Japan De Aarde en haar Volken, 1867

Chapter 4

Chapter 43,387 wordsPublic domain

Ik heb u in onze buurt rondgeleid en met hare bewoners doen kennis maken; volg mij nu naar buiten: ook daar wachten ons goede vrienden en bekenden. Ge hebt immers toch ook een hart, om de sprake der heerlijke natuur te verstaan; ge gevoelt u immers toch ook wel aangetrokken door dat rijke leven rondom u, zich in zoo veelvuldige, zoo geheimzinnige vormen openbarende? Voor mij ten minste: mijne trouwste gezellen zijn hier de vogelen: zij verlaten mij bijna nooit, en ik... inderdaad, ik schat hun gezelschap op hoogen prijs en reken hen onder mijne beste vrienden in dit vreemde land. Toch durf ik mij niet vleien, dat mijne vlugge gasten alleen om mijnentwil zich in zoo grooten getale hier verzamelen. Juist aan den voet van ons terras spoelt de zee voortdurend eene menigte overblijfsels van planten en gewassen aan het strand; en met dezen ook duizende kleine visschen, schaal- en weekdieren van allerlei soort, nu eens nog levend en half verbluft door den plotselingen overgang, dan reeds gedood door den schok der golven op de rotsige kust. Deze allen zijn de dagelijksche spijze van een groot aantal vogels, verschillend in grootte, in gevederte, in stem. Zoodra de eb begint, komen zij van alle kanten haastig aanvliegen, en tijgen rusteloos aan den arbeid voor zich zelven en voor hun kroost. Verheft zich de vloed weder, dan keeren zij, met loome vlucht, naar hunne nesten terug. Waar huizen zij? Sommigen op het wijduitgestrekte dak onzer woningen, anderen in de cederen van den tuin, de pijnboomen van de wijk der yakoeninen, de gewijde bosschage van Benten, of ook wel op de heuvelen en in de moerassen rondom Jokohama. Onder deze vogels komt wel eene eerste plaats toe aan de musch, den wereldburger, dien ge overal wedervindt en overal dezelfde: altijd even rumoerig, even zelfzuchtig, even onbeschaamd: rusteloos jacht makende op insecten en vliegen en wormen, en zijn aandeel rijkelijk nemende van het graan, ginds bij de ontscheping uit de zakken gevallen. Ons dak herbergt eene gansche kolonie van duiven, die niemand weet van waar gekomen zijn, en die in volstrekte onafhankelijkheid leven. Zij gelijken op onze europeesche duiven, even als de musschen op alle musschen ter wereld. De raven echter schijnen mij tot eene bijzondere soort, aan China en Japan eigen, te behooren: zij zijn eer klein dan groot, en hun geschreeuw klinkt eenigszins anders dan wij in Europa gewoon zijn. De kraaien maken een klagend geluid, dat bijna op eene menschelijke stem gelijkt. Een lust is het, den scherpen, doordringenden kreet van arend of sperwer te hooren: vooral des avonds, bij het plechtstatig ruischen der golven en de duizenderlei stemmen van het woud, als de frissche zeewind door de hooge takken der ceders vaart.

Ik zeide het reeds: al deze gevleugelde gasten van Benten zijn zeer tam en familiaar: de sperwers strijken onbeschroomd neder op onzen vlaggestok of op ons dak, waar zij wellicht eene geheime bergplaats hebben gevonden voor hun gevangen visch. Wandel ik door den tuin, dan denken de raven en duiven, die op de paden heen en weder trippelen, er niet aan, weg te vliegen: och neen, zij gaan eenvoudig wat op zijde, om ruimte voor mij te maken, en staren mij, met schuin opgeheven kop, nieuwsgierig aan. Maar er zijn nog andere vogels, die ik slechts van verre kan zien. Dat zijn in de eerste plaats gansche zwermen van zeemeeuwen, die om de ter reede geankerde schepen heenvliegen, of de in zee geworpen balen van rijststroo napluizen, waarin de mondbehoeften der bemanning aan boord werd gebracht. Verderop, in de stille kreken van den zeearm, die ons van het dorp Kanagawa scheidt, vlak tegenover mijne vensters, huizen over dag geheele benden van wilde eenden en ganzen, die haar voedsel zoeken in de dichte rietbosschen; is de zon ondergegaan, dan vliegen zij met groot gedruisch op, om hunne nachtverblijven te gaan opzoeken in de kanalen van gindsche rijstvelden, en beschrijven in de lucht allerlei sierlijke figuren en slingerende lijnen. De moede karavane vervolgt zwijgend haren weg; van tijd tot tijd slechts hoort ge twee of drie gerekte kreten, als het kommando van een veldoverste, die zijne benden bijeenroept.

Al deze bewoners der lucht en der wateren hebben de gezelligheid lief en leven in troepen bij elkander: maar er zijn ook anderen, die de eenzaamheid zoeken. Zie daar een hunner, en niet een der minst schilderachtigen: de schuwe reiger, geduldig wachtende op zijne prooi, het oog onafgewend op de heldere wateren gevestigd, het lichaam in rust op een zijner lange pooten, terwijl de andere tusschen zijne vederen verscholen is. Hoe goed komt dat schitterend wit van zijn gevederte uit tegen dien achtergrond van hooge rieten en de sierlijke stengels der waterlelies. Soms ziet ge hem onder een gewelf van overhangende pijn- of wilgentakken: eene geheimzinnige lichtverschijning te midden der donkere schaduw: inderdaad, het is als wist deze vogel welke omgeving het best voegt bij zijne eenzame, ietwat melancholische figuur en levenswijze. Een geheel anderen indruk maakt de kraan. Als deze schoone vogel, van zijne haast voor het oog onbereikbare hoogte in de blauwe lucht, langzaam en statig naar de aarde daalt, doet hij onwillekeurig aan een hemelbode denken. Geen wonder dan ook, dat het volksgeloof den kraanvogel bijzonder heilig acht, als gewijd aan den dienst van een of ander der talrijke halfgoden uit de japansche mythologie. Onzichtbaar voor het sterfelijke oog, troont de hemelgeest rustig op de breede vleugelen van den Tsouri, zoo als de Japanners de kraan noemen; of liever, van Zijne Heerlijkheid den kraanvogel, O-Tsouri-sama: want met dezen titel spreekt hem het landvolk aan, als gold het een kami of een heilige. Met de schildpad is de kraan voor de Japanners het symbool van een lang en gelukkig leven; naar hunne schatting bestaat het geluk in gemoedsrust en kalmte van geest.

De meeste inlanders, die langs de baai wonen, leiden in menig opzicht een leven, aan dat der zoo even genoemde vogelen niet ongelijk. Terwijl de visschers gansche dagen ver van de kust zwerven, en hunne ranke vaartuigjes zachtkens voortglijden te midden der zwermen van zeevogels, even rustig dobberende op de deining der golven:--ziet men, bij invallende eb, geheele scharen van vrouwen en kinderen zich naar het strand spoeden. Tred voor tred volgen zij de wijkende zee, en vergaderen in hare matten korfjes den overvloedigen en veelvoudigen oogst, dien de oceaan achterlaat. Het zijn eetbare zeeplanten, oesters, mosselen, kleine visschen, schelpdieren van allerlei soort. Krabben en kreeften vooral wekken de begeerlijkheid op: en dat te meer, omdat het vangen dezer wonderlijke schepsels, die zich met eene haast onbegrijpelijke snelheid in alle richtingen kunnen voortbewegen, ver van gemakkelijk is. Hoe ze, onder luid gelach en geschreeuw, worden nagejaagd tot in hunne laatste schuilhoeken! en welk een pret, als het vervolgde dier eindelijk onder een steen vlucht, die dan dadelijk met een langen bamboes, aan het einde van een ijzeren haak voorzien, wordt omgewenteld! Geen uitkomst meer voor den armen vluchteling, die nu den buit, in de korf vergaard, helpt vermeerderen.

Wij zijn op zeer goeden voet met elkander, die brave kustbewoners en ik. Als ik langs het strand wandel, bejegent mij menige vriendelijke groet; de kinderen brengen mij mooie schelpen; de vrouwen pogen mij de voortreffelijkheden te doen begrijpen van de afschuwelijke, kleine monsters, die zij gretig in hare korfjes verzamelen. Deze goedhartigheid en vriendelijkheid is trouwens aan de volksklasse in Japan overal eigen. Meer dan eens werd ik, op mijne voetreizen in de omstreken van Jokohama of Nagasaki, door de landlieden uitgenoodigd hunne woning binnen te treden. Daar moest ik de bloemen in hun tuin zien, en doorgaans sneden zij eenige der schoonsten af, om daarvan voor mij een ruiker te vlechten. Vergeefs poogde ik hun daarvoor eenig geld te doen aannemen; integendeel, ik mocht niet vertrekken, voor ik in de huiskamer een kop thee had gedronken en van de rijsttaart gegeten.

Die wandelingen langs de baai van Jedo zijn zoo schoon, en vooral in de lente. Bestijg dan een der heuvelen aan de kust, en laat uwe blikken weiden over het binnenland tot aan den voet van den Foesi-Jama: het is eene aaneenschakeling van boschrijke heuvelen en vruchtbare dalen, doorslingerd met rivieren, hier en daar afgebroken door kreken en inhammen, die van verre op meren gelijken. Langs de oevers dezer wateren ziet ge, half in het geboomte weggescholen, welvarende dorpen; en, verspreid te midden der vlakte, groote bouwhoeven door tuinen omringd, waar schaduwrijke lanen heenvoeren. De vroegtijdige ontwikkeling van den plantengroei in de rijstvelden en op de bebouwde heuvelen geeft echter in Japan aan de lente een eigenaardig karakter van rijpheid en van ernst, dat overal elders aan dit lachende jaargetijde der hoop vreemd is. Ook dragen daartoe bij de vele altijd groene boomen, die aan alle kanten, waarheen ge ook ziet, uw oog treffen, en u des te meer het teedere groen onzer ontluikende bosschen doen betreuren. En toch zoudt ge moeilijk een weelderiger groeikracht, een rijker en vriendelijker lentedos kunnen vinden. Tegen de sombere tinten van het dichte gebladerte van eiken, dennen, cederen, cypressen, laurierboomen en bamboes; die den achtergrond van het landschap vormen, komen zoo schoon en zoo bevallig de schitterende kleuren uit der bloesems en bloemen, in de hagen en de gaarden, en rondom de dorpen. Hier ziet ge de groote witte bloemen van den wilden moerbeziënboom; elders prachtige camelia's, die hier in het open veld groeien en de grootte onzer appelboomen bereiken; nog verder bloeiende kersen- en pruimen- en perzikenboomen, de meesten prijkende met dubbele bloemen, witte en vuurroode, soms op denzelfden tak: want de Japanneezen, die op de vrucht dezer boomen weinig prijs stellen, kweeken ze doorgaans alleen aan, om dubbele bloesems te verkrijgen en alzoo de soorten te wijzigen en te vermenigvuldigen. Het bamboes, dat dikwijls voor heg of staketsel dient, mengt vaak zijn sierlijke bladeren met hunne bebloemde dorens aan de buigende takken der jonge vruchtboomen, wier eenige tooi hunne bloesemtrossen zijn. Maar schooner nog is het bamboes, wanneer het alleen staat en in krachtige groepen, als bundels reusachtige rieten, uit den grond rijst. Niets schilderachtiger, dan die hooge, gladde, groene stengels; met hun gouden weerglans en dicht bewassen kronen; en rondom de stevige middenzuilen, die slanke en buigbare twijgen met hare wapperende pluimen, en die menigte lange bladeren, golvende op den wind, als duizende wuivende wimpels.

De wegen zijn meestal met viooltjes omzoomd, maar deze missen haar geur. Over het geheel is het getal welriekende bloemen hier uiterst gering. Het is opmerkelijk, dat zangvogels, zoo als leeuweriken, nachtegalen en anderen, even zeldzaam zijn. Aan dit gemis van bloemengeur en vogelenzang is het wellicht voor een groot deel toe te schrijven, dat de japansche landschappen, ondanks hun weelderigen plantengroei en rijke fauna, niet dien indruk maken, dien men op het eerste gezicht verwachten zou. Zeker is het, dat ge hier nooit die zachte aandoening, die wegslepende bekoring gevoelt, die de aanblik van een schoon europeesch landschap, bij het eerst ontwaken der natuur, in ieder ontvankelijk gemoed onfeilbaar verwekt. Maar daargelaten nog in hoeverre dit gevoel wordt verlevendigd door persoonlijke herinneringen, plaatselijke omstandigheden en traditioneele begrippen, die in de wereld van het verre Oosten niet te pas komen: zoo is er, naar ik meen, nog een andere reden, waarom de natuur ons hier onverschilliger laat: zij is te veel gecultiveerd. Met uitzondering van de weinige nog overgebleven oorspronkelijke wouden, en van de opzettelijk aangelegde bosschen, voor wier instandhouding de regeering nauwlettend waakt, is de grond overal door den landbouw ingenomen. Dit is nu wel goed en voortreffelijk in de oogen van een econoom of statisticus, in wiens schatting heuvel en dal en gaarde, land en zee, geen andere bestemming hebben dan zooveel mogelijk voort te brengen:--maar de dichter, de kunstenaar, de minnaar der schoone natuur, zij allen, die het maar niet kunnen gelooven, dat Gods prachtige schepping niets meer zou zijn dan een markt of een koophuis, zij allen hebben daar wel iets tegen in te brengen. Te midden dier overstelpende vruchtbaarheid kan hun soms een zoo innig heimwee overvallen naar de bruine hei, naar de blonde duinen, naar de groene grasvelden der oneindige prairieën, naar de doodsche vlakte der woestijn zelfs! Wilt ge u een denkbeeld maken van de japansche natuur, vergun mij dan u eene der valleien in den omtrek van Jedo te beschrijven.--Wij zijn eerst in April, en reeds staan de boekweitvelden, die de hooge bosschen boven op de heuvelen omzoomen, in vollen bloei. De rogge- en tarwehalmen, die iets lager groeien, en in November zijn gezaaid, zullen binnen vier of vijf weken voor den sikkel des maaiers vallen. In Japan wordt het koren gezaaid, even als men in Europa de aardappelen poot: dat wil zeggen, in rechte lijnen en regelmatige vakken;--tusschen iedere voor blijft alzoo eene open ruimte, en daar ziet ge weer een ander gewas uitspruiten: dat zijn bonen, die op zullen schieten, zoodra het veld afgemaaid zal zijn.--Dat groene tapijt, dat ge misschien eerst voor een grasveld of uitspruitend koren hebt aangezien, is gierst, die in Maart is gezaaid, en in September rijp zal wezen. In het veld daarnevens ziet ge een boer, die zijn kleinen, met één paard bespannen ploeg voortdrijft. Hij zal katoenzaad in de voren strooien; en in September of October reeds zal uit ieder zaadje eene plant van twee of drie voet hoog zijn opgeschoten, prijkende met een twintigtal rijpe bollen. Eenige witte vogels, van het geslacht der steltloopers, der ooievaars of kranen, schijnen den landman in zijn arbeid behulpzaam te zijn: met deftigen stap volgen zij hem en steken telkens hunne lange bekken in de geopende voor: zij verslinden gretig al de wormen en insecten, die de ploeg uit hare stille verblijven heeft opgeschrikt.--De bodem der vallei is voor de rijstcultuur bestemd. Ongeveer een maand geleden, heeft men de besproeiingssluizen geopend en den grond onder water gezet. Toen is de ploeg er doorheen gegaan, en de doorweekte bodem bovendien gekneed door de buffels en de landlieden, die zelven tot aan de knieën in het water plasten en de harde kluiten met de spade verbrijzelden. Nadat zoo de grond tot een soort van vloeibare pap was gevormd, is met het zaaien een aanvang gemaakt. Mannen en vrouwen, voetje voor voetje over de uitstekende dijkjes voortgaande, hebben met volle handen het zaad gestrooid in de afgepaste vakken, die tot kweekbedden moeten dienen, en die daarop nog eens met eene soort van egge zijn omgewoeld, om het zaad te bedelven en den grond te effenen. Nu is het water weggeloopen; de kweekbedden zijn met een kort, dicht gewas begroeid, dat met wortel en al wordt uitgetrokken: maar alleen om de stengels zorgvuldig, in gelijke vakken, over te planten in den weeken bodem der tot dusver ledig gebleven grootere bedden. Daar moet nu de rijst verder groeien, tot zij tegen de maand October haar volle rijpheid zal hebben bereikt. Maar in dien tusschentijd heeft zij met een ergen vijand te kampen: een klein, mooi vogeltje, met roode en witte vederen. Als eene vernielende hagelbui strijken deze gasten in dichte zwermen op de volle halmen neder, en doen de rijpe vrucht ter aarde vallen. Het is inderdaad een genot hun gefladder en gewemel, hun getrappel en rumoerige beweging te zien, en hunne luide vreugdekreten te hooren. Jammer maar, dat de eigenaar van het rijstveld zelden in de rechte stemming is, om dit genot te smaken. Veeleer verzint hij allerlei middelen, om de aardige vogeltjes weg te jagen. Op de meest bedreigde punten zet hij draaimolens van bamboes; stokken, met strooien mantels omhangen en dito hoeden gedekt; poppen, met boog en pijlen gewapend, en mikkende op de roovers..... Maar helaas! niets van dat alles heeft tot dusver de diefachtige vogels kunnen bekeeren! Zoo heeft men zich verplicht gezien, tot een uiterst middel de toevlucht te nemen; men heeft boven het gansche rijstveld een net van gevlochten stroo uitgespannen, met afhangende bossen en bundels van dezelfde stof. En zelfs dit helpt niet, tenzij deze toestel voortdurend in beweging worde gehouden. Dat is, als het niet waait, de taak van een kleinen jongen, die den ganschen langen dag, door middel van een touw, het beschermende net onophoudelijk heen en weer doet golven. Als het dijkje rondom het rijstveld niet hoog genoeg is, om het kind behoorlijk te kunnen plaatsen, richt men hem op vier bamboespalen een verheven zetel op, door een rieten dakje beschermd.

De theeplant wordt in onze omstreken niet aangekweekt. Soms ziet men haar wel, op zeer gunstig gelegen plaatsen; maar de eigenlijke theedistricten liggen vele dagreizen ten noorden van de baai. Veel dichter bij is de streek waar de zijde wordt vervaardigd en niets zou beletten, dat deze industrie ook in onze onmiddellijke nabijheid werd uitgeoefend, zoo er slechts de noodige plaats te vinden was voor het planten der moerbeziënboomen. Het komt mij voor, dat het landvolk in deze streek, en misschien over het algemeen aan de zuidkust van Nippon, aan de bewoners van het binnenland de aankweeking der belangrijkste uitvoerartikelen, zooals zijde, thee en zelfs katoen--die hier ook maar schaars wordt aangetroffen--overlaat, om zich meer uitsluitend, hetzij aan de vischvangst en scheepvaart, hetzij aan den eigenlijk gezegden land- en tuinbouw, te wijden.

Ziedaar een getrouw beeld der japansche natuur in de vruchtbare dalen, die op de golf van Jedo uitloopen. Ginds, bij den Foesi-Jama, in de bergen van Akoni, zouden wij waarschijnlijk andere tooneelen zien. Reeds de menschen, die van tijd tot tijd van daar komen om in het lage land handel te drijven of werk te zoeken, onderscheiden zich door hun krachtiger lichaamsbouw, hun fier voorkomen en vrije manieren zeer duidelijk van de zachtaardige en vriendelijke, maar tevens ook wat slaafsche en weekelijke bewoners der valleien. Doch ongelukkig is de toegang tot die landstreek, voor als nog (1867), voor de vreemdelingen zoo goed als gesloten, en zal, om niet slechts met den landbouw, maar ook met de industriëele werkzaamheid van het japansche volk volledig kennis te maken, later tijd moeten worden afgewacht.

V.

Voorkomen der Japanneezen.--Lichaamsbouw.--Gelaatstrekken.-- Kleederdracht.--Woning en huisraad.--Levenswijze.--Huiselijk leven. Opvoeding der kinderen.

Om van Benten naar buiten, naar het land, te gaan, is het niet noodig de japansche stad te doorkruisen. Aan de grens der heilige plaats begint een breede straatweg, die langs de rivier loopt en op paalwerk rust; deze weg verheft zich boven de lage straten en het moeras van Jokohama, en voert naar eene kleine voorstad, grootendeels door arme werklieden bewoond, en waar een militair wachthuis en een kantoor der douane worden aangetroffen. Hier gaat ge over de rivier, door middel van eene fraaie houten brug, die hoog genoeg is om zeilvaartuigen door te laten, en ge bevindt u op den straatweg aan den linkeroever. Volgt ge dien weg in noordoostelijke richting, dan komt ge op den grooten weg naar Kanagawa; slaat ge naar het zuidwesten af, dan bevindt ge u weldra op een der landwegen, die naar de Mississippi-baai voeren.

Aan alle zijden is het land bebouwd en met talrijke woningen bezaaid. De alleenstaande woningen nabij den weg, en zelfs de huizen in de dorpen, zijn doorgaans geheel open. Om koelte te maken, schuiven de bewoners de beweegbare schermen, waarmede zij hunne woningen afsluiten, rechts en links weg: het inwendige der huizen ligt alzoo geheel open voor de blikken der voorbijgangers. Onder zulke omstandigheden is het niet moeielijk, zich van de inrichting des huisgezins en de eigenaardigheden van het huiselijk leven een vrij juist denkbeeld te maken.

Het conventioneele onderscheid tusschen de klassen der japansche maatschappij berust niet op een wezenlijk verschil van ras of ook maar van levenswijze. Van den top des heuvels, waarop de residentie van den gouverneur van Kanagawa verrijst, ziet men aan de eene zijde neder op eenige gebouwen, tot woning bestemd voor de yakoeninen en hunne gezinnen; aan de andere zijden op groepen van kleine huizen of hutten van werklieden en landbouwers. Menigmaal heb ik opgemerkt, hoe èn hier èn daar dezelfde gewoonten, dezelfde levenswijze heerschten; met dit verschil alleen, dat wat voor de arme woningen op de openbare straat geschiedde, in het verblijf der yakoeninen beperkt bleef tot de door houten beschotten omringde binnenplaatsen. Mijne latere herhaalde bezoeken bij de hooge ambtenaren van den staat hebben mij in de overtuiging bevestigd, dat de heerschende type en de levenswijze der geheele bevolking van het midden des keizerrijks--dat wil zeggen, van de drie groote eilanden Nippon, Kioe-Sioe en Sikokf--overal dezelfde zijn, en zich in eenige algemeene trekken laten samenvatten.