Japan De Aarde en haar Volken, 1867
Chapter 2
En hadden nu deze kooplieden hun doel bereikt, werd hun de gehoopte bloedprijs uitbetaald? In geenen deele: de japansche regeering, door de gebeurtenissen der laatste jaren steeds wantrouwender geworden, begon ook de hollandsche handelaars telkens meer in hunne vrijheid te beperken en als verdachten te behandelen. Zij hadden dan ook weinig gedaan, wat aan de keizerlijke regeering eerbied kon afdwingen of wezenlijk vertrouwen inboezemen! Eerst, reeds in 1640, ontvingen zij, van wege den Keizer, het bevel dat alle woningen te Firando, waarop het jaar der geboorte van Jezus Christus stond gebeiteld, moesten worden afgebroken, en dat zij zich van het openlijk vieren van den zondag hadden te onthouden: "opdat, zeide de keizerlijke gezant, deze naam in Japan geheel verloren ga."--En het opperhoofd der hollandsche factorij antwoordde: "al wat zijne Keizerlijke Majesteit beveelt, zal stipt ten uitvoer worden gebracht;" en het geschiedde alzoo. Het volgende jaar kwam het bevel, Firando geheel te ontruimen en naar het eilandje Decima te wijken--en het geschiedde. Daar leefden de weinige Hollanders, wien het verblijf op dit plekje grond, ongeveer zoo groot als de Dam te Amsterdam, vergund werd, in een staat van bijna volkomen gevangenschap, voortdurend onderworpen aan allerlei kwellingen, aan de onhebbelijke plagerijen der ambtenaren van een achterdochtig gouvernement, dat tegen ieder vaartuig, dat de haven binnenkwam, tegen iederen vreemde, die voet aan wal zette, de scherpste inquisitie instelde. En telkens werden de perken vernauwd, waarbinnen de handel zich mocht bewegen, telkens nieuwe belemmeringen uitgedacht, en het cijfer van in- en uitvoer steeds lager gesteld. Toch lieten zij niet af: en men weet inderdaad niet, waarover zich meer te verwonderen: òf over het onuitputtelijk geduld, om niet te zeggen de onmannelijke gedweeheid, waarmede men zich, ter wille van eene luttele winst, aan al deze vernederingen en kwellingen bleef onderwerpen; òf over de volharding, waarmede dit afmattend stelsel van bespieding en inquisitie twee eeuwen lang werd volgehouden. Voorwaar, onze koloniale geschiedenis heeft schooner en roemrijker bladzijden, dan die waarop onze betrekkingen met Japan zijn geboekt! En toch--vreemd niet waar?--ditzelfde eilandje Decima, dat zoo menigmalen getuige was geweest van den smaad, den hollandschen, den Christennaam aangedaan: ditzelfde Decima zou, drie jaren lang,--van 1810 tot 1813--de eenige plek op aarde zijn, waar de vlag van Oud-Holland bleef wapperen, toen zij overal elders was neergehaald. Deze herinnering is het, die ons dit povere plekje gronds, waaraan overigens zoo weinig nobele herinneringen kleven, lief en dierbaar maakt; en met wel verdiende eere moet de naam worden genoemd van Hendrik Doeff, gedurende dertien bange jaren, van 1804 tot 1817, nederlandsch opperhoofd in Japan. Afgescheiden van het moederland niet alleen, maar straks ook, na de overgave van Java aan de Engelschen, van de koloniën in Indië; onbekend met de gebeurtenissen in Europa; van alle hulp verstoken, wist deze kloeke man, met zeldzame geestkracht, zijne positie tegenover de japansche regeering te handhaven niet slechts, maar ook de listig overlegde pogingen der Engelschen te verijdelen, om zich van den handel op Japan meester te maken. Die handel, hoe weinig beteekenend ook, bleef vooreerst een monopolie van Nederland; en alle latere pogingen, door Engeland, Rusland, Frankrijk en Amerika aangewend, om tot de gesloten havens van het japansche rijk toegang te verkrijgen, leden jaren lang schipbreuk op de hardnekkige weigering eener regeering, voor wie uitsluiting van allen vreemden invloed levensbeginsel was geworden.
Maar de tijd naderde, waarop ook de keizerlijke regeering van Japan zou moeten zwichten voor den onweerstaanbaren aandrang der westersche wereld, en haar stelsel van afzondering opgeven. Het volhouden van dat stelsel werd steeds moeielijker. De uitbreiding van den engelschen en amerikaanschen handel en scheepvaart langs de noordoostelijke kusten van Azië; de veelvuldige aanraking waarin Japan, ook onwillekeurig, gedurende de chineesche oorlogen, met Rusland en vooral met Engeland kwam; de voortgang van den opstand in het Hemelsche Rijk; de steeds verder om zich grijpende verandering in de eeuwenoude betrekkingen van het onbewegelijke Oosten: dit alles dwong de japansche regeering, hoezeer haars ondanks, met de mogendheden van het Westen in betrekking te treden. De vermaning daartoe, reeds tijdens den eersten chineeschen oorlog, van onzen Koning Willem II uitgegaan, bleef evenwel zonder gevolg; en eerst aan de energie en halsstarrige vasthoudendheid van den amerikaanschen commodore Perry gelukte het, in 1854, een traktaat van voortdurende vrede en vriendschap tusschen de Vereenigde Staten en Japan te sluiten, waarbij eenige havens voor den handel werden opengesteld en de vestiging van een amerikaansch consulaat te Simoda vergund. Nu de slagboom eenmaal opgeheven was, bleven ook anderen niet achter. Lord Elgin, de opperbevelhebber der britsche zeemacht in den tweeden chineeschen oorlog, wist in 1858 te Jedo zelf met de japansche regeering een nog voordeeliger traktaat te sluiten, waarbij onder anderen ook werd bepaald, dat een britsch gezant te Jedo zou mogen resideeren en vrij het geheele rijk doorreizen. Ook met Frankrijk, Rusland, Nederland en andere mogendheden zijn sedert traktaten gesloten, en japansche gezantschappen hebben de voornaamste hoofdsteden van Europa bezocht. Voorzeker is ook deze groote omwenteling niet zonder tegenstand en velerlei schokken tot stand gekomen, en nog zijn de gevolgen daarvan niet te berekenen. Eene machtige partij aan het hof van den Mikado heeft gedurende langen tijd de bekrachtiging der met de vreemdelingen gesloten traktaten weten tegen te houden; allerlei uitvluchten zijn telkens gezocht om de volledige uitvoering der aangegane verbindtenissen te ontduiken; een en andermaal zelfs hebben Nederland, Engeland en Frankrijk zich verplicht gezien met kracht van wapenen de onwillige rijksvorsten te dwingen tot eerbiediging hunner erkende rechten. Maar de teerling is geworpen: de slagboom, die meer dan tweehonderd jaren lang Japan van de buitenwereld heeft afgesloten, is verbroken, en geene menschelijke macht kan hem weder herstellen. Als een geweldige stroom dringt, uit het oosten en het westen, de christelijk-europeesche beschaving Japan binnen, en alle pogingen om dien stroom nu nog te keeren, kunnen geen ander gevolg hebben dan de beslissende krisis te verhaasten, waarin Japan met geheel het Oosten is gewikkeld. Welke omkeeringen, welke herscheppingen zullen ons de naderende jaren te aanschouwen geven? Niemand weet het: doch dit is zeker, dat ontzaggelijke gebeurtenissen, die het aanschijn der wereld veranderen zullen, worden voorbereid; dat nieuwe tijden in aantocht zijn, wier geheimen nog geen oog doorgronden kan. [2] Zie, van alle kanten worden de ijzeren poorten van het welbewaakte Oosten opengebroken; reeds vaart eene rilling, eene geheimzinnige huivering, door de leden der schoone slaapster, sinds eeuwen ingesluimerd op haar bloemenbed, onder de schaduw harer palmen, bij het gemurmel harer blauwe wateren. Hij, die haar sluimer breken moet, hij, de lang verwachte uit het verre land, is gekomen en dringt telkens verder door, tot hij eindelijk het binnenste heiligdom bereikt zal hebben en zijn tooverwoord de slapende wekken zal. Komt hij ook tot dusver meest in weinig beminnelijke gestalte, met het zwaard des krijgsmans of het goud des koopmans in de hand, alleen door eerzucht of winstbejag gespoord, toch zal hij ook in andere gedaante optreden; als broeder zal hij spreken tot de oudere, sinds lang veronachtzaamde zuster, als bode van Hem, die ook voor haar de woorden heeft des eeuwigen levens. Het groote werk is pas aangevangen, en geslachten bij geslachten zullen er wellicht nog voorbijgaan, eer het zijne voltooiing nadert. God is geduldig, omdat Hij eeuwig is! Maar toch is het einde gewis; toch is ons de belofte gegeven: zie, Ik maak alle dingen nieuw; toch zweeft bij wijlen voor onzen verrukten blik dat heerlijk visioen der toekomst, dat de grijze balling op Patmos aanschouwde, en waarheen de brandende begeerte der menschheid zich uitstrekt, eeuw aan eeuw. Wat nood dan, of donkere wolken samenpakken aan den horizon, wat nood, of de stormen gieren en de opgejaagde golven het ranke scheepje dreigen te verzwelgen: wij weten, wie ons leidt. Wij weten, dat alle dingen en alle daden der menschen moeten samenloopen en medewerken tot de vervulling dier profetische bede: Vader, uw Koninkrijk kome!
In het najaar van 1862 werd ook door de zwitsersche regeering een gezant naar Japan afgevaardigd, om een handelstraktaat te sluiten. Deze gezant, de heer Aimé Humbert, heeft van zijn verblijf in Japan gebruik gemaakt, om zich zoowel met het land zelf als met de zeden en gebruiken zijner inwoners en de maatschappelijke, staatkundige en godsdienstige toestanden in het keizerrijk bekend te maken, althans voor zoover dat tot dusver mogelijk is. Zijne schetsen en opmerkingen, zijne herinneringen en beschouwingen zullen, naar ik vertrouw, ook den lezers der Aarde niet onwelkom zijn. Hem zij dan nu het woord gegeven.
II
De golf van Jedo.--Oeraga--Herinneringen aan de amerikaansche expeditie onder Perry.--Jokohama.--De residentie van den hollandschen consul.--Eene europeesche woning in Japan.--Onze bedienden.
Den 26 April 1863 kwam de nederlandsche korvet, de Vice-admiraal Koopman, waarmede ik den overtocht gedaan had, bij het krieken van den dageraad, in het gezicht van zes kleine, rotsachtige eilanden, die als wachters aan den ingang der golf van Jedo zijn geplaatst. Een dezer eilanden, Miakesima genaamd, onderscheidt zich boven de anderen door een hoogen en breeden bergtop, met eeuwige sneeuw gekroond.--Statig rijst de zon boven de kimmen, en in haar doorzichtigen morgennevel gehuld, vertoont zij ons het beeld van den purperen bol, die, op een wit veld, op het wapenschild van Japan prijkt. Haar eerste stralen verlichten de hooge kaap Idsoe op het vaste land van Nippon [3] ten zuiden; terwijl ver in het noordwesten, de grijze rookwolken uit de beide kraters van het eiland Ohosima in de heldere lucht opstijgen.--Aan den voet van het voorgebergte Idsoe, aan eene kleine baai, ligt de stad Simoda, de eerste maar ook de onbelangrijkste der koopsteden, die ge bij het opvaren der golf van Jedo ontmoet. In 1854 verkregen de Amerikanen vergunning, hier een consulaat te vestigen. Eene geweldige aardbeving heeft echter kort daarna den grond der reede van Simoda verscheurd en verplaatst, en in de latere traktaten van 1858 is van deze stad geen sprake meer.
Langs de kust liggen en dobberen eene menigte visschersbooten; grooter vaartuigen met twee of drie zeilen, die van Nippon naar de naburige eilanden gaan, doorkruisen de kalme wateren der golf. Het is een prachtig gezicht. Aan den helderblauwen hemel straalt de morgenzon en giet een stroom van licht over het wijde landschap; de groenachtige golven der zee, die de donkere tinten, aan den diepen Oceaan eigen, verloren hebben, maar al de doorschijnende helderheid behouden, die haar aan de rotsachtige kusten van Japan onderscheidt: de golven der zee vonkelen in den zonneschijn. De lachende eilanden pralen in den vollen lentedos: het ernstige bruin der rotsen wordt afgewisseld door het levendige groen der plantenwereld, door de mengeling van geel en rood gesteente; en de blanke zeilen der inlandsche booten, de sneeuwdiadeem van Miakesima en de zilvergrijze rookwolken der kraters van Ohosima, voltooien de pracht van deze heerlijke schilderij.
Wij zeilen de rotsachtige kaap Sagami om, en bevinden ons nu in een enger bassin der golf van Jedo, waaraan men den naam van kanaal van Oeraga geeft. Dat is de naam der stad, waarvoor het eskader van commodore Perry in 1853 het anker uitwierp. Bij dit eerste bezoek, ontvouwde de amerikaansche gezant het doel zijner komst aan de afgevaardigden van de japansche regeering, en stelde hun den brief van den President der Vereenigde Staten voor den Taïkoen ter hand. Tevens deelde hij hun mede, dat hij in het volgende jaar zou wederkomen, om het antwoord te ontvangen. Hij kwam dan ook, nog voor dat het jaar verstreken was; en ondanks de vertoogen van den gouverneur van Oeraga, die in last had, het amerikaansche eskader, door minnelijke overreding, aldaar op te houden, zeilde de commodore voort, om aldus het hof van Jedo te doen begrijpen, dat het hem ernst was. Om echter de nationale gevoeligheid der Japanneezen niet al te zeer te kwetsen, vervolgde hij zijn tocht niet tot aan de hoofdstad, maar liet het anker op twaalf mijlen ten zuiden van Jedo vallen. Zes weken later, den 31sten Maart 1854, teekende hij het traktaat van Kanagawa, het eerste, waarbij Japan met de westersche wereld in rechtstreeksche betrekking trad. De namen van kapen en baaien en eilanden bewaren nog voor ons de herinnering aan deze amerikaansche expeditie. Boven Oeraga vindt ge de Susquehanna-baai; daartegenover, aan den oostelijken oever, ligt kaap Saratoga; en nog verder aan de westkust, de Mississippi-baai. Deze uitheemsche namen zijn ontleend aan de drie voornaamste schepen der amerikaansche flottille. Perry's-eiland en Websters-eiland vereeuwigen de namen van den commodore en van den amerikaanschen staatssecretaris, die de ontwerper en de ziel der geheele onderneming was.
Voorbij kaap Saratoga vernauwt zich het vaarwater: eene zandbank, die meermalen reeds oorzaak was van ongelukken, laat niet meer dan een geul van ongeveer zes mijlen breedte open. Maar weldra varen wij de eigenlijke baai van Jedo in: deze breidt zich, van het zuidwesten naar het noordoosten, over eene oppervlakte van ruim dertig mijlen uit, tot waar hare wateren de muren besproeien der grootste hoofdstad van Japan. Op de hoogte van de Mississippi-baai ontdekten wij voor het eerst den top van den Foesi-Jama, den Sterreberg: een uitgebrande vulkaan, die zich 12.450 voet boven de zee verheft. Hij ligt vijftig zeemijlen landwaarts in, ten westen van de baai. Aan zijn voet scharen zich de heuvelen van Akoni; geene andere bergen omringen hem: geheel afgezonderd rijst hij hemelwaarts, in onbeschrijfelijke majesteit. Inderdaad, niets kan een denkbeeld geven van den indruk, dien het gezicht van deze eenzame pyramide, met eeuwige sneeuw bedekt, op den reiziger maakt. De Foesi-Jama is in de eigenlijke baai van Jedo overal zichtbaar, en zet aan geheel het landschap eene eigenaardige verhevenheid bij. Toch heeft dit landschap reeds van zelf een ernstiger karakter dan dat der golf, vooral door den minderen afstand der oevers, de geelachtige zandkleur van het water, en de groote menigte van ceders, dennen en andere boomen, die alle heuvelen langs de kust in een donkergroenen mantel hullen.
Eindelijk stevenen wij langs een vooruitstekende, hooge landtong, Treaty-point genaamd; hier toch stond het gebouw opgericht, waar het verdrag met Amerika door den commodore Perry en de gezanten van den Taïkoen werd geteekend;--en eensklaps, achter dit schilderachtige voorgebergte, breidt zich voor onze oogen de stad Jokohama uit, met hare breede kaaien, en haar gordel van sierlijke heuvelen, die, in een wijden boog, de lage kust ten westen en ten zuiden omringen.
Een twintigtal engelsche, hollandsche, fransche of amerikaansche oorlogs- en koopvaardijschepen liggen op de reede geankerd, ongeveer vlak tegenover de europeesche wijk, kenbaar aan hare witte huizen en de vlaggen der verschillende consulaten. Inlandsche jonken hebben het anker uitgeworpen nabij de havendammen en de magazijnen der douane. Langzaam en statig stoomen wij voort langs de japansche stad, wier huizen, met uitzondering van enkele magazijnen, van hout schijnen gebouwd en maar ééne verdieping hebben. Tegenover de wijk Benten genaderd, aan het uiteinde der vlakte van Jokohama, bij den mond eener breede rivier, liet onze korvet het anker vallen in de nabijheid der hollandsche legatie, de eenige europeesche woning, die toen nog in dat gedeelte der japansche stad werd aangetroffen. Den volgenden morgen ging ik aan land, en werd allervriendelijkst ontvangen door den heer van Polsbroek, consul-generaal der Nederlanden, die mij dadelijk een verblijf in zijn huis aanbood.
De hollandsche residentie te Benten is door de japansche regeering gebouwd, die daarbij eene proef heeft willen nemen, in hoever de regelen der inlandsche architectuur in overeenstemming waren te brengen met de eischen onzer beschaving. Het hoofdgebouw vormt een langwerpig vierkant, bestaande uit twee hooge zijmuren, ten oosten en ten westen, en twee lange lage gevels, ten noorden en ten zuiden: deze laatsten zijn gedeeltelijk van steen en gedeeltelijk van hout en mortel. Eene ruime veranda, drie voet boven den grond verheven en op houten pilaren rustende, omgeeft het gebouw aan drie zijden: ten westen, ten noorden en ten oosten. Aan elke zijde wordt zij in het midden afgebroken door een sierlijken peristyle, die naar den tuin geleidt. Alle vertrekken komen onder de veranda uit, en wel met twee openslaande glazen deuren, die tevens de vensters vervangen. De oostelijke zijgevel, waar de salon is, heeft vier zulke deuren: de voorgevel ten noorden telt er acht. De hoofdingang van het huis is aan de westzijde: hij leidt naar een zeer ruimen, hoogen gang, die tot den salon voert en waarop ook alle andere vertrekken uitkomen. Iedere kamer staat dus op zich zelve en heeft twee uitgangen: een in de veranda en een in den gang.--De zuidzijde bevat alleen de badkamers, den wijnkelder, de provisiekamer, de keuken en slaapvertrekken. Dank zij de ruime afmetingen van den gang en de kamers, kan de lucht vrijelijk door het geheele gebouw spelen, en heeft men nergens last van bedomptheid. Het licht daarentegen zou door de veranda wel wat te veel getemperd worden, indien de vele groote glazen deuren hierin niet, althans tot op zekere hoogte, voorzagen.
Ziedaar eene getrouwe beschrijving der benedenverdieping van onze woning te Benten: en meer bevat deze ook niet: want de verdere ruimte van dit groote gebouw wordt ingenomen door allerlei getimmerten, die eene wonderlijke opeenstapeling van daken schragen. Deze ruimte is van binnen overigens geheel ledig: er zijn noch zolders, noch opkamers, noch vlieringen, zelfs geen dakvensters. Deze vreemde bouworde, aan Japan eigen, moet, naar men zegt, dienen om de tempels, de paleizen en andere groote gebouwen in staat te stellen, weerstand te bieden aan de aardbevingen en de geweldige orkanen, die hier niet zeldzaam zijn. Van buiten loopt een trap zig-zagsgewijze langs de daken op, en voert naar den top van het huis, waar men een soort van belvédère heeft gemaakt. Menigmaal hebben wij van deze hoogte uitgezien naar de paketboot, die de brieven en tijdingen uit Europa moest aanbrengen; menigmaal zetten wij ons troosteloos daar neder, wanneer de wanhopige langzaamheid der japansche regeering ons maanden lang tot werkeloosheid doemde, en wij in den toestand verkeerden van reizigers, wier schip door windstilte op de plek genageld wordt. Dan lieten wij onze blikken dwalen over de reede, waar de gealliëerde eskaders voor anker lagen, over de europeesche stad, waar de woningen als door tooverslag verrezen: en wij troostten ons met de gedachte, dat, al gingen de zaken niet zoo vlug als wij wel wenschten, het groote werk der openstelling van Japan toch werd voortgezet.
Vier personen slechts bewonen dit huis: de hollandsche consul-generaal en zijn kanselier, mijn hollandsche tolk, tevens secretaris, en ik. Maar wij zijn omgeven door eene geheele kolonie van geëmployeerden en bedienden, die in een aantal kleine huisjes, tusschen de hagen en bosschaadjes van den tuin verspreid, zijn gehuisvest.--Hier dicht bij den westelijken ingang onzer residentie, is de woning van den konstabel van het consulaat. In dit paviljoen hebben wij ons photographisch atelier gevestigd, en tevens een wachtkamer ingericht voor de mariniers der nederlandsche schepen. Iets verder, achter dit gebouwtje, is een vuurvrije bergplaats, hermetisch gesloten met een ijzeren deur en luik.--Een stevige palissade omgeeft den tuin aan alle zijden, behalve aan den kant der golf, waar zij vervangen wordt door een soort van barrière, uit bamboesrottingen vervaardigd. De palissade is zwart geverfd, en heeft een groote poort met drie ingangen. De middelste of hoofdingang is alleen voor den heer des huizes, zijne gasten en bezoekers bestemd; de twee kleine doorgangen ter wederzijde zijn voor de leveranciers, de inlandsche kooplui en de bedienden. Deze hekken staan den ganschen dag open, maar worden met zonsondergang gesloten. Nevens dezen ingang is de portiersloge. De eerste portier is een braaf huisvader, die een soort van aartsvaderlijk gezag uitoefent, niet alleen over de andere bedienden, maar zelfs over de buurt. Zijne woning, waar altijd de theepot, een komfoor, pijpen en tabak klaar staan, is de verzamelplaats van een geheelen troep leegloopers en oude wijven uit de wijk Benten. Toch wordt de dienst zoo zorgvuldig waargenomen, als men dit in het Oosten wenschen kan. De functiën van portier of monban, zoo als men hier zegt, bepalen zich niet tot het bewaken, openen en sluiten der aan zijne hoede toevertrouwde deuren; hij moet ook, zoowel bij nacht als bij dag, het uur verkondigen: en wel door met een houten hamer op de gong, een bronzen schild, dat aan de zoldering der loge is opgehangen, te slaan. Op dezelfde manier maakt hij ook bekend, wie de residentie komt bezoeken: één slag beteekent een koopman, een burger uit de europeesche wijk; twee slagen, een officier of een tolk; drie slagen, een consul, een scheepsgezagvoerder of een japansch gouverneur; vier slagen eindelijk, een minister of een admiraal. De weg van het hek naar de woning is lang genoeg, om den huisheer te vergunnen zich tot de ontvangst zijner bezoekers voor te bereiden. Ook moet de monban, hetzij in persoon, hetzij onder zijne verantwoordelijkheid door zijne ondergeschikten, zorgen voor de nachtwacht, die tweemaal in het uur langs al de woningen en door alle lanen van den tuin moet omgaan. De wachter moet daarbij gedurig, op zekere bijzondere wijze, twee stukken hout tegen elkander slaan. Is er onraad, dan moet hij daarvan dadelijk kennis geven door het slaan op de gong.
Wandelt ge onzen tuin aan de zuidzijde om, dan zoudt ge, zorgvuldig achter dichte heggen en struikgewas verborgen, langs de palissade een groot aantal woningen, loodsen, schuren en bergplaatsen ontdekken. Daar is de bleekerij, die onder het opzicht staat van een Chinees; daar zijn ook de stallen, en vlak tegenover dezen de woningen der bêtos of stalknechts, allen Japanners. Ieder paard heeft zijn bêto, die, om zoo te zeggen, het dier geen oogenblik uit het oog verliest; zelfs wanneer iemand onzer uit rijden gaat, onverschillig hoe lang de rit ook duurt, blijft de bêto altijd voor of nevens het paard loopen, om steeds bij de hand te zijn, als de ruiter zijne hulp mocht behoeven. Deze krachtig gebouwde lieden vormen een bijzonder gilde, dat zijne eigene rechtspleging heeft, en waarvan de overman of koning het recht bezit om, in de uitoefening van zijn ambt, een sabel te dragen. De bêtos zijn doorgaans van middelbare gestalte, maar wel gevormd. Bijna hun gansche leven loopen zij schier geheel naakt; gaan zij evenwel met hun heer uit, dan schoeien zij zich met sandalen, trekken een ligt jasje van blauw katoen aan en winden een doek van gelijke kleur om hun hoofd. Een onzer bêtos is gehuwd; en iederen morgen, bij het opgaan der zon, plaatst hij zich nevens den put en giet eenige emmers water over zijne vrouw, zijne kinderen, zijn paard en zichzelven uit.--Op de stallen volgen de hondenhokken en eindelijk een gaarde vol inlandsche kippen, hanen, ganzen en eenden.