Japan De Aarde en haar Volken, 1867
Chapter 6
"Alzoo," zeide hij, "zonder hier op aarde die volkomen zaligheid te bezitten, die slechts voor hooger wereld is weggelegd, zult gij, reeds in dit aardsche leven, er de heerlijke aanschouwing, den voorsmaak van kunnen genieten, wanneer gij zorgvuldig mijne geboden bewaart."
Toen, met de rechterhand de schijf van gepolijst zilver opheffende, die zoo menigmaal het reine gelaat zijner gemalin had weerspiegeld, sedert zij op aarde was neergedaald, beval hij zijn kinderen te knielen, en voer op plechtigen toon voort:
"Dit kostbaar aandenken laat ik u. Het zal u de heerlijke trekken uwer moeder herinneren; maar tegelijk zult gij er uw eigen beeld in kunnen aanschouwen. Die aanschouwing zal u wel menigmaal tot droefheid stemmen, maar laat u dit niet ontmoedigen. Beijvert u veel meer het aanbiddelijk beeld gelijk te worden van haar, die van nu voortaan in den hemel woont. Iederen morgen zult gij voor dezen spiegel nederknielen. Hij zal u de plooien en rimpels aanwijzen, door aardsche zorgen in uw voorhoofd geploegd, of ook de onteerende sporen van verkeerden hartstocht. Wischt die teekenen des kwaads uit, keert terug tot de rust, de kalmte, de harmonie des levens: en dan, richt vrijmoedig uw gebed tot ons, zonder gemaaktheid, zonder huichelarij: want weet, dat de goden in uwe ziel lezen, zoo als gij in uwe eigene oogen leest, zoo vaak gij ze op dezen spiegel vest.--En wordt, in den loop van den dag, uw hart ontstemd door eenige beweging van ongeduld, van naijver, van toorn, van begeerlijkheid, die gij niet dadelijk onderdrukken kunt: spoed u dan naar het heiligdom, waarin gij des morgens aangebeden hebt, hernieuwt daar uwe gebeden, uwe smeekingen, uwe reinigingen.--Eindelijk, iederen avond, eer gij u ter ruste begeeft, zult gij ernstig tot u zelven inkeeren, rekenschap doen van uwe daden, en uwe ziel verheffen tot de aanschouwing der hemelsche gelukzaligheid, waarheen wij u zijn voorgegaan."--
Hier zwijgt de liefelijke legende, maar de overlevering voegt er bij, dat de kinderen van Izanaghi door een gedenkteeken de plek wijdden, waar hun goddelijke ouders afscheid van hen genomen hadden. Zij richtten er een altaar op van cederhout, zonder ander sieraad dan de spiegel van Izanami en twee vazen van bamboes, die ruikers droegen van de bloemen welke de godin het meest had bemind. Eene eenvoudige vierkante hut met een rieten dak diende het kunsteloos altaar tot beschutting. Zij kon met schermen worden afgesloten; maar dit geschiedde alleen, wanneer het slechte weder zoodanige voorzorg noodig maakte. Daar vierden de kinderen van Izanaghi, iederen morgen en iederen avond, de eenvoudige eeredienst, hun door hun vader voorgeschreven.
Zij regeerden op aarde, van geslacht tot geslacht, gedurende een tijdperk van twee à drie millioen jaren, en werden op hunne beurt zalige geesten, onsterfelijke kami's, goddelijke eer waardig.
Tot zoo verre de sage. Intusschen weten wij met zekerheid, dat bij den aanvang van het historisch tijdperk van Japan, dat is ongeveer zes eeuwen vóór Christus, er in dat land een eigenaardige godsdienst bestond, die, zoo als reeds Kämpfer opmerkt, nergens elders wordt aangetroffen, en niet van buiten is ingevoerd; eene godsdienst, die, hoewel verbasterd en door andere sekten overvleugeld, zich tot op onze dagen staande heeft gehouden. Het is de dienst der kami's of de Sintodienst, zoo als de meer bekende, chineesche benaming luidt. Zij is niet de vereering van de geesten der voorvaderen in het algemeen, en nog minder der voorvaderen van deze of gene familie. De wezens, onder den naam van kami's aangebeden, behooren wel is waar tot de mythologische heldenlegende, waarvan de roem nog op enkele bestaande geslachten afstraalt; maar zij zijn voor alles nationale godheden, beschermgoden van het land van Japan en zijne bewoners. Ter eere van deze mythologische helden en geniën zijn, sedert de oudste tijden, in Japan tempels en kapellen opgericht, waar hun goddelijke eer wordt bewezen. Deze eenvoudige gebouwen dragen den naam van mia's: de beroemdsten zijn in het zuidwestelijk gedeelte van den japanschen archipel, dat de bakermat der oorspronkelijke beschaving schijnt te zijn geweest. Nog heden stroomen er, vooral in de lente, duizende pelgrims uit alle gewesten des rijks heen.
De kapel, aan Ten-sjoo-daï-zin, de zonnegodheid, gewijd, in de landstreek van Isyé, wordt geacht het zuiverste monument te zijn van de oorspronkelijke godsdienst der Japanners. Kämpfer verzekert, dat de Sinto-dienaars eenmaal in het jaar, of minstens eens in hun leven, ter bedevaart naar Isyé gaan. "De tempel van Isyé," zegt hij, "ligt in eene groote vlakte. Het is een onaanzienlijk houten gebouw, laag van verdieping en gedekt met een vrij plat, overhangend rieten dak. Men besteedt bijzondere zorg aan het onderhoud van dit gebouw, dat in denzelfden staat bewaard wordt waarin het oorspronkelijk werd gesticht; en wel, om daardoor tot bewijs te dienen van de groote armoede hunner voorvaderen, die dezen tempel hebben opgericht, of, zoo als zij zeggen, der eerste menschen. In den tempel ziet men niets, dan een metalen spiegel, naar de wijze des lands geslepen, en uitgeknipt papier langs de wanden. De spiegel is het zinnebeeld van het alziend oog der groote godheid, die men hier aanbidt, en van hare wetenschap van al wat in het hart harer aanbidders omgaat. Het witte uitgeknipte papier verbeeldt de reinheid der plaats, en herinnert de geloovigen aan het gebod, om slechts met een rein hart en een lichaam vrij van alle smet het heiligdom te betreden."--
Deze beschrijving van een der beroemdste kami-tempels, hoe belangrijk ook, is niet in alle opzichten volledig, of liever, past niet geheel op later tijd. De kapel van Isyé behoort nog tot het tijdperk van de kindsheid der kunst, die haar hoogste ontwikkeling eerst later, onder de regeering der eerste Mikado's, heeft bereikt. Ik wil daarom, ter aanvulling van Kämpfers bericht, de tegenwoordige inrichting van een kami-tempel beschrijven.
Een zaak van veel belang is de ligging van het gebouw. Steeds kiest men, voor het stichten van een mia, een schilderachtige plek, vooral rijk aan hoog geboomte. Soms voert een laan van cederen of pijnboomen naar het heiligdom, dat altijd voorafgegaan wordt door een of meer dier op zich zelven staande tori's of poorten, waarvan ik reeds gesproken heb bij de beschrijving van den tempel te Benten. Gewoonlijk worden de mia's op heuvels gebouwd, waarvan sommigen door menschenhanden zijn opgeworpen en met cyclopische muren bekleed. Een breede en zeer goed onderhouden trap leidt naar den top. Aan den voet van dien trap is de kapel der wasschingen: een eenvoudig afdak, waaronder een steenen bekken, dat altijd met water is gevuld. De eigenlijke tempel is een of twee el boven den grond verheven; hij rust op vier stevige pilaren, en is, even als de meeste japansche huizen, door een galerij of veranda omringd, waarheen men langs eenige trappen opklimt. De tempel is van hout, aan drie zijden gesloten, en van voren open, maar met beweegbare schermen, waardoor hij, zoo noodig, kan afgesloten worden. Het inwendige van het heiligdom ligt dus in den regel bloot voor aller oog. De strenge soberheid, die daar heerscht, is echter niet zonder zekeren smaak en sierlijkheid. Het houtwerk glimt van zindelijkheid; de matten, die den vloer bedekken, zijn doorgaans van de fijnste soort. De metalen spiegel op het altaar maakt in deze omgeving een zeer gelukkig effect, ook uit het oogpunt der symboliek: want zijne zwijgende welsprekendheid wordt door niets gestoord of verzwakt, daar de aandacht noch door standbeelden, noch door schilderijen, noch door eenig ander voorwerp in de nabijheid wordt afgetrokken.--Maar niet het minst eigenaardige van de kapel is haar dak. Dit is van riet, pannen of planken, naar goedvinden. Doch het bijzondere ligt in den vorm. Het dak der mia daalt naar alle zijden zacht glooiend af en steekt nog buiten de balken der veranda uit: het is dus, in verhouding vooral tot het gebouw, zeer hoog. Bovendien verheffen zich, aan de beide uiteinden van den nok, de twee bovenste armen van een groote X, of liever van een zoogenoemd Sint-Andries kruis. Deze beide balken, die dus vrij in de lucht uitsteken, hebben van boven een lange en breede sleuf, waarschijnlijk om hun een minder zwaar voorkomen te geven. Eindelijk, en als om dit wonderlijk geheel te volmaken, zijn van afstand tot afstand op den bovenrand van het dak kleine houten blokken, niet ongelijk aan vuurpijlen, bevestigd. Wat dit beteekenen moet of waartoe het dient, betuig ik niet te weten. Ziedaar, waarschijnlijk, de mia in hare oorspronkelijke zuiverheid.--En waar blijft nu, vraagt ge licht, die bijzondere decoratie, waarvan Kämpfer spreekt: die strooken wit papier langs de wanden? Hoort deze eigenlijk niet in den kami-tempel t'huis? Misschien wel: want in geheel Japan en bij al de verschillende sekten, zoo talrijk in dat land, vindt men dit gebruik terug van strooken papier, die aan de wanden der tempels en aan de posten der huisdeuren worden vastgemaakt; ook de koorden van gevlochten stroo, die nabij sommige heilige plaatsen en ook wel, bij godsdienstige feesten, in de straten worden gespannen, zijn met reepen papier getooid. Waarschijnlijk heeft dit eene symbolieke beteekenis: ik weet echter niet welke. Maar ik ben zeer geneigd te gelooven, dat dit gebruik van gewijd papier van boeddhistischen oorsprong is. De priesters dier godsdienst bedienen zich, bij wijze van wijwaterskwast, van een stokje, waaraan een bundel papieren lintjes bevestigd is. Zij zwaaien daarmede heen en weer, niet alleen bij hunne geestenbezweringen, maar vooral ook om de booze invloeden in de lucht af te weren, wanneer zij den tempel binnengaan en het altaar naderen. Van daar waarschijnlijk het gebruik, om in sommige kami-tempels zulk eene soort van papieren kwast, go-heï genoemd, op een der trappen van het altaar, vóór den gewijden spiegel, te plaatsen.
Van later tijd dagteekent ook het gebruik van nog eenige voorwerpen, waarvan ik spreken moet, om mijne beschrijving volledig te maken. Daartoe behooren, in de eerste plaats, aan den ingang van sommige mia's, twee bronzen beelden van mythologische dieren: waarvan het een, van fantastische gedaante, eene soort van hond, en het andere eene soort van éénhoornig damhert, moet voorstellen. Beiden zitten op hunne achterpooten, en verbeelden, naar men zegt, de twee reinigende elementen, het water en het vuur.--Verder staat aan den voet van het altaar eene houten offerkist. Soms bestaat het deksel uit traliewerk, zoodat de geldstukken op den bodem der kist vallen en er niet meer kunnen worden uitgehaald, dan door de priesters, die den sleutel hebben; soms ook is het deksel glad en effen als een tafelblad, maar omgeven met een hoogen rand. Dan werpen de geloovigen, luidruchtig genoeg, hunne ijzeren muntstukjes, de szénis, op dit blad, na ze vooraf in een papieren rolletje gewikkeld te hebben: de offerkist lijkt dan wel wat op een grooten schotel met pastilles.--Eindelijk ziet men nog dikwijls, aan den ingang der kapel, even als aan de boeddhistische tempels, een of ander instrument opgehangen, om de bonzen, als zij niet bij het altaar zijn, te kunnen roepen: nu eens is het een gong of metalen schild, met het daarbij behoorende dikke touw met knoopen; dan weder een bos belletjes, waaraan een koord is bevestigd.
Het bewijs, dat deze soort van voorwerpen eerst later in de kami-tempels in gebruik zijn gekomen, ligt reeds in het zeker zeer opmerkelijke feit, dat deze eeredienst oorspronkelijk geen priesterschap kende. De mia's waren aanvankelijk, zoo als trouwens uit de legende blijkt, niets meer dan kapellen, opgericht ter eere en ter gedachtenis der nationale helden: ongeveer even als de kapel van Willem Tell, aan het Vierwaldstädtermeer in Zwitserland. De heer der streek, waar zulk een monument was opgericht, droeg natuurlijk zorg voor de bewaring van dien schat: maar geen priester bediende het altaar van den kami, geene bevoorrechte kaste plaatste zich tusschen den geloovige en het voorwerp zijner aanbidding. Ook was het gebed, dat voor den symbolischen spiegel van Izanami werd opgezonden, niet uitsluitend of in de eerste plaats tot den kami gericht, aan wiens nagedachtenis de kapel was gewijd: maar het gold bovenal de onsterfelijke goden, wier middelaar slechts de kami was. Zoo stond het heiligdom voor ieder geopend, vrij ten gebruike der aanbidders, en was de eeredienst geheel zonder ceremonieel.
Dit is echter, gelijk te verwachten was, niet zoo gebleven. Jongere zonen van aanzienlijke familiën werden meer bijzonder belast, eerst met de zorg voor en de bewaking van, straks met den dienst in het heiligdom. Ook de kami-dienst had eerlang hare ommegangen, hare litanieën, hare offeranden, hare feesten, zelfs haar wonderdoende beelden. Intusschen vormden hare priesters, in zoo verre aan de oorspronkelijke instelling getrouw, nooit een eigenlijken geestelijken stand. Zij trokken de gewijde kleederen aan, als zij de dienst in de kapel moesten verrichten; maar, na het verlaten der heilige plaats, hernamen zij het gewaad en de gewone wapenrusting van den edelman. Echter duurde het niet lang, of er vormde zich onder hen eene wezenlijke monnikenorde, die der Kanoesis, die zich meer bepaald aan den dienst der bedevaartgangers wijdden. Twee oorzaken vooral hebben medegewerkt, om den kami-dienst zijne oorspronkelijke zuiverheid te doen verliezen: in de eerste plaats, de vestiging van het gezag der Mikado's, en ten anderen, de invoering van het Boeddhisme in Japan.
VII.
Historische overleveringen.--Oudste volksplantingen.--Geschiedenis van Zin-moe.--De eerste vorsten van Japan.--Voortgang der beschaving.--Uitvindingen.--De klassieke grond van Japan.
De geschiedenis van Japan begint, als die van zoo menig ander land, met eene verovering. Volgens de officiëele kronieken des rijks was de veroveraar een inlandsch vorst, beheerscher van een klein gebied in het zuiden van Kioe-Sioe. Volgens andere overleveringen echter was zijn geslacht, indien al niet hijzelf, afkomstig van den kleinen archipel der Lioe-Kioe-eilanden, waardoor Japan met zuidelijk China en Formosa samenhangt. Reeds zes eeuwen vroeger zou, naar de sage meldt, van uit Formosa of het vasteland van Azië, eene volkplanting, onder aanvoering van zekeren vorst Taï-pé of Taï-fak, de kust van Kioe-Sioe hebben bereikt.--Wat hiervan zij: eerst omstreeks het jaar 660 v. Chr. begint de eigenlijke historische periode van Japan, met de verschijning van den veroveraar Sanno, meer bekend onder den naam van Zin-moe, of eigenlijk Zin-moe-ten-woe, de goddelijke krijgsman.
Zin-moe, hoewel de jongste van vier broeders, werd van wege zijne voortreffelijke hoedanigheden, reeds op zijn vijftiende jaar, door zijn vader als erfgenaam van den troon aangewezen. Hij beklom dien eerst op zijn vijf-en-veertigste jaar, zonder daarbij tegenstand van de zijde zijner broeders te ontmoeten. Een oude dienaar, die op zijne menigvuldige zwerftogten ook de verre eilanden had bezocht waarachter de zon opgaat, wist den vorst allerlei wonderen te verhalen van de schoonheid dier gezegende oorden, waar zich eenmaal de goden zelven een verblijf hadden gekozen. En deze heerlijke eilanden waren nu slechts bewoond door barbaarsche stammen, voortdurend met elkander in oorlog gewikkeld. Wel waren deze woeste krijgers geoefend in het gebruik van lans, boog en zwaard: maar, daar zij slechts met beestenvellen of ruwe mantels waren gedekt, zouden zij geen weerstand kunnen bieden aan wel geoefende en met helm en harnas bekleede benden. Indien alzoo de vorst van de gelegenheid, door hunne onderlinge twisten geboden, gebruik wilde maken, wachtte hem gewis eene zekere overwinning.--Zin-moe gaf aan de verlokkende taal van zijn ouden dienaar gehoor: hij verzamelde al zijne strijdkrachten, stelde ze onder de bevelen van zijne broeders en zijne zonen, en zelf het opperbevel op zich nemende, scheepte hij zich met zijn leger in op eene vloot van wel uitgeruste oorlogsjonken. Zoo verliet hij het voorouderlijk paleis, dat noch hij, noch zijne broeders ooit zouden wederzien.
Na de zuidoostelijke landpunt van Kioe-Sioe te zijn omgevaren, zeilde hij langs de oostelijke kust van dit eiland, altijd dicht aan den oever houdende, op de wijze der oude Noormannen; ook even als zij, nu en dan aan land gaande, slag leverende aan degenen die hem weerstonden, en vriendschapsverbonden sluitende met de onafhankelijke heeren of stamhoofden, die zich aan hem wilden aansluiten en deel nemen in zijn krijgstocht. Blijkbaar was deze geheele streek reeds vroeger het tooneel van soortgelijke invallen geweest: de bevolking toch splitste zich in twee regeerende kasten, eene soort van militaire aristocratie, en in hofhoorigen of lijfeigenen. De heeren des lands woonden in versterkte huizen, door muren en paalwerken omringd; zij waren gewapend met boog en pijlen, met een grooten sabel en een zwaard, dat, zonder scheede, in hun gordel was gestoken.--Na een moeielijken tocht van tien maanden: rijk aan schitterende wapenfeiten en gelukkige onderhandelingen, bereikte Zin-moe het noordoostelijk uiteinde van het eiland Kioe-Sioe. Aanvankelijk zag hij geen kans verder te komen, toen hij eensklaps een visscher ontdekte, die, rustig op den rug van een grooten schildpad gezeten, de wateren kliefde. Dadelijk liet hij dien man aanroepen, en nam hem bij zich in dienst als loods. Toen kon Zin-moe de straat oversteken, die Kioe-Sioe van Nippon scheidt. De kust van dit laatste eiland strekt zich, als een groote halve cirkel, van het westen naar het oosten uit, en vormt de noordelijke grens eener ruime binnenzee, die ten zuiden door de beide eilanden Kioe-Sioe en Sikokf wordt ingesloten. Deze binnenzee is met kleine archipels bezaaid; terwijl de kust van Nippon rijk is aan baaien en inhammen, die uitstekende havens vormen.
Met de grootste bedachtzaamheid trok Zin-moe langzaam oostwaarts voort, zorgdragende dat hij geen enkel gewichtig punt achter zich in de macht zijner vijanden liet. Intusschen boden de inlandsche stammen hem, zoowel ter zee als te land, een zoo heftigen tegenstand, dat hij het voorzichtig oordeelde vooreerst niet verder te gaan. Zoo sloeg hij zich dan op het schiereiland Takasima neder, bouwde daar een sterkte, en besteedde er drie jaren aan de uitrusting eener nieuwe vloot. Toen hervatte hij den tocht, maakte zich meester van de geheele kust en al de eilanden der binnenzee, en drong vervolgens in het binnenland van Nippon door. Na eene reeks van roemrijke gevechten, onderwierp hij zich de geheele rijke en vruchtbare landstreek, die zich van Osaka tot de golf van Jedo uitstrekt. Van toen af was Zin-moe meester van geheel het bebouwde land en van al de beschaafde stammen van het oude Japan: het overige gedeelte van Nippon was, even als de noordelijke eilanden, nog met ondoordringbare wouden bedekt, waar nomadenstammen rondzwierven, die van de jacht en vischvangst leefden. Deze verstrooide stammen zijn langzamerhand door de opvolgende invallen en emigratiën der mannen van het zuiden, meer en meer naar het noorden verdrongen geworden. Nog heden vindt men langs de kusten en op de noordelijke eilanden van den grooten Oceaan, een bijzonder menschenras: kort en zwaar van gestalte, ruig en harig van lichaam, met groote hoofden en platte aangezichten. De Japanneezen noemen hen de Aïno's, de eerste menschen. Soms zelfs hervindt men dezelfde type onder de lagere klassen in Japan zelf, onder de boeren, de visschers, de schippers en lastdragers. Er is wel eenige grond om aan te nemen, dat deze Aïno's de oorspronkelijke bewoners van Japan zijn geweest: wat daarvoor ook schijnt te pleiten is, dat de naam van aïno volstrekt niet als eene beleediging wordt beschouwd of eene minderheid aanduidt. De japansche taal heeft ook een uitdrukking voor wat wij door barbaren verstaan, maar zij gebruikt daarvoor het woord yébis, nooit aïno's.
Het schijnt dus dat ten tijde der verovering door Zin-moe deze oorspronkelijke bewoners reeds door de aanvoerders van vroegere kolonisten waren onderworpen of verjaagd. Nu moesten de eerste overwinnaars op hunne beurt zich onderwerpen aan de nieuwe heerschers, wier meerdere beschaving hun het overwicht verzekerde.--Toen Zin-moe, de goddelijke krijgsman, aldus het doel van zijn streven bereikt had, waren er zeven jaar verloopen sedert zijn vertrek van Kioe-Sioe: zeven jaren van moeite en strijd, van zorg en lijden en worsteling. Zijne drie broeders waren omgekomen: de oudste sneuvelde bij het beleg eener sterkte, de beide anderen vielen als slachtoffers hunner edelmoedige zelfverloochening: zij stortten zich vrijwillig in de golven, om aldus den storm te bezweren, die de vloot van den veroveraar dreigde te vernielen. Daarentegen begunstigde de zonnegodheid den krijgsheld in al zijne ondernemingen. Zij was het, die hem voor verdwalen behoedde in de gevaarlijke bergpassen van Yamato. Een raaf, hem door de godheid in het beslissende oogenblik toegezonden, diende Zin-moe tot leidsman en gids.--De landstreek Yamato ligt in het zuid-oosten van Nippon, en vormt het middelpunt van een groot schiereiland, door de wateren van den oceaan en van de binnenzee bespoeld. Daar bouwde Zin-moe een uitgestrekt en sterk kasteel, op een breeden heuvel, welks top hij had laten effenen. Dit kasteel noemde hij zijn miako, de hoofdplaats van zijn rijk, en daar vestigde hij zijn hof, zijn daïri.--Deze beide namen zijn van toen af onafscheidelijk verbonden geweest aan de verschillende residentiën der oude heerschers van Japan. Zij zelven droegen den eeretitel van Mikado's, de eerwaardigen; bovendien voert ieder hunner, na zijn dood, in de jaarboeken des rijks nog andere schitterende namen en bijnamen, waaronder hij tot de nakomelingschap overgaat. De japansche geschiedschrijvers gebruiken dikwerf het woord miako, in plaats van den naam der stad waar de keizer resideerde; en het woord daïri, in plaats van den titel van Mikado, en zeggen b. v.: dit of dat is geschied op bevel van den daïri. Trouwens, dit gebruik vindt men terug in de taal van alle hoven.
Even als Zin-moe door de vrije keuze zijns vaders tot den troon geroepen was, zoo bepaalde hij dat voortaan ook de regeerende Mikado zijn opvolger zou aanwijzen onder zijne zonen, of, bij ontstentenis van dezen, onder de prinsen van den bloede. Zin-moe eindigde zijne roemrijke loopbaan in het jaar 587 vóór Christus, naar men zegt, het zes-en-zeventigste zijner regeering. Hij is opgenomen onder de kami's. Zijne kapel, in Japan onder den naam van Simojasiro bekend, ligt op den berg Kamo, dicht bij Kioto, en nog heden ten dage wordt Zin-moe daar aangebeden als de grondlegger en eerste heerscher des rijks. Meer dan vijf-en-twintig eeuwen zijn er verloopen, sinds de goddelijke krijgsman het moede hoofd nederlegde en zijne schitterende loopbaan besloot: maar tot op dezen dag is de kroon erfelijk bewaard gebleven in zijn geslacht, zonder dat de nieuwe politieke macht, die in de latere tijden feitelijk de heerschappij over Japan heeft uitgeoefend, ooit de hand naar die gewijde kroon heeft uitgestrekt.
Doch eeuwen lang waren de Mikado's niet slechts heerschers in naam, maar ook metterdaad: meest krachtige en kloeke mannen, die bewezen voor hunne taak berekend te zijn, en de grenzen van hun gebied voortdurend uitbreidden. En zelfs hunne vrouwen, wanneer zij als regentessen het bewind voerden, toonden zich, waar het pas gaf, hare degelijke echtgenooten volkomen waardig. Eene van haar, Zingoe genaamd, die omstreeks twee eeuwen na Christus leefde, rustte een vloot uit, waarop zij zich, aan het hoofd harer keurbenden, zelve inscheepte om Korea te veroveren. Zij kwam nog juist tijdig genoeg van haren zegetocht terug om aan een nieuwen, toekomstigen Mikado het leven te schenken.