Japan De Aarde en haar Volken, 1867

Chapter 8

Chapter 83,598 wordsPublic domain

Kioto ligt in eene schoone vruchtbare vlakte, die, naar het zuiden open, ten noordoosten door eene boschrijke heuvelreeks wordt omzoomd, waarachter zich het groote meer Oïtz uitstrekt. Uit dit meer komt de Jodogawa-rivier voort, die ten zuiden langs Kioto vloeit en zich, zoo als ik zeide, eenige mijlen beneden Osaka in de binnenzee stort. Twee nevenstroomen van de Jodogawa ontspringen ten noorden der hoofdstad, en besproeien ten oosten en ten westen hare muren. Zoo is Kioto van alle zijden omgeven door vlietende wateren, die niet alleen eene uitmuntende gelegenheid verschaffen tot besproeiing der rijstvelden, maar ook dienen tot voeding der grachten in de stad en der vijvers in de keizerlijke parken.--In de omstreken wordt rijst, boekweit en tarwe geteeld; ook bloeit er de theeplant, de moerbezie, de katoen, en eene groote menigte andere vruchtboomen en groenten. Bamboes en laurierboomen, kastanjes, dennen, ceders en cypressen kronen de omringende heuvelen; overal wellen de frissche bronnen uit den grond, en slingeren zich de murmelende beekjes door tuinen en bosschages. Duizende vogels van allerlei soort en gevederte, valken, fasanten, hoppen, eenden, ganzen, steltloopers, vervullen de lucht, de velden en de wateren. Door geheel Japan is de landstreek rondom Kioto beroemd wegens de zachtheid van haar klimaat. Ook is dit deel des rijks het minst blootgesteld aan de orkanen en aardbevingen, wier uitwerkingen elders soms zoo vernielend zijn.

In waarheid, de opvolgers van Zin-moe konden moeielijk een liefelijker verblijf uitkiezen, om in weelderige rust de vruchten te plukken van den arbeid hunner voorgangers; een bevalliger paradijs, om als halve goden te zwelgen in de eerbiedige aanbidding hunner onderdanen, en daarbij zoo geheel het werkelijke leven te vergeten, dat een der schoonste schepters der wereld bijna ongemerkt aan hunne ontzenuwde handen ontgleed.

De afstammeling der kami's van Japan was en bleef het aangewezen opperhoofd der nationale godsdienst. Deze had aanvankelijk, zoo als wij zagen, geen geestelijkheid. De Mikado's riepen eene gansche hiërarchie van ambtenaren in het leven, die met een priesterlijk karakter waren bekleed en al de verrichtingen der openbare eeredienst moesten regelen en leiden. Daar waren opzichters bij de gewijde feesten en bij de begrafenisplechtigheden, tempelwachters en bewaarders der heilige schatten en der reliquiën; voorts opzichters der begraafplaatsen en dergelijken. Al de hooge beambten werden gekozen uit de leden en de aanverwanten der keizerlijke familie.--Op dezelfde wijze ging men te werk ten aanzien van den dienst in het paleis en alle gewichtige betrekkingen en bedieningen in den daïri. De eigenlijke hoofden van het burgerlijk en militair bestuur werden op die wijze steeds meer en meer van het hof vervreemd, dat gaandeweg een uitsluitend klerikaal karakter aannam.

De hoofdstad zelve van het rijk had ten slotte dit zeker zeer eigenaardige kenmerk, dat men er bijna niets aantrof 't welk met het leger, de vloot, de burgerlijke administratie, in één woord met de regeering van een grooten staat, in betrekking stond: dit alles was overgelaten aan de zorg van verschillende ambtenaren, in de provinciesteden verspreid. Daarentegen stelden al de sekten, die het oppergezag van den Mikado erkenden, er eene eer in, hare eigene hoofden in zijne onmiddellijke nabijheid gevestigd te zien; en wedijverden zij met elkander, om zijne residentie met tempels en godsdienstige stichtingen van verschillenden aard te verrijken. Toen dan ook het Boeddhisme, door chineesche monniken ingevoerd, zich de gunst van den Mikado had weten te verwerven, door hem als geestelijk opperhoofd des rijks te huldigen, duurde het niet lang of de ijver der nieuwe sekte stelde alles in de schaduw wat ooit in de hoofdstad ter eere van den aloude kami-dienst was gesticht. Het waren japansche Boeddhisten, die Kioto begiftigden met de grootste klok der wereld, en met een, in zijne soort, niet minder weergaloozen tempel: de tempel der drie en dertig duizend drie honderd drie en dertig genoemd, naar het juiste getal der afgodsbeelden, die hij bevat. Om u de mogelijkheid van zoo iets te doen begrijpen, moet ik er bijvoegen, dat de groote beelden met eene menigte kleinere beladen zijn, die zij op hun hoofd, hunne knieën en handen dragen.--De tempels en kapellen van Kioto, die aan de oude nationale eeredienst zijn gewijd, hebben nog steeds, althans in zekere mate, dezelfde oorspronkelijke eenvoudigheid bewaard, die deze heiligdommen in de overige gewesten des rijks onderscheidt. Sommige dezer tempels zijn aan de zeven hemelsche godengeslachten der nationale mythologie gewijd; andere, hetzij aan de geesten der aarde, hetzij aan de godheid der zon, Ten-sjoo-daï-zin, of aan hare afstammelingen, de eerste Mikado's.--Tegen het einde der zeventiende eeuw,--latere opgaven ontbreken tot dusver--telde de kami-dienst te Kioto en in den omtrek der stad twee duizend honderd zeven en twintig mia's; maar het Boeddhisme, in zijne verschillende sekten en vertakkingen, bezat er niet minder dan drie duizend acht honderd drie en negentig tempels, pagoden of kapellen. Het ontbreekt dus Kioto niet aan bedehuizen! Trouwens andere monumenten bezit deze merkwaardige hoofdstad niet.

Immers, zoowel door hunne bestemming als door hun bouwstijl, behooren de paleizen van den daïri ook tot de heilige gebouwen. Zij zijn gezamenlijk door een hoogen muur omsloten, en beslaan het noordoostelijk deel der stad. Boven de talrijke daken verheffen zich, in wijde verte, de wiegelende kruinen der hoog opgaande boomen, en geven den aanschouwer eenig denkbeeld van de uitgestrektheid en de storelooze stilte der heerlijke parken, in wier midden de keizerlijke woningen verrijzen, ver van de blikken der ongewijde schare en van het hinderlijk gedruisch der stad. Meer dan deze boomen en deze schemerende daken te zien, was nog geen vreemdeling vergund: het is mij dan ook niet mogelijk, iets van de inrichting van dit keizerlijk paleis, waar de Mikado, als in eene afzonderlijke wereld, zijne dagen doorbrengt, te zeggen. En somtijds is hem die afzondering nog niet volkomen genoeg. Meermalen gebeurt het, dat de regeerende Mikado afstand van den troon doet, om in een daarvoor opzettelijk bestemd paleis, in een afgezonderd gedeelte van den daïri, zijne overige dagen door te brengen.

In het midden der stad verheft zich een versterkt kasteel, waarvan de muren, van afstand tot afstand, met vierkante torens zijn bezet. Dit kasteel, dat vroeger den Mikado, in geval van oproer, tot wijkplaats strekte, is nu het hoofdkwartier van het garnizoen, dat de Taïkoen in de geestelijke hoofdstad des rijks onderhoudt.

Het getal der hooge en lage beambten en bedienden in de verschillende paleizen des Keizers en van zijne talrijke familie, moet vele duizenden bedragen. Het juiste cijfer kent men niet, omdat het hof niet onderworpen is aan de jaarlijksche volkstelling.--Anders is de statistiek altijd een voorwerp der bijzondere zorg van de japansche regeering geweest. In de heilige stad des rijks neemt ook de gewoonlijk zoo profane statistiek een gewijd karakter aan, en rangschikt officiëel de lieden naar de verschillende sekten, waartoe zij zeggen te behooren. Om het cijfer der bevolking van Kioto te kennen, moeten wij weder teruggaan tot den ouden Kämpfer, dien nauwkeurigen en ijverigen onderzoeker, wiens werk over Japan nog altijd zoo groote waarde heeft. Kämpfer dan bericht, dat in zijn tijd, in 1693, de vaste bevolking van Kioto, met uitzondering van het hof, bestond uit 52,169 geestelijken en 477,557 leeken. Deze geheele bevolking splitste zich in ongeveer een twintigtal erkende sekten, waarvan de talrijkste 159,113 aanhangers telde, en de geringste, zijnde eene soort van boeddhistische confrerie, slechts uit 289 leden bestond.

Wie intusschen meenen mocht, dat deze ontzaggelijke ontwikkeling van het kerkelijk element het verblijf in de hoofdstad van Japan somber moet maken, of althans aan de zeden der bevolking een buitengewone strengheid bijzetten, zou zich zeer bedriegen. Het tegendeel is veeleer waar, zoo als wij zien zullen, wanneer wij het leven en bedrijf in deze stad meer van nabij gaan beschouwen.

VIII.

Kioto.--Nationaal tooneel.--Godsdienstige feesten.--Optochten.-- Begraafplaatsen.--Doodenfeest te Nagasaki.--Grafheuvels.

De laatste maal, dat ik u mijne herinneringen uit Japan mededeelde, heb ik u rondgevoerd langs de schilderachtige oevers der binnenzee, den klassieken grond van het groote Nippon, en u van verre reeds een blik doen werpen op Kioto, de oude hoofdstad der Mikado's. Wilt ge mij nu derwaarts vergezellen, en van meer nabij het leven en bedrijf gadeslaan in dit middelpunt der oude japansche maatschappij?--Stellen wij ons dan voor, dat wij op een schoonen zomeravond, tegen het ondergaan der zon, de heilige stad naderen. Van alle kanten klinken ons de tonen eener vroolijke en luidruchtige muziek tegen, alsof we zoo straks ons te midden eener woelige kermisvreugde zouden bevinden. Op alle omringende heuvelen, met gewijde bosschages, met tempels en kloosters bedekt, wordt door de bonzen en monniken de avonddienst gevierd, onder het slaan op trommen, op tamboerijns, op koperen bekkens, en op metalen klokken: een bijna oorverdoovend concert.

In de voorsteden worden alom de veelkleurige, papieren lantaarns opgestoken. Ge ziet er van allerlei vorm en afmeting: de grootsten hebben de gedaante van reusachtige cylinders, en prijken tusschen de zuilen aan de voorgevels der tempels; de kleinsten, aan ballons gelijk, hangen in rijen voor de deuren der herbergen en aan de galerijen der huizen van vermaak. De heiligdommen en de meer profane etablissementen, die op deze wijze verlicht worden, zijn zoo talrijk en grenzen zoo dicht aan elkander, dat de gansche wijk er uitziet alsof er een venetiaansch nachtfeest gevierd wordt.

In de stad zelf beweegt zich eene dichte schare, mannen en vrouwen, langs de winkels en magazijnen en over de trottoirs der lange straten, die van het noorden naar het zuiden loopen, tot in de nabijheid van den daïri. Onder die golvende menigte telt ge een groot aantal priesters, van verschillende kerken en sekten. Die van den kami-dienst zijn kenbaar aan een kleine muts van karton, zwart verlakt, en gedekt door een soort van kam, van gelijke kleur, met een wit kruis in het midden. Aan die muts is van achteren een sterk gesteven lint bevestigd, dat in den nek afhangt. Dit kapsel is overigens eene oude nationale dracht, die dan ook niet het uitsluitend eigendom der priesters is, maar, met eenige bij de wet voorgeschreven wijzigingen, evenzeer wordt aangetroffen bij al de negentien officieel getitelde klassen der bevolking van Kioto. Een ruim overkleed, een wijde pantalon, en een groote kromme sabel, die hoogst waarschijnlijk maar tot sieraad strekt, voltooien het dagelijksche kostuum der dienaars van de kami-tempels.

Alle leden der boeddhistische geestelijkheid, de ordebroeders zoowel als de wereldlijken, onderscheiden zich door een kaalgeschoren en geheel onbedekt hoofd; slechts enkele monnikenorden dragen een hoed met breede randen. Grijze gewaden, in vorm aan de priesterkleeding der katholieke geestelijken gelijk, zijn onder hen het meest in gebruik; echter ziet ge ook zwarte, bruine, roode en gele soutanes, soms met een sjerp, een koorhemd of borstlap bedekt.

Kioto telt ook enkele heilige kluizenaars, die, vreemd genoeg, juist de hoofdstad hebben uitgekozen, om het gewoel der wereld te ontvlieden. De dankbare stedelingen, die van de nabijheid dezer vrome mannen allerlei heil voor hunne stad hopen, voorzien hunne kluizen rijkelijk van al het noodige. Een dezer verblijven is vooral merkwaardig: het is eene kluis, boven in een steilen rotswand, door een kleinen vijver van den openbaren weg gescheiden, uitgehouwen. Men weet niet wie daarin woont, noch hoe de kluizenaar daar komen kan, maar geregeld dalen, door middel van een vernuftig uitgedacht toestel, de matten korfjes naar beneden, waarin de geloovigen hunne gaven nederleggen; waarna ze weder even vlug naar boven worden geheschen. De bedelarij, als godsdienstig beroep, wordt hier overigens overal en op ieder uur in het openbaar gedreven. Bedelmonniken van allerlei soort zijn er immer op uit, uwe weldadigheid in te roepen: nu eens slaan zij op de straatsteenen met een grooten stok, waaraan van boven metalen ringen bevestigd zijn; dan weder klingelen zij met een bel, of slaan met een hamer op een bekken, dat aan hun gordel hangt; sommigen vertoonen reliquieën, waarvan zij luide den lof verkondigen; anderen wederom vervolgen de voorbijgangers met eentonige litanieën. En niet minder wordt ge gekweld door de krijschende muziek van goochelaars, koorddansers, tooneelspelers, die op de straat hunne kunsten vertoonen en de aandacht der wandelaars trachten te boeien.

Uit alle theehuizen weergalmen de vroolijke tonen van guitaren en tamboerijnen, begeleid en afgewisseld door gezang en gelach. De schouwburgen en andere plaatsen van uitspanning zijn den ganschen nacht geopend. Daar kunt ge de jonge edellieden der hoofdstad vinden; na een dag, doorgebracht aan het hof, of verdeeld tusschen de manege, de wedrennen, het schieten met den boog, de kaatsbaan en de theehuizen van den omtrek, komen zij hier den avond en het grootste deel van den nacht slijten in allerlei uitspanningen en uitspattingen.

Nevens den volksschouwburg, waar burgerlijke komedies en tooverballetten worden opgevoerd, vindt men te Kioto nog het hoftheater: zeker een der vreemdste verschijnsels in Japan. Rollen, kostumen, decoraties, alles is daar conventioneel, even als bij de klassieke tragedie in Frankrijk onder Lodewijk XIV, met "mevrouw" Phaedra, Agamemnon in hofkostuum en allonge-pruik, en Achilles met hooge hakken. Maar, onder dit conventioneele masker der helden en heldinnen van Corneille en Racine, herkennen wij toch nog altijd karakters, ons reeds uit de studie der klassieke oudheid bekend, en die de dichter tot typen van menschelijke hartstochten en neigingen gestempeld heeft. Doch wie zal ons den oorsprong en de beteekenis verklaren der personen, die op het keizerlijk tooneel te Kioto optreden? Wie is, bij voorbeeld, die grijsaard met zijn zilveren baard en zijn kruk, waarop een groene papegaai zit: een vogel, die nergens in den japanschen archipel gevonden wordt? En die andere held, die een vergiftige slang vervolgt: een dier, eveneens in Japan volkomen onbekend? Vanwaar komen die schilden, die helmen, die zwaarden, wier vorm evenmin overeenstemt met de wapenen der halfgoden uit de nationale mythologie, als met die der krijgers uit het oude rijk der Mikado's? Evenzeer zoudt ge vergeefs naar tegenhangers dezer figuren zoeken onder de oneindige verscheidenheid der typen van het chineesche theater. Weet ge waar het kostuum der acteurs van Kioto mij soms aan denken doet? Aan den wayang der javaansche vorsten: een even geheimzinnig tooneel, waar heldendrama's, die den ganschen nacht duren, worden voorgedragen in eene taal, die niemand verstaat, en in vollen ernst gespeeld met houten poppen. De fantastische tiara's, waarmede deze poppen prijken, gelijken vrij wel op het onbeschrijfelijk hoofddeksel der acteurs van den Mikado.

De voornaamste instrumenten van het orchest van den hofschouwburg zijn: de dwarsfluit, de pansfluit, de tritonshoorn, de cymbalen en de gong, kak-daï-ko geheeten. De laatste is een groote schijf, met eene gelooide huid overtrokken, op een voetstuk rustende, en versierd met symbolische figuren, die waarschijnlijk op de zonnedienst betrekking hebben. Deze instrumenten hebben, in zekeren zin, een gewijd karakter. De sage zegt, dat de groote godheid van den dag, geërgerd over de boosheid en barbaarschheid der menschen, eens weigerde langer de aarde te verlichten, en zich in de diepten der zee verborg. Eerst door een concert van fluiten, tritonshoorns, cymbalen en gongs gelukte het eindelijk haar weder te voorschijn te doen komen; dat wil zeggen: door de uitvinding der muziek verdween de nacht der barbaarschheid van de aarde.

De godsdienstige nationale feesten hebben in de eerste plaats de stoffe geleverd voor de ontwikkeling van het muzikaal en dramatisch talent des japanschen volks. De kami-dienst is buitengewoon arm aan dogma's: zij lost zich eigenlijk op in het geloof, dat de goden die Japan geschapen hebben, ook voortdurend voor deze hunne schepping blijven zorgen; en dat de helden, die de macht des rijks hebben gegrondvest, nu bij de goden wonen en daar werkzaam zijn ten bate van hun vaderland. Het is dus billijk, de kami's te vereeren: maar, om hun welbehagelijk te zijn, moet men hunne tempels betreden, vrij van alle smet der onreinheid; waardiglijk de feesten te hunner gedachtenis vieren, en de plaatsen bezoeken, door hunne geboorte of hunne groote daden gewijd.

De vervulling dezer weinige geboden is niet bijzonder moeielijk. Eenige vaste regelen, in twee of drie artikelen vervat, stellen ieder geloovige in staat, om bij zich zelven na te gaan, of hij in den vereischten toestand van reinheid verkeert, en wijzen hem ook den weg om, zoo dit noodig mocht zijn, weder in dien toestand te geraken. Hem zijn geene andere godsdienstplichten opgelegd, dan in zijn huis zorgvuldig de beide reinigende elementen, het water en het vuur, te onderhouden; door dagelijksche wasschingen ook uiterlijk getuigenis af te leggen van de reinheid zijner ziel; en in den tempel of de huiskapel van den kami niets te offeren, waaraan eenig gebrek is. Onrein wordt men door ongeoorloofde betrekkingen, door den dood der naaste bloedverwanten, door het aanraken van een lijk; en ook door bloed te vergieten, zich met bloed te bezoedelen of het vleesch van huisdieren te eten.

Om uit dien toestand te geraken, moet men zich aan de formaliteiten der reiniging onderwerpen, die meer of minder omslachtig zijn, naar gelang van het meer of minder ernstig karakter der oorzaak van de onreinheid. De mannen moeten baard en haar laten groeien, en zich het hoofd bedekken met een gemeenen strooien hoed; de vrouwen met een witten doek; beiden moeten zich in hunne vertrekken opsluiten of een pelgrimstocht ondernemen, en zich onthouden van sommige spijzen en van alle luidruchtige vermaken. De wederopneming van den boeteling in den kring zijner familie en vrienden wordt met groote feestelijkheid gevierd; en daarbij tevens met water en zout, en door het aansteken van een groot vuur op de binnenplaats, het gansche huis gereinigd.

De jaarlijksche feesten ter eere der voornaamste kami's van Japan gaan met geene andere plechtigheden dan zekere reinigings-ceremoniën gepaard; en ook deze werden nog eerst tegen het einde der achtste eeuw ingevoerd. Des avonds voor het feest begeven zich de priesters, in plechtstatigen optocht, met fakkellicht, naar den tempel, waar in eene kostbare reliekkast, mikosi genaamd, de wapenen en andere voorwerpen worden bewaard, die den vergooden held hebben toebehoord. Volgens het zeggen der priesters is de mikosi de aardsche woning van den kami, de troon, in zijn vaderland voor hem opgericht. Maar ieder jaar moet deze woning geheel gereinigd worden. De relieken worden dus uit de kast genomen, en deze naar de rivier gedragen. Terwijl eenige priesters haar zorgvuldig wasschen, steken andere groote vuren aan, om de booze geesten te verdrijven; en de kagoera, het gewijde choor, tracht door muziek en zang den geest van den kami, die tijdelijk van zijn aardsch verblijf is beroofd, te verzoenen en tot rust te brengen. Intusschen haast men zich, om hem zijn huis terug te geven: de relieken, die tot dusver te midden van den stoet waren ten toon gesteld, worden met groote plechtigheid weder in de kast geborgen; maar, daar de tempel zelf evenzeer reiniging behoeft, wordt de mikosi niet dadelijk daarheen terug gevoerd. Gedurende het feest, dat verscheidene dagen aanhoudt, wordt zij bewaard in een bepaaldelijk daarvoor opgerichte kapel, die behoorlijk tegen de aanrandingen van booze geesten is gevrijwaard: want, waagden zij zich binnen de gewijde, door koorden van rijststroo afgepaalde ruimte, dan liepen zij gevaar overgoten te worden met het kokende wijwater, waarmede men van tijd tot tijd de woning van den kami besproeit; en wee diegenen hunner, die in de lucht rondzweven: want de priesters, die de eerewacht van den kami vormen, zijn bekwame ruiters en handige schutters; het volk juicht luide hunne schitterende evolutiën toe, en volgt met bewonderende blikken de pijlen, die zij in de lucht afschieten en die allen binnen de gewijde ruimte nedervallen.

Deze ceremoniën moeten nu wel aan het feest een godsdienstig karakter geven; maar toen ik zoo even van den invloed van den kami-dienst op de ontwikkeling van het dramatisch talent des volks sprak, waren het toch niet deze dwaze vertooningen, die ik op het oog had. Bij het feest behoorde ook nog eene groote processie van gemaskerde en gekostumeerde priesters, die op de verschillende statiën langs den weg voorstellingen gaven van de treffendste episoden uit het leven van hun held. Deze tooneelvoorstellingen in de open lucht gingen met muziek, zang en pantomimische dansen gepaard. De poëzie en de plastische kunst maakten zich tot dragers en tolken der nationale traditiën, en de menigte, van alle zijden saâmgevloeid, luisterde opgetogen naar het verhaal van de schitterende vaderlandsche herinneringen. Soms werd het feest nog opgeluisterd door eene tentoonstelling van wapentropheeën of van beelden en groepen, die in gelaat en kleederdracht de typen der beroemdste en populairste kami's vertoonden, en op wagens of houten toestellen waren geplaatst; waarop dan ook de gebouwen, tempels, kapellen of andere plaatsen waren afgebeeld, die op eene of andere wijze met de geschiedenis van den gevierden held waren verbonden.

Oorspronkelijk werden deze jaarlijksche feesten, matsjoeris geheeten, maar in enkele steden, de oudsten des rijks, gevierd. Slechts acht provinciën mochten er zich op beroemen, kami's te bezitten. Maar sedert de tiende eeuw wilde ieder gewest, ieder district, iedere stad van eenige beteekenis, een eigen kami, een eigen beschermheilige, hebben. Eindelijk bedroeg het getal der in Japan vereerde kami's niet minder dan drieduizend eenhonderd twee en dertig; waarop het noodig werd geacht eene zekere rangschikking in te voeren, en de oudst bekenden althans boven deze menigte te verheffen. Aan vierhonderd twee en negentig hunner werd de titel van groote kami's toegekend; de overigen moesten zich tevreden stellen met den naam van lagere kami's. Van toen af werden er overal matsjoeris gevierd; en door het geheele rijk verspreidde zich de liefde voor de heldenverhalen en tooneelvoorstellingen ter verheerlijking van het vaderland en de deugden van het voorgeslacht. In dit opzicht althans is de volksgodsdienst van Japan niet geheel onvruchtbaar geweest: zij heeft werkelijk bijgedragen tot de vorming van een volk, dat door warme vaderlandsliefde is bezield; van een rijk, dat nooit het juk van een vreemden overheerscher heeft getorst; en van eene regeering, die, zelfs in onze dagen, en te midden van ingewikkelde betrekkingen met de machtigste staten der wereld, hare waardigheid en zelfstandigheid heeft weten te handhaven.