# Jean Jacques Rousseau: Een beeld van zijn leven en werken

## Part 10

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/jean-jacques-rousseau-een-beeld-van-zijn-leven-en-werken-12009/index.md

[21] F. Rocquain, de l'Esprit révolutionaire, bl. 298.

[22] De ceremonie die hij na zijn terugkeer uit Engeland zijn huwelijk noemde was niet anders, als een plechtige verzekering voor eenige vrienden afgelegd, Thérèse van dat oogenblik af aan als zijn wettige vrouw te beschouwen.

[23] E. et J. de Concourt, "La femme au XVIIIième siècle," blz. 296.

[24] O.a. Marc. de Girardin en E. Ritter. Van de vrienden van Rousseau heeft Mme de Verdelin zich in haar brieven zeer gunstig over Thérèse uitgelaten.

[25] Dit kan niet gezegd worden van den engelschen biograaf John Morley, wiens overigens belangrijk werk over Rousseau door de akelige weeheid der typische engelsche bourgeois- en fatsoens-moraal bedorven wordt.

[26] Aan 't hof haatte men natuurlijk de Encyclopedisten als de pest. Alleen Pompadour steunde hen tegenover de reaktionaire kroonprinsen-kliek (een werktuig in de handen der Jezuïeten). Zij had burgerlijke neigingen en zekere vage aspiraties naar "eenvoud" en "natuur;" de stijl die haar naam draagt beteekent een reaktie tegen de overladen weelderigheid van het rococo.

[27] Het strijdpunt dat zoovele pennen in beweging heeft gebracht, nl. de vraag in hoeverre Diderot's raad Rousseau bij de samenstelling van zijn eerste "Discours" heeft beïnvloed, komt mij voor vrij onbelangrijk te zijn. Die invloed kan, voor wie Rousseau's verhaal van zijn innerlijk gezicht op den weg naar Vincennes voelt als in hooge mate psychologisch- waarschijnlijk, er slechts eene geweest zijn van bemoediging en bevestiging, die raad hoogstens ondergeschikte punten betroffen hebben.

[28] "De arme schrijvers waren een erbarmelijk verschijnsel. Zoo Colletet in de vorige eeuw "van keuken tot keuken zijn brood zocht" (Boileau) hoefde hij zich niet de kostbare kleedij te verschaffen van den letterkundige van later dagen, die verkeerde in de salons. In de 18de eeuw is Allainval, een geacht auteur wiens stukken vaak gespeeld worden en die overal ontvangen wordt, zoo arm dat hij, bij gebrek aan eenige verblijfplaats, in de draagkoetsen overnacht. Deze overmaat van ellende en het parasitisme dat er uit volgde maakten, dat men de schrijvers erg ongegeneerd behandelde. Mme du Tencin placht aan haar habitués als nieuwjaarsgeschenk kuitenbroeken uit te reiken" (Michelet, Histoire de France, XVI, 84).

[29] In de "Confessions" bekent Rousseau openhartig, dat de vrees voor het ongemak dat zijn blaaskwaal hem soms veroorzaakte, een der motieven was die hem de audiëntie deed weigeren.

DERDE HOOFDSTUK

DE GROOTE JAREN.

I. NAAR DE VEREENZAMING.

Madame d'Epinay, geboren d'Esclavelles, behoort, door aanleg en levensloop, tot de typische vrouwen uit het millieu der haute finance in de 18de eeuw. Gehuwd met een schatrijken belastingpachter, die haar van 't begin van hun huwelijk af aan verwaarloosde, en in haast ongelooflijke lichtzinnigheid en roekelooze verspilzucht millioenen verbraste--tot hij ten slotte, stikkend in schulden, onder curateele werd gezet--kon zij in haar huwelijk onmogelijk bevrediging vinden. Zij was een levendige, magere brunette met groote vurige oogen, niet mooi maar aantrekkelijk, een van die vrouwen die er altijd jonger uitzien dan zij zijn. Zij merkte fijn en scherp op en had behoefte wat zij opmerkte te uiten. Zij deed aan muziek en aan literatuur, was geestig, bel esprit, ijdel en eerzuchtig. Zij wou graag beroemde persoonlijkheden om zich heen hebben, haar salon maken tot een middelpunt van intellektualisme; en zij was trotsch op haar vijf "beren," (waartoe Rousseau behoorde) zooals zij haar letterkundig-wijsgeerige vrienden te noemen plag. Maar ondanks al die maniertjes en zwakheden had zij een warm-liefhebbend hart; voor haar minnaars, haar vrienden en haar kinderen had zij veel over. Zij schreef graag en schreef goed, levendig en pittig.[30] Ook zij leed aan de ziekte van den tijd, de ennui, de vreeselijke levens-leegte, en om de leege uren te vullen, had zij behoefte aan interessante, supérieure persoonlijkheden om zich heen die haar bewonderden. Het geld demoraliseerde ook haar, maakte haar grillig en veeleischend: zij vond dat haar vrienden klaar moesten staan haar te komen bezighouden, wanneer zij het verlangde. Het grillig lot deed deze veeleischende vrouw gedurende lange jaren hangen aan een egoïste berekenende natuur, die haar van zijn tijd en zijn persoonlijkheid net gaf wat hèm paste en niets meer.

Rousseau had Mme d'Epinay leeren kennen in 1747. Dien herfst, dien hij doorbracht op het kasteel Chenonceaux, waren zij veel samen geweest, ook was zij opgetreden in het blijspelletje, dat hij daar voor 't vrolijk gezelschap had geschreven. Liefde was er niet tusschen hen, wel innige sentimenteele vriendschap. Francueil was toen haar minnaar, en zoowel hij als zij plachten Jean Jacques in hun vertrouwen te nemen. Hij luisterde met sympathie, maar toen zij hem voor postillon d'amour wilden gebruiken, was hij zoo verstandig om te weigeren. Hij placht aan de wereldsche jonge vrouwtjes die op het kasteel logeerden de lotgevallen van zijn jeugd en de ongelukken van zijn later leven te vertellen, een beetje romantisch-opgesmukt voor de gelegenheid. Hij vertelde goed en met warmte, en zijn verhalen maakten grooten indruk op zijn hoorderessen. Mme d'Epinay voelde zich sterk tot den jongen dichter-musicus aangetrokken in die dagen en schreef aan haar minnaar: "ge kunt u niet voorstellen, hoe zoet het verkeer met hem voor mij is.... Mijn ziel is nog verteederd door de eenvoudige en toch eigendommelijke manier, waarop hij zijn ongelukken vertelt."

Sedert de dagen van Chenonceaux waren Mme d'Epinay en Rousseau altijd vrienden gebleven. Haar verhouding met Francueil was tot een eind gekomen en na een tusschen-pooze nam zij een anderen minnaar: Grimm, de man die in Rousseau's voorstelling (en waarschijnlijk vergiste hij zich maar ten deele) de booze geest is geweest die vele zijner oude vrienden van hem vervreemd heeft.

Grimm was een jonge Duitscher, op 't eind der jaren veertig in 't gevolg van den prins van Saksen-Gotha naar Parijs gekomen. Rousseau had hem leeren kennen in de bewogen dagen van Diderot's gevangenschap en direkt een bevlieging voor hem gekregen, waarschijnlijk doordat Grimm een goed musicus was en zijn enthousiasme voor de italiaansche muziek deelde, want overigens hadden zij in aanleg weinig gemeen. Hij introduceerde den jongen man, die zich zeer bescheiden voordeed, bij al zijn kennissen en deed wat hij kon om hem vooruit te helpen. Grimm was bekwaam en ijverig, een stoere werker, Rousseau verreweg de baas in zelfbeheersching, plooibaarheid en volharding; hij maakte al gauw carrière en ontpopte zich als een echte streber. Hij kreeg een betrekking bij den hertog van Orléans, werd zaakgelastigde van de vrije rijksstad Frankfort, en begon een "Correspondance littéraire," een soort bulletin voor buitenlandsche vorsten van al wat op 't gebied van kunst, letteren enz. te Parijs verscheen. Deze onderneming zette hij lange jaren voort. Hij had zelfbeheersching en takt genoeg om, ook toen Rousseau en hij geslagen vijanden geworden waren, zich in zijn "Correspondance" steeds gematigd en voorzichtig over den gevierden schrijver uit te laten, terwijl hij in 't verborgen tegen hem stookte en wroette. De man bracht het ver: oorspronkelijk bevriend met de materialistische philosophen draaide hij langzamerhand bij en eindigde als een trouwe knecht van troon en altaar. Hij kreeg toen den titel van "baron van het heilige duitsche rijk," en was daar zeer verheerlijkt mee.

In het begin der jaren vijftig hield monsieur d'Epinay zich bezig met 't vergrooten en verfraaien van zijn kasteel Les Charmettes, bij Montmorency. Dat was juist in den tijd van de groote intimiteit tusschen Rousseau en Mme d'Epinay, toen Francueil niet meer haar minnaar was en Grimm nog niet. Rousseau kwam in dien tijd veel op het kasteel en op een keer dat hij en Madame d'Epinay naar den in aanbouw-zijnden nieuwen vleugel waren gaan kijken, strekten zij hun wandeling uit tot de moestuinen en het waterreservoir aan de zijde van het park, waar dat aan het woud van Montmorency grensde. Op een bekoorlijke eenzame plek stond daar een klein, heelemaal vervallen huisje: de Hermitage heette het. "Hè," zei Rousseau, "hier te wonen." Madame d'Epinay antwoordde niet veel, maar zij onthield den wensch van haar vriend en een jaar later bracht zij hem naar dezelfde plek, waar in dien tusschentijd een nieuw allerliefst landhuisje was verrezen. "Hier, mijn beer," zei ze, "is uw kluis; ge koost ze zelf, de vriendschap biedt ze u aan: laat nu die booze plannen varen van ons te willen verlaten voor Genève." Dat was echt vriendschappelijk gehandeld; zij deed wel zich zelve pleizier, maar bedoelde toch in de eerste plaats Rousseau gelukkig te maken.--O wij arme menschen, dat onze best-bedoelde daden zoo dikwijls leed en ellende brengen over wie wij vreugde willen geven en over ons zelf.

Rousseau was getroffen, maar kon niet dadelijk besluiten. Hem was juist de betrekking aangeboden van bibliothecaris van Genève; hij hield van zijn land, hij had illusies over daarheen terug te keeren, maar hij voelde zich niet erg geschikt voor die betrekking doordat hij geen grieksch kende, en hij hield ook van de heerlijke bosschen en van de lieve vriendin die hem op zoo beminnelijke wijze een nestje had bereid. Hij aarzelde, een groote onrust kwam over hem, hij voelde zijn wil tot vrij en onafhankelijk leven doorkruist door een anderen wil. In een voorgevoel van de verdrietelijkheden die 't zwichten voor dien wil over hem brengen zou, schreef hij aan Mme d'Epinay: "Hoe slecht begrijpt ge uw belang, om een vriend tot een knecht te willen maken" ... (altijd weer die angst voor dienstbaarheid). "Ik ben niet bezorgd hoe te leven en te sterven, maar de twijfel die mij wreed verontrust is: welke gedragslijn mij gedurende den tijd dat ik nog te leven heb, de grootste onafhankelijkheid zal verzekeren. In Parijs heb ik die, ondanks al mijn pogingen, niet gevonden. Ik zoek haar met sterker drang dan ooit, en wat mij sedert een jaar wreed bedroeft, is niet te kunnen onderscheiden waar ik haar 't zekerst zal vinden. De grootste waarschijnlijkheden zijn voor mijn land, maar ik beken dat ik haar zachter zou vinden in uw nabijheid. De groote verlegenheid waarin ik mij bevind kan niet lang duren: binnen acht dagen zal mijn besluit genomen zijn".... Maar ook nadat hij haar had geschreven: "mijn besluit is genomen, ge begrijpt wel dat gij overwonnen hebt," bleef hij naar eigen getuigenis "door een toestand van innerlijke krisis gekweld."

Door die innerlijke gejaagdheid gedreven, bespoedigde hij zijn verhuizing zooveel mogelijk: met Paschen 1756 trok hij naar de Hermitage. Behalve Thérèse verzelde hem ook haar moeder, hoog bejaard maar nog kras, die voortaan bij hen inwonen zou. Hij weigerde absoluut in te gaan op het voorstel van Mme d'Epinay dat hij voor niets zou wonen, zij van haar kant wilde geen huur aannemen; eindelijk kwamen zij overeen dat hij 't loon van haar tuinman, die vlak bij de Hermitage woonde en misschien eenige kleine diensten aan 't huishouden bewees, voor zijn rekening zou nemen.

Geen gevangene kan met grooter ongeduld den dag zijner invrijheidstelling verwachten en dien met meer vreugde begroeten, dan Rousseau den dag dat hij Parijs verliet. Hij was 't leven in het wereldsch milieu waaraan hij nog altijd vastzat moe,--overal 't zelfde, of 't zich afspeelde in de stad of op de kasteelen der grooten. "Ik was zoo ziek van salon's, fonteinen, heesterboschjes, bloemperken en de vervelende vertooners van dat alles," schrijft hij in de "Confessions," "van brochures, kaartspel, handwerkjes, flauwe woordspelingen, laffe maniertjes, konversatie en soupers, dat mijn hart openging als ik een doornenstruik zag, een haag, een wei, een schuur; of de lucht van een omelet-met-kruiden rook, of in de verte het refrein van een boerenliedje hoorde." Alle krachten van zijn wezen dorstten naar een eenvoudig, boersch, ongegeneerd landleven; hij noemde dit "terugkeeren tot de natuur."

Daarbij verlangde hij erg om ongestoord te kunnen denken en werken. Hij had veel geschreven tusschen de jaren 1750-56, maar in hem was toch 't gevoel dat hij 't meeste nog te zeggen had en zoo was 't ook. Hij was aan verschillende nieuwe dingen bezig, om ze tot een goed eind te brengen moest hij zich langen tijd kunnen afzonderen en concentreeren. Zij raakten punten van zijn levens- en wereldbeschouwing, waarover hij zelf nog niet geheel in 't reine was.

Het werk dat hij zich voorstelde allereerst af te maken was een beschouwing over den invloed der politieke instellingen op de zeden. Hij was hieraan al begonnen in Venetië, dertien of veertien jaar geleden, en had er telkens af en toe aan gewerkt. Ook was hij bezig met 't maken van uittreksels van de zeer omvangrijke werken van den abt de St. Pierre, om daaruit iets leesbaars samen te stellen. Hij had verder plan om een soort sensitivistische theorie der moraal te schrijven, maar daarvan stond nog weinig op papier; en ook nog een verhandeling over opvoeding. Mme de Chenonceaux, de schoondochter van Mme Dupin, had hem daarom gevraagd, als een leiddraad voor de opvoeding van haar zoon, en hij had veel over 't onderwerp nagedacht, als elkeen die de menschheid gelukkig wil maken. En, ten slotte, was hij nog bezig aan de samenstelling van een muziek-diktionnaire; hij deed dit in verloren oogenblikken, zoo onder de hand door.

Maar de wind der inspiratie blaast gelijk hij wil en niet gelijk wij willen. De drang, langzaam groeiend in het onderbewuste, waar ten slotte de vonk uit springt, de conceptie uit ontstaat van het kunstwerk, zooals uit de stoffen die de plant in zich opzamelt en tot nieuwe sappen omzet op een dag de bloemknop wordt, die drang gaat niet altijd in dezelfde richting als de werkzaamheid van het bewuste gedachteleven. Het onderbewuste kan het bewuste vooruit zijn en in zeker opzicht daartegen in gaan, in 't eerste kan groeien en zich opzamelen, wat door de "censuur" van den wil niet tot 't tweede wordt toegelaten. Terwijl Rousseau in zijn bewust gedachteleven nog de banen volgde die hij na den innerlijken schok op den weg naar Vincennes had ingeslagen, terwijl hij nog voornamelijk boetprediker en moralist wilde zijn en dacht te zijn, begon in de diepere lagen van zijn persoonlijkheid 't oude smachten naar teederheid weer op te komen; terwijl hij nog "dronken van deugd" meende te wezen, leed zijn zinnelijke weekheid reeds dorst naar de wateren der liefde. Arme barsch-doende citoyen! die andere, onuitroeibare zijde van zijn ik, die hij nu acht jaar lang had teruggedrongen, wachtte maar op een gelegenheid, om de "censuur" onderste boven te loopen, met onweerstaanbare kracht naar de oppervlakte te dringen, en in het brandpunt van het bewustzijn te komen staan. Een groote reaktie op die jaren van eenzijdig puritanisme was in aantocht: in zijn leven ging zij uiting vinden in zijn hartstocht voor Mme d'Houdetot, in zijn werk in de "Nouvelle Héloïse."

De gelegenheid, waarop de onderdrukte krachten van zijn wezen wachtten om zich vrije baan te verschaffen, en den strengen stoicijnschen zin die zoo lang oppermachtig had geheerscht van zijn troon te jagen, diens alleenheerschappij te breken, bracht zijn buiten-gaan-wonen.

Het was vroege lente toen hij 't landhuisje aan den zoom van 't woud van Montmorency betrok, vroege lente als toen hij achtentwintig jaar geleden, zestienjarige knaap uit de tucht van den leertijd ontvlucht, door de heuvels van Savoye had gezworven. Er lag nog sneeuw op de velden, maar de natuur werkte al: in de bosschen bloeiden viooltjes en sleutelbloemen, de struiken begonnen uit te botten en een nachtegaal zong, vlak voor zijn raam. Welk een heerlijkheid weer buiten te zijn! Vol verrukking verkende hij de omgeving van zijn woning nog voor hij goed en wel op orde was, beliep alle paadjes, doorzocht alle boschjes, blij als een kind. Enkele dagen na zijn aankomst schreef hij aan Mme d'Epinay, dat hij, ondanks de rommeligheid van 't verhuizen, de drie vredigste en zoetste dagen van zijn leven had doorgebracht.

En onverwachts begon, zooals de sneeuw op 't veld wegsmolt voor den zachten adem der lente, de hardheid die hij gemeend had nu voorgoed heel zijn wezen te zijn, weg te smelten in zijn gemoed. Hier buiten werd hij niet langer elk oogenblik herinnerd aan wat hem in Parijs zoo verbitterd had; hij zag niet aldoor om zich heen het gebrek en de overdaad, de verkwisting en de ellende; hij werd niet meer voortdurend geprikkeld door onuitstaanbare, gemaakte menschen. Dat alles kwam op 't tweede plan; nu genoot hij den toover der lente in de vrije natuur; zijn ziel genoot, zijn zinnen genoten, hij baadde in weelde-van-genot. En, zooals wanneer hij als jongeling trok door de lentelanden, zoo zalig bevredigd, zoo muziekvol, begonnen in hem zelven krachten te werken, wateren te murmelen, knoppen open te springen, wonderlijke keelen te schallen: de verbeelding, de lang gestremde, was weer vloeibaar geworden in hem.

Er zijn dichters tot wien de verbeelding komt als een laaiend vuur dat zich over hen stort, een gloed waarin alle krachten van hun wezen verdwijnen; die de visionaire wereld oprijzend in hun binnenste, in één geweldig spannen hunner vermogens vastgrijpen tot in hare verste diepten en haar uiterste omtrekken. Er zijn er andere in wien zij zachter werkt, die langzaam, langzaam, uit een droomerige warmte van het gemoed, uit liefelijk-vage stemmingen, uit gevoelens en gedachten vol onbestemde teederheid, gestalten zich zien loswinden en een gebeuren oprijzen, zooals schepen opdoemen uit de mist. Zoo en niet anders, werkte de verbeelding in Rousseau.

Het begon met droomen, ongekontroleerd door den wil, onbeïnvloed door de rede, ontstaande onder de macht van stemmingen en aandoeningen, wortelend in de diepten van het organisme, lieflijke erotische droomen, die hij al zwervend eindeloos verder spon. Zoo droomen was voor hem altijd de zoetste zoetheid des levens geweest, de milde stroom zijner fantazieën had zijn eenzaamheid bevolkt met verrukkingen, hem die eenzaamheid doen liefhebben boven menschen-gezelschap. Maar nooit had hij, in zijn jeugd, de behoefte gevoeld om die droomen vast te houden; wat hij in dien tijd schreef was altijd werk-van-'t-bewuste-alleen, verstandswerk, omgaand buiten zijn eigenlijk ik, geweest. En daarna was de strijd gekomen met de zorgen des levens, en daarna de tijd, dat hij, geheel vervuld van die nieuwe groote gedachten van deugd en heroïsme en roeping, een dam had gebouwd om het deel van zijn wezen, waaruit de droomwateren omhoog welden. Maar nu was de dam doorbroken en de oude stroom vloeide weer rijkelijk.

Dien zomer zwierf hij veel door de wouden en heiden, meest alleen, want Thérèse vond die wandelingen in de eenzame natuur tamelijk vervelend. Hij genoot, maar voelde zich toch dikwijls onbevredigd, als alle niet zeer evenwichtige naturen die het doel van lang wenschen bereikt hebben. Zijn voornaamste verlangen was bevredigd, er vielen geen plannen meer te maken voor de toekomst: dit gaf een zekere leegte. Daarbij kwam, dat er in de Hermitage verscheiden dingen waren die hem hinderden. Wat hij gevreesd had, gebeurde: Mme d'Epinay liet hem niet met rust, hij moest altijd klaar staan om bij haar te komen op het kasteel, wanneer zij tot hem stuurde om verstrooid of bezig gehouden te worden. Zij vroeg er niet naar, of hij werkte, of hij misschien liever alleen wou zijn. Zoo waren die verwende wereldsche vrouwen nu eenmaal, ook de beste.... Hij had, door gunsten aan te nemen, zijn onafhankelijkheid prijs gegeven. En dit was niet alles! Gedurende de zomermaanden kreeg hij voortdurend bezoeken uit Parijs, van bewonderaars of belangstellenden; hij wist niet hoe gauw hij na 't middag-eten weg zou slippen, om ongestoord te gaan mijmeren in het woud.

Neen, peinsde hij, de Hermitage is toch niet wat de Charmettes waren; dáár was 't leven zoet, vol harmonie, vol vrede. De groote disharmonie die hem uit de Charmettes verjaagd had, vergat hij. Zijn droomen sloegen onbemerkt den weg in naar 't verleden: verlangen zag niet langer hunkerend vooruit, maar begon terug te zien, gelijk altijd als jeugd voorbij is.

Hij was op dien grens der jaren gekomen--niet voor elk mensch dezelfde--dat het hart zich keert naar 't verleden en met pijn en bitterheid afscheid neemt van wat nimmer terugkeert: jeugd; gouden, heerlijke jeugd.

Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de gave der jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter heeft gebruikt. Wie het heil zocht in de liefde voor schoone lichamen en in de bevrediging van den hartstocht, voelt de herinnering wrang in zijn mond en spijt om alles wat hij dit ééne ter wille verzuimde, doet zijn hart samentrekken; hij treurt: hem is alsof hij de kostbare wateren der jeugd verspilde. Wie andere sterren volgend als Venus' zilveren ster, uit eerzucht daden deed, of door liefde voor een stralende Idee gedreven, voor een droom van menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat hij wat nu 't allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde; ook hem is het of hij de kroon des levens heeft gemist.

Acht jaar lang had Rousseau nadat hij Savoye verliet, geleefd voor zijn eerzucht, worstelend tegen den stroom des levens die hem altijd weer terugsloeg, de volgende acht jaren voor zijn Idee. Nu leek het eene nietig zoowel als het andere, de winst dier jaren armzalig, zijn leven zonder inhoud, zijn beste krachten verloren, ongebruikt. Hij had nooit bemind gelijk hij kon beminnen, hij had nooit liefde genoten gelijk hij te genieten had begeerd. En o bitterheid, bitterheid: jeugd was voorbij, zou nimmer terugkeeren. Verlangen naar liefde-geven en liefde-nemen kwam als een vloed opzetten en vulde zijn lijf, zijn zinnen, zijn hart, zijn fantazie.... En fantasie sloeg den weg in der herinnering. Weer was hij jong, een zorgelooze knaap, een droomerig-hartstochtelijke jongeling; weer hoorde hij het zilveren lachen, hij zag de lieve gezichten van al de bekoorlijke wezens, waarvoor zoete neiging zijn bloed eens had ontroerd. Hij zag het vriendinnen-paar, de gezellinnen van dien onvergetelijken geluksdag, dien dag van den rit door de bergen naar 't oude kasteel; hij zag zijn lieftallige zangleerlingetjes van Chambéry, hij zag het beminnelijke vrouwtje van zijn reis-avontuur in Frankrijk, hij zag de donkere Venetiaansche schoone, waarvoor hij als gezantschap- secretaris had gegloeid. Nog vele anderen zag hij, want hij was heel dikwijls verliefd geweest. En, alleenstaand, van al die anderen gescheiden door het inniger, teederder, droeviger gevoel dat haar omtrilde, zag hij Mme de Warens, gelijk zij den blooden knaap eens was verschenen: jong, bloeiend, met mooie handjes en asch-blonde wuivende haren, een en al lieftalligheid. Hij was verliefd op zijn herinneringen, hij gloeide en dorstte, maar een voorwerp van liefde had hij niet.

Toen greep zijn onvervuld begeeren naar het groote redmiddel, waardoor de ziel van den mensch, hongerig naar geluk, zich zelve bewaart voor te sterven van verlangen. Kunstenaars vermogen dit redmiddel vaster te grijpen en beter te hanteeren dan andere menschen; daarom zijn zij, de broozen, toch sterk in de branding des levens. Hij "sublimeerde" zijn liefde-verlangens, dat wil zeggen hij bracht ze over in een andere, een ijler sfeer: de vervulling die hem ontzegd was in de werkelijkheid, zocht hij in de fantazie.

Langzaam, geleidelijk, werden de lieflijke jeugd-herinneringen omgeschapen door de werkende verbeelding, zij scheidde, verbond, voegde samen; zij vereenvoudigde de menigvuldigheid der indrukken tot klare eenvoudige lijnen, sneed alle overtollige ranken weg, wischte alle storende bijvoegsels uit; zij omgloriede enkele gestalten met alles wat hij ooit in menschen had liefgehad en hoopte op een kleine plek aarde samen al wat hij ooit schoon en heerlijk had gevonden in de natuur.

