Japan De Aarde en haar Volken, 1867
Chapter 9
De vreemdeling, die China bezoekt, krijgt telkens den indruk als wandelde hij door een bouwvallig, stofferig en verwaarloosd gebouw, aan de hoede van afgeleefde invaliden toebetrouwd. In Japan ziet ge letterlijk noch bouwvallen, noch stof; met de frischheid dezer altijd groenende plantenwereld wedijvert het voorkomen van onverstoorbare jeugd, dat den bewoners dezer schoone eilanden eigen schijnt. Zelfs de woningen hunner afgestorvenen versieren zij met de beelden van eene eeuwige lente: in alle jaargetijden schitteren hunne kerkhoven in den rijksten bloemendos. Hunne graven bewaren eenvoudig den naam en de herinnering der afgestorvenen, zonder eenig toevoegsel, dat het denkbeeld aan dood of vernietiging voor den geest roept. Daar iedere familie hare eigene begraafplaats, en iedere doode zijn eigen lijksteen heeft, breiden zich deze gedenkteekenen der voorgeslachten heinde en verre allerwege uit, over heuvel en dal, door parken en gewijde bosschages, tot aan de poorten der steden en den ingang der dorpen.
Te Nagasaki vooral levert dit een grootsch gezicht op. Deze stad ligt aan den voet eener bergketen, waarvan de benedenste hellingen doorgaans vrij steil zijn; deze zijn nu amphitheatersgewijze in breede terrassen uitgehouwen, en geheel bedekt met de grafteekenen der voorgeslachten. Twee steden verrijzen hier nevens elkander: in de vlakte de stad der levenden, met hare lange en breede straten, door brooze houten huizen omzoomd en gevuld met een bezige, luidruchtige schare; en boven op den berg, de ernstige doodenstad, met haar granieten muren en monumenten, hare eeuwenheugende boomen, hare plechtige stilte. Zoo vaak de inwoners van Nagasaki de oogen opheffen naar den berg, moeten zij wel onwillekeurig denken aan de tallooze geslachten die vóór hen op aarde hebben geleefd. Bij den aanblik van al deze lijkgesteenten, wier dichte rijen zich haast verliezen in den blauwachtigen nevel aan den wazigen horizon, kunt ge u noode onthouden van de gedachte, dat de dooden nog te midden hunner graven vertoeven; dat zij, van deze rustige hoogte, zwijgend en ernstig, nederzien op het ijdele gewoel aan hunne voeten. Althans het volk gelooft het: en eenmaal in het jaar worden de dooden uitgenoodigd tot het bijwonen van een plechtig feest, dat drie achtereenvolgende nachten duurt.
Den eersten avond worden, door middel van gekleurde papieren lantaarns, de graven verlicht dergenen, die in het dan afgeloopen jaar zijn gestorven. Op de beide volgende avonden deelen alle graven, oude zoowel als pas gedolvene, in deze verlichting; en alle familiën uit Nagasaki begeven zich naar hare begraafplaatsen, waar, ter eere der voorvaderen, overvloedige drankoffers worden geplengd. De uitbundigste vroolijkheid doet weldra alle terrassen van luid gejubel en gelach weêrgalmen; en knetterende vuurpijlen, voortdurend opgelaten, vervullen ook de lucht met den weerklank der aardsche dartelheid. Een vreemd doodenfeest voorwaar! maar allerschilderachtigst om aan te zien. De europeesche residenten laten zich gewoonlijk naar de schepen op de reede roeien, om van daar het tooverachtig schouwspel te genieten der in een rooden lichtgloed gehulde heuvelen, wemelende van eene dichte menschenmassa.
Maar, in den derden nacht, ziet men eensklaps, tegen twee uren in den morgen, lange processiën, schitterende van licht, afdalen naar den oever der baai; terwijl de bergen langzamerhand duister worden, en alleen de witte grafsteenen schemeren in den half doorzichtigen sluier des nachts. De dooden moeten zich inschepen en vóór den dageraad vertrekken. Men heeft hun duizende kleine bootjes van gevlochten stroo bereid, ieder met eenig fruit en enkele kleine geldstukken voorzien. Op deze brooze schuitjes worden al de papieren lantaarns geladen, die tot verlichting der graven hebben gediend; het kleine matten zeil wordt uitgespannen; en de ochtendwind verstrooit ze naar alle zijden op de reede, waar zij weldra vlam vatten. Zoo vergaat de gansche vloot, overal, voor een korte poos, slingerende sporen van vuur achterlatende..... De dooden gaan snel! Na weinige oogenblikken is het laatste vaartuigje gezonken, het laatste vuur gedoofd, en heeft de laatste geest zijn afscheidsgroet aan de aarde gebracht. Bij het opgaan der zon, is er niets meer van de dooden overig.
In vroeger tijd, toen de kami-dienst nog de uitsluitend heerschende in Japan was, werden aanzienlijke personen op eene afzonderlijke plaats, verwijderd van de algemeene begraafplaats, ter aarde besteld. Met dat doel werd een ronde heuvel uitgekozen, of wel kunstmatig opgeworpen: welke heuvel dan, even als een adellijke burcht, den naam ontving van yasiro, versterkte woning. Hij werd met kolossale, ruw opgetrokken muren, en gewoonlijk ook met eene breede gracht omringd. Aan den opgang der brug, die den heuvel met de vlakte verbond, werd een tori opgericht, ten teeken van de heiligheid der plaats. De lijkkist werd in een steenen graf, een soort van sarkophaag, neergezet, en boven dit gedenkteeken een houten gebouw opgetrokken, in vorm aan eene kami-kapel gelijk.
De begrafenisplechtigheden waren daarbij zeer omslachtig en statig. De lijkstoet geleek welhaast den triomftocht van een zegevierenden held. Met den doode werden zijne wapenen, zijn maliënkolder en wat hij het kostbaarst bezat, begraven. Ook zijne voornaamste dienaren volgden hem in het graf; en zijn geliefd strijdros werd aan zijn schim geofferd. Deze barbaarsche gebruiken werden evenwel in de eerste eeuw onzer jaartelling afgeschaft. Houten poppen vervingen de plaats der levende menschen, en de paarden werden nog slechts in effigie geofferd: Eenige fiksche penseelstreken op een wit plankje verbeeldden den fieren strijdmakker van den held, en dit plankje behoorde tot de voorwerpen, die mede in het graf werden geborgen. Deze yema's of paardenstudiën zijn in den regel met zooveel talent geteekend en zoo geniaal behandeld, dat zij inderdaad tot de artistieke merkwaardigheden van Japan behooren. Men vindt ze in de steden en op het land, in een aantal kapellen, bij wijze van votieftafels. Somwijlen behooren zij ook tot de geschenken, die de Taïkoen aan vreemde regeeringen zendt.
IX.
De kunst aan het hof van den Mikado.--Miniatuurschilderen.-- Symboliek.--Modes aan het hof.--Het hof der Kisaki.--Letterkundige uitspanningen.--De dichteres Onono-Komatsj.--Tooneelvoorstellingen.
Een der meest geliefkoosde kunsten aan het hof van den Mikado is het miniatuurschilderen. De miniaturen der kunstenaars van Kioto doen meermalen aan onze middeleeuwsche getijdeboeken denken: het is hetzelfde velijnpapier, hetzelfde misbruik van gouden gronden, dezelfde pracht van kleuren. De met vignetten versierde handschriften worden op ivoren cylinders of stokjes van fijn hout, waarvan de uiteinden met metalen sieraden zijn voorzien, gerold. Almanakken, romans, verzamelingen van verzen, litanieën en gebeden, worden daarentegen meestal in den vorm van boeken ingebonden. Onder de aanzienlijke dames is het mode, de kleinst mogelijke editiën der gebedeboeken bij de godsdienstoefeningen te gebruiken.
De dames en de dichters van Kioto gebruiken nooit een anderen almanak dan den zoogenaamden bloemenkalender, waarin iedere maand en ieder onderdeel eener maand door een symbolisch bouquet worden aangeduid. Ook bij de kleeding heerscht een soortgelijk gebruik: het toilet der aanzienlijke dames geeft niet alleen haar rang en rijkdom te kennen, maar is ook door de kleur en het onderwerp der borduursels op de kleederen in overeenstemming met de jaargetijden, de bloemen en vruchten van iedere maand des jaars. De maanden zelven worden in de hoftaal nooit bij hare eigenlijke namen, maar naar hare dikwijls zeer toevallige eigenschappen genoemd: de eerste maand heet de vrienden- of vriendelijke maand, omdat bij de bezoeken en geschenken van den nieuwjaarsdag de vriendschapsbanden worden bevestigd en nauwer toegehaald; de derde maand heet de ontluikingsmaand, omdat de natuur dan uit haar winterslaap ontwaakt; de vijfde, de overplantingsmaand, omdat de rijst dan verplant wordt; de zevende, de maand der letteren, omdat het dan gebruik is, ter eere der sterren lofzangen te schrijven, die aan de vrienden en kennissen worden rondgezonden.
Deze zucht naar symboliek is evenzeer kenbaar in de japansche architektuur en de voortbrengselen hunner nijverheid: met één woord, in alles wat door hunne kunstenaars of werklieden wordt vervaardigd. Zoo ziet men aan de daken der tempels en paleizen zeer dikwijls een eigenaardig ornament van snijwerk, dat een wolkenlaag moet verbeelden, waarboven de gevel van het gebouw oprijst. De hoofdingang of eerepoort van den daïri prijkt met eene gouden zon, omgeven door de teekenen van den dierenriem. De poorten der Boeddha-tempels prijken met twee olifantskoppen, ten teeken dat deze godsdienst uit Indië oorspronkelijk is.
Bovendien zijn er een aantal teekens en ornamenten, waarvan wij den rechten zin niet kennen. In den daïri ziet men eene soort van bronzen vaas, eene ruwe afbeelding voorstellende van ik weet niet welken vogel, ter grootte van een mensch. Dit is een der oudste gedenkteekenen der japansche kunst: het draagt den naam van Tori-kamé, maar niemand kent hetzij den oorsprong, hetzij de bestemming van dit kunstwerk. Andere, zeer oude vazen, op een drievoet geplaatst en dienende voor het branden van reukwerk, vertoonen in graveerwerk den kop of ook wel het geheele lichaam van den krokodil: een dier, in Japan volstrekt onbekend. De schildpad en de kraanvogel, die menigmaal op wierookvaten en gewijde kandelaars voorkomen, zijn zinnebeelden van onsterfelijkheid of althans van een lang leven.--De mythologische vogel Foô, in Japan zoowel als in China geliefd, prijkt op de posten der deuren van den daïri en boven op den palankijn van den Mikado, als het zinnebeeld van eeuwige zaligheid.
Deze zelfde symbolische figuren, met vele anderen, die ik hier niet allen noemen kan, komen wederom voor in de patronen der kostbare, van zijde, goud- en zilverdraad geweven stoffen, die de glorie uitmaken der wevers van Kioto; en in de graveersels der gouden, zilveren, koperen en stalen platen, waarmede de japansche juweliers de grepen en scheden van sabels, de draagbare schrijftoestellen, de pijpen en tabaksdoozen versieren; en eindelijk ook in de versieringen der tallooze gereedschappen, vaatwerken en ornamenten van lakwerk en porselein, waarin de grootste weelde der japansche huizen bestaat.
Eens, toen ik een magazijn bezocht van zulke curiositeiten, uit de werkplaatsen van Kioto afkomstig, vestigde men mijne aandacht er op, dat geen dezer voorwerpen zuiver rechthoekig was. Ik overtuigde mij zelf hiervan, door een nauwkeurig onderzoek van eene menigte kastjes, koffertjes, papierdoozen, plateaux en dergelijke verlakte voorwerpen; en inderdaad, ik vond nergens een scherpen hoek: alle hoeken waren afgeknot of zacht afgerond. Aangenomen, dat hierbij aan niets anders moet worden gedacht, dan aan een gril van den smaak, waarover niet te twisten valt, zoo is er iets anders, dat stellig eene symbolische beteekenis heeft. Alle japansche spiegels namelijk, zonder eenige uitzondering, vertoonen een ronde schijf: en deze omstandigheid pleit wel voor het gevoelen van Siebold, dat de spiegels in de kami-tempels eenvoudig een symbool zijn der zonneschijf.
Het is moeielijker de reden te vinden voor sommige modes van Kioto: gesteld, dat modes ooit of ergens een reden hebben. De dames van het hof trekken zich wenkbrauwen uit, en vervangen die door twee zware donkere strepen, zoo wat drie à vier vingers boven het oog geschilderd. Zou het zijn, omdat deze schoonen, met hare vooruitstekende wangbeenderen, gevoelen, dat het ovaal van haar gelaat wel wat te wenschen overlaat; en zouden zij daaraan willen tegemoet komen, door hare wenkbrauwen, die de natuur een beetje te veel midden in het aangezicht plaatste, wat naar boven te brengen?
Met uitzondering van enkele, met was bestreken vlechten, die langs de slapen en de schouders afdalen, dragen de dames het haar los, plat op het hoofd, en vrij afhangende op den rug. Daar worden de haren saâmgevat in een knoop, die groote geheimenissen verbergen moet: want alle aanzienlijke dames, zonder onderscheid, prijken met zware, golvende lokken, die tusschen de plooien van haar wijden mantel tot op den grond afdalen. De omvang van dit rijke kleedingstuk van brocade, zou haast tot het vermoeden leiden, dat in de groote wereld van Kioto de graad van vrouwelijke weelde zich regelt naar het getal der ellen zijde, die een enkel mensch achter zich aan kan slepen. Maar wat beteekenen die twee lange zijbanen van het kleed, die ter rechter- en ter linkerzijde buiten de golvende mantelzoomen uitsteken? Als de schoone voortgaat, bewegen zij zich op de maat der onzichtbare kleine voeten; en van verre zou men zeggen dat de dame geen kleed draagt maar een wijden, slependen pantalon, die haar slechts vergunt op de knieën voort te kruipen, achteloos met de heupen wiegende. Wel, dit wonderlijk kostuum moet ook juist dien indruk maken: het moet den schijn hebben, alsof de hofdames, die in de tegenwoordigheid van den Mikado worden toegelaten, niet dan knielende zijne heilige majesteit naderen!
In het paleis hoort ge geen ander geluid dan het ruischen der zijde over de zachte tapijten, waarmede de matten zijn belegd. Bamboezen jalouzieën temperen het daglicht; prachtig beschilderde schermen, damasten draperieën, fluweelen gordijnen, vormen de wanden en portières der ruime salons. Geen enkel meubelstuk stoort den indruk van sierlijke eenvoudigheid; in de hoeken bespeurt ge slechts, hier een aquarium van porselein, gekroond met levende planten en smaakvol geschikte bloemen; elders een met parelmoer ingelegde kast of eene étagère, beladen met de omvangrijke bloemlezingen uit de oude poëzie, waarvan eene op gouden bladen is gedrukt. De geur van kostbare houtsoorten, van fijne matten, van bloemen en gewassen mengt zich met de frissche buitenlucht, die van alle kanten door de geopende schermen binnendringt. De jonge hofdames presenteeren thee van Oudsji en suikergebak uit de voorraadkamer der keizerin. Deze, de Kisaki, de trotsche gebiedster der twaalf andere wettige gemalinnen van den Mikado en van de schare zijner bijwijven, zit, in fiere afzondering, neergehurkt op eene ruime hooge estrade, van waar zij de gansche zaal overziet. De staatsdames en kamervrouwen, op eerbiedigen afstand achter haar geknield of neergehurkt, vormen groepen, die op bloembedden gelijken: want iedere groep heeft, volgens haar rang, hare eigene kleederdracht en bijzondere kleuren. De breede plooien der kleederen van de keizerin zijn zoo kunstig en smaakvol geschikt, dat zij hare figuur als in eene schitterende wolk van gaas, satijn en brocade hullen; en de drie gouden bladen of stengels, die uit haar diadeem oprijzen, schijnen wel de kroon eener hemelsche bloemen-koningin.
De genoodigden zitten in halve kringen tegenover de hooge gebiedster. Op een teeken harer hand naderen de dienstdoende staatsdames, en ontvangen knielende de noodige bevelen voor de regeling der verhalen en samenspraken of letterkundige wedstrijden. Het hof der Kisaki toch is, of was althans, de japansche académie des jeux floraux. Op den derden dag der derde maand, ongeveer overeenkomende met onze Aprilmaand, vereenigen zich alle schoone geesten van den daïri in de bloesemrijke boomgaarden van het kasteel, aan den oever der frissche beken; de saki vloeit in de kristallen bekers, en edelheeren en edelvrouwen wedijveren in het uitvinden der liefelijkste coupletjes ter eere der jonge lente en der ontwakende natuur.
Deze soort van conventioneele poëzie was trouwens van ouds eene der meest geliefde uitspanningen der japansche literatoren: hierin het voorbeeld volgende der chineesche letterkunde, waarnaar die van hun eigen land zich vormde, en tevens aan den invloed van het hof gehoorzamende, waar dergelijke Schöngeisterei natuurlijk zeer in den smaak viel. De graveerstift heeft ons zelfs de trekken bewaard der dichters, die in dit genre uitmuntten, en die altijd worden voorgesteld met het voorwerp hunner zangen. De dichters der zee, bij voorbeeld, ziet ge steeds aan het strand neergezeten; een ander is verzonken in de beschouwing van een bloemruiker; een derde heeft voor attribuut een bloeienden perzikenboom; er zijn dichters van de rijst, van de vlinders, van de kraanvogels, van de maan, van de schelpen, en zoo meer. De geschiedenis der japansche poëzie heeft ook hare gewijde plaatsen: als daar zijn de berg Kamo, waar Tsjoo-meï zijne oden dichtte, peinzende aan den oever eener beek; en een zeker klooster, waar een verdoolde prins nachtverblijf vond. Des morgens, bij zijn vertrek, stelde hij den prior een gedicht ter hand, als loon voor de genoten gastvrijheid. Deze gracelijke gave vestigde den roem van het klooster.
Eene der meest geliefde figuren uit de letterkundige geschiedenis van Japan is eene adellijke jonkvrouw van het hof van Kioto, met name Onono-Komatsj. Doorgaans wordt zij voor een waterbekken knielende afgebeeld, bezig met haar handschrift uit te wisschen. Zoo groot was haar zucht naar zuiverheid van stijl, dat zij nimmer tevreden was met wat zij gemaakt had, en deze hartstocht ieder anderen in haar vernietigde. Bewonderd om haar talent, maar ter prooi aan de jaloezie en de wraakzucht der losbollen, wier beleefdheden zij met verachting afwees, viel zij eindelijk in ongenade en tot volslagen armoede. Jaren lang zag men toen door de velden van Nippon eene eenzame vrouw zwerven, barrevoets, leunende op een pelgrimsstaf, en in de linkerhand een mandje dragende, dat, nevens eenige beschreven rollen papier, enkele schrale mondbehoeften bevatte. Zilverwitte haarlokken omgaven haar mager en gerimpeld gelaat, door een breeden strooien hoed overschaduwd. Zette deze arme oude vrouw zich neder op de trappen der tempels, nabij de dorpen, dan schaarden zich de kinderen weldra om haar heen, aangetrokken door haar zachten glimlach en de weemoedige uitdrukking harer groote, schoone oogen. Dan zeide zij verzen voor hen op, en vestigde hunne aandacht op de heerlijke wonderen der schepping. En dan gebeurde het vaak, dat een of andere leergierige monnik, gissende wie de onbekende was, eerbiedig nader trad en vergunning verzocht om een der gedichten te mogen overschrijven, die de arme zwervelinge in haar mandje mededroeg. Zelfs in onze dagen is de nagedachtenis van Onono-Komatsj, de dichterlijke maagd, in Japan nog in eere, en leeft haar naam nog voort als die van eene edele martelares der kunst, door voor- noch tegenspoed gebogen, en tot in haar ouderdom en te midden van armoede en verlatenheid onveranderlijk trouw aan hare liefde voor het ideaal.
Maar het hof der keizerin kende ook andere dan zuiver letterkundige uitspanningen: er was ook eene kapel, uitsluitend uit snareninstrumenten saâmgesteld. Met de muziek gingen tooneelvoorstellingen gepaard. Eene troep jeugdige tooneelspeelsters voerde tooverballetten op, of wel danste eigenaardige dansen: nu eens deftig en statig, gekleed in lange slepende mantels met wijde mouwen; dan weder vlug, levendig, fantastisch, waarbij de danseressen verkleed optraden, versierd met vogel- of kapellen-vederen. De dames van den daïri hadden ook hare bijzondere loges grillées, niet slechts in den keizerlijken schouwburg, maar ook in den circus der worstelaars en boksers, aan het hof van den Mikado verbonden. Ook waren zij, in haar eigen lusthof, in kleinen kring onder de veranda gezeten, belangstellende toeschouwers bij de hanengevechten. Al deze gebruiken van het hof van Kioto zijn tot op onze dagen in stand gebleven: slechts is ieder spoor van artistieke of letterkundige ontwikkeling verdwenen. Zij zijn niets meer dan de laatste overblijfselen van het oude keizerrijk: zonder geest of leven nu, dor en versteend, als de verlaten grafheuvels van het voorgeslacht. Inmiddels ontluikt en ontwikkelt zich allerwege rondom den Mikado een nieuw leven. De Taïkoen breidt al verder en verder de instellingen en ordeningen zijner moderne monarchie uit, en doet steeds krachtiger grepen in het aloude samenstel der verstorven theokratie; de vreemdeling heeft zich de poorten des rijks geopend; de vlugge stoombooten van het Westen doorkruisen de kalme wateren der binnenzee, en van alle zijden dringt de christelijk-europeesche beschaving veroverend het land binnen.
En terwijl de wereld om hem heen van gedaante verandert, zit daar nog altijd de Mikado, de afstammeling der kami's, de erfelijke theokratische keizer van Japan, ontoegankelijk en onzichtbaar: stomme getuige eener omwenteling, die hij niet keeren kan, en die hem licht medesleepen zal. Ware hij niet zoo volkomen lijdelijk, deze Mikado zou eene tragische figuur zijn: de incarnatie van het gestorven verleden, waarvoor in het levend heden geene plaats meer is. Vergeefs trekt hij zich terug in de geheimzinnige schemering van het heilig halfduister: ook hij zal in het volle licht moeten treden, ook over hem zal het onverbiddelijk gericht der historie gaan.
X.
De dubbele monarchie.--De Mikado en de Taïkoen.--Oorsprong van de macht der Taïkoens.--De Sjoogoen Mina-moto Yoritomo.--Inval der Mongolen in Japan.--Taïko-sama.--Etiquette aan het hof van den Mikado.--Bezoek van den Taïkoen bij den Mikado.
Tijdens mijn verblijf in Japan gebeurde het, dat de Taïkoen een beleefdheidsbezoek bracht aan den Mikado.
Dit was eene buitengewone gebeurtenis, die niet alleen een diepen indruk op het volk maakte en de pennen en teekenstiften der inlandsche schrijvers en kunstenaars in beweging bracht; maar die ook aan de europeesche gezanten en residenten de gelegenheid verschafte om iets meer te leeren kennen van de wederzijdsche verhouding der beide Majesteiten van het japansche rijk. Deze verhouding is inderdaad allermerkwaardigst; en de regeeringsvorm in Japan op zich zelf zoo geheel eenig, dat eene nadere studie dezer dubbele monarchie alleszins onze belangstelling verdient.
Rechtens is er in Japan maar één souverein, de Mikado, die reeds door zijne geboorte en zijn gewijd karakter boven den wereldlijken heerscher, eigenlijk zijn stedehouder, verheven is. Kleinzoon der zon, vervolgt hij de traditioneele lijn der goden en halve goden, der heroën en erfelijke keizers, die in onafgebroken volgorde over Japan hebben geregeerd sedert de stichting des rijks, of liever sedert de schepping der acht groote eilanden. Opperhoofd der godsdienst, welken naam of welken vorm zij ook onder het volk aanneme, treedt hij in het bijzonder op als de hoogepriester der oude nationale kami-dienst. Te midzomer offert hij aan de aarde; te midwinter offert hij aan den hemel. Een god is bepaaldelijk met de zorg voor zijn persoon belast; van uit haar tempel op den top van den berg Kamo, waakt deze godheid nacht en dag over den daïri. Gedurende eene geheele maand in het jaar verlaten al de goden hunne hemelsche woningen en hunne tempels, om bezoeken af te leggen bij hun afstammeling en vertegenwoordiger op aarde. Als de Mikado sterft, wordt zijn naam, tot dus ver verborgen gehouden, in de tempels zijner voorouders te Kioto, in den tempel van Hatsjiman, en zelfs te Isyé in den zonnetempel, gegraveerd.