Japan De Aarde en haar Volken, 1867

Chapter 11

Chapter 113,690 wordsPublic domain

Fidé-Yosi ontving van zijne hovelingen den bijnaam van den Groote (Taïko-sama); en onder dezen naam is hij in de historie bekend. Zijn gansche streven was gericht op een dubbel doel: de vernedering van den feodalen adel en de grondvesting eener monarchale regeering in zijne dynastie. Zelfs de vervolging der Christenen en de oogenschijnlijk dolzinnige oorlogen met China moesten aan de bereiking van dit doel dienstbaar zijn. De machtige leenmannen waren reeds verzwakt en uitgeput door onderlinge veeten en oorlogen: hij wilde hun ondergang voltooien, door hen ook in kostbare, buitenlandsche krijgstochten mede te sleepen of als verraders van hun vorst te straffen.

Hij deed meer. Onder voorwendsel, de vrouwen en kinderen der onder de wapenen geroepen daïmios te beschermen, dwong hij de familiën en voornaamste dienaren dezer heeren haar intrek te nemen in de woningen, die hij nabij zijne eigene burchten en in zijne hoofdstad voor haar had ingericht. Toen de vorsten uit China terugkwamen, gaf hij hunne landen niet terug, dan op voorwaarde dat zij daar alleen, zonder hunne familie, zouden wonen: maar tegelijk bepaalde hij een tijd, gedurende welken zij ieder jaar aan zijn hof moesten vertoeven, in den schoot hunner bloedverwanten, die aldaar als gijzelaars bleven.

Om de provinciën voor goed onder het bereik van het centraal gezag te brengen, liet Taïko-sama, tijdens de afwezigheid der edelen, door hunne bezittingen, tot aan de uiterste grenzen des rijks, een groote heirbaan aanleggen, die uitsluitend onder toezicht der beambten van den Sjoogoen werd gesteld, en waarop niemand anders iets te zeggen had. Deze heirbaan, van afstand tot afstand met post- en militaire wachthuizen voorzien, heet de Tokaïdo.

Door al deze en dergelijke maatregelen was de macht der Sjoogoens zoo zeer gestegen, dat werkelijk de heerschappij, in vollen omvang, in hunne handen was overgegaan. En de Mikado's zagen het aan en lieten het geschieden. Hun werd vergund om zich, bij hunne dagelijksche wandelingen, door de tuinen van het slot te laten rondvoeren in een kar op twee wielen, met een os bespannen: een gewichtig voorrecht inderdaad, in een land waar niemand van een rijtuig gebruik maakt. Maar toch hadden de Mikado's daarvoor geen afstand moeten doen van de ridderlijke oefeningen van het boogschieten, en de kloeke jacht op herten en wilde zwijnen, op reigers en wolven; veel minder nog van alle persoonlijke bemoeiing met de zaken huns lands. Ook mocht men hun wel de vermoeienis en verveling besparen dier plechtige vertooningen, waarbij zij, onbewegelijk op eene estrade gezeten, de zwijgende aanbidding van het ter aarde gebogen hof ontvingen: maar het was daarom niet noodig hen volstrekt ongenaakbaar en onzichtbaar te maken. Tegenwoordig heeft de Mikado geenerlei gemeenschap meer met de buitenwereld, dan alleen door tusschenkomst der vrouwen, met de zorg voor zijn persoon belast. Zij zijn het, die hem kleeden en voeden; die hem iederen dag een nieuw gewaad aantrekken, en hem iederen dag spijs en drank voorzetten in nieuwe, ongebruikte schotels, borden, bekers, zoo even uit de fabriek gekomen. Want nooit draagt hij tweemaal hetzelfde kleed, noch eet of drinkt tweemaal van denzelfden schotel of uit denzelfden beker. Zelfs het keukengereedschap, ter bereiding van zijn maaltijd, mag slechts eenmaal worden gebruikt. En wat hij heeft aangeraakt, is heilig, en mag voor niemand meer dienen: zijne kleederen, zijn huisraad, de overblijfselen van zijne maaltijden, worden dagelijks verbrand of weggeworpen. Nooit raken de voeten van dezen geheiligden persoon den grond aan; nooit beschijnt hem de zon; nooit zien ongewijde oogen in zijn gelaat; nooit mag de Mikado in aanraking komen met de elementen, met de zon, de maan, de menschen of ook met zichzelven. Welk een lot!

Aan deze verborgen Majesteit zou nu de Taïkoen een bezoek gaan brengen. De samenkomst moest natuurlijk te Kioto plaats grijpen: want het is den Mikado niet vergund die stad te verlaten. Hij bezit er alleen zijn paleis en eenige oude tempels van zijn geslacht: de stad zelve staat onder de heerschappij van den wereldlijken keizer; maar deze laat de inkomsten der gewijde metropolis aan den geestelijken souverein over, en onderhoudt er een garnizoen ter bescherming van den pontificalen troon.

Nadat van weerszijden alle voorbereidende maatregelen en schikkingen getroffen waren, maakte eene proclamatie den dag bekend, waarop de Taïkoen zijne hoofdstad zou verlaten: het groote en volkrijke Jedo, eene geheel moderne stad, het middelpunt der regeering, de zetel der marine- en militaire school, der school voor de tolken en der akademie voor de medicijnen en de wijsbegeerte.

Een talrijk legercorps, geheel op europeesche wijze gekleed en gewapend, werd vooruit gezonden; en terwijl deze keurbende, uit infanterie, kavallerie en artillerie bestaande, zich over land, langs den grooten keizerlijken weg, den Tokaïdo, naar Kioto begaf, ontving de oorlogsvloot bevel naar de binnenzee onder zeil te gaan. Hij zelf, de wereldlijke gebieder, scheepte zich in aan boord van het prachtige stoomschip de Lyeemoon, dat hij voor vijfhonderd duizend dollars gekocht had. Zes andere stoomschepen begeleidden hem: het waren de Kan-di-marrah, beroemd door zijn tocht van Jedo naar San-Francisco, ter overbrenging van het japansch gezantschap naar de Vereenigde-Staten; de korvet de Soembing, een geschenk van den koning der Nederlanden; het jacht de Emperor, een geschenk van koningin Victoria, en voorts fregatten in Holland of in Amerika gebouwd. Uitsluitend met japansche zeelieden bemand, zeilde dit eskader de baai van Jedo uit, voorbij kaap Sagami en het voorgebergte Idsoe, door de straat van Linschoten, langs de oostelijke kusten van het eiland Awadsi, en wierp eindelijk het anker op de reede van Hiogo, waar de Taïkoen zich onder herhaalde salvo's van het geschut aan wal liet zetten.

Eenige dagen later hield hij zijn plechtigen intocht in Kioto, zonder andere militaire vertooning dan van zijn eigen leger: om de eenvoudige reden, dat de Mikado noch troepen noch kanonnen tot zijne beschikking heeft, maar slechts eene eerewacht van boogschutters, allen van keizerlijken bloede, of althans tot den ouden feodalen adel behoorende. Ondanks dat, valt het hem moeielijk de kosten zijner hofhouding te bestrijden; aangezien de inkomsten uit de residentie daartoe te kort schieten, is hij verplicht eenerzijds een jaargeld aan te nemen, dat de Taïkoen de vriendelijkheid heeft hem toe te leggen; en anderdeels te leven van de opbrengst eener collecte, die sommige orden van bedelmonniken jaarlijks voor hem gaan doen, van stad tot stad en van dorp tot dorp, tot in de verwijderdste provinciën des rijks. En zelfs met deze hulpmiddelen zou hij nog zijn rang niet kunnen ophouden, zonder de nobele zelfverloochening van een aantal zijner hooge hofbeambten. Er zijn er velen onder hen, die hem kosteloos dienen, zonder eenige andere belooning dan het vrije gebruik der rijke, voorgeschreven kostumen uit de keizerlijke garderobe. Wanneer zij hun hofgewaad hebben afgelegd en in hunne woningen zijn weergekeerd, schamen deze hooggeboren edelen zich niet, om voor een weefgetouw of borduurraam plaats te nemen, en aldus met handenarbeid hun brood te winnen. Meer dan een dier schitterende zijden gewaden van Kioto, waarvan de bewerking zoo algemeen geroemd wordt, is vervaardigd in het huis van vorstelijke geslachten, wier namen in den kalender der kami's geschreven staan. Ziedaar wel inderdaad de echte, oude adel, de echte, oude trouw en toewijding aan den geboren vorst. Zou ook de Taïkoen, onder zijne hovelingen van nieuweren stam, zulke mannen vinden?

Maar de beperktheid van zijne middelen mocht den Mikado niet beletten, den dag der samenkomst in te wijden met de groote processie van den daïri: dit schouwspel wilde hij zijn vorstelijken bezoeker niet onthouden. Van zijne boogschutters, zijn militair huis, zijn hof en geheel zijn priesterlijk gevolg vergezeld, verliet hij zijn paleis door de zuidelijke poort, die tegen het einde der negende eeuw werd versierd met de historische tafreelen van den beroemden schilder en dichter Kosé Kanaoka. Hij toog de singels langs tot aan de voorsteden aan de oevers der Idogawa, en keerde toen naar het kasteel terug, na eerst al de hoofdstraten der stad te zijn doorgetrokken.

Aan het hoofd van den schitterenden stoet werden, in volle staatsie, de oude insigniën der keizerlijke oppermacht gedragen: de spiegel van Izanami, de stammoeder der Mikado's, de liefelijke godin, die op het eiland Awadsi aan de zon het leven schonk; de beroemde vaandels, wier lange papieren wimpels de legerbenden van den veroveraar Zin-moe ten zegepraal hadden geleid; het vlammende zwaard van Yorimassa, den held van Yamato, die den achtkoppigen draak doodde, aan welken jaarlijks jonkvrouwen van vorstelijk bloed moesten worden geofferd; verder het zegel, waarmede de oudste rijkswetten werden bekrachtigd; de cederhouten waaier, die tot schepter dient, en sedert meer dan tweeduizend jaren uit de handen van den stervenden Mikado in die van zijn opvolger overgaat.

Op deze eerste groep volgde eene andere, niet minder schitterend bijna, maar die ik niet in alle bijzonderheden beschrijven kan. Het waren de banieren met de geborduurde wapenschilden van alle oud-adellijke geslachten des rijks. Misschien wel was deze vertooning bestemd om den machtigen Taïkoen te herinneren, dat hij, in de oogen van den ouden territorialen adel, niet meer was dan een parvenu: maar deze parvenu kon zich troosten met de gedachte, dat alle japansche baronnen, de groote en de kleine daïmios, verplicht zijn zes maanden van het jaar aan zijn hof te Jedo door te brengen, en hem hulde te bewijzen te midden der edellieden van zijne eigene schepping.

Voor tweehonderd jaren, bij eene dergelijke gelegenheid, wilde een zijner voorgangers de beleefdheid van den Mikado, op zijne manier, met gelijke beleefdheid beantwoorden. Hij beval dat het plebs van Kioto op de groote binnenplaats van het kasteel zou worden verzameld, en liet toen onder hen eene groote som gelds uitdeelen. Deze handeling was zeker, vooral tegenover den armen Mikado, die bijna van aalmoezen moet leven, eenigszins vulgair en inderdaad een rijken parvenu waardig: maar in Japan, als elders, geldt de ook zeer vulgaire regel: wie betaalt beveelt.

De talrijkste en schilderachtigste groep der processie vormden de vertegenwoordigers van al de verschillende sekten, die de geestelijke opperheerschappij van den Mikado erkennen. De dignitarissen van den ouden kami-dienst waren, wat hun kostuum betreft, nauwelijks van de groot-officieren van het paleis te onderscheiden. Ik zeide het reeds: ook dit is een bewijs, dat de nationale godsdienst van Japan aanvankelijk geene eigenlijke priesterschap kende. Het Boeddhisme integendeel, uit China ingevoerd en snel door het geheele rijk verspreid, kent eene oneindige verscheidenheid van sekten, afdeelingen, orden en broederschappen. De bonzen en monniken van deze godsdienst vormden, in den keizerlijken stoet, onafzienbare rijen: al deftige personages, met half of heel kaal geschoren kruin, nu eens blootshoofds, dan weer gedekt met zonderlinge baretten, met mijters, met mutsen of breedgerande hoeden. Sommigen hielden een staf in de rechterhand; anderen een rozekrans; nog anderen een waaier, een zeeschelp, een papieren wijwaterskwast. Hunne kleeding vertoonde een mengeling van soutanen, koorkleeden, mantels en kappen van allerlei vorm en allerlei kleur.

Achter hen volgde het militaire huis van den Mikado. De leden der pontificale lijfwacht schijnen, bij de keuze van hun kostuum, in de eerste plaats op sierlijkheid te hebben gelet. Helmen en harnassen laten zij over aan de soldaten van den Taïkoen: zij bedekken zich het hoofd met een klein verlakt mutsje, aan de slapen versierd met zijden strikken, in den vorm van geopende waaiers; een nauwsluitend zijden wambuis, op alle naden met kanten belegsels getooid, omvat hunne welgevormde taille. Hunne voeten verdwijnen onder de plooien van hun wijden pantalon. Een groote kromme sabel, een boog en een koker met pijlen gevuld, ziedaar hunne wapenen. Sommigen hunner, op rijk getuigde paarden gezeten, voeren eene lange roede, die door middel van zijden koorden met kwasten wordt vastgehouden.--Dit schitterend uiterlijk verbergt echter al te vaak eene zeer ergerlijke gemeenheid. De toomelooze losbandigheid en zedeloosheid der jonge edellieden van het hof van Kioto heeft meermalen aanleiding gegeven tot tooneelen, die aan zekere episoden der romeinsche geschiedenis doen denken. De Hollander Koenraad Kramer, afgezant der Oost-Indische Compagnie aan het hof van Kioto, woonde in 1626 een feest bij, ter eere van het bezoek van den wereldlijken keizer aan zijn geestelijken soeverein. Hij verhaalt, dat den volgenden morgen in de straten der hoofdstad een aantal lijken werden gevonden van vrouwen, jonge meisjes en kinderen, die als slachtoffers der nachtelijke buitensporigheden waren gevallen. Een nog grooter aantal van gehuwde vrouwen en jonge meisjes, die met hare echtgenooten en bloedverwanten uit de omringende steden naar Kioto waren gekomen, om het schouwspel te zien, verdwenen in het gewoel der straten, en werden eerst verscheidene dagen later weder terug gevonden, zonder dat zij zelven of hare familiën deswege eenige vergoeding of recht konden verkrijgen. Ook nu nog is Kioto, ondanks den titel van heilige stad, eene der meest verdorven plaatsen in Japan.

Daar de Mikado de eenige is, wien het bij de wet is vergund verscheidene vrouwen te bezitten, is het vrij natuurlijk dat hij, bij voorkomende gelegenheden, zich al het genot van dit privilegie wil gunnen. Hij boet er genoeg voor, en betaalt dat dubbelzinnig voorrecht wel duur! Het serail is inderdaad de met bloemen bedekte afgrond, dien de overweldigers van het keizerlijk gezag voor de voeten der opvolgers van Zin-moe hebben gedolven; en wel mocht een boosaardige glimlach om de lippen van den Taïkoen spelen, toen hij de koetsen van den daïri, in lange rij, naderen zag. Ieder dezer logge rijtuigen, van kostbare houtsoorten vervaardigd en met verschillende kleuren verlakt, was bespannen met twee zwarte buffels, door pages in witte lijfrokken geleid. In deze koetsen zaten, achter de met jaloezieën gesloten portieren, de Kisaki en de twaalf andere wettige vrouwen van den Mikado: het was hem toch welstaanshalve niet mogelijk geweest, haar het voorrecht te ontzeggen zich van een soortgelijk rijtuig als hij zelf te bedienen. Zijne meest geliefde bijzitten en de vijftig eeredames der keizerin volgden mede in den stoet, maar gedragen in norimons of overdekte palankijnen.

De Mikado zelf verlaat nooit zijn kasteel, dan gedragen in zijn pontificalen norimon. Deze palankijn, aan lange handboomen bevestigd, en door vijftig mannen in witte liverei gedragen, steekt hoog boven de menigte uit, en valt reeds van verre in het oog. Hij heeft den vorm eener mikôsi of heilige reliekkast, waarin de overblijfselen der kami's worden bewaard. Wilt gij u voorstellen hoe deze keizerlijke draagstoel er uitziet, denk u dan een tuinhuisje, met een koepelvormig dak, dat van onderen breed uitloopt en met klokjes is behangen. Op den koepel rust een bal, en op den bal prijkt een vogel, eenigszins gelijkende op een haan, met uitgespreide vleugels en opgezetten staart: dat is het beeld van dien in China en in Japan hoog vereerden mythologischen vogel Fôo, het zinnebeeld der hoogste macht en zaligheid.

Deze van goud en verguldsel schitterende draagstoel is van alle zijden zoo hermetisch gesloten, dat ge moeite hebt te gelooven, dat zich werkelijk daar binnen iemand bevindt. Wat overigens wel bewijst, dat hij inderdaad zijne hooge bestemming vervult en den heiligen persoon van den theokratischen Keizer herbergt, is, dat ter wederzijde nevens elk portier de vrouwen gaan, aan wie de verzorging van den Mikado is toevertrouwd, en die alleen het recht hebben hem te naderen en zijn aangezicht te zien. Niet alleen voor zijn volk, maar ook voor zijn hof, is de Mikado slechts eene gedachte, een ideaal wezen, een soort van onzichtbaar, zwijgende, ongenaakbare godheid. Zelfs in zijne ontmoeting met den Taïkoen verloochende hij dit karakter geen oogenblik.

Onder de gebouwen van den keizerlijken burcht, die meer bepaaldelijk aan Kioto den stempel eener residentie (miako) geven, is er ook een dat men den tempel der pontificale audiëntiën zou kunnen noemen: want het is in denzelfden stijl opgetrokken als een kami-tempel en draagt ook, even als deze, den naam van Mia. Het beslaat den achtergrond eener groote, met zerken geplaveide en met boomen beplante binnenplaats, en staat in dadelijke gemeenschap met de door den Mikado zelven bewoonde appartementen. Bij plechtige gelegenheden scharen zich de eerewachten en dienaren op deze binnenplaats, allen volgens rang en orde.

Ook nu wordt deze ruimte achtervolgens ingenomen door een detachement der ordonnans-officieren en lijfwachten van den Taïkoen; en door verschillende dignitarissen uit het gevolg van den Mikado, begeleid door eenige boogschutters van den daïri.--De vrouwen hebben zich in hare vertrekken teruggetrokken. De deputaties der bonzen en der monniken-orden scharen zich in de open zalen, rondom de binnenplaats. Soldaten van het garnizoen van Kioto, van afstand tot afstand geplaatst, houden het middenpad open, dat naar de breede trappen der audiëntie-zaal leidt. Langs dat pad schrijden, met afgemeten tred, de hovelingen van den Mikado statig voort, gekleed in ruime mantels met lange slepen; zij bestijgen deftig de trappen en plaatsen zich rechts en links onder de veranda, met het gelaat gewend naar de nog gesloten deuren der troonzaal. Eer zij op hunne plaats nederhurken, nemen zij de slepen hunner mantels op en werpen die over de balustrade der veranda, zoodat de op den zoom van hun gewaad geborduurde wapenschilden der menigte beneden in het oog vallen. Welhaast is de geheele galerij met deze schitterende decoratie getooid.

Daar weergalmt, aan den linkervleugel van het gebouw, het vrij onharmonisch geluid der fluiten, tritonshorens en gongs der pontificale kapel: dit is het teeken dat de Mikado zijn tempel heeft betreden. De diepste stilte heerscht onder de op het binnenhof geschaarde menigte; de edelen zitten roerloos op de estrade, nog steeds ziende naar de gesloten deuren. Een geheel uur gaat aldus in eerbiedige afwachting voorbij, eer alle toebereidselen voor de receptie zijn afgeloopen. Eensklaps kondigt eene krijgshaftige fanfare de komst van den Taïkoen aan. Hij nadert langs het middenpad, te voet en zonder eenig geleide; zijn eerste minister, de bevelhebbers van het leger en de vloot en eenige leden uit de hooge regeeringscollegiën van Jedo, volgen hem, op behoorlijken afstand. Hij staat eenige oogenblikken eerbiedig aan den voet van den trap stil, en aanstonds worden de deuren des tempels langzaam, ter rechter- en ter linkerzijde, weggeschoven. Hij bestijgt eindelijk de treden, en nu vertoont zich het schouwspel, dat de aandacht der menigte zoo lang in gespannen verwachting hield.

Een groote, groen geschilderde jaloezie van bamboes hangt van het plafond der zaal naar beneden, tot op ongeveer twee à drie voeten boven den grond. Door deze nauwe opening bespeurt men een rustbed van fijne matten en tapijten, half overdekt door de wijde plooien van een ruimen witten mantel. Dit is alles, wat de ongewijde oogen kunnen aanschouwen van den Mikado op zijn troon!

De gevlochten jaloezie vergunt hem echter alles te zien, zonder zelf door iemand gezien te worden. Zoo ver zijne blikken reiken, bespeurt hij niets dan eerbiedig neergebogen hoofden, in zwijgende aanbidding zijner onzichtbare majesteit. Een enkel hoofd nog slechts verheft zich boven den trap en de ter aarde gebogen schare; maar dat hoofd is gedekt met de hooge gouden muts, het koninklijk teeken van den wereldlijken gebieder des rijks. En toch: zoodra hij de estrade betreden heeft, buigt ook hij, de machtige monarch, wiens heerschappij schier geene grenzen kent, zich langzaam neder; hij valt op zijne knieën, strekt de armen uit naar den drempel der troonzaal, en neigt zijn hoofd ter aarde.

Daarmede is de plechtigheid afgeloopen; het doel der samenkomst is bereikt: de Taïkoen heeft zich, voor aller oog, aan de voeten van den Mikado nedergebogen. Eene loutere, politieke plichtpleging, zegt ge; eene ijdele en onwaardige vertooning, waarvan niemand dupe is, zelfs hij niet, die de eerbewijzing ontvangt!--Het is mogelijk: maar toch schijnt tot dusverre de traditioneele eerbied voor den gewijden persoon van den Mikado te diep in het gemoed des volks geworteld, om te kunnen gelooven, dat bij dergelijk gelegenheid al dit eerbiedsbetoon slechts komediespel is. Ik weet wel, de macht van den Mikado is tot niets herleid: en waar de macht ontbreekt, valt het moeielijk aan de oprechtheid der hulde te gelooven, vooral van de zijde van hen, in wier handen de macht is overgegaan. En inderdaad, het zou mogelijk zijn dat ook in Japan, even als elders is geschied, de letter eener verouderde legale fictie werd gehandhaafd en geëerbiedigd, terwijl langzamerhand de oorspronkelijke beteekenis ter zijde was gesteld. Dan blijft de vorm wel, maar de geest wijkt; langen tijd nog, zeer lang soms, wordt dan die ledige vorm met bijgeloovigen ijver in stand gehouden; tot eindelijk, als het bestemd oogenblik is gekomen, een ademtocht, een niets, dit ijdel schaduwbeeld verstuiven doet.

De gebeurtenis zelve, die ik beschreven heb, is een merkwaardig teeken van de omwenteling in de denkwijze der meestal zeer verlichte en verstandige mannen, aan wie de regeering van Japan is toevertrouwd. Naar men zegt, hadden reeds sedert meer dan twee eeuwen de opvolgende Taïkoens verzuimd, aan den theokratischen souverein van Nippon de hulde te bewijzen, hem door hunne voorgangers gebracht. De tegenwoordige ontmoeting stelde nu bovenal twee feiten in het licht, waarvan het eene als van een ondergeschikt belang werd geacht, terwijl het andere juist aan de omstandigheden eene zeer groote beteekenis ontleende.

Aan de eene zijde had de wereldlijke souverein getoond, dat hij steeds, bij traditie, de gehoorzame zoon wilde blijven van den opperpriester der nationale godsdienst; maar van den anderen kant had de theokratische keizer formeel den vertegenwoordiger erkend van een gezag, dat niet van den kleinzoon der zon was ontleend. Schijnbaar hadden de beide machthebbers slechts eenige beleefdheden gewisseld: inderdaad had de wereldlijke souverein niets van zijn gezag afgestaan, en had daarentegen de Mikado iedere aanspraak op de regeering opgegeven. Ja meer: had hij niet, in den persoon van den Taïkoen, diezelfde moderne beschaving erkend en gehuldigd, waartegen hij zoo menigmalen zijn banvloek had geslingerd? Zou voor den Mikado het oogenblik der verdwijning gekomen of althans nabij zijn? Het is moeielijk te zeggen: in deze oostersche wereld blijven de gestorven lichamen, als mummiën, nog zeer lang een uiterlijken schijn van leven bewaren; en ik zou niet durven beweren, dat de Mikado werkelijk reeds een lijk is. Maar dit is wel zeker: hij vertegenwoordigt het verleden, een verleden, dat blijkbaar zijne roeping heeft vervuld en zich zelf overleefd; een verleden, dat van alle zijden wordt verdrongen en overstroomd door den onweerstaanbaar voorwaarts dringenden vloed van nieuwe ideeën, behoeften, toestanden. De Taïkoen heeft het talent gehad, zich aan het hoofd dezer beweging te plaatsen: hem behoort de toekomst. Hoe lang dan ook wellicht de krisis moge duren, waarin Japan op dit oogenblik gewikkeld is, haar einde is vrij gemakkelijk te voorzien: het zal de vestiging zijn eener zuivere monarchale macht, van een half militair despotisme waarschijnlijk, ontslagen van allen priesterlijken en kerkelijken invloed.

AANTEEKENINGEN