Japan De Aarde en haar Volken, 1867

Chapter 5

Chapter 53,840 wordsPublic domain

De Japanneezen zijn van schrale en middelbare gestalte; veel zwakker van lichaamsbouw dan de volkeren van zuiver germaansch ras, gelijken zij wel eenigszins op de bewoners van Spanje en van zuidelijk Frankrijk. De vrouwen zijn over het algemeen aanmerkelijk kleiner dan de mannen: dit onderscheid is hier veel meer in het oog vallend dan in Europa. Volgens Dr. Mohnike, voormalig geneesheer der hollandsche factorie te Nagasaki, is de middelbare lengte der mannen vijf voet en een à twee duim, parijsche maat, en die der vrouwen, vier voet en een à drie duim.--Zonder rechtstreeks mismaakt te zijn, zijn de Japanneezen toch verre van schoon. Zij hebben een groot hoofd, een korten hals, eene breede borst, een lang bovenlijf, uitstekende heupen, magere en korte beenen, maar kleine voeten, en fijn gevormde en dikwijls bij uitstek fraaie handen. Is het voorhoofd soms wat al te schuin en steken de wangbeenderen wat ver vooruit, dan gelijkt het hoofd, in profiel gezien, meer op een driehoek dan op een ovaal. Dit is echter niet algemeen: maar wel, de weinige diepte der oogholten en de van boven bijna platte neus, waardoor de oogen veel meer naar voren komen dan bij de Europeanen. Ook staan ze een weinig schuin. Toch--ik weet zelf niet waarom--is de algemeene indruk niet die van de chineesche of mongoolsche type: het hoofd van den Japannees is grooter, zijn gelaat langwerpiger en, over het algemeen, regelmatiger; ook komt de neus meer voor en is schooner van vorm, soms zelfs zweemt hij naar een arendsneus. Moest ik eene vergelijking maken, dan zou ik die eer zoeken onder de bewoners van den indischen archipel. Dr. Mohnike zegt, dat de schedel van den Japannees die is van het touranische ras.--Alle Japanners, zonder onderscheid, hebben glad, zwaar en raafzwart hair. Het hair der vrouwen is hier niet zoo lang als in Europa of Indië; dat der mannen komt misschien geheel met het hair der Javanen overeen, en onderscheidt zich zeer duidelijk van de kroezige hairen der oorspronkelijke bewoners van de Filippijnsche eilanden en der Alfoeren uit zuidelijk Australië. De Japanneezen hebben een vrij zwaren baard, maar zij laten dien niet groeien en scheren zich minstens om de twee dagen. De kleur hunner huid verschilt bij de verschillende standen, en doorloopt al de onderscheidene tinten tusschen de donkere koperkleur uit de binnenlanden van Java en het matte of door de zon gebronsde wit der bewoners van zuidelijk Europa. De meest heerschende tint is olijfbruin; nooit ziet ge de leelijke gele kleur der Chineezen. In tegenstelling met de Europeanen, zijn bij de Japanneezen doorgaans het gelaat en de handen lichter van kleur dan het overige des lichaams. De kleine kinderen en de jongelieden van beiderlei kunne hebben, even als bij ons, eene frissche kleur en blozende wangen. De kleur der vrouwen is lichter dan die der mannen: in de hoogere standen en zelfs onder de burgerklasse ziet men vele bijna geheel blanke vrouwen; de adellijke dames beschouwen de mat-witte tint als de meest gedistingeerde. Toch zijn zij van hare europeesche zusters door twee onuitwischbare teekenen gescheiden: vooreerst, door de schuine en ietwat uitpuilende oogen, en ten andere door eene ingedrukte borst: een misstand, die zelfs bij de schoonst gevormde jonge vrouwen voorkomt.--Mannen en vrouwen hebben zwarte oogen, witte en sterke tanden, die door regelmatige tusschenruimten gescheiden zijn en eenigermate vooruit steken. Het gebruik wil, dat gehuwde vrouwen hare tanden zwart verwen: misschien een flauwe herinnering aan Java of Achter-Indië, waar iedereen min of meer zwarte tanden heeft, door het betel-kauwen. De bewegelijkheid en de groote verscheidenheid van de gelaatstrekken der Japanners schijnen mij enkel het gevolg hunner meer verstandelijke, meer vrije ontwikkeling, waardoor zij zich van de overige aziatische volken zoo gunstig onderscheiden. De veelvoudigheid van het individueel karakter drukt zich bij hen, als bij ons, in de verscheidenheid der physionomieën af.

Het nationale kleedingstuk der Japanneezen is de kirimon, eene soort van kamerjapon, van voren open, en die bij de vrouwen iets langer en van fraaier stof is dan bij de mannen. Dit kleed wordt op de borst overgeslagen en door middel van een gordel saamgebonden: welke gordel bij de mannen bestaat in een smalle zijden sjerp, en bij de vrouwen in een breed stuk doek, dat op eene eigenaardige manier van achteren wordt toegeknoopt. Linnen onderkleederen kent men in Japan niet, maar ieder neemt er dagelijks een bad. De vrouwen dragen een hemd van roode krip-zijde. Daarentegen gaan de boeren, de visschers, de werklieden en koelies, althans in den zomer en als zij aan den arbeid zijn, bijna geheel naakt; terwijl hunne vrouwen zich slechts een rok om de heupen binden. Als het regent, slaan zij mantels van stroo of geolied papier om, en dekken zich het hoofd met bamboezen hoeden, die, even als op Java, den vorm van een schild hebben. Des winters dragen de mannen uit het volk, onder den kirimon, een wambuis en een nauw-sluitenden pantalon van blauw katoen; de vrouwen, een of meer schoudermantels, met watten gevoerd. De lieden uit de burgerklasse gaan nooit uit zonder wambuis en pantalon. De kleeding der verschillende standen verschilt overigens minder in vorm dan wel in stoffage. De edelen alleen hebben het recht zijden kleederen te dragen; echter trekken zij hun pronkgewaden slechts aan, wanneer zij naar het hof gaan of een beleefdheidsbezoek afleggen. De ambtenaren der regeering, de yakoeninen, dragen, als zij in dienst zijn, een wijden pantalon en, in plaats van den kirimon, een overkleed met wijde mouwen, dat tot de dijen afdaalt en niet onsierlijk van vorm is. Het schoeisel is voor allen hetzelfde, en bestaat in grof linnen sokken en sandalen van gevlochten stroo of wel van hout, die met een om den grooten teen geslagen riem worden vastgehecht. Als de wegen morsig zijn, bindt men aan de voeten eenvoudige houten zolen, op twee dwarsplankjes rustende. Het grootste gedeelte van het jaar loopen de lieden uit het volk òf barrevoets òf hoogstens met strooien sandalen. Bij het binnentreden eener woning, hetzij eigen of vreemde, ontschoeit men zich en laat zijne sandalen op den drempel staan.

De vloeren der woningen in Japan zijn altijd met matten belegd. Daar de kamers allen even groot zijn, zoo zelfs, dat er eene vaste maat voor de matten bestaat,--zij zijn veranderlijk zes voet drie duim lang, drie voet twee duim breed, en vier duim dik--kan men die altijd en overal gebruiken. De matten zijn zeer netjes van rijststroo gevlochten. Door middel der beweegbare schermen, die de afscheiding tusschen de verschillende kamers vormen, verdeelt de Japannees zijne woning in zoo vele vertrekken als hij verkiest, echter altijd met inachtneming der strengste symmetrie, en zonder dat hem dit veel tijd of moeite kost.--De mat vervangt de plaats van bijna alle andere meubelen. Zij dient vooreerst voor matras: op haar vlijt de Japannees zich des nachts neder, in een wijden kamerjapon en een grooten, met watten gevoerden deken gewikkeld, terwijl een klein, bekleed houten blok hem tot hoofdkussen dient; op de mat zet hij ook het porceleinen en verlakt gereedschap neder, dat hij bij zijne maaltijden gebruikt; de mat wederom is zijn divan, waarop hij nederhurkt met zijne gasten, om, onder het genot van een kop thee, zonder melk of suiker, en het rooken van tabak uit mikroskopische pijpen, uren en uren lang te keuvelen. In de herbergen van Japan vindt men denzelfden toestel, die op Java onder den naam van bali-bali bekend is: namelijk, eene soort van beweegbaren houten vloer, of liever eene groote tafel, met matten belegd en slechts een voet ongeveer boven den grond verheven. Daar, op dien vloer, zet zich de reiziger neder, daar eet en drinkt hij, daar houdt hij zijne siësta en praat er met zijne buren. Doch het huis van iederen Japannees is eigenlijk niet anders dan een bali-bali in het groot, een rustplaats, een tijdelijk verblijf, waarheen men zich begeeft, nadat de arbeid op de straat of op het veld is afgeloopen; het is niet het heiligdom van zijn gezin, niet het middelpunt van geheel zijn leven. Trouwens, deze beteekenis van het huis is niet wel te verwachten bij een volk , dat van den eenen dag op den anderen leeft, het gisteren vergeet en zich om het morgen niet bekommert.

Eens woonde ik op eene school eene les bij: een half dozijn kleine jongens zaten rondom hunnen meester neergehurkt, en zeiden in koor eenige woorden op. Toen ik naar de beteekenis dier woorden vroeg, antwoordde men mij, dat de kinderen het irova van buiten leerden: eene soort van alphabet, waarin niet de klinkers en medeklinkers, maar de acht-en-veertig grondklanken der japansche taal, in een vierregelig versje zijn saamgevat. Het eerste woord van dit koepletje is irova: van daar de naam van het alphabet. Ik liet mij dit versje voorzeggen: en wat mij het meeste trof, was de beteekenis dezer woorden, die dag aan dag, aan het andere uiteinde van ons halfrond, door zoo vele duizende kinderen--immers even als wij met eene onsterfelijke ziel begaafd?--worden opgezegd. Ziehier dit koepletje:

"Kleur en geur vervliegen.--Wat is er in onze wereld blijvend?--De dag van heden is verzonken in den afgrond van het niet.--Hij was een ijdel droombeeld: hij laat geen indruk achter."

Inderdaad, dit nationale a. b. c. liet mij een dieper blik slaan in het eigenlijke volkskarakter, dan gansche boekdeelen konden doen. Sedert eeuwen reeds roepen de wegstervende geslachten aan die na hen komen toe: Er is niets blijvends in de wereld; het heden gaat als een droom voorbij en laat geen indruk achter. Dat deze wijsbegeerte van het niet de ziel niet geheel bevredigt, bewijst wel de ontwikkeling van het godsdienstig gevoel ook in Japan; maar toch mag men aannemen, dat zij in stilte machtig voortwerkt en haar invloed doet gevoelen in menige betrekking des levens. Is zij het ook niet, die het comfort van den huiselijken haard--immers de vrucht van zorg en overleg voor de toekomst, vernietigt en de huiskamer, het heiligdom van de herinneringen der kindsheid en van de traditiën der familie, onmogelijk maakt? De woning van den Japannees is steeds voor de behoefte van het oogenblik ingericht, en bewaart geene herinnering aan de vervlogene dagen. Al wat zij poëtisch heeft, ligt in hare overeenstemming met de buitenwereld. Zoodra de avond valt, worden de schermen dichtgeschoven, de kamers worden tot slaapvertrekken ingericht, en in eene hooge houten kooi, met geolied papier beplakt, wordt een lamp aangestoken, wier schijnsel de duisternis verhelderen moet, even als het flauwe licht der sterren daar buiten. Maar zoodra de dag aanbreekt, wordt alles wat aan een slaapvertrek doet denken, weggeruimd en in een hoek verborgen. Aan alle kanten worden de schermen geopend en de woning wordt van het eene einde tot het andere aangeveegd. De morgenlucht kan er vrij door spelen, en de zonnestralen teekenen breede lichtstrepen op de glinsterende matten, even als buiten op den akker. Gedurende de heete uren van den middag daarentegen, wordt het huis zoo dicht gesloten, en weert men lucht en licht zoo volkomen met zeilen en schermen af, dat men, den drempel overschrijdende, zou wanen eene duistere grot binnen te treden.--Deze eigenaardige levensbeschouwing, deze manier om slechts op de uiterlijke omgeving te letten en het leven te beschouwen als eene reeks van uren, dagen en jaren, elkander opvolgende zonder verband of samenhang; dit zich geheel overgeven aan den indruk van het oogenblik,--verhoogt zeker het genot, maar geeft ook aan de smart en den tegenspoed eenigermate het karakter der fataliteit en berooft eindelijk den dood van dat geheimzinnige en ontzagwekkende, dat hij altijd in onze oogen heeft. Geheel het aanzijn mist daardoor diepte en beteekenis: men droomt het door, zonder er verder eenige waarde aan te hechten, dan die het oogenblik medebrengt.--Zij die bij deze levensmanier het meeste winnen, zijn zonder twijfel de kinderen. Vooreerst is het voor ieder uitgemaakt, dat het kind van zijn leeftijd genieten moet. Maar bovendien: vader en moeder volgen denzelfden regel en vinden in het betrachten daarvan hun grootste vreugd; wel verre dus van hunne kinderen eenigszins in hun vermaak te storen, moedigen zij ze daarbij veeleer aan en vermaken zich met hen. Men heeft gezegd, dat de kinderen in Japan nooit schreien: hierin is voorzeker overdrijving, maar dat ze bij uitstek veel pret hebben, is waar. Nog andere oorzaken werken hiertoe mede. De Japannees heeft maar eene echte vrouw. Deze trouwt zeer jong: hetgeen misschien in menig opzicht verkeerd is, maar zeker niet uit het oogpunt der opvoeding, waarmede wij ons nu bezig houden. Bijna zonder overgang verruilt het meisje haar pop voor haar kind, en nog langen tijd blijft zij zelve kind. Aan den anderen kant belet haar de gewoonte des lands, haar zuigeling te vertroetelen; zij moet hem aanstonds aan de lucht gewennen en hem iederen dag naar buiten brengen, en zelfs met ongedekt en kaalgeschoren hoofd aan de zon blootstellen. Om zoo lang mogelijk haar kind te kunnen dragen, zonder zich te veel te vermoeien, plaatst zij het op haar rug, tusschen haar hemd en den kraag van haar kirimon. Menigmalen ziet men de boerinnen dus beladen op het veld aan den arbeid, terwijl achter haar chignon een klein hoofdje te voorschijn komt. Te huis kan men de kinderen veilig aan zich zelven overlaten: zij mogen rollen, stoeien, op handen en voeten kruipen, voortscharrelen over de matten, naar hartelust: nergens toch staat er een meubelstuk, waartegen zij zich zouden kunnen stooten, of iets, dat zij kunnen beschadigen of omverwerpen. Tot speelkameraden hebben zij de huisdieren: eene soort van kleine langharige honden, met korte pooten en waggelende van vet; en eene bijzondere soort van katten, wit met gele en zwarte vlakken, zeer slechte muizenvangers, schandelijk lui, maar zeer aanhalig. Even als op Java, hebben deze dieren geen staart, of liever, hun staart wordt aan den rug in een knoop saamgebonden en daardoor de verdere groei belet.

In ieder welgesteld gezin vindt men een aquarium, vol purperen, zilver- en goudkleurige, haast doorschijnende visschen: sommigen rond als een bal, anderen voorzien met een breeden en langen staart, die tot roer dient en als een fijn gaas door het water drijft. Men heeft ook kooien, uit stengels van bamboesschors vervaardigd, in vorm aan eene sierlijke woning gelijk, en waarin, op een bed van bloemen, groote vlinders of krekels, wier geluid bij de inlanders zeer geliefd is, worden bewaard.

Ziedaar, in enkele trekken, de omgeving waarin de jonge Japanner in volle vrijheid opgroeit: in de eerste en voornaamste plaats, de natuur, het open veld; en daarna, als bijzaak, het ouderlijk huis, dat voor hem niet veel meer is dan eene overdekte speelplaats. Zijne ouders ontzeggen hem noch speelgoed, noch uitspanning, noch feestjes, zoowel voor hun eigen vermaak als in het belang zijner opvoeding. Het eigenlijke onderwijs bestaat in het van buiten leeren en opzeggen van het irova en eenige andere leesoefeningen, en in het schrijven, of liever teekenen met chineesche inkt, eerst van letters, dan van woorden, dan van volzinnen. Men maakt daarbij volstrekt geen haast, en wakkert ook niet, door het uitloven van prijzen, de eerzucht aan: het geldt hier toch eene zaak, die door hare nuttigheid zich zelve genoeg aanbeveelt, en eerst door lange oefening kan verkregen worden. Niemand komt het in de gedachte, zijne kinderen niet te laten onderwijzen. Men kent noch schoolreglementen, noch schoolplichtigheid, noch examen: en toch kan de geheele volwassen bevolking, vrouwen zoowel als mannen, lezen, schrijven en rekenen: dat is, juist wat de groote menigte eigenlijk alleen behoeft. Zou het japansche stelsel van opvoeding wel zoo verwerpelijk zijn?

VI.

Oorsprong van het japansche volk.--Hunne kosmogonie.--De schepping.--De goden.--De legende van Izanaghi en Izanami.--De kami's.--Tempels.

Meermalen heb ik mijzelven de vraag voorgelegd, van waar het japansche volk afkomstig zou zijn, maar een bevredigend antwoord op die vraag heb ik nog niet kunnen vinden. Ik vermoed, dat de vergelijkende taalkunde alleen in staat zal zijn, dit moeielijk probleem op te lossen; en misschien zal zij daartoe het best doen, hare blikken te wenden naar den indischen archipel. Zeer zeker zal zij, even als de Japanners zelven, alle verwantschap van dezen met de Chineezen verwerpen: want de talen dezer beide volken hebben niets gemeen. Het is waar, de onderstelling dat de japansche eilanden door een chineesche kolonie bevolkt zouden zijn, ligt voor de hand; en ik wil gaarne toegeven, dat er van overoude tijden gemeenschap heeft bestaan tusschen Korea, het noorden van Japan, de Koerilen en zelfs Kamschatka: want deze eilandenketen, die zich als de bogen van eene verbroken reuzenbrug van Azië tot Amerika uitstrekt, wekt onwillekeurig de gedachte aan eene gemeenschap, door middel der scheepvaart, van eiland tot eiland. Maar het komt mij veeleer voor, dat de zuidelijke eilanden van Japan bevolkt zijn door emigranten, die zelven uit het zuiden kwamen.

De stroomingen in den oceaan spelen waarschijnlijk een zeer groote rol in de zoo geheimzinnige geschiedenis der volksverhuizingen. Dikwijls zijn langs dezen weg, en zeer tegen den zin der reizigers, schijnbaar ongeloofelijke tochten volbracht. Wilt gij een voorbeeld? Alle europeesche residenten te Jokohama kennen den japanschen tolk Joseph Hico. Deze man was eens met eenigen zijner bloedverwanten op de vischvangst, toen een plotselinge windvlaag hun vaartuig uit zijn koers wierp en naar de open zee heendreef. De groote golfstroom van den equator, die de zuidelijke en oostelijke kusten van Japan bespoelt en zich van daar, met een boog van eenige duizende mijlen, naar Californië wendt, nam het weerlooze scheepje op en voerde de ongelukkige visschers derwaarts mede. Gelukkig kwamen zij eindelijk een amerikaansch schip tegen, dat hen te San Francisco aan wal zette.--De vaart tusschen China en Japan is moeielijk en gevaarlijk: een tegenstroom van koud water, van de Poolzee afkomstig, neemt, van het noorden naar het zuiden, zijn loop door het kanaal dat de beide landen scheidt; terwijl de ontzaglijke stroomingen van warm water, die, uit den indischen oceaan komende, zich door de straten van Malacca en Soenda een weg banen, hare richting nemen, niet naar de kusten van China, maar, zoo als ik zeide, naar de zuid- en oostkust van Japan en van daar naar de noordwestkust van Amerika.--De eerste Europeanen, die in Japan zijn geland, de drie portugeesche deserteurs Antonio de Moto, Francisco Zimoro en Antonio Perota, hadden zich in een der havens van Siam op een indische jonk ingescheept; door een storm naar de open zee gedreven, werden zij door den equatoriaal-stroom naar de zuidkust van het eiland Kioe-Sioe gevoerd (1542). Hetzelfde overkwam, in het volgende jaar, den beroemden portugeeschen avonturier Fernan Mendez Pinto en zijn beiden gezellen, Diego Zeimoto en Christophoro Borello, toen zij met eene chineesche jonk van Macao voeren. Zij kwamen te recht op het japansche eilandje Tanegasima.

Met dergelijke feiten voor oogen, is het niet zoo vreemd den blik naar Java te wenden: te minder, wanneer men zich herinnert, dat dit groote eiland met zijne aanhoorigheden eenmaal, in lang vervlogen tijden, een machtig rijk vormde, dat zijne schepen uitzond eensdeels naar Madagaskar en Arabië, anderdeels naar China en de omliggende eilandengroepen. Telkens wanneer ik dan ook eenige onverwachte overeenstemming ontdek tusschen de zeden en gewoonten der Javanen en der Japanneezen, kan ik het niet nalaten daar, of althans op de eilanden van den grooten indischen archipel, den oorsprong der bewoners van Nippon te zoeken. Maar dit is slechts eene gissing, die ik ook voor niet meer wensch te doen doorgaan. Vraagt men den Japanneezen zelven, van waar zij zijn, dan bekomt men slechts ontwijkende antwoorden: hetzij dan dat zij op dit punt even onwetend zijn als wij, hetzij dat zij ongaarne het heiligdom der nationale herinneringen en traditiën voor ongewijde blikken openen. Toch zijn ons deze traditiën niet geheel onbekend. De japansche geschiedenis en godsdienst zijn het onderwerp geweest van ernstige en ijverige nasporingen, deels van de vroegere katholieke zendelingen, deels van de geneesheeren of beambten in dienst der nederlandsche factorie. Het is zoo: zulke fragmentarische studiën, hoe belangrijk ook op zich zelven, zijn niet voldoende om ons een volledig inzicht te geven in de ontwikkelingsgeschiedenis der japansche beschaving. Maar, in afwachting van beter, moet men zich vergenoegen met wat men heeft, en beginnen met nauwkeurig de overleveringen te verzamelen, die de Japannees zelf uit den mond zijner priesters en de geschriften zijner kroniekschrijvers ontvangt. Vatten wij dan in enkele trekken samen, wat wij weten van de japansche kosmogonie en oudste geschiedenis.

In den beginne, aldus leert het japansche scheppingsverhaal, verhief zich uit den oorspronkelijken chaos een god, die het Opperste Wezen wordt genoemd, en wiens troon in het midden der hemelen is. Op hem volgden twee andere goden, waarna er langzamerhand verandering in den chaos ontstond: de fijnere deelen vormden den hemel, de grovere de aarde. Toen de aarde, nog onbewoond, woest en ledig, op de wateren dreef, ontstonden er zeven nieuwe hemelsche goden, waarvan de vier laatsten gehuwd waren. Een dezer laatste goden, Izanaghi geheeten, bevolkte de aarde, dat is hier Japan. Eens, zoo luidt de legende, zag Izanaghi van het balkon zijner hemelsche woning, met zijne gemalin Izanami op de jonge, nu voltooide aarde neder, en gevoelde zich zoo tot haar aangetrokken, dat hij der godin voorsloeg daar een bezoek af te leggen. De beide goden lieten hunne blikken dwalen langs de heerlijke kusten der japansche binnenzee, en kozen eenstemmig het eiland Awadsi tot hun verblijf; het schoone eiland, dat als een bloemruiker oprijst uit de kalme wateren, aan de eene zijde door de stoute rotswanden van Sikokf, aan de andere door de vruchtbare velden van Nippon begrensd. Eenmaal daar gekomen, konden de beide hemelsche wezens van dit heerlijk oord niet meer scheiden; maanden en jaren verliepen: en er kwam een tijd, dat de stille dalen van Awadsi weergalmden van het blijde gejubel der kinderen, die den goden in dit paradijs geboren waren. Maar naarmate deze kinderen schooner opgroeiden, verduisterde een smartelijk voorgevoel de vreugd hunner goddelijke ouders. Deze wisten toch, dat hunne kinderen, als alles wat op aarde geboren wordt, aan den dood onderworpen waren. Vooral de teerhartige Izanami kon de gedachte niet verdragen, dat zij eenmaal haar kinderen de oogen zou sluiten en zelve onsterfelijk voortleven. Het scheen haar beter, met hen te sterven. Toen besloot Izanaghi aan deze spanning en kwellende smart een einde te maken. Hij wist zijne gemalin te bewegen om met hem naar den hemel terug te keeren, voor dat het gezicht van den dood hun geluk zou hebben verwoest.

"Het is waar," zeide hij, "onze kinderen kunnen ons niet volgen naar de woningen der zaligheid; maar ik zal de smart der scheiding weten te verzoeten, door hun een geschenk na te laten, dat hen in staat zal stellen zooveel mogelijk aan ons gelijk te worden."--

Dit gezegd hebbende, riep hij zijne kinderen bijeen, kondigde hun de scheiding aan, vermaande ze tot kalmte, en gebood hun wel acht te geven op zijne laatste woorden.

Eerst schilderde hij hun in beelden, waarvoor de menschelijke taal geen woorden heeft, dien staat van onverstoorbare zaligheid, die het deel is der hemelbewoners. Hij deed hun die zaligheid aanschouwen, zoo als het oog het verre licht eener ster aanschouwt, die wel niet te bereiken is, maar waarnaar toch, op den stillen bergtop, in zoeten droom, de hand zich uitstrekt, of ze te grijpen ware!