Japan De Aarde en haar Volken, 1867
Chapter 3
Gaan wij nog verder, dan komen wij aan de woningen van den comprador, de koks en de coskeïs. De eerste draagt in Japan den naam van Nankingsan, dat wil zeggen, iemand van Nanking; bij verkorting noemt men hem ook eenvoudig een Nanking, dat is een Chinees. Onze Nanking heeft zijn nationaal kostuum behouden, met inbegrip van zijn staart, waarop hij zeer trotsch is, en die dan ook tot op zijn kuiten hangt. Een comprador vervult hier dezelfde betrekking als bij ons een hofmeester, en in het verre Oosten dragen de Europeanen deze betrekking doorgaans aan Chineezen op, die een bijzondere gaaf hebben om de zaken der huishouding te behartigen, waarbij zij, zoo als van zelf spreekt, ook hunne eigen belangen niet verwaarloozen. Onze koks zijn inlanders, en hunne kookkunst, waarover wij ons het oppertoezicht hebben voorbehouden, is een hoogst eigenaardig mengsel van de regels der verschillende gastronomische scholen van Europa, Indië, China en Japan. Voor botteliers hebben wij twee Javanen, Siden en Sariden geheeten, en een kleinen Chinees, van de sekte der Taïpings, die antwoord geeft op den naam van Rebel. Een der gevolgen van den opstand der Taïpings tegen de Mandsjoe-dynastie is, dat zich in de voor den europeeschen handel geopende havens van China, een bijzondere handelstak heeft ontwikkeld: namelijk, de verkoop van knapen en meisjes, die door de Keizerlijken of hunne bondgenooten, bij de verovering van door de opstandelingen bezette steden of dorpen, worden weggevoerd. Zoo is onze kleine Rebel uit de handen van soldaten van het fransch-chineesche legioen overgegaan naar de markt te Shanghaï, en van daar wederom naar Japan. Eens werd een koerier van de fransche legatie in onze eetzaal geleid, om eene depêche over te reiken. De man droeg de uniform der afrikaansche jagers. Nauwelijks had Rebel hem gezien, of hij begon over al zijne leden te beven en vlood, zoo snel hij loopen kon, door een der deuren naar de veranda. De arme knaap! Uit zijne kindsheid is hem slechts ééne herinnering bijgebleven: eene vreeselijke herinnering, die hem nog van schrik verstijven doet, zoo vaak ze door eenig toeval weer wordt opgewekt: de herinnering aan lijken en stervenden, aan brandende huizen en aan een man met een rooden pantalon, die naar hem toekwam, hem beet pakte en wegvoerde, verre, verre weg!--De functiën van kamerdienaars worden waargenomen door de coskeïs, allen inlanders. Ieder der gasten en der beambten van de residentie heeft zijn bijzonderen coskeï. De mijne is een vlugge knaap, Fô geheeten. Even als de meeste Japanneezen, weet hij niet juist hoe oud hij is: maar het is zeker, dat hij nog onder de jongelingen wordt gerekend, want men heeft hem de hairen nog niet van voren tot aan de kruin weggeschoren. Fô is zeer vlug van begrip en bijna altijd in hetzelfde humeur. Hij behoeft voor de Javanen, in bescheidenheid, kalmte en stiptheid in zijn dienst, niet onder te doen: en hij heeft boven hen het groote voordeel eener goede opvoeding en van een vroolijk en beminnelijk karakter. Hij is ook mijn eerste leermeester in het Japansch geweest.--Om de lijst onzer bedienden te completeeren, moet ik ook nog melding maken van de bemanning der consulaire sloep, bestaande uit vier roeiers en hun chef, die even goed als zijne onderhoorigen, en zelfs beter, de riemen weet te hanteeren. De chef is gehuwd en woont in eene hut op het strand. De roeiers huizen gewoonlijk 's nachts in de sloep. Deze lieden heeten sendos en vormen insgelijks een bijzonder gilde.
Gij ziet dat ons personeel uit zeer verschillende, zeer heterogene bestanddeelen is samengesteld. Toch is hierin niets bijzonders: in Britsch-Indië en in geheel het verre Oosten zult ge herhaaldelijk hetzelfde zien. In onzen tijd doorkruist de stoomvaart alle zeeën der wereld, op de wijze van de veroveraars der oudheid, die achter hun zegekar de overwonnelingen uit alle talen, natiën en volken medevoerden. Onze industriëele en liberale eeuw echter slaat de voor de beschaving gewonnen volken niet in ketens: zij weet hen aan zich te verbinden door de banden van het materiëel belang, door handel of loon. Voorzeker, dikwijls genoeg veroorloven hare vertegenwoordigers in deze verre landen zich daden, die niet zeer veel verschillen van de oude, echte praktijken der slavenhandelaars. Maar toch: bij een blik op de wondervolle, naar alle zijden heen gerichte werkzaamheid onzer eeuw, gebiedt de billijkheid te erkennen, dat de brutale hebzucht en het ruw geweld minder dan vroeger de veroveringen der beschaving bezoedelen: althans dat deze hartstochten niet zoo onbeschaamd optreden als weleer. En evenzeer moet erkend, dat zelden een rijker overvloed van krachten en gaven dienstbaar is gesteld, hetzij ter bevordering der zuivere wetenschap, hetzij der beschaving, hetzij van de christelijke zending.--Bij al het verkeerde en verderfelijke, bij al wat bekommering en vrees voor de toekomst wekt, moet ook deze lichtzijde der geschiedenis onzer dagen niet worden vergeten: daar liggen de stille kiemen voor een beteren dag.
III.
Onze buurt.--Het eiland Benten.--De tempel.--Theehuizen.--De wijk der Yakoeninen.--Een bezoek mijner buurvrouwen.
Benten, eene der wijken van de japansche stad te Jokohama, ontleent haar naam aan eene godin der zee, wier heiligdom op een eilandje ten noordwesten van onze residentie wordt aangetroffen. Vóór de komst der Europeanen was deze gewijde plek slechts door een nietig visschersdorp omgeven, dat door een moeras van het niet veel meer beteekenende Jokohama gescheiden werd. Tegenwoordig is de geheele vlakte tusschen Treaty-point en de rivier nabij onze woning ingenomen door straten, kaaien, woonhuizen en magazijnen. Alleen het eiland Benten met zijne onmiddellijke omgeving heeft zijn vroeger voorkomen behouden. Het eiland ligt in een kleinen inham, dien de rivier even voor haar uitmonding in de reede van Jokohama vormt. Aan alle zijden door een dam van granietblokken omringd, is het met de stad verbonden door eene brug, die schier geheel wegschuilt achter het dichte gewas van struiken, bamboes en biezen, die op deze plek het bed der rivier halverwege innemen. Maar de eigenlijke toegang tot het eiland is ook aan de andere zijde, meer ten westen: en deze toegang is beter in overeenstemming met de heiligheid der plaats. Onder de straten die van Benten naar het naast gelegen marktplein der japansche stad voeren, is er eene die bovenal de aandacht trekt. Zij schijnt geheel met pijnboomen beplant: en inderdaad, wanneer ge den slagboom zijt doorgegaan, die hier des nachts iedere straat afsluit, ziet ge eene lange laan van pijnboomen voor u, en vlak op den voorgrond eene dier eigenaardige poorten, die men hier toris heet. Deze poorten bestaan uit twee houten palen, die naar boven elkander langzaam naderen en in een punt zouden samenloopen, indien zij niet, op zekere hoogte, door twee dwarsbalken werden doorsneden en vereenigd: de beide uiteinden van den bovensten en zwaarsten dezer balken zijn licht omgebogen. Een tori verkondigt altijd de nabijheid van een tempel, eene kapel of eene of andere gewijde plaats. Wat wij in onze prozaïsche nuchterheid eenvoudig eene natuurkundige curiositeit noemen: eene grot, eene levende bron, een reusachtige boom, eene fantastisch gevormde rots--is voor den Japanner het voorwerp òf eener eerbiedige vereering òf eener bijgeloovige vrees, naarmate hij meer of minder door de boeddhistische geestenleer wordt beheerscht; en de bonzen uit den omtrek blijven nooit in gebreke, aan dit volksgeloof eene zichtbare uitdrukking en wijding te geven, door nabij de merkwaardige plek een tori op te richten.
Soms verrijzen, op regelmatige afstanden, verscheidene toris achter elkander op den weg, die naar een of anderen beroemden tempel geleidt: zóó aanschouwt ge hier, in haar eenvoudigsten vorm, dezelfde kunstenaarsgedachte, die te Athene de propylaeën en te Rome de kolonnade van Sint-Pieter schiep.
De pijnboomen der laan te Benten zijn slank, spichtig en, meerendeels, eenigszins gebogen door den invloed der zeewinden. Van afstand tot afstand dragen zij lange dwarsbalken waaraan de bonzen, op feestdagen, opschriften, kransen en vlaggen hechten. Aan het einde der laan verrijst een tweede tori, minder hoog dan de eerste, zoo als dat, om den wille der perspectief, behoort. Daarbij gekomen, ontwaart ge met verwondering, dat de laan een hoek maakt en zich rechtsom wendt. Het ziet er hier geheimzinnig uit: de grond is met gras en struiken en pijnboomen bedekt; links kabbelen de kalme golfjes der kleine baai, door een arm der rivier gevormd; voor ons, eene houten brug, ernstig en toch sierlijk, breed en sterk gewelfd; aan de overzijde der brug een derde tori, fantastisch afstekende tegen het donker groen der zware boomen op den achtergrond. Wij gaan over de brug, wier palen met koperen ornamenten zijn versierd, en betreden eindelijk de gewijde plek. De derde tori, van boven prijkende met een gouden opschrift op een zwarten grond, is geheel uit graniet van zeldzame witheid opgetrokken, even als de grafmonumenten, smaakvol ter linkerzijde der laan gegroept. De tempel daar vóór ons duikt bijna geheel weg in de dichte schaduw der ceders en pijnboomen. Nauwelijks bespeuren wij, in de geheimzinnige schemering, de op de trappen neergeknielde geloovigen, die der godin hunne hulde komen brengen. Is er niemand in den tempel, dan kunnen zij een der dienstdoende bonzen roepen: en wel door middel van een bundel schelletjes, die met een langen lap in beweging worden gebracht. Aanstonds komt dan de bonze te voorschijn, gereed om, al naarmate van hem verlangd wordt, raad te geven, kaarsen of amuletten uit te deelen, de verplichting op zich te nemen om gebeden op te zeggen, of wel litanieën te lezen: alles, wel te verstaan, tegen betaling.--Alvorens het heiligdom te betreden, moet de Japannees zich wasschen en het gelaat en de handen reinigen; te dien einde heeft men, dicht bij den tempel, aan de rechterhand eene kleine kapel gebouwd, waar ge een bekken met wijwater vindt voor de wasschingen en handdoeken van krip-zijde. Twee andere naburige kapellen bevatten, de eene de groote trom, die voor klok dient, en de andere de ex-voto's der geloovigen. De bonzen, die in den tempel van Benten dienst doen, schijnen juist niet in overdaad te leven: hunne kleeding is doorgaans slordig en onzindelijk; de uitdrukking van hun gelaat heeft iets stompzinnigs, iets dierlijks zelfs, en tegenover vreemde bezoekers zijn zij meestal hoogst onaangenaam. Ook is men onwillekeurig geneigd, zich op een eerbiedigen afstand van deze heilige mannen te houden.
Ik ben nooit in de gelegenheid geweest, de dienst bij te wonen, dan slechts eens: bij de processie ter eere der schutspatronesse. Het schijnt, dat de bonzen, in gewone tijden, zich er toe bepalen om, zoo te zeggen, eenige uren van den dag zitting te houden. Voor zoover ik heb kunnen nagaan, kwamen maar weinig lieden hun raad of voorbede inroepen: en dat waren meest vrouwen van boeren of visschers, of ook doortrekkende pelgrims. Maar meermalen heb ik des avonds, bij het ondergaan der zon en zelfs nog diep in den nacht, het geluid der tamboerijnen gehoord, waaruit, behalve bij plechtige gelegenheden, het geheele orkest van den tempel van Benten bestaat. De bonzen bespelen dit vervelend instrument uren achtereen en altijd op dezelfde maat: en niets evenaart den treurigen, somberen indruk van dit dof en eentonig geluid, wanneer het, in de diepe stilte van den nacht, zich met het zwaarmoedig suizen in de zware cederen en het geruisch der golven vermengt. Het vervolgt u en stoort zelfs uw slaap, als een benauwde droom. Maar weegt niet de godsdienst zelve, die dergelijke praktijken in het leven roept, als een akelige en benauwde droom op den geest van geheel het volk? Wel verre van de natuurlijke godsdienst te zijn, is het heidendom de vijand der menschelijke natuur, de godsdienst van den gevallen en ontaarden mensch; en vandaar dat zijn aanblik eene onbeschrijfelijke ontroering, een instinktmatigen afkeer in onze ziel verwekt: een gevoel, dat niet enkel een gevolg onzer christelijke opvoeding, maar veeleer de onwillekeurige uiting onzer innigste natuur is.
Tot de noodzakelijke omgeving van iederen japanschen tempel behooren de theehuizen: dat zijn herbergen, waar men voornamelijk thee, maar ook saki drinkt, een bedwelmenden drank, uit rijst gestookt; ook zijn er vruchten, visch en taartjes van rijst of tarwe te krijgen, en wordt er uit zeer kleine metalen pijpen fijn gehakte tabak gerookt, die evenwel van alle narcotische bestanddeelen vrij is: het gebruik van opium is in Japan onbekend. Deze etablissementen, waar ge altijd door vrouwen bediend wordt, en waar, in den regel, niets uw gevoel van betamelijkheid kwetst, zijn echter, bijna zonder uitzondering, huizen van zeer slechten naam. Vooral is dit het geval met die, welke men bij de toris te Benten aantreft. Misschien is dit nog een overblijfsel uit den tijd, toen het kleine eiland, aan de godin der zee gewijd, door vele pelgrims werd bezocht. Tegenwoordig staat de tempel der godin bijna verlaten; maar in de nabijheid is een groot militair etablissement, waarmede de tegenwoordige regeering, die wel eenigszins het régime van den sabel huldigt, de stad Jokohama begiftigd heeft. Dit etablissement beslaat de geheele ruimte tusschen het eiland Benten en de hollandsche residentie.
Eene merkwaardige verzameling van hofjes, door ons de wijk der Yakoeninen genoemd, wordt uitsluitend bewoond door de verschillende ambtenaren, die van wege het gouvernement met den dienst der douane, de policie in de haven en de publieke plaatsen, de instructie der militie, de bewaking der japansche stad en van de toegangen naar de europeesche wijk, zijn belast. De Yakoeninen dragen geen ander uiterlijk teeken hunner waardigheid, dan een ronden punthoed van verlakt karton, en, ter linkerzijde, twee sabels in den gordel: een grooten met een lang gevest, en een kleinen die eenigszins op een zwaard gelijkt en bij het gevecht van man tegen man wordt gebruikt. Die sabels zijn dan ook het eenige krijgshaftige van deze ambtenaren, wier getal eenige honderden beloopt, en die meest gehuwd en vaders van gezinnen zijn. Zij zijn allen op dezelfde wijze gehuisvest, zonder dat daarin eenig onderscheid van rang schijnt te bestaan.
Het is niet onaardig te zien, hoe de regeering van den Taïkoen het heeft aangelegd om, met inachtneming van de regels der afgepaste en strenge discipline, die dit gouvernement kenmerkt, een geheel leger van ambtenaren als het ware in de stad te doen kampeeren. Het is in zekeren zin de toepassing van het cellulaire stelsel op het familieleven. Verbeeld u eene menigte houten woningen, die te zamen een langwerpig vierkant vormen, en met de straat gemeenschap hebben door middel van lage deuren, op regelmatige afstanden in eene houten schutting aangebracht. Iedere dezer deuren geleidt naar eene binnenplaats, met een kleinen tuin, een waterbak, een stookplaats en andere aanhoorigheden; op den achtergrond ziet ge, gelijkvloers, eene ruime kamer, die door middel van losse schutten, in twee of drie vertrekken kan worden verdeeld. Deze plaats en deze kamer maken te zamen de woning uit eener yakoeninenfamilie. Elk der vierkante vakken, die de straten dezer wijk vormen, bevat ongeveer een dozijn zulke woningen, zes aan zes geschaard; de kamers zijn gedekt met grijze pannen, en alle daken zijn even hoog. Deze wijk der Yakoeninen is inderdaad een meesterstuk van eenvormigheid en regelmatigheid! De straten zijn doorgaans ledig, want de mannen brengen het grootste gedeelte van den dag in de tol- of wachthuizen door; en gedurende de afwezigheid van het hoofd blijft ieder gezin in zijn eigen perk opgesloten. Zelfs wordt meestal gedurende dien tijd de lage deur aan de straat niet eenmaal geopend. Intusschen heeft deze gewoonte niets gemeens met de dwaze maatregelen, die in Turkije en andere oostersche landen noodig worden geacht ter bescherming van de deugd der gehuwde vrouwen: zij is veeleer een uitvloeisel van de eigenaardige verhouding, waarin de japansche zeden den vader des gezins plaatsen. De vrouw eerbiedigt hem als haar heer en meester. In zijne beschermende tegenwoordigheid wijdt zij zich, zonder eenige terughouding, aan de zorgen des huisgezins, zonder zelfs op de blikken van den vreemdeling te letten. In zijne afwezigheid echter, neemt zij eene terughouding in acht, die de vreemde bijna geneigd zou zijn aan zedige ingetogenheid toe te schrijven, maar die slechts het gevolg is van de afhankelijkheid, waarin het huwelijk haar plaatst.
Langzamerhand is er eene zekere vertrouwelijkheid ontstaan tusschen onze residentie en de wijk der Yakoeninen. In Japan, zoo goed als overal elders, wordt de vriendschap door kleine attenties, geschenken en dergelijken, gekweekt. Wisten wij dat ergens eene kraamvrouw of eene kranke was, dan werd daar suiker of koffie heengezonden; en deze geschenken werden met dankbaarheid aangenomen.
Eens, dat ik alleen te huis was, des middags tusschen vier en vijf uren, kondigde de monbar mij het bezoek aan eener vrouwelijke deputatie uit de wijk der Yakoeninen, en vroeg mij wat hij doen moest. Deze dames hadden van hare echtgenooten vergunning gekregen, om ons te komen bedanken; en te gelijk wenschten zij van de gelegenheid gebruik te maken, om ons europeesch ameublement eens op haar gemak op te nemen. Ik antwoordde den portier, dat hij de bezoeksters moest binnen leiden, en dat ik gereed was haar te ontvangen. Weldra hoorde ik het geklepper van een aantal houten sandalen op de kiezelsteentjes der paden van den tuin, en zag ik aan den voet der trap, tegenover den salon, eene vroolijk glimlachende groep verschijnen, waaronder ik al dadelijk vier gehuwde vrouwen, twee jonge meisjes en kinderen van allerlei leeftijd onderscheidde. De eersten waren kenbaar aan den stemmigen ernst van haar toilet: geen versiersel in hare haren, geene schitterende kleuren aan haar gewaad, geen blanketsel op de wangen; maar daarentegen de tanden zwart geverwd, zoo als het, naar japansche zeden, aan eene gehuwde vrouw voegt. De jonge meisjes verhoogen de natuurlijke blankheid harer tanden nog door de lippen met karmozijn te verwen; zij blanketten zich het gelaat, vlechten door hare zware lokken purperen linten en dragen een breeden veelkleurigen gordel. De kleeding der kinderen bestaat uit veelverwige jurken en gordels: hun haar wordt nooit gekapt; dikwijls zelfs zijn hunne hoofden kaal geschoren, met uitzondering van enkele vlokken, in lengte en gedaante verschillend, naarmate van den ouderdom en de kunne.
Na de gebruikelijke groeten en buigingen, begonnen de woordvoersters der deputatie--want er spraken altijd twee of drie tegelijk--mij in het japansch allerlei liefelijkheden en complimenten toe te voegen, waarop ik in het fransch antwoordde, tegelijkertijd het gezelschap uitnoodigende in den salon te komen. Blijkbaar had men mij begrepen; ik hoorde welbekende dankbetuigingen: en toch, in plaats van de trap te bestijgen, scheen men nog iets van mij te willen weten. Ik begreep niet wat men verlangde; maar eindelijk kwam het gebarenspel de taal te hulp, en nu begreep ik het. Moeten wij onze sandalen in den tuin uitdoen, of is het goed, als wij ons eerst onder de veranda ontschoeien? Wel, natuurlijk het laatste, dames! En zie, daar besteeg het geheele gezelschap de trappen; de houten sandalen werden uitgetrokken en op een rij gezet; en nu gingen allen naar binnen, de kinderen blootsvoets, de volwassenen op katoenen sokken, even als onze wanten in tweeën verdeeld: een vak voor den grooten teen, en het andere en grootste voor het overige van den voet.
De eerste indruk was die eener ongekunstelde bewondering, dadelijk gevolgd door een algemeen gelach: want de groote spiegels der zaal weerkaatsten overal, ten voeten uit, de beelden onzer bezoeksters. Terwijl de jongsten bezig waren dit ongekend en voor haar zoo aanlokkend schouwspel te genieten, vroegen mij de moeders, wat de schilderijen tegen den wand beteekenden. Ik beduidde haar, dat dit de portretten waren van den Taïkoen van Holland, van zijne gemalin en van verschillende groote daïmios of prinsen van den bloede. Zij maakten toen eene eerbiedige buiging; maar eene van haar, nieuwsgieriger dan de anderen, vroeg, met eenige aarzeling op een portret wijzende, of dat de bêto van Zijne nederlandsche Majesteit was en hoe die in zoo aanzienlijk gezelschap behoorde? Ik beantwoordde die vraag maar toestemmend: want nooit zou ik haar aan het verstand hebben kunnen brengen, dat een echte prins aldus, staande nevens zijn paard en met den teugel in de hand, kon worden afgebeeld. Intusschen hadden anderen nauwkeurig de damasten zittingen der stoelen en sofa's onderzocht, en kwamen mij nu opheldering vragen omtrent het gebruik dezer meubels, waarover zij het oneens waren. De stoelen, begrepen zij, waren bestemd om er op te zitten; maar de sofas? Moest men daar niet met gekruiste beenen op neêrhurken, vooral wanneer men zou eten aan de daarvoor geplaatste tafel? Zij schenen de heeren en dames van het westen, die zich het ongemak getroosten van met afhangende beenen op dit meubelstuk te zitten, hartelijk te beklagen. Daar mijne kamer nevens den salon was en de deur open stond, was zij spoedig ingenomen. Ook hier waren allerlei zaken, die de aandacht mijner bezoeksters trokken; maar wat haar het meest boeide, was een stel knoopen, waarop het kruis uit het zwitsersche wapenschild was gegraveerd. Zij moesten er noodzakelijk eenigen van hebben, al kon ik niet raden wat zij er mede zouden doen, daar in Japan de kleederen beiden van mannen en vrouwen met zijden koorden worden dicht gesnoerd.
Ik bood aan de dames eenige fleschjes reukwerk en aan de kinderen prenten ten geschenke, zwitsersche landschappen en kleederdrachten voorstellende. Voor afscheid liet ik aan de volwassenen een photographisch album met familieportretten zien, dat zij met wezenlijke belangstelling en aandoening beschouwden. In waarheid, hier in den kring der natuurlijke banden van liefde en vriendschap, openbaart zich aan alle plaatsen en onder alle volkeren de eenheid van het menschelijk hart. Wat is de verscheidenheid der talen tegenover deze eene algemeene spraak, die zich verstaanbaar maakt door een blik, door den traan, die aan de wimpers beeft, door de zachte trilling der zielvolle stem? In het oog van alle half beschaafde volken is de reiziger een voorwerp van innig mededoogen, want hij is verwijderd van alles wat het leven zoet en bekoorlijk maakt: het gezin, het ouderlijk huis, het land der vaderen. Een heilige eerbied tempert het medelijden, zoo het blijkt dat hij zijn vaderland verlaten heeft, om in verre streken een vromen pelgrimstocht te volbrengen: maar louter om stoffelijk belang zoo verre van het vaderhuis te zwerven, is iets waarvan mijn beminnelijk gezelschap zelfs geen flauw begrip heeft. Als zij vernemen, dat ik noch balling noch pelgrim ben, mengt zich eene eigenaardige verbazing, haast eene zekere huivering in de betuigingen van sympathie en vriendschap dezer goede vrouwen.--Wel, wel, ik ben ver van Europa, in eene wereld, aan onze beschaving geheel vreemd;--en het was hoog tijd, niet waar? dat men deze arme eilanders uit hunne afzondering kwam scheuren, om hun denkbeelden in te prenten die beter passen in onze industriëele eeuw!--
IV.
Op het land en aan de zee.--De kustbewoners.--Japansche landschappen.--De landbouw.--Rijstcultuur.