# Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken

## Part 12

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/jean-jacques-rousseau-een-beeld-van-zijn-leven-en-werken-12009/index.md

Tot aan dit tijdstip waren de relaties tusschen Rousseau en Voltaire--uit de verte altijd--kollegiaal-korrekt geweest. Zij hadden bij verschillende gelegenheden minzame, geestige, een beetje zuur-zoete brieven gewisseld, en de hartgrondige antipathie, die zij, bewust of onbewust, voor elkaars wezen moesten gevoelen, onder hoffelijke waardeering van elkanders gaven en werken bedekt. Rousseau, de onevenwichtigste der beide, had het eerst zijn geprikkeldheid getoond. Naar aanleiding van Voltaire's bekend gedicht over de aardbeving te Lissabon, las hij den vorst der letteren in een partikulier schrijven de les over het armoedig pessimisme van diens gelegenheidsvers, waartegen hij met nogal onuitstaanbaar zelf-behagen het zegevierend optimisme stelde dat in hem, ondanks zorgen, lichamelijk lijden enz., altijd de bovenhand hield. De brief was zwaar op de hand en schoolmeesterig, gelijk Rousseau na zijn bekeering tot de deugd wel meer kon zijn, en men begrijpt dat hij Voltaire niet weinig ergerde. Dit echter speelde zich nog binnenkamers af (de bewuste brief werd pas jaren later, buiten medeweten van Rousseau openbaar gemaakt). In 1759 had Voltaire Rousseau dan ook nog niet losgelaten; daarvoor was hij voor de encyclopedisten te veel waard. Maar nu, nu die snoodaard 't waagde hem, Voltaire, die even ijdel, even prikkelbaar, en even wantrouwend was als Rousseau,--ofschoon op heel andere wijze--en daarbij was wat Rousseau niet was en nooit werd: een verschrikkelijke paus, die geen tegenspraak duldde, in zijn tooneelplannen te dwarsboomen, nu was 't gedaan met ontzien en hoffelijke waardeering, nu moest "die schelm, die zot, die fanaticus, die bastaard van Diogenes en van den hond van Diogenes" behoorlijk afgestraft worden. Niet dat Voltaire zijn handen vuil maakte met tegen Rousseau te schrijven: daar had hij zijne menschen voor. Hij hoefde maar een wenk te geven en 't gebeurde. Zelf vergenoegde hij er zich voorloopig mee, hem in particuliere brieven, die hij wist dat onder de bondgenooten de rondte deden, met beleedigende schimpscheuten af te maken: zoo gaf hij zijn ergernis lucht.

Rousseau gedroeg zich, gelijk doorgaans in polemieken, zoo ook tegenover de verwoede vijandigheid waarmede Voltaire hem van nu af aan vervolgde, in 't algemeen zachtzinnig en waardig. Het was met hem nog als in de dagen zijner kindsheid: hij reageerde in den regel op onaangename bejegeningen meer door verdriet en een wanhopig gevoel van machtelooze verontwaardiging, dan door uitingen van haat. Wel had hij, sedert den tijd dat de gemoedsziekte waarover al iets gezegd is, zich bij hem begon te openbaren, meer dan vroeger redelooze uitbarstingen van drift. Hierdoor laadde hij, in de twisten waaraan zijn verder leven zoo rijk was, vaak den schijn op zich van ongelijk te hebben, ook waar hij feitelijk gelijk had. Zoo liet hij zich ook ten opzichte van Voltaire eenmaal door een toornige opwelling meesleepen, toen hij, schrijvend om hem zijne verontschuldigingen aan te bieden over het feit dat zijn brief van '56 over het optimisme buiten zijn medeweten gepubliceerd was geworden, aldus eindigde: "Ik bemin u niet, mijnheer, ge hebt mij elk kwaad aangedaan dat mij, uw geestdriftige discipel, het pijnlijkst kon zijn om te verdragen. Gij hebt Genève als belooning dat ge er een toevlucht in vondt, verdorven; ge hebt mijn medeburgers, als loon van den lof dien ik u in hun midden bracht, van mij vervreemd; gij zijt het die mij het verblijf in mijn land onmogelijk maakt; gij zult mij doen sterven in den vreemde, ver van elke vertroosting der stervenden en zonder eer in een hoek geworpen, terwijl iedere eer die aan een mensch bewezen kan worden, u zal vergezellen in mijn land," ... "Ik haat u, in één woord, omdat ge het gewild hebt, maar ik haat u als een mensch, die waardig geweest is u lief te hebben, zoo ge het hadt gewild. Van alle gevoelens waarmede mijn hart voor u vervuld was, blijft slechts de bewondering over die men aan uw genie niet kan weigeren en de liefde voor uwe werken.... Vaarwel, mijnheer." Dit gebeurde in 1760.

Voltaire begreep niets van dezen onbeheerschten brief, maar werd er buiten zich zelven door van woede gebracht, zooals zijn uitingen in dien tijd bewijzen: "die driedubbele gek ... een infaam schrijven ... verachtelijke manoeuvres ... de schrijver der "Nouvelle Héloïse," die kwaaddoende bengel ... (de "Nouvelle Héloïse" noemde hij "een vervelende en onbehoorlijke roman, een monsterlijke rhapsodie;" de "Emile" vond hij: "laf en plat"). Het is begrijpelijk dat hij, die elegante klaarheid boven alles stelde,--hij vergeleek zichzelf eens bij een beekje, helder maar ondiep,--het hartdiepe zwaarmoedige genie, de doorploegde en dikwijls oratorisch-gezwollen stijl van Rousseau niet kon waardeeren. Rousseau daarentegen bleef levenslang getrouw aan zijn waardeering voor de letterkundige gaven van Voltaire. Toen de grijze patriarch aan den vooravond van zijn dood in het Theatre Francais met den lauwerkrans gehuldigd werd, en een vleierig heertje daarover tegen Rousseau spotte, denkend hem zoo te behagen, zette Rousseau den spotter onmiddellijk op zijn plaats met de woorden: "wie veroorlooft zich, er aanmerking op te maken dat aan Voltaire eer bewezen wordt in den tempel waarvan hij de god is en door de priesters, die er sedert vijftig jaar van zijn meesterwerken leven? Wie zou den lauwerkrans verdienen, zoo hij niet?"

Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van Voltaire's hartstochtelijke verguizing en Rousseau's grootmoedige waardeering, in de omstandigheid dat de vergoodde grijsaard toch altoos het onaangenaam gevoel had weg te dringen van "die man is grooter dan ik, in hem en zijn werk leeft iets diepers en teederder, dat mij vreemd is"--terwijl Rousseau daarentegen Voltaire wèl zijn roem en invloed benijdde, maar in zijn diepste wezen een gevoel van artistieke meerderheid omdroeg, dat het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht en billijk te oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft naar ik meen, ook de verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht.

In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau in bedekte termen zijn breuk met Diderot kenbaar gemaakt. Door een zeer hatelijk bijbelsch citaat wijdde hij 't publiek in de oorzaken van dien breuk in. Rousseau beschuldigde Diderot--en waarschijnlijk terecht, want deze eeuwige prater kon over niets zijn mond houden--van met anderen gekletst te hebben over zijn verhouding met Mme d'Houdetot en beschouwde dat als een verraad aan de vriendschap. Diderot deed later in den tijd dat Rousseau in Motiers woonde, door middel van derden nog een poging tot verzoening. Maar Rousseau weigerde beslist. Zijn antwoord luidde: "de rechten ook eener uitgedoofde vriendschap weet ik te eeren, maar nimmer tracht ik haar weer aan te blazen."

Zij hebben elkaar nooit meer gezien.

St. Lambert op zijn beurt was zoo verontwaardigd over Rousseau's handelwijze tegen Diderot, dat hij hem onmiddellijk de vriendschap opzei en het exemplaar, dat Rousseau hem van zijn nieuwe werk gezonden had, terug stuurde.

* * * * *

In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau zich bevrijd van veel wat hem hinderde en beklemde; zijn stemming werd rustiger, een gevoel van vrede kwam over hem, van verademing, gelijk hij in jaren niet gekend had. Hij leidde in Mont Louis een rustig, gelijkmatig leven van werkverzonkenheid; de "Nouvelle Héloïse" kwam klaar in '59 en zoo weinig brak aan het einde daarvan zijn geestelijke gespannenheid, dat hij zich onmiddellijk verdiepte in het schrijven van het groote werk over opvoeding, dat sedert haast twintig jaren in hem was gerijpt.

Het was niet de innerlijke stem alleen, die hem, den van nature indolente, tot de sterke en voortdurende inspanning van deze jaren aandreef. Hij droeg in zich het bewustzijn van een roeping te hebben, een taak tegenover de menschheid: hij wilde haar den weg wijzen naar geluk en vrede. Hij moest die taak vervullen, hij moest aan de innerlijke stem gehoorzamen, hij kon niet rusten eer hij over de groote punten, die naar hij dacht het menschelijk leven beheerschen: de verhouding van den mensch tot god, de inrichting van den staat, de verhouding der geslachten en de opvoeding, zijn overtuiging had uitgesproken. Maar daarna wilde hij rusten, wilde het leven leiden, dat hij wist te passen bij zijn aanleg, een veilig-omsloten leven in een nauwe, vredige sfeer. Hij voelde zich niet gelukkig en niet thuis in de sfeer waarin hij geraakt was; hij had genoeg en meer dan genoeg van het verkeeren in de kringen der letterkundigen; hij was zich bewust de eigenschappen te missen: takt, zekerheid, gemakkelijke vormen, gevatheid, die tot den wereldschen omgang onmisbaar zijn. Hij wist zich in dien omgang de zwakste te wezen, en de ervaring had hem geleerd dat de zwakste bij elke verbintenis aan 't kortste eind pleegt te trekken. Hij wist ook, dat hij nooit innerlijke rust zou vinden, zoolang hij bleef verkeeren met menschen uit die sfeer; zij brachten zijn hart altijd aan 't wankelen en wekten in hem duizend aandoeningen; hij kon niet boven die aandoeningen uitstijgen: kracht en zwakheid lagen daartoe in zijn gemoed te dicht bijeen; 't beste: de groote liefde tot de menschen, de begeerte, begrepen en bemind te worden en de drang zich te geven was in zijn hart zóó onontwarbaar vervlochten met ijdelheid, dorst naar lof en hulde, beduchtheid voor afkeuring;--dat hart was zóó kwetsbaar, kromp zóó gauw pijnlijk ineen, dat rust en vrede voor hem alleen mogelijk waren in de alleenheid, of bij eenvoudige zielen die hem niet konden grieven. Hij wist dit; hij wilde niet meer schrijven --behalve zijn gedenkschriften, maar die zouden eerst na zijn dood verschijnen--zich los maken van de kultuur, en ergens, ver weg, met Thérèse in een holletje kruipen, in donker verdwijnen. Dit verlangen was het, dat hem mede aandreef zoo hard te werken. Want de rust kon eerst beginnen, wanneer de werken die hij onder handen had, voleindigd waren. En zoo sterk was zijn hunkeren naar rust, dat hij besloot uit het oorspronkelijke schema van het groote werk over de politieke instellingen een klein onderdeel te lichten, dit alleen af te maken en het overige te doen vervallen.

Het plan tot het schrijven van een sensitivistische moraal had hij al vroeger opgegeven. Met al 't andere, behalve de muziek-dictionnaire, die telde niet mee, kon hij in een paar jaar klaar zijn: dan zou hij zijn leven inrichten naar eigen inzicht en eigen wensch.

Arme man! Hij kende zich zelf zoo goed en toch zoo weinig--gelijk de meesten van ons. Hij vergat zijn gespletenheid; ja, het was zoo: in hem was de neiging tot alleen zijn, tot een vredig-teruggetrokken bestaan, --maar ook de neiging zich te geven, tot de menschen te gaan met een open hart en open handen, de behoefte aan vertrouwelijken omgang en aan bemind worden--die vooral. De hang tot de menschen was zijn eerste, oorspronkelijke aanleg, zijn diepste wezen dat altijd bleef, dat wel overwoekerd, maar, nooit uitgeroeid werd door zijn tweede ikheid, het wrochtsel van maatschappelijke invloeden en pijnlijke ervaringen, het ziekelijke wantrouwen, het niet minder ziekelijk zich nog slechts verdiepen in zich zelven.

Het verdriet om de breuk met de oude vrienden bleef in hem schrijnen. Aan een goeden kennis in Genève, die zijn vrouw verloren had, schreef hij bij wijze van troost in die dagen: "men heeft niet alles verloren zoolang men nog weent, het treuren om het oude geluk is nog een overblijfsel daarvan. Gelukkig hij, die wat hem lief is geweest nog in zijn hart draagt. O, geloof mij; ge kent niet de wreedste wijze het te verliezen: namelijk het te moeten beweenen terwijl het nog leeft." Aan dienzelfden kennis antwoordde hij, een aanbod van finantiëele hulp afwijzend: "ik heb slechts honger naar een vriend." Ja, hij had weer honger naar affektie, naar zachtheid, hij had behoefte zijn hart verbonden te voelen aan andere harten; het sap der menschelijke mildheid steeg weer in hem, hij moest weer ranken maken.

En er waren in zijn buurt velen die stonden te wachten met uitgestrekte handen om de zijnen te grijpen, hem vriendelijkheden te bewijzen en hem van dienst te zijn; aristokraten uit de hoogste kringen, vrouwen der groote wereld, menschen van een soort waarmee hij nog weinig in aanraking was geweest. Wat dreef hen? Enkel nieuwsgierigheid, verveling? De mode van den tijd, die eischte dat "men" een of ander letterkundig of wetenschappelijk licht aan zijn huis wist te verbinden, zooals de Romeinen der décadence er geleerde slaven op nahielden? Of werkte op hen zijn magische aantrekkingskracht, de warme rijkheid van zijn wezen, zijn betooverende charme? Of wel, kwam het een bij het andere?

Onder de aristokratische kennissen, die Rousseau te Mont Louis maakte, zijn er eenige van beteekenis voor zijn verder leven geworden. Ten eerste Mme de Verdelin--alweer een jonge vrouw met een minnaar, die Jean Jacques absoluut tot vriend wilde hebben. Zij had veel voor hem over, droeg met onuitsprekelijk geduld zijn grilligheden en slecht- gehumeurdheden, verdedigde hem in 't openbaar in de jaren dat haast elkeen tegen hem was. Dan de prins van Conti, een onafhankelijk en intelligent man, aanhanger van de nieuwe philosophie, die niet aan het hof kwam, en diens maîtresse, de gravin van Boufflers; beide bleven hem altijd trouw. Verder Lamoignon de Malesherbes, direkteur der koninklijke boekdrukkerij en hoofd der censuur, een rechtschapen, hulpvaardig en beminnelijk mensch, die zijn moeilijke post tot algemeene voldoening der letterkundigen vervulde, maar meegaande en al te zeer geneigd was om alles glad te strijken.

In dienzelfden tijd, kort na de verschijning der "Nouvelle Héloïse," begon voor Rousseau een min of meer romantische vriendschap met een vrouw die hij niet kende, een zijner vurigste bewonderaarsters. Zij schreef hem, om hem haar sympathie en vereering te betuigen, onder den naam van Claire d'Orbe, voorgevend in het leven den rol te spelen van een zijner heldinnen. Het duurde lang eer zij ondanks zijn aandringen, het geheim van haar naam ontsluierde: Mme de la Tour Franqueville heette zij. Jaren lang schreef zij onvermoeid aan Rousseau, die vaak, geprikkeld door haar voortdurend aandringen op geregelde correspondentie van zijn kant, ongeduldig en humeurig of in 't geheel niet antwoordde. Op den duur maakte haar trouw toch indruk op hem en stemde hem zachter; uit enkele zijner briefjes aan de "lieve Marianne" spreekt echte hartelijkheid. Zij zagen elkaar tusschen 1765-72 hoogstens twee of drie maal. Ofschoon Mme de la Tour in den tijd dat Rousseau 't hevigst werd aangevallen (na zijn twist met Hume) hem onwankelbaar trouw bleef en zelfs een brochure in 't licht gaf ter zijner verdediging, eindigde zijn steeds verergerende waan toch met haar onder zijn vijanden of althans onder de "verdachten" te rekenen. In '72 maakte hij een einde aan elken omgang tusschen hen.

Grooter rol dan een dezer hebben in het leven van Rousseau de hertog en hertogin van Luxembourg gespeeld, die hij in dienzelfden tijd leerde kennen.

Van af dat de schrijver der "Discours" in hun buurt was komen wonen, waren zij uiterst voorkomend tegen hem geweest. Wanneer zij 's zomers op het kasteel van Montmorency verblijf hielden, hadden zij al een paar keer een lakei gestuurd om hem uit te noodigen zoo dikwijls te komen soupeeren, als hij lust gevoelde.

Hij had beleefd geantwoord, was nooit gegaan. Maar op een goeden dag in den tweeden zomer van zijn verblijf in Mont Louis verscheen de maarschalk-hertog van Luxembourg in eigen persoon met gevolg in zijn bouwvallig huisje om hem te bezoeken en nu was er geen ontkomen meer aan; de beleefdheid gebood, dat hij den hertog een kontra-bezoek bracht en aan de hertogin zijn opwachting maakte. En al gauw was hij met allebei heel intiem en las aan de hertogin, als zij 's morgens nog in bed lag, de "Nouvelle Héloïse" voor die zij verrukkelijk vond.

De hertog en de hertogin van Luxembourg waren, toen Rousseau ze leerde kennen, al bejaarde menschen, grootvader en grootmoeder. De hertog, een vriend van Lodewijk de XVde, was een door en door goede kerel, zonder eenige arglistigheid, met niet al te veel verstand, vriendelijk en eenvoudig in zijn manieren, een mensch van 't soort, waar Rousseau van hield: hij was direkt met hem op zijn gemak en zij bleven trouwe vrienden tot aan den dood van den hertog in '64. Met de hertogin werd hij nooit zoo eigen, ofschoon zij de vriendelijkheid zelve tegen hem was. Hij voelde altijd tusschen hen, als iets wat hem afschrok, haar reputatie en haar verleden. Zij was een van de beroemde schoonheden van 't hof geweest, en ook een van de meest verdorven vrouwen van haar tijd, berucht om haar onuitstaanbaar humeur en haar scherpe, kwetsende geestigheid. Nu, als oude vrouw, heerschte zij nog in den kring dien zij om zich heen had verzameld, gelijk zij vroeger heerschte aan 't hof; zij had de gave behouden den indruk te maken dien zij wilde en Rousseau leerde haar kennen als een lieve oude dame, vol fijnheden in haar konversatie, en bijna aandoenlijk in haar angst hem te grieven en in haar vreugde over elk bewijs van hartelijkheid of erkentelijkheid van zijn kant.

In één opzicht, en dat was voor hem van veel gewicht, vond hij zijn nieuwe aristokratische vrienden heel anders, veel gemakkelijker om mee om te gaan, dan de vroegere vrienden uit de plutokratische kringen: zij lieten hem meer vrij, drongen hem geen gunsten op, trachtten hem niet voortdurend in den maalstroom van hun eigen mondaine leven te trekken, hun volmaakte levenskunst maakte dat hij met hen als gelijke kon verkeeren, zich bij hen vrijer en rustiger gevoelen dan hij in de kringen der finantiers ooit had gedaan. Ook toonde hun verfijnde hoffelijkheid zich in kleine attenties, die zij aan Thérèse bewezen. Toch hielden zij zich in den regel aan de afspraak tusschen hen, om hem niet met geschenken lastig te vallen.

In het park van het kasteel, op de glooiing van den heuvel, tusschen de groote vijver en het bassin der oranjerie, lag een allerliefst pavilloen, door een dubbele zuilerij doorbroken; van ver scheen het een eilandje in een der italiaansche meren, zooals het daar lag, midden in het water en van bloeiende heesters omgeven; de lucht rondom was geurig van oranjebloesems en schalde van vogelenzang. Daar in die verrukkelijke omgeving wilden zijne nieuwe vrienden zoo graag dat hij verblijf zou houden, of althans wonen gedurende den tijd dat zijn bouwvallig huisje netjes in orde werd gemaakt. Hun hartelijk aandringen, en zijn eigen verlangen naar dat paradijs van bloemen en vogels, kon hij niet weerstaan: nog geen anderhalf jaar na die vreeselijke Decembermaand, toen hij als een hond ziek en ellendig uit de Hermitage was gejaagd, trok hij weer onder het dak van een groot heer. 't Zou de laatste maal niet zijn, maar wel was 't, helaas voor hem, de laatste maal dat een dergelijk experiment goed afliep.

Toen de verbouwing te Mont Louis klaar was, keerde hij weer naar zijn huisje terug, maar de sleutels van het pavilloen hield hij, op verlangen van zijn gastheer en gastvrouw, en dikwijls ging hij met Thérèse een paar dagen in dien lusthof doorbrengen; hij was vrij te gaan en te komen zooals hij verkoos. Ook bezocht hij den hertog en zijn vrouw op hun herhaald aandringen af en toe in Parijs, al kwam hij daar ongaarne. Zoo waren dit in 't algemeen goede, rustige jaren voor hem.

* * * * *

De "Nouvelle Héloïse" werd lang voor de verschijning reeds veel besproken en met groot ongeduld verwacht. Rousseau had voor enkele zijner vriendinnen, o.a. voor Mme de Luxembourg en Mme d'Houdetot afschriften gemaakt; hij vond dit een prettig werk; de Julie was zijn liefste geesteskind, de heerlijke gelukswarmte, die hij gevoeld had toen hij 't maakte, trilde onder 't overschrijven nog in hem na; hij vond er een kinderlijk genoegen in mooi papier en kleurige inkt te gebruiken en de vellen met hemelsblauwe lintjes aan elkaar te binden. Door die afschriften hadden natuurlijk verschillende menschen 't boek leeren kennen en er met anderen over gesproken: men zag er reikhalzend naar uit. Eindelijk verscheen het werk, in 't voorjaar van '61: het succes was verbijsterend, misschien ongeëvenaard in de geschiedenis der letterkunde. Dames van de groote wereld lieten 't rijtuig, waarmee zij naar het bal zouden gaan, uitspannen om heel de nacht door te kunnen lezen; men huurde het boek de eerste dagen voor twaalf stuivers per uur: de boekverkoopers konden bij lange na niet voldoen aan alle bestellingen. Het was iets anders en iets meer dan een bloot literair succes:--de letterkundigen trouwens waren verdeeld: hun kritische zin merkte onmiddellijk vele zwakheden en langdradigheden in het werk op--het was een koorts van enthousiasme en verrukking, die de menschen aangreep. Want in dit boek was een knellende ban doorbroken, de ban van het akelige, verstijfde, gladde, leege, louter-vormelijke, louter-cerebrale leven van het ondergaand regiem. De diepten van het hart, de afgronden der persoonlijkheid sprongen open. De "Nouvelle Héloïse" beduidde de bevrijding der persoonlijkheid, in de eerste plaats van de persoonlijkheid der vrouw, van ondragelijke gekunsteldheid. Niet maar een aangenaam of schitterend auteur, neen, hun bevrijder, de bevrijder van het vrouwelijk-menschelijke in hen was het, die de duizende vrouwen uit alle kringen, welke met de "Nouvelle Héloïse" dweepten, in Rousseau liefhadden, vereerden, aanbaden.

Dit reusachtig succes van zijn werk bij de vrouwen was voor hem zelven geen geluk; hun geëxalteerde bewondering sloeg, zooals dikwijls bij het zwakke geslacht, over tot de toomlooze dweperij die den man welke zij bewierookt half zinneloos maakt van ijdelheid, als hij geen steen is of geen heilige.

Intusschen was ook de "Emile" voltooid geworden, dat andere kind van veel kommervolle nachten, droeve gepeinzen en diepe overdenkingen. Hij had 't even lief als de "Nouvelle Héloïse," maar met een andere liefde, niet zoo teeder, maar trotscher. Hij wist dat 't zijn rijpste en beste werk was, hij wist hierin met vaster hand dan in een zijner vorige geschriften voor de menschheid nieuwe wegen te openen naar het heil. En dan, dit werk, zoo liefdevol ontworpen, zoo zorgvuldig uitgevoerd, in al zijn deelen gedragen door een rijk-wellenden stroom van gevoelens en gedachten, droeg voor hem nog een ander, haast heilig karakter: het was de boete, voor hem de eenig mogelijke, van de onvergefelijke lichtzinnigheid zijner jeugd, van de onbegrijpelijke stompheid des harten, waarmee hij zijn eigen vleesch en bloed verstooten had. Wroeging had dat hart sedert lang saamgenepen, wroeging om het onherstelbare; diep in hem smartte het bewustzijn, dat hij, die voor zijn tijdgenooten het voorbeeld van den deugdzamen burger en den braven mensch wilde zijn, zijn eerste menschelijke en burgerplicht op gruwelijke wijze had verzaakt. Dat dit bewustzijn altijd verdrongen moest worden, verergerde zijn gespletenheid, het gaf hem een groot gevoel van onrust, het verdroot en kwelde hem.... Hij had vijanden ... die booze, booze plek in zijn leven maakte hem o zoo kwetsbaar. En velen wisten van zijn geheim....

Gelijk vroeger aan Mme d'Epinay, en aan Grimm en Diderot, had hij nu aan Mme de Luxembourg alles gebiecht over zijne verhouding tot Thérèse en hoe hij zijn kinderen te vondeling had gelegd. Zijn verhaal had haar medelijden opgewekt, zoo zelfs dat zij nasporingen liet doen in de hoop althans één der wichtjes, in wiens kleertjes een chiffre genaaid was geworden, terug te vinden. Toen alle moeite vergeefs bleek, voelde hij een vreemde mengeling van teleurstelling en verlichting ... de laatste toch het meest. Hoe zou hij gestaan hebben tegenover dit kind; hem vreemd en toch zijn eigen? Hij wist: in zooverre het onherstelbare hersteld kon worden, had hij hersteld; in zooverre zijn schuld viel uit te wisschen, had hij haar uitgewischt door den "Emile."

