# Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken

## Part 11

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/jean-jacques-rousseau-een-beeld-van-zijn-leven-en-werken-12009/index.md

Zoo ontstond in hem de verbeelding van eenige gevoelige reine menschen, twee vrouwen en een man, de vrouwen teedere vriendinnen, de man de minnaar der eene, de vriend der andere, allen levend in een dorpje aan den oever van een meer. En die oever was de geboorteplaats van Mme de Warens, en de vrouwen droegen trekken van alle vrouwen die hij bemind had, en de man was zooals hij zelf zich voelde: vurig en zwak, week en vol aspiraties naar deugd en goed te leven, maar jong en onweerstaanbaar- beminnelijk, gelijk hij graag had willen zijn. Hij wilde een monument oprichten voor de afgoden van zijn hart: vriendschap en liefde.

Hij begon te schrijven, eerst zonder bepaald plan, en voelde zich vol en onzegbaar gelukkig. In de wintermaanden las hij wat hij geschreven had voor aan Thérèse en haar moeder. Thérèse snikte van verteedering, hij zelf ook. Maar in hem was toch een schaamte over zijn weekheid en over het werk dat daaruit werd. Had hij niet sedert jaren de zwakheid der liefde berispt en de schrijvers gegeeseld die haar verheerlijkten? En wat deed hij zelf nu anders? Geestdrift voor de steile paden der deugd, voor een streng eenzaam leven was jaren lang in hem gegroeid en had zich geworteld door zijn hersens, hij kon haar niet uittrekken, zij was een deel van zijn wezen geworden dat hij evenmin kon wegdringen als de weeke zinnelijkheid daarin. Daarom zocht hij in dit werk de beide zijden van zijn wezen te vereenigen, liefde te verzoenen met plicht. Het gelukte hem. Nu was zijn geweten gerust: hij schreef verder en was gelukkig.

In dien tijd van sterk innerlijk leven kreeg hij een bezoek van de schoonzuster van Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot. Hij kende haar sinds lang, maar oppervlakkig, zij was altijd heusch tegen hem geweest: niets meer. Zij was niet mooi, van de pokken geschonden, zij loenschte en men zag aan haar kijken dat zij erg bijziende was. Maar niet-mooie vrouwen zijn soms bijzonder bekoorlijk; zij bekoorde door haar mooie hals en armen, haar openhartige en beminnelijke aard, haar gratie en kinderlijk-vrolijke onbeholpenheid. Zij was nog jong, onder de dertig, en tamelijk begaafd; zij schreef goed en maakte lieve verzen. Zij had een minnaar, St. Lambert, edelman en dichter van 't soort als toen in de mode kwamen, die, levend in de salons, zich verbeeldden te dwepen met de natuur en 't landleven en dat in gladde, akademische verzen bezongen; een wat schrale en dorre natuur, overigens een achtenswaardig mensch, op en top gentleman. Mme d'Houdetot en St. Lambert bleven tot 't einde hunner dagen verbonden, bijna een halve eeuw lang: hun trouw werd spreekwoordelijk.

Zij hadden natuurlijk allebei erg met Jean Jacques op, zonder waarschijnlijk te voelen dat voor hem hoogste levens-ernst was, dat waar zij een weinig mee speelden, zooals vele mannen en vrouwen der groote wereld in die dagen begonnen te spelen met natuurliefde en landelijkheid en zoo; uit pure moeheid van luxe-verfijning en uit zucht naar afwisseling.

Haar eerste bezoek in de Hermitage vond plaats in 't late najaar van 1756; zij had haar rijtuig weggestuurd en was bijna in den modder blijven steken; doorweekt en beslikt bereikte zij 't huisje, vol uitbundige pret over haar avontuur; Thérèse moest haar schoone kleeren geven en zij bleef bij hen 't avondbrood gebruiken, heel huiselijk.

't Voorjaar daarop kwam zij Rousseau opnieuw bezoeken, te paard ditmaal, in mannekleeren. De zevenjarige oorlog was uitgebroken, haar man en haar minnaar stonden beide in 't veld. Zij had een landhuis gehuurd in de buurt van Montmorency en stelde zich voor veel met Rousseau te verkeeren; haar minnaar wilde dat ook graag: in gezelschap van den eenzamen wijsgeer, den stoïcijnschen "citoyen" met zijn strenge begrippen van deugd en zedelijkheid, wist hij haar wèlbehoed tegen de verlokkingen der Parijsche wereld.

Maar och, Rousseau begon onmiddellijk met zinneloos-verliefd op haar te worden, zoo verliefd als hij nog nooit in zijn leven was geweest.

Had 't werken der verbeelding zijn menschelijk liefde-begeeren slechts schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij daardoor noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste bekoorlijke vrouw, die 't lot naar zijn kluis voerde? Of was 't anders; leefde, voor hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat oogenblik de behoefte van den kunstenaar, door 't lichamelijk ervaren der liefde-begeerte en verrukking en liefde-smart die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te voeren tot de hoogste intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de andere?[31]

Wie durft 't beslissen? De onbewuste neigingen en begeerten, die de daden van den mensch mede-bestemmen, zijn vaak ondoorgrondelijk: een vat van mysterie is hij.

Hoe 't zij, liefde-hartstocht was in hem opgelaaid, heet en schrijnend, vol onrust, omdat zijn worstelend hart zich schaamde, vol pijn, omdat wederliefde en bevrediging niet mogelijk waren, hij zelf die niet kòn, niet mòcht verlangen. Want de geliefde was de vrouw van een ander, was de minnares van een vriend, hem waard niet 't minst om de volkomen overgave waarmee zij hing aan dien minnaar, haar bezitten was zichzelf èn haar schandvlekken, haar niet bezitten was onduldbaar lijden: zoo leed hij, zoo gloeide hij, zoo worstelde hij met zichzelven, zoo bad en smeekte hij in liefderazernij, om datgene waartegen al 't ideëele in hem, al zijn moreel gevoel opstond.

Wat de vrouw aangaat, half verschrikt, half gevleid, half verteederd, --Rousseau was niet jong meer, maar ook nog niet oud, en uiterst beminnelijk: er straalde iets heel eigens van hem uit, iets hoogs en weeks in eenen, dat geen ander zoo bezat--trachtte zij den brand te blusschen dien zij had aangeblazen en koos om het te doen den slechtsten weg: die van aan de teederheid toe te staan wat de vlammen van hartstocht hooger moest doen oplaaien. Al wat de roman tusschen een man en vrouw, die minnaar en minnares zijn in alles, behalve in den sexueelen omgang, kan bevatten aan onbevrediging en ellende, aan stormen opvoerend tot extasen en extasen elk oogenblik dreigend in wanhoop om te slaan, dat alles was zijn deel gedurende de zoete bittere zomermaanden van zijn vijf en veertigste levensjaar, dat jaar waarin jeugd afscheid van hem nam.

Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en zijn zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan wat asch van innering.

Maar buiten hem groeide, schepsel van vuur en tranen, het wonderbare boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als 't zingen van de gaal is in milde lentenachten: de "Nouvelle Héloïse." In de vlammen van dat boek zou de ziel der vrouw van dien tijd zich reinigen, in zijn wateren onderduiken om wedergeboren te worden: dichter's smart maakt duizenden blij van bevende zaligheid.

Zijn buiten-gaan-wonen was voor zijn vrienden en voor de heele cóterie die zich om den rijken epicurist Holbach schaarde, een ergernis geweest. Zij hadden de natuur ook lief op hun manier: in de tuinen en parken der lust-verblijven en kasteelen,--maar dat een intellectueel Parijs ontvlood, om zich in 't wilde woud en 't eenzame veld te begraven, dat wou er bij hen niet in. Zij zelven zouden 't in de bosschen van Montmorency geen week hebben uitgehouden. Wat ging die eenzelvige menschenhater van een Rousseau er dan doen? Zijn misantropie zou er nog erger worden, hij zou al meer op zich zelf komen te staan en heelemaal aan hun invloed ontsnappen. Ten minste, als hij 't uithield.... maar hij zou 't niet uithouden.... Zij hoonden hem en trokken aan hem, dat hij toch terug zou komen: allemaal dingen, die hij niet kon uitstaan.

Zij hadden misschien wel gelijk dat de eenzaamheid niet onverdeeld goed voor hem was, 't buiten wonen zijn eenzelvigheid en zijn soms ziekelijke neiging over kleinigheden te tobben zou verergeren. Maar waar zij zeker geen gelijk in hadden was, om hem te dwarsboomen in wat hij met zijn heele ziel verlangde, hem te willen bedillen, en toen dit niets gaf, te probeeren achter zijn rug om met Thérèse en haar moeder te bedisselen hem weer naar Parijs terug te halen. Hij merkte 't ten slotte toch, en al dit openlijk gemeester en achterbaksche gedoe was zeker 't allerslechtste voor den prikkelbaren man. Hij voelde zich meer en meer geïrriteerd tegen zijn oude vrienden, Diderot en Grimm. Zij waren, schreef hij in een klaagbrief aan Mme d'Houdetot, beide mannen van de wereld geworden, beide "geslaagd." En hij was dezelfde gebleven als vroeger: daarom pasten zij niet meer bij elkaar.

Diderot, vond hij, schoot telkens te kort tegen hem, door afspraken van komen of zoo nooit te houden en hem in alles en nog wat te willen schoolmeesteren. Een paar maal kwam 't tusschen hen tot onaangenaamheden. De eerste keer, omdat Diderot hem in een brief had verweten de moeder van Thérèse den winter in de Hermitage te laten doorbrengen, op een toon of de oude vrouw daar de bitterste ellende leed: (zij was er integendeel, verzekerde Rousseau, zoo tevreden en gezond mogelijk: konden oude menschen soms nergens anders wonen als in Parijs); de tweede keer, omdat Diderot in een tooneelstuk de uitspraak had gedaan "slechts de booswicht leeft alleen" en Rousseau die woorden als een hatelijkheid aan zijn adres opvatte. Mme d'Epinay bemoeide zich met de zaak en wist de vrienden weer te verzoenen: Diderot bezocht Rousseau in de Hermitage en na dat bezoek schreef Rousseau geheel verteederd aan zijn oude vriendin: "ge hadt groot gelijk met te willen dat ik Diderot zag. Hij bracht gisteren den dag hier door, ik heb in langen tijd niet zoo'n heerlijken dag gehad. Er is geen ontstemming die stand houdt voor de tegenwoordigheid van een vriend."

Maar ook met Mme d'Epinay was de verhouding niet meer zacht en vloeiend als vroeger: tusschen hen beide stond, al sedert een poosje, Grimm, stond nu ook Mme d'Houdetot! Grimm's arrogante wijze van optreden tegen hem, maakte voor Rousseau de bezoeken op de Chevrettes al meer tot een kwelling. Al de kleine onderscheidingen en attenties waarmee Mme d'Epinay hem in den tijd van hun innige vriendschapsverhouding verwend had: zijn plaats naast haar aan tafel, zijn slaapkamer naast de hare, hielden nu op: de nieuweling in haar gunst eischte en kreeg ze. Was het dan altijd zijn lot, om door een Wintzenried verdrongen te moeten worden?

Mme d'Epinay van haar kant had geen vrouw moeten wezen, om zich niet ontstemd te voelen door den plotselingen hartstocht van Rousseau voor haar schoonzuster. Om de nieuwe geliefde verwaarloosde hij de oude vriendin ten eenemale: men zag hem bijna niet meer op de Chevrettes, waar de gasten hem plaagden en zich vroolijk maakten over den philosooph die al grijze haren kreeg en nu verliefd was als een schooljongen. Een verwende vrouw als Mme d'Epinay kon 't noode verdragen, verwaarloosd te worden. Zij hield warm van Rousseau, zij waren nu tien jaar vrienden, zij koesterde zich graag in de teederheid van zijn vriendschap, hoezeer zij ook aan haar minnaar hing. Het feit, dat Rousseau vol grieven zat tegen dien minnaar, was natuurlijk weer een grief van Mme d'Epinay tegen hem. Zij deed dien zomer wat zij kon om een breuk tusschen de twee mannen te voorkomen.

Zoo was de atmosfeer aan alle kanten met elektriciteit geladen. Toen kwam de vonk.

St. Lambert werd van de innige verhouding zijner geliefde, met Rousseau op de hoogte gebracht, en, zeer natuurlijk, stelde men hem die voor als een liefdes-verhouding. Mme d'Houdetot vertelde het onder tranen aan Rousseau. Deze bedacht zich geen oogenblik: dat had Mme d'Epinay gedaan.[32] In zijn blinde gemoedsbeweging beschuldigde hij de vriendin, die dit toch niet aan hem verdiend had, van een laagheid. Door haar zachtmoedigheid en opzien tegen een breuk (en doordat Grimm juist in Westphalen was) kwam 't tot een verzoening tusschen hen, zonder verdere explicatie, maar 't gedrag van Rousseau liet een angel achter in 't hart der beleedigde vrouw. Van dat tijdstip af aan drong Grimm er telkenmale op aan, dat zij Rousseau zonder eenige konsideratie zou behandelen. Toen hij in 't najaar uit Duitschland terugkeerde, voelde Rousseau de hoogmoed en minachting van zijn vroegere vriend tegen hem, als ondragelijk. Hij wilde geheel met hem breken, Mme d'Epinay bracht met moeite nog een schijn-verzoening tot stand.

Ook St. Lambert was tijdelijk van den veldtocht teruggekeerd; om te toonen dat hij aan de praatjes die er liepen geen 't minste geloof hechtte, had hij met Mme d'Houdetot Rousseau in de Hermitage bezocht en was bij hem blijven eten. Hij was een en al minzaamheid, evenals later in zijn brieven, en deed of hij met warmte inging op Rousseau's illusie van een teedere verhouding en een innig samenleven tusschen hen drieën. Maar dit was alles de fijne levenskunst, die Rousseau nooit doorgrondde; de kunst pijnlijke dingen glad en geruischloos te doen geschieden: toen de kavalier weer vertrokken was vond de arme verliefde Mme d'Houdetot zeer verkoeld. Zij ging de band zoetjes aan losser maken.

Men begrijpt dat hij na zulk een zomer van hevige emoties overspannen was en niet veel noodig had om zijn evenwicht te verliezen. En toen kwam juist de stoot, die hem ondersteboven wierp.

Op een dag in Oktober liet Mme d'Epinay hem vragen bij haar te komen en vertelde hem, dat zij zich bezorgd maakte over haar gezondheid en zoo spoedig mogelijk met haar zoontje, diens gouverneur en een paar bedienden, naar Genève dacht te gaan om zich onder behandeling te stellen van Tronchin, een bekend geneesheer in die dagen. Of Rousseau haar misschien wilde vergezellen; zij zou dat heel prettig vinden en hoopte dat hij 't zou doen.

Rousseau begreep er niets van. Waarom moest juist hij mee naar Genève, niet haar minnaar of haar man? Maar den volgenden dag vertelde Thérèse, die meer dan verstandig was met de dienstboden van 't kasteel placht te praten, hem hoe 't praatje liep dat Mme d'Epinay een kind verwachtte en naar Genève ging om in 't geheim te bevallen. Nù begreep hij het. En toen hij kort daarna een buitengewoon takteloos briefje kreeg van Diderot, die er op aan drong dat hij toch gaan zou, en zich in 't bijzonder beriep op de "overmaat van verplichting die hem aan Mme d'Epinay bond," toen twijfelde hij niet meer: zij komplotteerden tegen hem, het moest den schijn krijgen of _hij_ de minnaar van Mme d'Epinay was, daarom moest hij mee. Grimm had dat zoo gewild om zelf vrij uit te gaan, ingeval er iets uitlekte van de bevalling.

Hij was ontzettend verbitterd. Al zijn oude vrees voor een afhankelijke positie kwam weer boven; het leek hem of Mme d'Epinay een knechtendienst van hem vroeg en hem in het juk der dienstbaarheid spannen wou: hij dacht er niet over, gelijk hij het in een brief aan St. Lambert uitdrukte: "zich in zijn eigen land ten toon te stellen in het gevolg van de vrouw van een algemeen belastingpachter." Als een egel stak hij zijn stekels naar alle kanten uit.

Bestond er grond voor zijn wantrouwen en zijn verbittering?

Bevatte het praatje van Mme d'Epinay's zwangerschap waarheid? Had Grimm werkelijk de hand in 't spel en wou hij Roussau naar Genève sturen om, zoo die zwangerschap bekend werd, hem tot zondebok te laten dienen? Komplotteerden zijn oude vrienden inderdaad zoo schandelijk tegen hem?

Of was alles heel gewoon en heel eenvoudig? Ging Mme d'Epinay zooals zij zeide voor haar gezondheid naar Genève en had zij gedacht: "'t zou gezellig zijn als Rousseau met mij mee ging, hij kent de stad en de menschen en liep toch rond met vage plannen van een nieuw bezoek aan zijn vaderland." Was dit heel eenvoudige waar?

De beantwoording van deze vragen heeft de biographen van Rousseau in twee kampen gescheiden. Maar al hun beschouwingen hebben geen zekerheid gebracht.

Brieven zonder tal--booze, heftige, hoonende, koude, kalmeerende, gemoedelijke brieven--mijn hemel! wat schreven de menschen in dien tijd--vlogen als vogels van diverse pluimage tusschen Rousseau, Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot, Diderot, Grimm en St. Lambert heen en weer in die najaarsdagen. En toen kwam 't treurig einde van oude vriendschap en goed-bedoelde zorg.

Rousseau's eerste aandrift was geweest, de Hermitage onmiddellijk te verlaten, maar de anderen hadden hem daarvan teruggehouden, hem verzocht tot 't voorjaar te wachten, om zoodoende een openlijken breuk te vermijden. Men hield daar niet van in die kringen. Hij gaf toe en toen Mme d'Epinay vertrokken was, schreef hij haar in dien geest. Het antwoord kwam begin December, verpletterend van hoogheid: in de meest onheusche bewoordingen verzocht zij hem, de Hermitage ten spoedigste te verlaten.

Hij had, sedert einde Oktober, ellendige weken doorgebracht, misschien de ellendigste van zijn leven. Mme d'Houdetot was toevallig op denzelfden dag dat Mme d'Epinay naar Genève vertrok, naar Parijs teruggekeerd. Rousseau en zij waren uiteengegaan na een afscheid vol betuigingen van teederheid en vriendschap; hij had geschreven en nog eens geschreven en nog eens: zij liet al zijn brieven onbeantwoord. Hij begreep niet waarom, hij martelde zich af met gissingen. Lieten allen hem nu in den steek? Ontviel hem alles waarop hij gesteund had? Bezat hij geen enkelen vriend meer? Dit kon hij niet dragen; hij verloor zijn evenwicht geheel en al.

Diderot, die hem begin December bezocht, ontstelde van zijn heftigheid, zijn volkomen gebrek aan zelfbeheersching: men kon zijn woedekreten in den tuin hooren, hij leek waanzinnig.

Toen kwam dat briefje uit Genève: het werkte als een zweepslag. Met de kracht der overspanning handelde hij, flink en energiek, die anders altijd uitstelde en talmde. Hij vond en huurde een huisje dicht bij 't dorp Montmorency, deed zijn boel overbrengen, ondanks sneeuw en erbarmelijk slechte wegen: half December al was hij verhuisd. Aan Mme d'Epinay schreef hij van uit zijn nieuwe woning, "niets is zoo eenvoudig en zoo noodzakelijk, Mevrouw, als weg te trekken uit uw huis, wanneer ge niet wenscht, dat ik er blijf."--Toen zonk hij in elkaar.

Zijn oude vrienden had hij voor goed verloren, ofschoon de eigenlijke breuk met Diderot wat later kwam. Om hem heen was de vereenzaming, als om ieder, die wanneer zijn haar begint grijs te worden, de vrienden zijner hoopvolle jaren verliest.

II. DE KATASTROPHE.

Het huisje te Mont Louis, een buitenwijk van Montmorency, waarin hij met Thérèse getrokken was--haar moeder woonde voortaan niet meer bij hen in: hij had gemerkt hoe weinig vertrouwbaar zij was, hoe zij hem naar den mond praatte maar achter zijn rug heel anders deed--het huisje was oud en bouwvallig: de planken vloer behoefde dringend vernieuwing, de meubels zonken bijna door. Maar het uitzicht was heerlijk: van af het terras zag men neer op het park en het prachtige kasteel van den hertog-veldmaarschalk van Luxembourg, de grootste heer van de streek. Het lag vlak onder het stadje, halverhoogte den heuvel die omhoog voerde naar het woud, omlaag naar den vruchtbaren vallei van Montmorency.

Achter in den tuin van het huis, aan het eind van een laan, was een open koepel, van waar men 't mooiste uitzicht had: die maakte Rousseau tot zijn werkkamer. Ondanks slechte gezondheid en barre kou zat hij daar elken dag eenige uren te denken en te schrijven in dien winter van 1758-59. Na al de ellende der laatste maanden was een nieuwe golf van vruchtbaarheid over hem gekomen, hij was druk aan het werk. Ofschoon zijn onderwerp schijnbaar niets uitstaande had met zijne persoonlijke ervaringen van den laatsten tijd, wist hij het--dit is het geheim van den dichter--met den stroom van zijn eigen gemoedsleven, die in die dagen vreemd gespleten, half-verbitterd, half-verteederd, vloot, te doordringen.

Het was een verhandeling over het tooneel, die hij uitgaf onder den titel "Lettre à d'Alembert sur les spectacles." De aanleiding tot het werkje vormde een bladzijde uit het artikel "Genève" in de Encyclopedie, waarin het gemis aan schouwburgen in die overigens zoo beschaafde en ontwikkelde gemeenschap betreurd en de regeering opgewekt werd ze toe te laten. Voor den schrijver van die bladzijde--het artikel zelf was van d'Alembert--hield men algemeen Voltaire. Verzot op het tooneel, zelf regisseur en akteur in zijn eigen stukken, had hij het plan opgevat van bij het landhuis, dat hij in Les Délices, een voorstad van Genève, bewoonde, een liefhebberij-schouwburg in te richten, maar de gestrenge heeren van den kerkeraad wilden daarvan niet weten; zij deden al hun best zulk een "onzedelijke onderneming" tegen te houden. Echter, ook in Genève was het tij aan 't verloopen en kort na de verschijning van Rousseau's geschrift kon Voltaire triomfantelijk aan zijn vrienden melden: "heel Genève bezoekt onzen schouwburg, de stad van Kalvijn wordt een stad van genoegens en van verdraagzaamheid."

De "Brief aan d'Alembert" is uit twee verschillende gedachte-draden geweven: een van polemiek tegen het fransche tooneel (zoowel het klassieke treur- en blijspel als het burgerlijk drama dat in die dagen begon op te komen) in wezen de oude kritiek der beschaving op een nieuw onderwerp toegepast;--een van idyllisch-gekleurde beschrijving van de eenvoudige onbedorven zeden en den roerenden gemeenschapszin eener klein-boersche en klein-burgerlijke demokratie. In de kritisch-satirische gedeelten luchtte Rousseau opnieuw zijn verontwaardiging over het leven der heerschende klassen van zijn tijd, in de idyllische stelde hij daar tegenover niet zoowel de werkelijkheid der zwitsersche samenleving als zijn geïdealiseerde jeugd-herinneringen. Het verlangen naar een sfeer van rust, van doorzichtige levensverhoudingen, simpele geneugten en eenvoudige landelijkheid--dat verlangen was, door al wat hij beleefd had, sterker, maar ook smachtender in hem geworden dan ooit te voren. Sedert hij zich zelf te kort gedaan en onrechtvaardig behandeld achtte door menschen aan wie hij zijn vertrouwen gegeven had, werd de oude bitterheid in hem verzacht door een teedere droefheid. Zoo vermengde zijn hart, waarin de onstuimige gemoedsbewegingen die het geschokt hadden nog natrilden, zijn eigen pijn met de gedachten die het nadenken over zijn onderwerp in hem gewekt had. Daarom was waarheid wat hij later in de "Confessions" getuigde, dat hij in dit werk onbewust zijn eigen toestand schilderde, zich zelven, Grimm, Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot, St. Lambert, afbeeldde, al loopt het schijnbaar over geheel andere dingen en wordt geen hunner er in genoemd; zijn werk werd een harmonische vermenging van algemeene inzichten en persoonlijke ontroering en dit maakte het vol bekoren en wonderlijk suggestief. Er was een warme teederheid in, die de menschen in 't hart greep; een zoo heel andere geest als in haast alle geschriften van dien tijd. Vandaar 't verbazend succes dat 't boekje had toen 't uitkwam, een voorlooper van de koorts van enthousiasme, die de "Nouvelle Héloïse" wekken zou.

De "Brief aan d'Alembert" beteekende de openlijke breuk van Rousseau met de materialistische philosophen. "Ik neem niet aan," schreef hij, "dat men deugdzaam kan zijn zonder godsdienst." En ook al had hij dit niet geschreven, dan nog zou hij in 't vervolg hun partij tegenover zich gevonden hebben, want hij waagde 't immers, op te treden tegen Voltaire, diens wil te dwarsboomen. Hij heesch de vaan der rebellie tegen den leider, en dat kon niet worden getolereerd.

