Japan De Aarde en haar Volken, 1867
Chapter 10
Deze vertegenwoordiger der goden, deze theokratische keizer en geboren souverein, heeft buiten twijfel rechtstreeks van den hemel de onbeperkte macht ontvangen, waarmede hij over zijn volk heerscht. Maar hoe onbegrensd deze macht in theorie ook moge zijn, inderdaad is zij tot niets herleid, en vermag de Mikado zelfs het geringste niet. Van tijd tot tijd schenkt hij grootsch klinkende eeretitels aan sommige leden van den ouden adel, die zich op eene of andere manier jegens de kerk verdienstelijk hebben gemaakt. Ook bepaalt hij de dagen der veranderlijke godsdienstige feesten; regelt de kleur der priesterlijke gewaden en alle godsdienstige ceremoniën; en beslist in het hoogste beroep alle theologische geschillen. Maar dat is ook alles. Soms echter veroorlooft hij zich openlijk te protesteeren tegen sommige handelingen van het wereldlijk gezag, die zijne prerogatieven en privilegiën schijnen aan te randen: zooals hij nog onlangs heeft gedaan tegen de tractaten, door den Taïkoen met sommige europeesche mogendheden gesloten. Het is waar, later heeft hij ze bekrachtigd: maar dit was gedwongen.
Tegenover deze verhevene Majesteit staat de Taïkoen, vroeger Sjoogoen geheeten, de wereldlijke gebieder. Hij is eigenlijk niets meer dan de erfgenaam van gelukkige overweldigers, een parvenu. De stichters zijner dynastie, hof- en krijgsbeambten van den Mikado, hebben hunnen heer om zijn leger, zijn vloot, zijn land en zijne inkomsten gebracht: als ware het hunne taak hem van alle aardsche zorgen en beslommeringen te ontheffen. Hoe dit is geschied, en wanneer zich eigenlijk in Japan wettig de dubbele regeering heeft gevestigd, die wij er thans zien, is nog niet in alle bijzonderheden met zekerheid uit te maken. Evenwel kunnen wij ons vrij gemakkelijk de toedracht der zaak, in groote trekken, voorstellen. Naarmate uit het geslacht der Mikado's de geestkracht van vroeger week, en deze keizers zich vergenoegden met in hun hof al de weelden en genietingen van hun hoogen rang te smaken, zonder de daaraan verbonden verplichtingen te vervullen; naarmate zij zich van hun volk en de werkelijke wereld terugtrokken, om zich, in het heilig halfdonker van hun paleis, door hunne hovelingen te laten aanbidden: naar die zelfde mate moest ook de klem der regeering, het eigenlijke gezag, in andere handen overgaan. En het was niet meer dan natuurlijk, dat een goed deel van dat gezag, naar gelang het aan de ontzenuwde handen van den priestervorst ontsnapte, overging in die van zijn Sjoogoen, zijn generalissimus. De Sjoogoens hebben tegenover de Mikado's zoo ongeveer dezelfde rol gespeeld als de hofmeiers tegenover de laatste merovingische koningen: met dit onderscheid alleen, dat in Frankrijk het schaduwbeeld van een koning eindelijk ter zijde werd gezet, en hij die de macht had ook den rang en titel aannam; terwijl in Japan de Mikado, schoon in alles wat het staatsbestuur betreft volslagen machteloos, voor het uiterlijke in zijn rang werd gehandhaafd, en nog altijd als de eigenlijke keizer, de goddelijke souverein, wordt geëerd. Waarschijnlijk dankt hij dit wel voornamelijk aan zijn geestelijken rang, aan zijn gewijd karakter, als afstammeling en vertegenwoordiger der goden.
De eigenlijke grondlegger van de macht der Sjoogoens was Mina-moto Yoritomo, die in de tweede helft der twaalfde eeuw leefde. Yoritomo, uit een vorstelijk geslacht gesproten, werd aan het hof van Kioto opgevoed, en had daar ruimschoots gelegenheid op te merken, hoezeer de macht van den daïri was gedaald en uitgeput. De Mikado, in zijn serail opgesloten, hield zich met niets anders bezig dan met de intriges en kabalen van het hof. De hovelingen brachten hun tijd in ledigheid door, of gaven zich aan allerlei buitensporigheden over. De oude geslachten, die hetzij door bloedverwantschap, hetzij door huwelijk of erfelijken rang, met den persoon des keizers verbonden waren, trachtten op allerlei wijze van hunne positie voordeel te trekken en elkander in de gunst des meesters te verdringen. De daïmios, die ver van het hof in de provinciën leefden, ontsloegen zich telkens meer van hunne verplichtingen jegens de kroon. Sommigen streefden naar volstrekte oppermacht in het bestuur der keizerlijke leenen; anderen weder breidden met geweld hunne bezittingen uit, ten koste hunner naburen. Familie-oorlogen, veeten en gewelddadigheden van allerlei aard teisterden, jaren en jaren achtereen, de kasteelen en bezittingen der voornaamste japansche dynasten; wanorde en regeeringloosheid verwoestten het land. Yoritomo, wiens geslacht zelf veel in deze burgeroorlogen geleden had, verkreeg van den Mikado het opperbevel des legers en de meest uitgebreide volmacht, om de orde in het rijk te herstellen. Destijds had de Mikado, even als de adellijke grondheeren, geen ander leger dan de landweer, of wat in het feodale Europa genoemd werd, de landvolge. Zij die tot het dragen der wapenen verplicht waren, verschenen op het opontbod huns heeren in het veld, namen aan den krijgstocht deel, en keerden, na afloop daarvan, weder naar hunne woningen terug. Yoritomo schiep voor 't eerst een staand leger, verbeterde de krijgstaktiek, onderwierp zijne soldaten aan een strenge tucht, en trachtte ze zooveel mogelijk los te maken van alle betrekkingen des burgerlijken levens.
Met behulp van deze nieuwe macht wist Yoritomo ten volle zijn doel te bereiken. Hij onderwierp de daïmios, die gepoogd hadden zich onafhankelijk te maken, en dwong hen, den eed van gehoorzaamheid aan hem, als stedehouder van den Mikado, af te leggen. Enkelen weigerden hem als zoodanig te erkennen: zij werden met hun gansche geslacht uitgeroeid en hunne goederen verbeurd verklaard. Aldus met de eene hand den adel bedwingende, wist hij met de andere de draden te grijpen van alle intriges, die den daïri in beweging brachten. Hij begon zijne loopbaan onder den zes-en-zeventigsten Mikado; hij eindigde ze onder den drie-en-tachtigsten. De keizers, die hem in den weg traden, moesten wijken en werden gedwongen afstand te doen; een hunner werd monnik en trok zich in een klooster terug. Eerst onder den twee-en-tachtigsten Mikado evenwel ontving Yoritomo officieel den titel van Sjoogoen, welke waardigheid hij metterdaad reeds sedert twintig jaar bekleedde. Bij zijn dood volgde zijn oudste zoon hem op.
Van toen af waren er in Japan twee hoven: dat van den Mikado te Kioto, en dat van den Sjoogoen, destijds te Kamakoera. Aanvankelijk echter was deze nieuwe macht niet erfelijk; zelfs gebeurde het dat de zonen der Mikado's met de waardigheid van Sjoogoen werden bekleed. In plaats van zich te verontrusten over hetgeen misschien te Kamakoera voorviel of werd beraamd, vond het lichtzinnige hof van Kioto daarin veel meer eene onuitputtelijke stof voor zijne geestigheid en spotternij. Nu eens maakte men zich vroolijk over de groote airs der echtgenoote van den Sjoogoen, over den slechten smaak van de toiletten der dames van hare omgeving, de gemeene manieren der hofkomedianten, de onbeholpenheid der danseressen; dan weder werd er gespot met de bonte uniformen der soldaten, of met de platte spraak en manieren dezer nieuwbakken edellieden, die zich voordeden als de redders van het rijk en de herstellers van den theokratischen troon.
Maar welhaast kwam eene onvoorziene, ernstige gebeurtenis aan deze spotternijen een einde maken, en de blikken van het gansche volk op het hof van Kamakoera vestigen. In de twaalfde maand van het jaar 1268 zette een mongoolsch gezantschap in Japan voet aan wal. Het kwam uit naam van Koeblaï-Khan, den waardigen afstammeling der tartaarsche veroveraars, die twaalf jaren later geheel China zou onderwerpen, Peking tot zijne residentie maken en de stichter worden der dynastie van Yuen, onder welke het groote kanaal gegraven werd.--Koeblaï-Khan schreef aan den keizer van Nippon:
"Ik ben het hoofd van een rijk, voorheen zonder macht of beteekenis. Thans kan niemand de steden en landen tellen, die mijne heerschappij erkennen. Ik wensch in vriendschap te leven met de vorsten, wier staten aan de mijnen grenzen. Tot dusver is nog geen gezantschap van uwentwege tot mij gekomen. Ik vrees, dat men in uw land niet goed met den waren staat van zaken bekend is: daarom zend ik u dezen brief, door middel mijner gezanten, die u met mijne inzichten bekend zullen maken. Ik hoop dat wij elkander zullen verstaan. De wijze heeft gezegd, dat de geheele wereld slechts één gezin moest zijn. Maar hoe zal men daartoe geraken, indien de volken niet vriendschappelijk met elkander verkeeren? Ik voor mij ben vast besloten, dit beginsel in toepassing te brengen: zelfs al zou ik daartoe de toevlucht moeten nemen tot de wapenen. Het is nu aan den vorst van Nippon, om te beslissen wat hem te doen staat."--
Men ziet het, deze Koeblaï-Khan zou niet onaardig figureeren als president van een congres onzer moderne kosmopolitische vredes- en humaniteitsapostelen! Wat een idyllisch denkbeeld: alle menschen één gezin: en het hoofd van dat gezin zal natuurlijk Koeblaï-Khan zelf wezen! Wie zou het ook anders zijn?
De Mikado scheen wel geneigd aan deze broederlijke vermaningen van Koeblaï-Khan gehoor te geven, maar de Sjoogoen was gelukkig verstandiger en verwierp ieder denkbeeld van bondgenootschap met de mongoolsche horden. Hij belegde te Kamakoera eene vergadering der daïmios, deelde hun zijne bezwaren mede en wist ze tot zijne zienswijze over te halen. Het gezantschap werd met een ontwijkend antwoord weggezonden. Het volgende jaar sloeg het mongoolsche opperhoofd eene samenkomst van wederzijdsche gezanten voor op het eiland Tsoetsima, in de straat van Korea: ook dit werd geweigerd. In 1271 kwam er weder een brief van hem: er volgde geen antwoord. In 1273 eindelijk zond hij nogmaals twee gezanten naar Kamakoera: de Sjoogoen liet ze het land uitzetten.
Nu zoo duidelijk de onwil der vorsten van Nippon gebleken was, om vrijwillig in het groote gezin te treden, was Koeblaï-Khan wel verplicht de verblinden te dwingen om deel te nemen aan de hun bereide zaligheid. Welhaast verspreidde zich dan ook de mare, dat twee mongoolsche veldheeren op weg waren naar Japan, met eene vloot van driehonderd groote oorlogsjonken, driehonderd kleinere zeilschepen en driehonderd transportschepen. De Mikado schreef openbare gebeden uit, en beval processiën naar de voornaamste kami-tempels. Middelerwijl zorgde de Sjoogoen voor de verdediging des lands, en, dank zij zijne krachtige maatregelen, werden de Mongolen op alle punten waar zij eene landing beproefden, terug geslagen. Vergeefs poogde hun Khan de onderhandelingen te hervatten: twee afgezanten, die hij in 1275 naar den Sjoogoen zond, werden onmiddellijk weggejaagd; een derde, die het vier jaren later nog eens beproefde, werd onthoofd.
De vreedzame Koeblaï-Khan was woedend, en besloot alle krachten in te spannen tot een laatsten, beslissenden slag. Volgens de japansche geschiedverhalen werd er eene vloot uitgerust van vierduizend schepen, bemand met een leger van tweehonderd veertigduizend man. Deze ontzaggelijke armada zette koers naar Firando, aan den ingang der binnenzee, toen een geweldige orkaan haar aangreep en de schepen op de rotsige kusten verstrooide en verbrijzelde. Wie niet in de golven omkwam, sneuvelde onder de handen der getergde Japanneezen. Men verhaalt, dat slechts drie gevangenen werden gespaard, om de tijding der vreeselijke nederlaag aan den grooten Khan te brengen.
Japan was van de dreigende overheersching der barbaren gered: en geen wonder voorwaar dat hij, aan wien het in de eerste plaats zijne redding dankte, in macht en aanzien won. Van nu af was het niet langer mogelijk, de Sjoogoens te behandelen als eenvoudige ambtenaren der kroon, en hunne aanspraken op het gezag met minachtende spotternij te bejegenen. Het hof van Kioto wist nu, dat het te Kamakoera een mededinger gevonden had, die het welhaast geheel overvleugelen en eindelijk tot volslagen nietigheid doemen zou. Toch duurde het een geruimen tijd, eer zich de macht der Sjoogoens voor goed gevestigd had. Van de veertiende tot de zestiende eeuw was Japan het tooneel van voortdurende burgeroorlogen en toenemende regeeringloosheid, waardoor de politieke organisatie van Yoritomo met den ondergang werd bedreigd. De keizerlijke familie zelve was verdeeld, en paleis-intriges en kabalen dwongen den wettigen souverein Kioto te verlaten en elders eene schuilplaats te zoeken. Gedurende ongeveer zestig jaren zetelden achtervolgens zes onwettige Mikado's op den overweldigden troon; terwijl de kleinzonen der zon al dien tijd hun hof moesten houden te Yosino, een onaanzienlijk vlek ten zuiden der hoofdstad, in de provincie Yamato. Eindelijk maakt een familieverdrag een einde aan dit schandaal: de wettige Mikado neemt weder bezit van zijn troon in de heilige stad, en herstelt plechtig de ijdele fictie zijner theokratische souvereiniteit.
Maar ook om den zetel van den Sjoogoen wordt hevig getwist: woedende mededingers bestrijden elkander te vuur en te zwaard, zoowel de Kioto als de Kamakoera, en deinzen voor geene gewelddadigheid, zelfs voor geen broedermoord, terug. De feodale grondheeren maken ijverig gebruik van de algemeene verwarring, om zoo mogelijk zich te ontslaan van allen band der leenroerigheid jegens de kroon en hare stedehouders. Wanorde, burgerkrijg en regeeringloosheid allerwege; en toen, in het jaar 1573, de Sjoogoen Noboenaga, in zijn paleis te Kioto, met zijn gansche geslacht werd vermoord, scheen het rijk der ontbinding nabij.
Onder de bedienden van een der hooge beambten van den daïri bevond zich destijds ook een zekere stalknecht, een boerenzoon, Faxiba genaamd, een man van een ernstig en ingetogen karakter, die het bijzonder vertrouwen van zijn heer had weten te winnen. Onverwacht wordt hij zelf onder de bedienden van den daïri opgenomen: hij wordt ingelijfd in het militaire huis van den Mikado; en na verloop van eenige jaren is de stalknecht Faxiba tot de waardigheid van Sjoogoen opgeklommen, en voert hij, onder den naam van Fidé-Yosi, het opperbevel over de keizerlijke legers, die de oproerige vasallen tot onderwerping moeten brengen. Twee jaren waren voor hem voldoende om den opstand te bedwingen. Zijn terugkeer te Kioto was een ware triomftocht: de Mikado schonk hem den hoogsten eeretitel van den daïri en benoemde hem tot zijn algemeenen stedehouder.
Fidé-Yosi had den onrustigen adel bedwongen: nu wachtte hem nog een andere taak. Het Boeddhisme had in Japan zijne tallooze godheden ingevoerd, die allen hare eigene tempels, heiligdommen en monnikenorden hadden. De bonzen, de monniken, de geestelijke zusters overdekten het land, vooral in het zuiden en in de middenprovinciën van Nippon. De verschillende kloosters wedijverden met elkander, om zich op allerlei wijze een talrijke schaar van volgelingen te verschaffen. Deze concurrentie werd eindelijk zoo sterk, dat daarbij alle booze hartstochten in het spel kwamen, en men zelfs van scheldwoorden en beleedigingen tot handtastelijkheden overging. De keizerlijke policie trachtte aanvankelijk deze twisten te stillen; maar weldra bleek zij niet bij machte om den wassenden stroom der kerkelijke driften te stuiten. Geheele troepen van woedende geestdrijvers, in monnikspij en priesterkleed, met stokken, knuppels en pieken gewapend, plunderden en vernielden de bezittingen der hun vijandige orden: vermoordden of verdreven de kloosterlingen, en staken de kloosters zelven in brand. Maar, vroeger of later, ondergingen deze aanvallers, op hunne beurt overrompeld, hetzelfde lot. In eene eeuw werd de bonzerij van Djensjôsi zes maal door de monniken uit het klooster aan den Yeïsan verbrand; en werd dit laatste door de monniken van Djensjôsi tweemaal in de asch gelegd. Soortgelijke tooneelen herhaalden zich op verschillende plaatsen in Nippon, tot zelfs te Kioto; en de Sjoogoen Noboenaga had vergeefs getracht de orde te herstellen.
Fidé-Yosi besloot aan dezen toestand voor goed een einde te maken. Hij liet de onrustigste bonzerijen door zijne soldaten bezetten, hunne vestingwerken slechten, en bande de belhamels onder de kloosterlingen uit het land. Tegelijk onderwierp hij geheel de japansche geestelijkheid, zonder uitzondering, aan het toezicht eener strenge, ijverige en onverbiddelijke policie, en verbood haar zich met eenige andere zaken, dan die tot hare kerkelijke roeping behoorden, te bemoeien.
Maar ten jare 1586, kort nadat Fidé-Yosi de onlusten onder de monniken van Japan had gestild, kwamen hem vreemde tijdingen ter oore, die hem al zijne aandacht op het eiland Kioe-Sioe deden vestigen.
Destijds was de handel van Japan met de aziatische havens aan geenerlei beperking onderworpen. De vorst van Bungo, die veertig jaren vroeger de portugeesche avonturiers had ontvangen, door den storm op zijne kusten geworpen, had zich gehaast, hun de noodige middelen te verschaffen om naar Goa terug te keeren, en hen uitgenoodigd ieder jaar een schip met koopwaren naar zijne havens te zenden. Aldus werden tusschen Portugal en Japan geregelde en ongehinderde betrekkingen aangeknoopt.
Eens, dat het portugeesche schip op het punt stond naar Goa terug te keeren, kwam een japansch edelman, Hansiro genaamd, die een manslag begaan had, de gastvrijheid en bescherming der vreemdelingen inroepen. Zij werd hem verleend: de vluchteling kwam te Goa en ontmoette daar den beroemden zendeling Franciscus Xaverius, die zich zijner aantrok, hem onderwees en weldra door den doop in de kerk opnam. In 1549 vestigde zich eene missie der Jezuïeten, onder leiding van Sint Franciscus zelven en met medewerking van Hansiro, op het eiland Kioe-Sioe.
Een vreemde gewaarwording, van verwondering en afgrijzen tevens, moest zich wel van deze zendelingen meester maken, toen zij in Japan zoo menige instelling, ceremonie en godsdienstige inrichting terug vonden, bijna geheel gelijk aan die van hun eigen vaderland. Was het wonder dat zij, onbekend met den oorsprong en de oudheid van het Boeddhisme, in deze toch bloot uiterlijke overeenkomst, een bedriegelijk spel des satans meenden te zien? Maar spoedig ontdekten zij ook, dat van deze overeenkomst partij viel te trekken, om de nieuwe leer aangenamer te maken in de ooren en voor de harten der bekeerlingen: en wellicht niet zonder grond werd den Jezuïeten verweten, dat zij, van dit denkbeeld uitgaande, tot zonderlinge transacties de hand leenden en zich wat al te plooibaar betoonden. Hoe dit zij: deze eerste zending werd met verwonderlijk goeden uitslag bekroond; en er is zelfs alle grond om aan te nemen, dat de apostolische ijver en zeldzame overredingskracht van Sint Franciscus Xaverius, onder alle klassen der japansche maatschappij, menige oprechte bekeering tot het Christendom bewerkten.
Weldra begon dan ook de hooge boeddhistische geestelijkheid zich over deze zaak te verontrusten en bij den daïri te beklagen.
"Hoeveel sekten denkt gij wel, dat er in mijn rijk bestaan? vroeg de Mikado aan de klagers.
--Vijf-en-dertig, antwoordden zij.
--Welnu, dan zal dat de zes-en-dertigste zijn," hernam de vroolijke keizer.
Maar Fidé-Yosi, de geduchte Sjoogoen, dacht er anders over. Hem was bericht, dat de vreemde priesters, die vooral ook de gunst der groote vasallen zochten te winnen, zich de dienaren noemden van een opperpriester, die naar welgevallen kon beschikken over alle rijken der aarde en de machtigste vorsten van hunne tronen stooten. Hij bedacht verder, dat de zendelingen van dien machtigen heerscher van het Westen reeds aan het hof van den Mikado een aanhang hadden gevormd en een huis in de hoofdstad gesticht; dat de vorige Sjoogoen Noboenaga zich openlijk hun vriend en beschermer had betoond; en dat hij reden had om te gelooven, dat in zijn eigen paleis eene geheime samenzweering werd gesmeed, om zijn zoon en erfgenaam voor het nieuwe geloof te winnen. Fidé-Yosi deelde zijn vrees en zijne vermoedens mede aan een ervaren dienaar, dien hij reeds meermalen met de moeielijkste zendingen had belast. Deze man, in de japansche historie onder den naam van Hiéyas of Yiéyas berucht, liet niets onbeproefd, om achter de waarheid te komen. Een gezantschap van japansche Christenen, onder geleide van pater Valignani, superieur van de Jezuïetenorde, was juist op weg naar Rome. Hiéyas leverde nu aan zijn meester het bewijs, dat de vorsten van Bungo, Omoera en Arima bij deze gelegenheid aan den geestelijken keizer der Christenen, Paus Gregorius XIII, brieven geschreven hadden, waarin zij verklaarden hem te huldigen als hun opperheer en te erkennen als den eenigen vertegenwoordiger van God op de aarde.
De Sjoogoen bedwong zijn toorn, maar slechts om te zekerder en vreeselijker te kunnen treffen. Een jaar lang bereidde hij met zijn gunsteling alles voor tot den beslissenden slag. Eindelijk, in Juni 1587, is hij gereed: zijne troepen zijn behoorlijk verdeeld over de verdachte provinciën van Kioe-Sioe en de zuidkust van Nippon, in staat om iedere poging tot verzet te onderdrukken. Onmiddellijk wordt nu, van het eene einde des rijks tot het andere, een edict van den Sjoogoen afgekondigd, waarbij deze, uit naam en als stedehouder van den Mikado, de afschaffing van het Christendom, binnen zes maanden, beveelt. Tegelijk worden de vreemde missionarissen gebannen, met bedreiging van den dood op hun wederkeer, en last gegeven tot het onmiddellijk sluiten hunner scholen, het afbreken der kerken, en het wegnemen der kruisen. De inboorlingen, die tot het nieuwe geloof zijn toegetreden, moeten dit in tegenwoordigheid van een keizerlijk beambte afzweren.
Al deze bevelen werden stipt uitgevoerd, behalve een enkel, dat, naar de meening van den Sjoogoen, juist het minste bezwaar moest ontmoeten. Tot zijne onuitsprekelijke verbazing vernam deze gewezen stalknecht dat de inlandsche Christenen van allen rang en stand, van elke kunne en iederen leeftijd, stand vastig weigerden hun geloof af te zweren. Hij begon met de vermogenden onder hen van hunne goederen te berooven en die aan zijne dienaren weg te schenken. Anderen werden in de gevangenis geworpen of naar afgelegen eilanden verbannen: het hielp niet. Nu brak de vervolging los, waarbij al de vindingrijkheid en uitgezochtste wreedheid werd uitgeput om de martelingen te vermenigvuldigen. Zij hield drie jaren aan en kostte aan meer dan vijfentwintigduizend slachtoffers, mannen en vrouwen, jongelingen en maagden, grijsaards en kinderen, het leven. Toen verflauwde zij eensklaps. Fidé-Yosi riep den ban en den achterban van den feodalen adel te wapen, en deed met een leger van honderd zestigduizend man een inval in Korea, waarmede Japan in vollen vrede leefde (1592). De japansche veldoversten dwongen de inwoners van Korea om zich met hen te verbinden, ten einde de chineesche dynastie van Ming te beoorlogen. Het chineesche leger trok den vijand tegen, maar leed eene zoo beslissende nederlaag, dat de keizer van China zich haastte den Sjoogoen den vrede aan te bieden, tegelijk met den titel van koning van Nippon en eersten leenman des Hemelschen rijks.--"Ik ben reeds koning van Nippon," antwoordde Fidé-Yosi trotsch, "ik ben het door mij zelven; en als ik het wil, zal ik den keizer van China tot mijn leenman maken."--In 1597 zette hij aan zijne bedreiging kracht bij, door het zenden van een tweede leger van honderd dertig duizend man. Maar de dood verraste hem eer deze nieuwe veldtocht ten einde was; en de beide rijken, evenzeer een door niets gerechtvaardigden en doelloozen oorlog moede, haastten zich vrede te maken.