; en voor een populaire uiteenzetting: H. Gorter "Het Historisch Materialisme."

[40] Ook in dit opzicht was de philosophie van Rousseau de eene pool, die der materialisten de andere. Zij legden den nadruk op de _passiviteit_ van den mensch, zijn afhankelijkheid van zijn natuurlijke en sociale omgeving, en voerden hun leer tot de uiterste konsequentie in het geloof aan het volstrekt mechanisch karakter van denken en handelen. Hij legde den nadruk op de eigen aktiviteit van den mensch, zijn kracht in te grijpen en den loop der wereld mede te bestemmen. Het is duidelijk dat dit idealisme op praktisch gebied evenzeer een kracht was tot revolutionair handelen als het mechanisch materialisme.

[41] Gorter.

[42] Men herinnere zich hoe in de dagen dat Rousseau schreef, de plattelandsche bevolking van Frankrijk sterk achteruitging.

[43] Meynier bestrijdt dit in zijn hiervoor aangehaald werk, dat een poging is Rousseau als een liberale bourgeois voor te stellen.

[44] Deze uitlating luidt: "Wat al misdaden, oorlogen, moorden, hoeveel ellende en wreedheid had degeen aan het menschengeslacht gespaard, die terwijl hij de palen uit den grond trok of de afgraving dichtwierp (de grenzen van het eerste grondstuk dat privaateigendom was) aan zijn mede-menschen toewierp: "Gelooft dien bedrieger niet Ge zijt verloren zoo ge vergeet dat de vruchten van den bodem aan allen behooren en de bodem zelf aan niemand behoort"

[45] "La Réunion des Amours," van Marivaux, aangehaald bij E. et J. de Goncourt, "La femme au 18ième siècle."

[46] "La femme au 18ième Siècle," blz. 173.

[47] Natuurlijk wordt bedoeld: van de heerschende klassen in beide.

[48] "Contes Moraux de Marmontel;" aangehaald in "La femme au 18ième Siècle," blz. 239.

[49] Een plan van openbare opvoeding om den gemeenschapszin der burgers te vormen, stelde Rousseau voor in zijn verhandeling over het regeerstelsel van Polen.

[50] Natuurlijk vermag hij niet, de zelfzuchtige neigingen die de inrichting der maatschappij opwekt, te niet te doen.

[51] Dit geldt voornameijk voor de kleinburgerlijke, niet voor de groot-kapitalistische maatschappij.

VIERDE HOOFDSTUK

DE LAATSTE WORSTELING.

Te Yverdun aangekomen, haastte hij zich den maarschalk zijn goede aankomst te melden; ook aan Conti en Thérèse schreef hij. Hij liet haar geheel vrij of zij hem in de verbanning wilde volgen. "Zie zelf wat ge doen wilt, besloot hij zijn brief, en volg alleen uw eigen neiging; want hoeveel 't mij ook zou kosten om mijn leven van 't uwe los te maken nadat wij zoo lang samen zijn geweest, ik kan het doen, wel niet zonder verdriet, maar toch zonder bezwaren. Ook staan aan uw verblijf in dit land moeilijkheden in den weg. Maar zoo ge komen wilt, zal ik daarmee niet rekenen. Overleg dus zelf, mijn beste kind, en zie of ge mijn afzondering zult kunnen verdragen. Zoo ge komt, zal ik probeeren die zoo zacht mogelijk voor u te maken; ik zal ook zooveel mogelijk zorgen, dat ge uw godsdienstige plichten geregeld kunt waarnemen. Maar wilt ge liever blijven waar ge zijt, doe het dan zonder gewetensbezwaar, en ik zal altijd mijn best doen om u een goed en gemakkelijk leven te bezorgen."

Het was lief en verstandig gezegd. Voor een der nieuwste biografen van Rousseau, E. Faguet, volgt uit dezen brief dat hij graag van Thérèse af wou. Ik lees er geheel iets anders in. Zij wou er niet van hooren om in Montmorency achter te blijven.

Hij was nog maar enkele dagen te Yverdun, toen het bericht kwam dat de regeering van Genève den "Emile" en het "Contrat Social" in 't openbaar had doen verbranden en de arrestatie van den schrijver, zoo die zich binnen 't grondgebied der stad waagde, gelast. Andere veroordeelingen volgden. Zoowel de wereldsche als de geestelijke machten achtten zich bedreigd door den twijfel aan de wonderen en aan de openbaring, in den "Emile" uitgesproken. Het hielp niet dat Rousseau de Godheid had laten tronen in haren hemel; hij had het gezag der kerk aangerand en zoowel de kerk als de staat, die in het kerkelijk gezag zich zelven aangevallen voelde, brachten hun machtsmiddelen tegen hem in 't veld. Het feit dat hij, tegen de gewoonte van den tijd, zijn werken onder zijn eigen naam liet verschijnen, maakte dat men hem gemakkelijk treffen kon. De aartsbisschop van Parijs, Monseigneur de Beaumont, verdoemde in een herderlijk schrijven den "Emile" als een goddeloos boek; de paus vervloekte het in een bul, de universiteit der Sorbonne waarschuwde er uitdrukkelijk tegen, de Staat der Vereenigde Nederlanden veroordeelde den schrijver en zijn werk evenals zijn kalvinistische zuster-republiek had gedaan. Het "Contrat Social" werd alléén in Genève verboden: de akademische vorm maakte, dat men den revolutionairen inhoud niet zoo spoedig doorzag.

Spoedig werd Rousseau gewaarschuwd, dat ook de Senaat van Bern hem zou veroordeelen: hij besloot Yverdun te verlaten nog voor het besluit genomen was. Een familielid van den vriend waar hij verblijf hield, Mme Boy de la Tour, bood hem een woning aan in het dorp Motiers, niet ver van Yverdun aan de andere zijde van den berg gelegen in het vorstendom Neuchâtel, dat pruisisch grondgebied was. Het huis was gemeubeld en geheel gereed: hij kon het onmiddellijk betrekken. Rousseau nam haar aanbod aan; den 10den Juli, ruim een maand na zijn vlucht uit Montmorency, kwam hij in Motiers aan. Weldra voegde Thérèse zich bij hem; tranen van teedere vreugde vloeiden, toen zij elkander terugzagen.

Motiers, in onze dagen bekend door groote asphaltmijnen, ligt in den Jura in een hoog en woest dal, dat door begroeide hellingen ingesloten van noord naar zuid loopt. Het dal is tamelijk breed, ruim een half uur gaans, maar de donkere dennebosschen die aan beide zijden tegen de steilte der bergen opklimmen, geven het een somber aanzien. De ligging van noord naar zuid maakt dat de zon zich in de wintermaanden maar heel kort boven den rand der bergwanden vertoont. De kom van het dal is kaal, ook langs de oevers van het bergstroompje de Reuss groeien geen boomen. Het klimaat is streng, de winter duurt lang, de sneeuwval begint in Oktober en tot Mei blijft de sneeuw in het dal en op de bergen rondom liggen. De huizen ziet men aan, dat ze er op ingericht zijn de gebeurlijkheden van een ruw bergklimaat te trotseeren: het zijn zware, massieve steenklompen--woning, stallen en schuren onder één dak--met weinige kleine vensters en deuren, norsch-afgesloten tegen een onvriendelijke buitenwereld. Behalve in de hoofdstraat, staan zij aan ongeplaveide wegen onregelmatig verspreid.

Ook thans nog nu het elektrisch licht, dat Motiers als bijna elk zwitsersch dorp bezit, het sinister uitzicht dat de massaal-onbehouwen huisgevaarten en de verlaten soppige wegen bij avond opleveren, wat opvrolijkt, en het hijgend knarsend bergspoortje dat het dal inkruipt, de voorstelling wekt van verbinding met de menschenwereld en verkeer, voelt de vreemdeling die het dorp betreedt in den regenachtigen avondschemer een huivering van beklemming, als hij denkt van voorgoed te moeten leven in de trieste, niet grootsche maar kale eenzaamheid van dit onvriendelijke dal, tusschen donkere hellingen ingesloten ver van den lach der natuur en haar lieflijkheid, en heel den langen winter hunkerend vergeefs naar een groet der zon.

Rousseau voelde het drukkende van de omgeving, physiek en moreel; vooral leed hij, die zon en warmte liefhad, onder den eindeloozen winter. Maar toch ging hij houden van het land en de natuur gaf hem vele genotvolle oogenblikken. De streek was romantisch en elk romantisch landschap boeide en bekoorde hem. Zijn woning stond op den hoek van de hoofdstraat en een breede landweg: aan de overzijde was het uitzicht vrij; hij zag naar een waterval die zich van de bergen stortte. Het huis had op de bovenverdieping een soort houten galerij of overdekt balcon, waar hij in de zon kon zitten, of heen en weer loopen bij slecht weer. Ook zat hij dikwijls op de bank voor zijn deur, naar dorpstrant, kantjes te knoopen zooals de vrouwen van 't dorp ze maakten: hij hield er van, wat met zijn handen te doen onder 't praten. In den winter was hij meest door zijn kwaal aan huis gebonden; dat was de laatste jaren in Montmorency ook zoo geweest. 's Zomers stelde hij zich voor dit gedwongen thuiszitten schadeloos: dan wandelde hij veel, blootshoofds, maakte groote zwerf- en ontdekkingstochten in de bergen, soms alleen, soms met anderen. Op die tochten genoot hij volop, was beminnelijk en vrolijk. Zijn metgezellen waren een en al verbazing dat de menschenschuwe misanthroop waarvoor hij doorging zoo gezellig en goedgeluimd kon zijn. Dicht achter Motiers vorkte het dal; die verleng-dalen boden vele bekoorlijke uitzichten; het land was vol romantische bijzonderheden. Door de dalen huppelden zilveren beken, van de flanken der bergen sprongen brullende watervallen, de kruinen der hooge dennen, die kleine, zwarte nietigheden schenen van uit de diepte der vallei, wuifden lommer, en ver verscholen, opschuimend uit een wildernis van bemoste rotsblokken, waar frissche koelte woonde in de heetste zomerdagen, ontsprong 't snelle riviertje dat door 't hoofddal stroomde: de forellenrijke Reuss.

Wandelen in een mooi land was altijd zijn liefste uitspanning geweest; heerlijk genot, zoete verrukking zogen zijn zinnen uit vormen, kleuren, geluid en geur. Nu hij ouder werd en aandachtiger, voldeed de aangename gewaarwording alléén hem niet langer: hij begon al meer de afzonderlijke natuur-dingen opzettelijk waar te nemen, nauwkeurig te beschouwen en te vergelijken. In de verte zag hij slecht, maar dichtbij zeer scherp, en dit maakte dat de planten en kruiden aan zijn voeten in hooge mate zijn aandacht wekten. Hij voelde een inzinking in zijn gemoed, een soort leegte, nu de krachtige drang, het groote enthousiasme dat hem twaalf jaar lang had opgetild en gedragen, gebroken was. Voor een deel zal dat gevoel wel een gevolg van geestelijke uitputting geweest zijn; hij had ontzettend veel van zich gevergd in dat lange tijdvak van ononderbroken gedachtespanning, en daarbij kwamen het verdriet en de teleurstelling die hij ondervond. Al wat hij deed had hij gedaan, om de menschheid het heil te brengen, haar den weg naar geluk en deugd te openen. En tot loon was hij uitgeworpen als een volksverleider en een goddelooze; niet enkel de absolute regeeringen en de roomsche kerk verdoemden hem, maar zijn eigen vaderstad, die hij altijd in kinderlijke liefde had aangehangen en verheerlijkt en andere staten tot voorbeeld gesteld. Dat smartte en wondde hem dieper dan iets wat hij nog had doorgemaakt. Het was een te zware slag voor hem: van af dien tijd begon het allerbeste en allerschoonste in hem, de liefde tot de menschheid, te verwelken en te verdorren. Vandaar die leegte in hem. "In mij zijn de grootste zielsbewegingen dood" getuigde hij in een brief, "ik leef nog slechts door gewaarwordingen." Toch waren in hem nog krachten om te minnen, er was nog vuur van hartstocht over: hij gaf het aan enkele menschen, maar hij had méér noodig, iets algemeeners om zijn drang in te storten, zijn eenzaamheid mee te vullen.

Die vervulling vond hij in de botanie, het bestudeeren en verzamelen van planten, dat hij vanaf zijn verblijf te Motiers met eenige onderbrekingen tot aan zijn dood toe voortzette. Met het oude enthousiasme, zooals hij als knaap zich in een nieuwe liefde of een nieuwe tak van wetenschap stortte, wierp hij zich nu op de kennis der planten. Als, hij botaniseerde, vergat hij zijn smart, zijn teleurstelling, zijn verlatenheid, de strikken zijner vijanden; zijn wantrouwen sliep in, hij voelde het leven als een zachte aanraking, hij genoot, hij was gelukkig. Wat hij aan rustige, heldere stemmingen, aan levensvolheid en levensgeluk heeft gekend gedurende zijn lange, eenzame, duistere levensavond--eenzaam en duister door de schuld der menschen èn door zijn waan--is grootendeels door de botanie tot hem gekomen. Zij verving voor hem wat hij verloren had, in zich zelven en buiten zich zelven; zij leidde zijn droevige gedachten af van zijn eigen lot, zij bracht zijn geschokt gemoed tot rust; haar voelde hij vaak als de eenige band tusschen zichzelf en 't leven, omdat zij 't eenige was wat in hem nog warme belangstelling wekte.

Zijn lange geduldige toewijding aan de groeiende bloeiende natuurkinderen heeft goede vruchten gedragen voor de wetenschap. De botanie verkeerde in zijn tijd in een toestand van verwarring door de groote onzekerheid der nomenklatuur en was nog weinig in tel, althans in Frankrijk. Men interesseerde zich nog haast uitsluitend voor de kruidenleer, de ware of vermeende geneeskrachtige eigenschappen der plan? ten, en bitter weinig voor hun gedaante en bouw en hun leven. Rousseau was een der eersten die in planten belang stelden, niet om het produkt dat zij opleverden, maar om hun eigen leven. Dat wilde hij kennen, daartoe doordringen. Toen hij eenig idee begon te krijgen van de voortplantingsorganen der planten was hij een en al verrukking en enthousiasme. Hij begreep dat een goede overzichtelijke indeeling een even onontbeerlijk hulpmiddel tot de studie was, als optische instrumenten: vandaar zijn bewondering voor Linnaeus, die toen in Frankrijk door een bekrompen vak-chauvinisme algemeen werd verguisd. Zijn demokratische neigingen deden hem probeeren om de plantkunde, toen nog uitsluitend studieobjekt van de vakmenschen, te populariseeren. Hij drong er bij de geleerden op aan, zonder resultaat natuurlijk, dat zij in hun handleidingen de grieksche en latijnsche termen door fransche zouden vervangen en algemeen verstaanbaar schrijven, gelijk hij zelf deed in zijn "Brieven over de elementen der botanie." Hij spoorde de leeken aan tot het aanleggen van herbariën, van gekleurde teekeningen voorzien, zooals hij die zelf vervaardigde.

Rousseau, die bij zijn tijdgenooten den zin wekte voor het bewonderen der natuur, het genot van 't buiten-wonen, de poëzie der bergen, was ook een der eerste natuur-onderzoekers die de leeken den weg wees hoe door waarneming en onderzoek het organisme der natuur te leeren begrijpen, die natuurkennis beschouwde als de zaak van allen, niet van specialiteiten alleen. Zoo is hij ook op dit gebied een baanbreker geweest, een voorganger op de banen der moderne wereldbeschouwing.

* * * * *

Van uit Motiers had Rousseau aan Frederik II geschreven, om hem verlof te vragen in het vorstendom Neuchâtel te wonen; ook wendde hij zich tot den gouverneur van Neuchâtel, een Schot, Lord Keith, in Zwitserland doorgaans bij zijn titel Milord Maréchal genoemd, en riep diens bescherming in. Frederik beval aan Lord Keith den vluchteling zooveel mogelijk ter wille te zijn; hij liet hem ook een jaargeld aanbieden. Rousseau weigerde, getrouw aan zijn beginsel van onafhankelijk te willen zijn en niet door gunsten gebonden. Zoo weinig werd dit beginsel begrepen, dat toen de Malesherbes, waarmee Rousseau in briefwisseling was gebleven, hem verzocht om ten zijnen behoeve een herbarium aan te leggen, de fransche edelman slechts met de grootste aarzeling de kwestie eener geldelijke vergoeding ter sprake bracht, uit vrees den schrijver te kwetsen. Rousseau antwoordde eenvoudig, dat hij tot zijn spijt niet rijk genoeg was, om gratis werk voor de Malesherbes te verrichten--hij vond 't aannemen van geld voor verrichten arbeid van zelf sprekend en in 't minst niet verlagend, hetzij dat werk muziek copiëeren of planten-verzamelen was.

Lord Keith had Rousseau in antwoord op diens brief uitgenoodigd hem in zijn zomerverblijf te Colombier, aan het meer van Neuchâtel, te komen bezoeken. Deze nam aan. De eenzelvige, knoestige, zwijgzame oude edelman en zijn gast, allebei echte zonderlingen, voelden zich onmiddellijk tot elkaar getrokken. "Onze naturen raadden en bevielen elkaar," schreef Rousseau later. De twee mannen hadden veel gemeen: sterke begeerte naar onafhankelijkheid, liefde voor de eenzaamheid, afkeer van vormelijkheid, menschen-verachting; maar de Schot was even koel en gesloten van wezen als Rousseau prikkelbaar en hartstochtelijk. De Zwitsers hielden niet van Lord Keith; hun ietwat uitbundige aard--men placht de inwoners van Neuchâtel de Gasconjers van Zwitserland te noemen--werd afgestooten door de uiterlijke stugheid van zijn optreden, maar Rousseau zag daardoor heen zijn zuiver rechtschapen wezen, zijn warm menschelijk gemoed. Hij hechtte zich aan den veel ouderen man als aan een vader, met een warme, teedere en innige genegenheid, die mischien de klaarste en meest harmonische affektie geweest is welke hij zijn leven lang heeft gevoeld; zoo geheel en al vrij van onder-stroomingen van wantrouwen of wrevel. Van hem nam hij gaarne alles aan, zonder zich beklemd te voelen; tegenover hem voelde hij dankbaarheid als zacht en aangenaam; toen Lord Keith hem een kleine jaarlijksche lijfrente voor Thérèse aanbood, zei hij van harte ja. In Engeland, in zijn aller-zwartsten tijd, is zijn genegenheid voor Lord Keith wel vertroebeld geworden door waanvoorstellingen, maar nimmer verzwakt; en toen de grijsaard die hij zijn weldoener placht te noemen, moede en rustbehoeftig verklaarde de brieven vol getob en wantrouwen, die het antwoord waren op zijn pogingen vrede te stichten niet meer te kunnen verdragen, en aan Rousseau meedeelde, dat hij altijd graag van hem hooren, maar hem niet meer schrijven zou, brak deze uit in de aandoenlijke klacht: "Uw goedheden zijn de eenige troost mijns levens; wilt ge mij die eene zachte troost nu ook ontnemen?"

Lord Keith is een der weinige menschen geweest, die den persoon van Rousseau hebben liefgehad om zijn groote, onbaatzuchtige en heroïsche eigenschappen, zonder voor zijn gebreken blind te zijn, en zijn zwakheden wisten te ontzien zonder ze te vleien. Aan Mme de Boufflers, met wie hij over 't welzijn van hun gemeenschappelijken vriend correspondeerde, schreef hij naar aanleiding van het bedanken van Rousseau voor 't jaargeld, dat Frederik II hem aangeboden had: "Jean Jacques is zeker te koppig in kleine en onverschillige dingen; maar hij is het ook in het goede, in eerlijkheid en onbaatzuchtigheid, wat meer dan rijkelijk opweegt tegen zijn kleine koppigheden, en maakt dat men van hem houdt en achting vóór hem gevoelt." Gaarne had Lord Keith den vriend voor goed ondergebracht in zijn buitenverblijf te Colombier, waar de lucht zachter was dan in Motiers, en dat hij alleen 's zomers bewoonde. Maar Rousseau weigerde. Wel bezocht hij Lord Keith vaak, zij plachten dan samen den droom te droomen van het stichten eener kleine republiek op een der bezittingen van Lord Keith, in Schotland. Zij tweeën en David Hume, een landgenoot van den ouden edelman, beroemd philosooph en geschiedschrijver, zouden daar wonen; ieder zou volkomen vrij zijn om zijn leven in te richten naar eigen goedvinden, en naar draagkracht medebetalen in de gemeenschappelijke huishouding. Jean Jacques wiegde zich gaarne in dien droom van voor goed samen te leven met menschen die hij liefhad; hoe dikwijls had hij dat al gedaan: eerst met Mme de Warens, toen met Altuna, toen met Mme d' Houdetot en St. Lambert; nu deed hij het weer, en al geloofde hij er zelf misschien maar half meer aan en Milord Maréchal eigenlijk heelemaal niet: die sprak van luchtkasteelen bouwen, maakte het hem toch gelukkig. Die dagen in Colombier leefden voort in Rousseau als de laatste herinneringen van onverdeeld geluk. Helaas werden het al te gauw herinneringen: Milord Maréchal kreeg moeilijkheden met de Zwitsers en verliet Neuchâtel 't jaar nadat Rousseau zich in Motiers had gevestigd; hij ging eerst naar Schotland, toen riep Frederik II hem naar Potsdam. Rousseau heeft hem nooit teruggezien.

In Motiers voelde hij zich spoedig geheel eigen, al hield hij in 't algemeen niet van 't slag menschen, hij vond ze vol pretenties en ijdel, van een overdreven, gemaakte vormelijkheid die hem verveelde en ergerde. Maar hij maakte toch verscheiden vrienden en vriendinnen, jonge meisjes en jonge vrouwtjes uit de buurt, aan wie hij zijn kantjes beloofden als zij zelf hun eerste kind zoogden. Intiem verkeerde hij vooral met een schatrijken Amerikaan, du Peyrou, die ook aan botanie deed en wiens wijze van optreden--hij sprak weinig, maakte geen complimenten, had veel gelezen en oordeelde zelfstandig over de dingen--Rousseau een poos lang sterk aantrok. Jaren lang waren zij groote vrienden, du Peyrou bezocht hem na zijn terugkeer uit Engeland herhaaldelijk; later begreep Rousseau niet meer wat hij eigenlijk in dien man had gezien.

Nog andere kennissen maakte hij; het was verwonderlijk hoe plastisch hij nog was, na al de knauwen die het leven hem gegeven had; zoo in 't geheel niet verstard nog; een echt kunstenaar, altijd zoekend naar de ideale goedheid en schoonheid in den man en de vrouw, telkens opvlammend in liefde en geestdrift, waar hij meende ze te vinden. De dorpelingen mochten hem graag lijden: zijn aankomst had heel wat tongen in beweging gebracht, maar zijn natuurlijke beminnelijkheid overwon al gauw de vooroordeelen tegen den "philosoof," den man wiens godslasterlijke boeken in de halve wereld verbrand werden. Als hij zoo voor zijn deur zat kant te knoopen, leek hij in 't minst niet gevaarlijk; en hij was zeer hulpvaardig en tegen ieder beleefd. Er waren wel vreemde dingen aan hem, vonden zij: zijn kleeding, b.v. (hij had in Motiers de armenische dracht aangenomen, naar hij zeide, omdat die hem makkelijker was, met 't oog op de behandeling die zijn kwaal noodig maakte). Maar verkeerde de algemeen-geëerde predikant van het dorp, Montmollin, niet hoffelijk met den veel-besproken, zonderlingen vreemdeling? Bezocht deze niet geregeld de kerk, had hij zelf niet verzocht tot het heilig avondmaal toegelaten te worden, en had dominé dat verzoek niet ingewilligd? Dan kon hij toch onmogelijk een godsloochenaar wezen. De boeren van het bergdorp waren steil in de leer, maar zij vertrouwden hun predikant, die in den hevigen strijd over de eeuwigheid der verdoemenis, toen juist aan den gang onder de zwitsersche theologen, met hart en ziel de orthodoxe inzichten verdedigd had. Zoo had Rousseau voorloopig althans in zijn woonplaats rust. Maar er behoefde niet veel te gebeuren om het godsdienstige fanatisme van een achterlijke boerenbevolking tegen hem op te wekken.

