Japan De Aarde en haar Volken, 1867

Chapter 7

Chapter 73,546 wordsPublic domain

Met de uitbreiding van het rijk hielden de vorderingen der beschaving gelijken tred. Uit Korea werden het paard, de ezel en het kameel ingevoerd: echter is alleen het eerste dezer drie dieren in Japan inheemsch geworden. China leverde de theeplant; de oranjeboom werd door Tatsima Nori "uit het land der eeuwigheid" medegebracht. In het negentiende jaar der regeering van Keizer Sioe-sin (78 vóór Chr.) werden de eerste koopvaardij- en oorlogsschepen in Japan gebouwd; en onder de regeering van zijn zoon Synin "regende het sterren van den hemel". Ook werden omstreeks dien zelfden tijd voor het eerst vijvers en kanalen aangelegd ter besproeiing van de rijstvelden.

Eerst veel later schijnen de zijdewormen bekend te zijn geworden: althans de kunst om zijde te vervaardigen klimt in Japan niet veel verder dan de vijfde eeuw onzer jaartelling op. Twee eeuwen later leerde men de grondstof kennen, "die de olie en het brandhout vervangt", en werden de zilvermijnen van Tsousima bewerkt. Onderscheidene belangrijke uitvindingen en instellingen dagteekenen van de derde eeuw: bij voorbeeld, de invoering der paardenposterij; de bereiding van den rijstdrank, onder den naam van saki bekend; en de kunst om kleederen te naaien, die aan de japansche vrouwen werd geleerd door naaisters uit het koninkrijk Petsi in Korea. De Mikado, over deze laatste nieuwigheid verrukt, en tot de eigenlijke bron dezer schoone kunst willende opklimmen, zond een plechtig gezantschap naar den beheerscher van het Hemelsche Rijk, om van hem onderwijzeressen in de kunst der naald te verzoeken. Dit herinnert aan den idyllischen tijd, toen de keizers en koningen van het Oosten elkander gezantschappen zonden of in persoon elkander bezochten, om te zamen te beraadslagen over de middelen om den steen der wijzen of het levenselixir te vinden; of ook wel, om astronomische vragen te behandelen en ingewikkelde raadsels op te lossen!

In de vierde eeuw werden, op last van den daïri, op verschillende punten van het rijk groote voorraadschuren gebouwd, waar de overvloedige opbrengst van den rijstoogst werd bewaard, om in minder gelukkige jaren te dienen, en alzoo de herhaling te voorkomen der geweldige hongersnooden, die vroeger meermalen het land hadden geteisterd. In het jaar 543 zond het hof van Petsi wederom een belangrijk geschenk aan den Mikado, en wel "het rad dat het zuiden aanwijst".--In 660 werden de wateruurwerken, en tien jaren later de door water gedreven molens en werktuigen ingevoerd.

Eerst tegen het einde der achtste eeuw word het eigenlijke japansche schrift uitgevonden; maar aan het hof bediende men zich reeds sedert de derde eeuw van de chineesche letterteekens. Wij weten veel te weinig van de oude nationale literatuur van Japan, om eenigszins te kunnen bepalen in hoeverre en op welke wijze zij tot de beschaving des volks heeft medegewerkt.--Daarentegen is in de geschiedboeken des rijks eene merkwaardige getuigenis bewaard van den heilzamen invloed, dien de schoonste kunsten, reeds bij haar eerste optreden, ter verzachting der zeden uitoefenden. Het was namelijk de gewoonte, om bij de begrafenis van den Mikado of van de Kisaki, zijne echtgenoote, menschenoffers te brengen, waartoe doorgaans de vertrouwdste dienaren der overleden vorsten werden uitgekozen. Nu gebeurde het in het derde jaar vóór Chr. dat de regeerende Kisaki kwam te sterven: en toen Nomino Soekoené, een beeldhouwer, dit vernam, vervaardigde hij leemen poppen en legde die aan de voeten van den Mikado, met de bede, dezen in het graf der keizerin te doen werpen, in de plaats der voor het offer bestemde dienaars. De Mikado verhoorde de bede van den edelen beeldhouwer, en schonk hem zelfs een schitterend en blijvend bewijs van zijne gunst, daar hij zijn familienaam in dien van Fasi, kunstenaar, veranderde.

Langen tijd, ja tot nu toe, zijn echter de wetten veel onbarmhartiger en barbaarscher gebleven dan de zeden. Zoo werd, bij voorbeeld, eene adellijke dame, die zich aan overspel had schuldig gemaakt, tot den kruisdood verwezen.

Reeds vroeg heeft de japansche regeering er zich op toegelegd, om bij het volk het bewustzijn van zijne eenheid en kracht levendig te houden. In de tweede eeuw onzer jaartelling werd het rijk in acht groote provinciën of kreitsen, en deze weder in acht-en-zestig districten verdeeld. Later werd in ieder district een ambtenaar aangesteld, belast met de taak om de plaatselijke gewoonten en volksoverleveringen te bestudeeren en daarvan nauwkeurig aanteekening te houden. Toen werden ook de familienamen vastgesteld, zoo als ook de titels en bijnamen der feodale dynasten. Eene keizerlijke heirbaan verbond de vijf groote steden waarin de Mikado achtervolgens zijn zetel had gevestigd. De voornaamste dezer steden, in de zevende eeuw, was Osaka, aan de oostkust der binnenzee. Om echter wezenlijk de eenheid des lands tot stand te brengen, niet alleen uit een staatkundig oogpunt maar ook ten aanzien van beschaving en ontwikkeling, moest het hof ophouden een nomadenleven te leiden, en moest er eene vaste hoofdstad worden gekozen. De grond daartoe werd gelegd in de achtste eeuw, door de stichting van Kioto, dat gaandeweg eerst de geliefkoosde verblijfplaats, en later, sedert de twaalfde eeuw, de vaste residentie van den Mikado werd.

Deze herinneringen aan de oude geschiedenis van Japan voeren ons bijna immer terug naar de bekoorlijke oevers der binnenzee, naar dien in waarheid klassieken grond van het groote rijk. En daar wij nu eenmaal, op de manier der oude reizigers, ongedwongen voortkeuvelen en aan onze gedachten den vrijen loop laten, al is het ook dat ze soms wat al te vrij omdwalen:--zoo willen wij nu eenige oogenblikken wijden aan de beschouwing dier prachtige waterkom en van haar schilderachtige oevers.

De schepen die van Nagasaki of de kust van China naar de golf van Jedo gaan, varen doorgaans de Van-Diemensstraat, ten zuiden van het eiland Kioe-Sioe, door. Er is echter nog een andere weg, thans weinig bekend, maar die eenmaal zeker verre de meest bezochte worden zal, wanneer de havens van Hiogo en Osaka voor den europeeschen handel zullen zijn opengesteld: die andere weg is de vaart door de binnenzee. Ik heb dien gevolgd, toen ik van Nagasaki naar Jokohama ging. De reis duurde, 't is waar, zeven dagen: maar men moet daarbij in aanmerking nemen, dat wij vier nachten voor anker hebben gelegen: de eerste nacht, eer wij de straat Van-der-Capellen bereikten, bij een klein eiland in de zee van Korea; en de drie anderen, nadat wij de straat waren doorgevaren, in havens langs de kust van Nippon. Er bestaan van deze wateren nog geene voldoende kaarten, althans geene waarop men genoeg vertrouwen kan, om ook des nachts met de stoomboot de reis te vervolgen: men moet zich overgeven aan de leiding der inlandsche loodsen en stil liggen waar zij dit verkiezen.

De zoogenoemde binnenzee van Japan is minder eene eigenlijke zee, door de omliggende eilanden ingesloten, dan wel een breed en ruim kanaal, dat de zee van Korea verbindt met den grooten Oceaan: ten westen door de straat Van-der-Capellen tusschen Nippon en Kioe-Sioe, en ten zuiden en oosten door de straten van Bungo, van Naruto en van Linschoten. De straat van Bungo is tusschen Kioe-Sioe en Sikokf; de straat van Naruto tusschen Sikokf en Awadsi, en die van Linschoten tusschen Awadsi en Nippon.--Men rekent dat de binnenzee, waar zij het breedst is, van oever tot oever ongeveer vijftig mijlen beslaat; hare grootste lengte, van het oosten naar het westen, wordt op twee honderd vijftig mijlen of vier honderd kilometers geschat.--Zij verdeelt zich in vijf kommen of bassins, die, hetzij door de baaien en landtongen van Kioe-Sioe, Nippon en Sikokf, hetzij door de vele verspreide eilandengroepen, welke de kust omgeven, worden gevormd. Deze kommen, door de Japanneezen Nada's genoemd, dragen den naam naar de provinciën aan haren oever: zij heeten Soewo-nada, Iyo-nada, Bingo-nada, Arima-nada en Idsoemi-nada.

Zoowel door de vorming en gedaante der kusten, als door hare talrijke eilandengroepen, behoort de binnenzee met hare omgeving zeker tot de meest schilderachtige gedeelten van Japan.

Boschrijke heuvelen, met tempels en kloosters gekroond, omzoomen de straat Van-der-Capellen. Aan hun voet, op de kust van Nippon, ligt eene stad, die zich langs den oever der zee anderhalve mijl ver uitstrekt: het is Simonoseki, een zeer oude handelplaats: die tot op de stichting van Jokohama het hoofd-entrepot was, niet alleen voor den binnen- maar ook voor den buitenlandschen handel van Japan;--want, hoewel dit rijk tot 1845 voor de vreemdelingen gesloten was, werden toch, binnen zekere grenzen, met China, met Korea en ook met de hollandsche factorij op Decima, geregelde betrekkingen onderhouden.--Simonoseki heeft eene zeer goede haven, door het kleine eiland Hikousima tegen de hooge golven der zee van Korea beschut.--Iets verder ziet ge, op de tegenoverliggende kust, de kleine stad Kokoera; en spoedig daarop verliest ge de oevers uit het oog; ge zijt in het breedste gedeelte der binnenzee. Dit is het bassin van Soewo, de Soewo-nada, onder welken naam meermalen ook de geheele binnenzee wordt aangeduid. Zij heeft geene eilanden; maar, bij gebreke daarvan, wemelt het hier, in alle richtingen, van logge koopmansjonken, van vlugge vaartuigen met uitgespreide witte zeilen, en van ranke visschersbooten.

De vier andere kommen zijn rijk aan eilanden, groote en kleine, naakte en boschrijke, onbewoonde en dicht bevolkte, die te zamen als een gordel slaan om de kusten van Sikokf en Nippon, waarvan slechts de toppen der bergen zichtbaar zijn. De naakte en onbewoonde eilanden vertoonen meestal slechts zwarte of donkerbruine rotsmassa's van vulkanischen oorsprong en oneindig verschillend in vorm en gedaante. Sommigen echter bestaan uit zandheuvels, wier golvende lijnen aan de duinen langs de kust van Holland herinneren.--De onbewoonde, maar met vruchtbare aarde bedekte eilanden worden door de bewoners der omliggende dorpen bebouwd. Op de grootsten ziet ge rijstvelden en korenakkers: een bekoorlijk landschap, met heuvels en valleien, en met den rijksten plantengroei getooid.

Doch te midden van al dezen rijkdom van den bodem, leeft de landbouwende bevolking van Japan in een staat, die zeer dicht aan armoede en gebrek grenst: de opbrengst van haren arbeid behoort niet aan haar, maar aan de bezitters van den grond, aan de daïmio's of feodale landheeren. De afwezigheid van eene eigenlijke burgerklasse geeft aan de japansche dorpen een zeer armoedig voorkomen. Aan de oevers der binnenzee zoekt ge vergeefs naar vriendelijke bloeiende vlekken en vroolijke schilderachtige villa's; de tempels alleen wisselen de eentonigheid der boerenwoningen af; maar van verre zijn deze tempels alleen herkenbaar door hunne reusachtige daken en het prachtige hooge geboomte, dat ze immer omgeeft.

De adellijke kasteelen liggen doorgaans ver van de steden en de dorpen verwijderd; zij maken dikwijls eene indrukwekkende vertooning, en beslaan eene zeer aanzienlijke oppervlakte. Deze geheele ruimte wordt ingesloten door hooge en zware muren; aan de hoeken, of ook wel op geregelde afstanden, van vierkante torens, met licht omgebogen daken, voorzien. Rondom de muren loopt eene diepe gracht. Binnen de wallen vindt ge het park, de tuinen en de eigenlijke woning van den heer, bestaande uit een hoofdgebouw met een aantal nevengebouwen en aanhoorigheden. Soms verrijst, te midden van dit feodaal verblijf, nog een andere toren, in vorm aan de overigen gelijk, maar waarvan de twee of drie bovenverdiepingen boven den muur uitsteken: ongeveer als de donjons onzer middeleeuwsche burgten.

Het is moeielijk, een algemeen denkbeeld te geven van het karakter der landschappen langs de binnenzee; de tooneelen wisselen tot in het oneindige, naar mate van de meer of mindere nabijheid der kusten, en van het voorkomen der eilanden, die den horizon begrenzen. Nu eens bewondert ge een prachtig zeegezicht: de grootsche lijnen der zee smelten samen met die der zandige oevers, schemerende in den stralenden zonnegloed; terwijl op den achtergrond der breede schilderij de verre bergen hunne blauwende, nevelachtige toppen in de lucht verheffen.--Dan weder rust uw oog met welgevallen op een liefelijk, vreedzaam, helder landschap: een dorpje aan den oever eener stille baai, omzoomd door groene velden en rijk bebouwde heuvelen, waarboven de dennenbosschen hunne donkere kruinen wiegen: een tooneeltje, als ge, op een helderen zomermorgen, aan een der schoone meren van den Jura hebt gezien.--Soms ook, wanneer de kommen zich vernauwden, en de eilanden voor ons uit den doortocht schenen te versperren, kwam mij de herinnering te binnen aan de Rijnoevers boven Boppard. Maar neen: het japansche landschap is kalmer, helderder, rustiger: hier ontbreken die steile rotshellingen, die groote schaduwen, die breede stoute lijnen, die plotselinge overgangen, die aan gindsche oevers een zoo onbeschrijfelijk karakter bijzetten. Hier ziet ge, aan den oever, een vlak strand, eene zachte glooiing, geleidelijk opklimmende terrassen; verder in het verschiet, zacht afgeronde eilanden, golvende heuvelen, ronde bergtoppen. Dit is wel schoon; zoowel de verbeelding als het oog vindt hier bevrediging: maar toch, ge mist die eigenaardige, half weemoedige bekoring, dat--hoe zal ik het noemen?--dat tragische, dat, voor ons althans, bijna onmisbaar is om het schoone der natuur volkomen te genieten. Zeer mogelijk echter ligt hier de schuld aan ons, aan een gebrek van onzen modernen smaak.

Het bassin van Arima doet aan de baai van Nagasaki denken. Deze waterkom wordt ten oosten bijna geheel afgesloten door een eiland, dat zich tusschen de Arima-nada en de Idsoemi-nada over eene lengte van dertig mijlen uitstrekt. Dit eiland heeft den vorm van een driehoek, waarvan de punt naar het noorden, naar de provincie Arima, in Nippon, is gekeerd. Van deze punt verheft zich de lage, met een weelderigen plantengroei bedekten bodem, langzamerhand van heuvelreeks tot heuvelreeks opklimmende, tot de breede ruggen van een fiere bergketen, wier toppen eene hoogte van ongeveer twee duizend voet bereiken. Dit is het eiland Awadsi, eenmaal het verblijf der goden; de steden, langs de oevers van Nippon verspreid, zijn nog vol van de herinneringen aan Zin-moe's zegetochten. Hier staan wij aan de wieg van de nationale mythologie der Japanneezen, op den heiligen grond hunner kami's, op den klassieken bodem van het oude rijk der Mikado's. Geen dichter van het westen heeft ooit dit oord bezongen. Slechts inlandsche zangers hebben deze gewijde streken verheerlijkt in hun lied; zangers, wier namen de wereld evenmin kent als hunne werken. De beschaving, die hier geboren werd, en waarvan nog slechts enkele uitwendige vormen zijn overgebleven, is voorbijgegaan, zonder in de geschiedenis der menschheid een zichtbaar spoor achter te laten. Wel heeft zij nu en dan de aandacht der geleerden getrokken; en, niet waar, wat wil men meer? is het niet dwaas en gewaagd, voor haar de belangstelling onzer westersche maatschappij der negentiende eeuw te komen vragen? Wel, soms schijnt het mij, als dringt ons nog een ander, dan een louter wetenschappelijk, belang, tot de opsporing en de studie dezer oude, vervlogen toestanden, dezer vreemde, ondergegane beschaving. Onder deze ongekende, deze uitheemsche vormen zoeken wij den mensch, met zijne hartstochten en begeerten, zijne deugden en gebreken; den mensch, geplaatst te midden van hetzelfde levensdrama, dat ook om en in ons, in duizenderlei vormen, wordt opgevoerd. Noch het tooneel, noch de decoratie, noch de costumen, herinneren ons aan bekende dingen: maar toch gevoelen wij, dat wij eene handeling zullen aanschouwen, die ons niet vreemd is, en een geheimzinnige stem fluistert ons de woorden der oude tabeldichters toe: "Vriendelijke lezer, deze geschiedenis raakt u zelven."--De te fabula narratur.--Daarom mag ons geene verschijning in de wereldgeschiedenis, geene phase in het groote leven der menschheid onverschillig zijn: de vervlogen eeuwen houden ons den spiegel voor, waarin wij ons zelven en onzen eigen tijd kunnen herkennen; en moeten zij niet allen, ieder op hare eigene wijze en langs zoo zeer verschillende wegen, medewerken ter voorbereiding van de eindelijke oplossing van het groote drama, die wij met vertrouwen verbeiden?

Tegenover de noordoostelijke kust van het eiland Awadsi verheft zich, op den oever van Nippon, de stad Hiogo, wier ruime en veilige haven reeds sedert eeuwen het middelpunt is van den handel en de scheepvaart van het japansche rijk. Daar komen de jonken van Simonoseki de koopwaren lossen, die, uit China, van de Lioe-Kioe-eilanden, van Nagasaki, van de westkust van Nippon en zelfs van Korea en Yesa aangevoerd, eerst in de entrepots van deze stad worden opgeslagen, om vervolgens over Hiogo naar het binnenland en het oosten van Japan te worden vervoerd. Van daar ook gaan duizenden jonken uit, om naar de eilanden der binnenzee de producten van den landbouw en de kunstvlijt der zuidelijke provinciën van Nippon over te brengen.

Eens zal de dag komen, en misschien is hij reeds niet verre meer, dat geregelde stoombootdiensten de haven van Hiogo zullen verbinden, aan de eene zijde met China en de groote middelpunten van den engelschen handel in het Oosten, en aan de andere met Jedo, Jokohama, en verder met Hawaï en Californië.--Voor het oogenblik, d. w. z. tot 1868, is deze haven nog voor de westersche volkeren gesloten; de inlandsche scheepvaart bepaalt zich tot kustvaart en waagt zich nauwelijks buiten het gezicht der eenvoudige vuurbakens langs den oever: de wetten des rijks, die ook de samenstelling en den bouw der jonken regelen, dulden niet dat dezen voor het bevaren der open zee geschikt worden gemaakt. Doch ook dit zal wel spoedig veranderen.

Bijna de geheele kustvaart der haven van Hiogo is in handen van reeders uit Osaka.--Deze groote, oude stad, eene der vijf keizerlijke steden, is slechts acht uren gaans van Hiogo verwijderd. Door hare ligging aan de bevaarbare Jodogawa-rivier, die zich in verschillende armen splitst en eenige mijlen benedenwaarts in zee valt, is zij ook voor grootere schepen toegankelijk. Zij wordt door een aantal kanalen doorsneden, die haar, ook om de vele sierlijke bruggen, haast het voorkomen eener hollandsche stad geven. Osaka drijft een zeer levendigen handel, en is tevens een brandpunt van genietingen en vermaken van allerlei aard: rijkdom, weelde en zingenot heerschen daar in onbeperkte mate. Men heeft haar zelfs het japansche Parijs genoemd.

Van 744 tot 1185 was Osaka de residentie der Mikado's. Oppervlakkig zou men meenen, dat deze vorsten zich volkomen te huis moesten gevoelen in deze volkrijke, levendige, handeldrijvende, levenslustige stad, waaraan het rijk voor een goed deel zijne welvaart en zijne ontwikkeling had te danken. Maar het was de tijd niet meer, de schoone heldentijd, waarin de Mikado, even als de oude dogen van Venetië, zelf zijn oorlogsjonk besteeg en in persoon het opperbevel voerde over zijn vloot. Hij hield geene wapenschouwingen meer, gedragen op de schouders van vier dappere herauten; hij bestuurde niet langer, van een hoogen heuvel, op een vouwstoel gezeten en met een ijzeren waaier in de hand, de bewegingen en oefeningen zijner troepen. Hij trok ook niet meer te velde tegen oproerige vasallen of stoute mededingers naar den troon, noch vuurde in den strijd zijne soldaten door woord en voorbeeld aan. Neen, de Mikado, ten toppunt van macht, rijkdom en veiligheid opgeklommen, bouwde zich te Osaka een heerlijk paleis, te midden van een uitgestrekt park, waar het gewoel en gerucht der bezige stad niet kon doordringen. Zijne hovelingen weten hem te overtuigen, dat het strijdig is met de hooge waardigheid van een afstammeling der zon, om zich aan de menigte zijner gewone onderdanen te vertoonen; dat hij aan de vorsten en hooggeboren edelen, die hem omringen, de alledaagsche zorgen der regeering, het vermoeiend bevel over vloot en leger, behoort over te laten. Het leven van den daïri wordt gaandeweg aan een samenstel van ceremoniëele wetten en voorschriften onderworpen, waardoor zelfs de geringste bijzonderheden, de minst beteekenende bewegingen worden beheerscht en nauwkeurig geregeld: en waardoor ook de souverein binnen een tooverkring wordt afgezonderd, ongenaakbaar voor ieder, die niet tot het hofgezin behoort. Het keizerlijk gezag wijkt op den achtergrond, en verdwijnt langzamerhand uit de oogen en het bewustzijn des volks. De japansche daïmio's hadden met hun keizer zoo wat hetzelfde spel gespeeld, dat de hofmeiers in Frankrijk speelden met de merovingische koningen. De Mikado was niet alleen, als zij, onschendbaar: hij was zelfs heilig, een halfgod: zoo hoog boven het peil der gewone menschen verheven, dat zijn naam zelfs niet mocht worden uitgesproken. Hij troonde in de wolken, en de schare zag aanbiddend op naar zijne voetzolen: maar deze verheven personage had zich nu ook met aardsche dingen niet te bemoeien, en deze aangebeden monarch had zich zorgvuldig te onthouden van alle inmenging, van alle persoonlijke tusschenkomst in regeeringszaken. Men bewees hem goddelijke eer: maar het was op voorwaarde, dat hij ook niet meer dan een afgod, een ziellooze pop, zou zijn. Le Mikado règne mais ne gouverne pas!--kan per slot van rekening nog wel aan Japan zijn ontleend!--Maar het japansche volk beviel deze regeling niet. De burgerij, de tirannieke en wispelturige overheersching der gunstelingen moede, deed luide klaagtonen hooren, die eindelijk zelfs tot den verborgen souverein doordrongen. Deze riep wel geen staten- of notabelen-vergadering bijeen: maar hij gaf toch bevel, dat de klachten des volks, door daartoe aangewezen beambten, zouden worden onderzocht en opgeschreven. De hovelingen, geloovende of voorgevende te gelooven, dat de dynastie van de afstammelingen der zon in gevaar verkeerde, namen daarop een afdoend besluit: zij brachten hun keizer met zijn gansche hof over naar Kioto, eene kleine stad in het binnenland, vijftig kilometers ten noorden van Osaka. Het gelukte hun van deze stad de vaste residentie der Mikado's en de hoofdstad, de Miako des rijks, te maken.

Het verlaten der volkrijke burgerlijke stad, het middenpunt van handel en industrie, waar zich een eigen leven, onafhankelijk van den daïri, gelden deed, had voor de hovelingen het dubbele voordeel, dat alle rechtstreeksche gemeenschap tusschen den vorst en het volk werd afgesneden, en dat hun de gelegenheid was gegeven de nieuwe residentie geheel naar eigen smaak en ter bevrediging van eigen begeerten in te richten.