Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes
Part 9
En ziet eens aan, als een tweede David trof hij dien kerel zóó goed tegen den linkerslaap van zijn voorhoofd, dat hij achterover sloeg en bewusteloos neerviel. Van dat oogenblik maakte Dirk gebruik om den woesteling het mes uit de hand te rukken. Doch de kerel kwam spoedig weer bij en reeds was hij gereed zich op te richten, toen Henri Quatre, Dolf en IJzeren Neptunus kwamen aansnellen en hem geheel onschadelijk maakten. De handdruk, dien IJzeren Neptunus dien kerel gaf, was zóó hartelijk, dat hij hem den pols ontwrichtte. Terstond kwam het vluchtende volk terug en wie gezien had, wat Dirk had gedaan, sloeg den opgeschoten, baardeloozen knaap met bewondering gade. Ieder meende in hem een' held te zien, en het scheelde niet veel, of hij werd door de menigte met gejuich rondgedragen. IJzeren Neptunus zag evenwel zeer goed, dat de knaap zich overspannen had en nam hem mede zoo gauw hij kon.
Aanboord viel hij werkelijk in onmacht neder, doch Kapitein Londenaar wist hem spoedig bij te brengen en liet hem nu vertellen, wat er toch gebeurd was. Dirk deed dat en toen hij zijn kort verslag uitgebracht had, was zijne eerste vraag: "En waar is Garrit? Zouden ze hem niet vermoord hebben?"
"Garrit vermoord?" vroeg Henri Quatre. "Waarom zouden ze dat gedaan hebben? Er was maar één amok-maker, hoor, en dat was al meer dan genoeg. Garrit zal best terecht komen. Verheug je maar, dat wij met ons drietjes zoo toevallig op de wandeling waren. Dat was je geluk, kereltje!"
Ondertusschen werd het avond, maar wie er terugkwamen, Garrit en Meester Pruymius niet.
"We zullen de luî gaan opzoeken," zeide Henri Quatre, en gevolgd door Dolf, Hoepel en Kreeft, allen goed gewapend, begaf hij zich op weg.
Het was overal in de stad nog tamelijk onrustig, doch hoe meer men het Chineesche kwartier naderde, hoe meer de luidruchtigheid toenam.
De Chineezen, die gewapende Hollanders ziende, begrepen niet, wat er gaande was. Zij waren toch geene amok-makers, dat wist de Regeering ook wel! Ze vierden maar vroolijk feest, dat was het al.
Henri Quatre zag wel dat hunne verschijning daar niet gewenscht was en vroeg in het Maleisch, dat de Chineezen best verstonden, want velen hunner waren met inlandsche vrouwen getrouwd, of ze niet twee Hollanders gezien hadden.
"Twee Hollanders?" vroeg een oude Chinees, die zich van onder tot boven met kleine belletjes behangen had, "ja, die zijn in ons kwartier. Gaat maar mede, ik zal u bij hen brengen."
De Hollanders volgden den Chinees door een' doolhof van armoedige hutten en stonden eindelijk stil voor eene vrij groote woning waarvoor men een houten tooneel opgeslagen had. Op dat tooneel vertoonden de Chineezen allerlei zotternijen en eene groote menigte zat er om heen, en telkens als men de eene of andere klucht vertoonde, barstte het heele gezelschap in een luid gelach los.
"Daar zitten ze," zeide de oude Chinees en wees Meester Pruymius en Garrit aan.
Onze vier vrienden begaven zich er heen.
"Hei, Meester Troost der Armen!" dus begon Henri Quatre, "hoe zit gij hier en gaapt en laat ons aanboord in angst over uw wegblijven?"
Meester Pruymius keek zijne vrienden aan met een paar schelvisch-oogen en zeide met dubbelslaande tong: "Vanmiddag, zie je, zei ik, zie je, tegen Garrit, weet je, we zullen een afzakkertje nemen voor den schrik, zie je! En dat afzakkertje, zie je, is in onze kuiten gezakt, weet je, en nu rusten we hier wat uit, zie je!"
"Jij met je zie-je en weet-je! Gaat allebei maar gauw mee," sprak Henri Quatre. "Dirk is in de grootste ongerustheid over zijn broer en ...."
Krak-krak-krak! klonk het opeens.
Allen keken wat er gebeurde.
Nu, erg was het niet. Er was maar eene plank van het tooneel doorgebroken en een klein Chineesje was er doorgezakt. Men haalde het kind spoedig te voorschijn. Het scheen op den neus terecht gekomen te zijn en bloedde hevig.
"Troost der armen! Troost der armen! Kwâjongen, waar is de Keulsche pot?" riep opeens Meester Pruymius.
De Chineezen bleven doodbedaard en eene der vrouwen kwam dadelijk met wat zalf aanloopen. Het kleine Chineesje werd afgewasschen en toen geheel met die zalf ingesmeerd. Het bloeden van den neus had opgehouden.
Of nu het ventje niet zoo heel hard op den neus terecht gekomen was, hieraan dacht meester Pruymius niet. Hij meende dat het door de zalf kwam en vroeg op zijn Hollandsch, dat men beter verstond dan zijn Maleisch, wat het was.
"Dat is borreborrie," zeide de oude Chinees met bellen.
"Waarvan gemaakt?" vroeg Meester Pruymius.
"Van klapperolie, zaagsel van sandelhout en wat saffraan," luidde het antwoord.
"Kom, kom, Meester Troost der Armen, mee! Verzin nu maar geen nieuwe medicament om ons naar de andere wereld te helpen," zeide Dolf, en met Kreeft, onzen barbier onder den arm nemende, sukkelden ze door de menigte heen en kwamen omstreeks negen uur aanboord terug. Onderweg had Meester Pruymius den mond vol van borreborrie, en hij zwoer, dat hij voortaan alleen die zalf zou gebruiken. Dat was nog eerst een heerlijk middel!
Toen hij evenwel den volgenden morgen hoorde vertellen hoe Dirk met den Keulschen pot vol troost der armen den amok-maker zoo netjes suf gegooid had, wierp hij een der potten van de nieuwe zalf, welke hij al gemaakt had, overboord en zeî: "Weg met dat poespas borreborrie! Er gaat niets boven troost der armen!"
"Jawel, Meester," sprak Kapitein Londenaar.
"Wat dan, Kapitein?" vroeg Meester Pruymius.
"Een tochtje naar de Molukken, Meester! Zoo even heb ik bevel gekregen, ons in te schepen op de "Koning van Polen", die daar ligt. Maak je boeltje maar gereed!"
Dat gaf eene heele drukte dien dag en ook nog den volgenden, doch eer Januari uit was, lichtte de "Koning van Polen" het anker, en onder het losbranden van het geschut, zette men koers naar de nieuwe bestemming.
Meester Pruymius stond over de verschansing gebogen en zag Batavia langzamerhand verdwijnen, en toen hij eindelijk niets meer van de stad zag, bleef hij toch staan.
"Hei, Meester! Wat zoekt ge daar in de diepte?" vroeg Dolf, die lachend hem eene hand op den schouder legde. "Zoekt ge soms borreborrie?"
Meester Pruymius hief zich op en zeide vol waardigheid: "Borreborrie, kwakzalvers-poespas, niets anders! Troost der armen is de baas! Laat Dirk maar spreken, die weet er alles af!"
"Meer dan de amok-maker," antwoordde Dolf.
"Ja, die kwam door mijn' troost heel leelijk aan zijn einde," antwoordde de knappe Dokter.
Dolf lachte er hartelijk om, doch Joost, die de zalf van Meester Pruymius niet zien of ruiken kon en toevallig voorbijkwam, zeide: "Je pakt uit, Meester! Maar ik houd het ervoor dat de Keulsche pot harder aankwam dan het vette ontuig."
"Vet ontuig, Joost," riep Meester Pruymius opgewonden uit. "Heel de wereld zal je tegenspreken en je zeggen, dat mijne zalf juist het tegendeel is van vet ontuig!"
"Heb ik vet ontuig gezegd?" riep Joost lachend uit.
"Ja, wat anders? Ze hebben het allemaal gehoord."
"Vergeving, Meester, ik versprak me en meende "mager ontuig," zie je," zeide de vroolijke oude, die zich lachend verwijderde.
"Ze mogen mijn troost der armen vet of mager ontuig noemen," bromde onze barbier, ik noem het een koningsmiddel!"
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Een zeer voornaam bezoek.
Meer dan een jaar lang had de "Koning van Polen" reeds in de Molukken vertoefd en menigen tocht naar Amboina en Ternate gedaan. Het was nu April en het schip kruiste met nog twee andere Compagnie-schepen op de hoogte van het eiland Boeroe, een der grootste van de Molukken of Specerij-eilanden. Bijna het geheele eiland, dat eene grootere oppervlakte beslaat dan de provinciën Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland en Utrecht samen, is omringd door koraal-riffen. Alleen aan de Noordoostkust kunnen groote zeeschepen het eiland aandoen. Het is zeer vruchtbaar, en drie jaar te voren hadden de Nederlanders het in bezit genomen.
De "Koning van Polen" was nu hier om hout in te nemen, dat in de groote bosschen van dit eiland zoo maar voor het halen was.
Op zekeren dag, dat het volk weinig te doen had, zeide Garrit, dat hij wel eens zou willen visschen, want dat hij verlangde, nog wat anders te eten dan het gewone scheepsvoedsel. Terstond waren verscheidene mannen daartoe bereid, en na van den Kapitein vergunning gekregen te hebben aan wal te gaan, stapten een twintig mannen in de groote boot en voeren naar het land.
"En ik zou liever wat kennis maken met de kust," zeide Henri Quatre. "Het schijnt een eigenaardig eiland te zijn."
"Om met het schip op de koraal-riffen te komen, zeker?" vroeg Dolf. "Het is er vol van!"
"Neen, niet met het schip, maar met eene boot. Ga je mee, als de Kapitein daartoe vergunning geeft?"
"Ik wel," was het antwoord, en Dirk, die aan boord gebleven was, vroeg of hij dan ook mede mocht.
Dit werd toegestaan.
De lucht stond niet naar verandering; de wind was niet hevig en de zee niet anders dan gewoonlijk, zoodat Kapitein Londenaar er geen bezwaar in zag, dat zijne twee Stuurlieden en Dirk samen een tochtje gingen maken. Ze kregen evenwel het bevel mede vóór vier uren terug te zijn.
Zoo lang meende men niet eens weg te blijven, en Dolf, die zag, dat de visschers eene goede vangst maakten, verzekerde bovendien, dat hij aanboord zou zijn, als de visch opgedischt werd.
Spoedig was ons drietal aan wal; de boot werd vastgelegd en goed gewapend begaven ze zich op pad.
De zon scheen brandend heet en om de hitte te ontvluchten, hielden ze op hunne wandeling langs de kust, zooveel mogelijk de lommerrijke bosschen.
Dat pad was echter niet gebaand en zeer moeielijk te betreden. Ieder oogenblik moesten ze zichzelven dwars door het kreupelhout en de slingerplanten heen met het mes een' doortocht banen en dan was het nog een paadje om handen en gelaat vol schrammen te krijgen.
Nu en dan zagen ze ook boschjes van specerij-planten, die een' heerlijken geur verspreidden, en daar tusschen bevonden zich de armoedige hutten der inwoners, die wel zorgden voor onze drie onzichtbaar te blijven, en als ze per ongeluk op hun' weg kwamen, dan namen ze schielijk de vlucht.
"Ik kan niet zeggen, dat het eiland veel afwisseling biedt," zeide Henri Quatre. "Het begin was als hier, en hier is het als in het begin. Hout en nog eens hout is alles, wat we zien. Me dunkt, we moesten maar terugkeeren, dan zal de visch juist gaar zijn, als we aanboord komen."
Dirk en Dolf keurden dit voorstel goed en men nam den terugweg aan, doch om nu zooveel mogelijk nog wat anders te zien dan op hunne heenreis, besloten ze iets dieper landwaarts in te gaan. Onwillekeurig maakten ze nu een' langeren weg en kwamen eerst na den middag bij het kleine Nederlandsche fort aan.
Het bootje lag er nog; maar juist toen zij wilden instappen, zeide Henri Quatre: "Gauw, gauw, als de wind zoo vlug! Er komt een onweder op, en vóór het losbreekt, wilde ik graag aanboord wezen."
"Nu," zeide Dirk, "dat zal wel gaan, denk ik. Binnen een half uurtje zijn we aanboord. Vanmorgen hebben we het in minder dan twintig minuten gedaan."
"Vanmorgen was vanmorgen," hernam Henri Quatre, die blijkbaar zeer gejaagd was. "Nu is het vloed, en er gaat hier een sterke stroom. Als we over een uur bij het schip zijn, mogen we blijde wezen. En vóór dien tijd zullen we, vrees ik, de bui op het lijf krijgen. Jij, Dirk, aan het roer! Dolf en ik zullen roeien!"
De twee krachtige mannen sloegen de riemen in het water, en hoewel ze trokken, dat de riemen soms krom stonden, vorderden ze maar weinig.
Intusschen kwam het onweder met ontzettende snelheid nader, en aanboord van de "Koning van Polen" scheen men ook iets te begrijpen van het naderende gevaar, want de zeilen werden met spoed geborgen, terwijl men door wenken en wuiven de drie, die in de boot op zee waren, tot meer haast aanspoorde.
Uit de verte hoorde men het gerommel van den donder.
"Het blijft gelukkig stil," zeide Dirk.
"Stil! Was er maar wat wind," sprak Henri Quatre, wien het zweet tappelings langs de bruine wangen stroomde. "We komen er niet, en --"
Eensklaps smeet hij zijn' riem in de boot, wierp Dirk terzijde en greep het roer.
"Roeien, roeien! Ons leven hangt aan een zijden draadje!" riep hij.
Dirk nam den riem op en trok, wat hij kon.
Nog slechts eene halve mijl waren ze van het schip af.
Zouden ze het halen? Zouden ze?
"Gauw! Gauw!" klonk Londenaars stem door den roeper.
"Daar komt de baas! God sta ons bij!" riep Henri Quatre en pas had hij dit gezegd, of de stormwind joeg langs de wateren en sloeg schip en boot van elkander af.
"Voor wind en zee af! In Godsnaam!" klonk de stem van den wakkeren Stuurman en het kleine vaartuig vloog over de golven. Wanneer ze op den top van eene golf zaten, konden ze het schip zien, maar wanneer ze zich tusschen die ontzettende waterbergen bevonden, dan zagen ze niets dan het woedende element en de loodkleurige lucht. Eindelijk begon het ook te stortregenen. Geene bootslengte van zich af kon men zien. Het was te vergeefs dat de drie mannen elkander een woord toeschreeuwden. Het geluid van den storm, van de bruisende golven, van den suizenden regen en den ratelenden donder overstemde hun geroep. Maar konden ze elkander niet bespreken, toch zagen ze wel, dat ze iets moesten doen, wilden ze niet zinken, en dat was het water, dat met elke golf in het bootje kwam, uithoozen. Bij gebrek aan wat beters, gebruikte men daarvoor wat men had: mutsen en schoenen.
"Land!" schreeuwde op eenmaal Henri Quatre.
Pas had hij dat geroepen of de boot stootte op een rif, zoo hard en onverwachts, dat Dirk overboord sloeg. Eene golf nam hem op en droeg hem op de kust.
Henri Quatre zag dat, en hij begreep, dat zijn eenig behoud ook hierin lag, dat hij overboord sprong, als hij eene golf zag aankomen. Hij liep naar Dolf en schreeuwde hem in het oor, wat hij doen moest.
Dolf knikte ten teeken, dat hij zijn' vriend begrepen had.
Daar naderde eene golf: een reus onder de reuzen.
Bijna op hetzelfde oogenblik sprongen de mannen overboord en wat Dirk overkomen was, gebeurde met hen, de golf droeg beiden ongedeerd over de branding heen op het strand, dat maar zeer smal, en door steile rotsen begrensd was.
"Die rotsen over en dan verder zien, wat we doen. Ik geloof, dat we nog altijd op Boeroe zijn, en als dat zoo is, dan zullen we, hoop ik, wel terecht komen," sprak Henri.
De drie schipbreukelingen klauterden nu tegen de rotsen op en hadden weldra een uitgestrekt woud voor zich.
Ook hier had de storm vreeselijk huisgehouden en ging hij voort de hooge reuzenstammen af te breken.
De regen viel nog steeds bij stroomen neder, en het onweder scheen in hevigheid toe te nemen.
Het ware dwaasheid geweest in dit weder verder te gaan; want daar ze geen tien passen voor zich uit konden zien, zouden ze misschien slechts afdwalen. Ze kropen daarom onder eene uitstekende rotspunt, waar ze voor den fellen slagregen beveiligd waren, en hier wachtten ze het einde van de bui af.
Ze huiverden van de koude, en geen wonder.
Eerst hadden ze zich doornat in het zweet gewerkt, en nu zaten ze daar, doornat van den regen. Het water liep met straaltjes uit hunne kleederen, en om nu geene koude op te loopen, besloot Henri Quatre zich inspanning te geven. Hij beproefde tegen de steile rotsen te klauteren en kreeg daardoor de gewone lichaamswarmte terug. Zijn voorbeeld werd door de twee anderen gevolgd, en toen ze een half uur later den top der rots bereikt hadden, zagen ze heel in de verte hun schip en op een kwartier afstands het Hollandsche fort.
"Daarheen, vrienden," sprak Henri toen de bui bedaard was. "We zullen er gauw zijn."
Dat gauw zijn bleek evenwel niet het geval te wezen.
Wat vóór de bui beekjes waren, waarover men zonder stok gemakkelijk springen kon, dat waren nu breede stroomen geworden, welke met woeste snelheid hunne wateren naar zee stuwden.
"Er dwars doorheen," zei Dolf en stapte in het water.
"Dank je krachtig," riep Henri en trok zijn' vriend op het droge. "Zie je daar die lieve jongens niet? Denk je, dat ik de zee verlaten heb om in den buik van een' kaai-man te verhuizen? Een kaaiman is geen kikvorsch, hoor!"
"Vriendelijk dank voor die waarschuwing," zeide Dolf. "Ik zag die vreeselijke dieren niet."
Om nu geen gevaar te loopen aangevallen te worden door de kaailuî, waarvan de riviertjes wemelden, waren de drie mannen genoodzaakt, een' grooten omweg te maken.
Die lange weg begon hun echter vreeselijk te vervelen, en daarom besloten ze eene rivier, die blijkbaar zeer ondiep was, te doorwaden.
"Voor onze veiligheid zal ik dit wandelstokje medenemen," zeide Dolf en nam een stuk hout van een gestrand schip op.
Zij begaven zich onbevreesd te water en zagen aan den anderen oever eenige Boeroeneezen nedergeknield liggen.
"Die mannen schijnen ons om lijfsbehoud te bidden," sprak Dirk. "Zie maar hoe benauwd ze ons aankijken!"
Henri Quatre lachte eens en zeide: "Nu zullen ze ons niet ontvluchten. Ze zien wel, dat we niet gewapend zijn. Ze zijn zeker water-aanbidders! Nu knielen ze ... Dolf, Dolf, pas op! Sla toe!"
"Begrepen, buurman!" riep Dolf en sloeg zijn stuk hout op den harden kop van een' kaaiman, die op hem toegeschoten was en den vreeselijken muil geheel boven water had.
Een vreeselijk geschreeuw liet zich aan den oever hooren.
"Ze hebben medelijden met ons," zeide Dirk.
"Medelijden? Mooi medelijden! Pas op, ze gaan ons nog te lijf, ja! Ik wed wel, om ik weet niet wat, dat ze kaaiman-aanbidders zijn," antwoordde Dolf en sprong aan den oever, waar hij terstond door de inboorlingen met dreigende gebaren ontvangen werd.
"Orang Wolanda!" riep hij.
"Jan Kompanie!" schreeuwde Dirk.
Beide uitroepen hielpen. De inboorlingen wisten dat "Orang Wolanda" een "Hollander" beteekende, en dat Jan Kompanie, zooals ze de Oost-Indische Compagnie noemden, niet gemakkelijk aan zijn kamizool was, als een zijner dienaren mishandeld werd. Het bleef dus bij bedreigingen, en ongedeerd zett'en de drie vrienden hun' tocht voort en bereikten twee uren later het fort, waar ze liefderijk opgenomen werden.
Toen Dolf vertelde, wat hun onderweg overkomen was met den kaaiman, zeide Joan van Leipzig, de Commandant der kleine sterkte, dat ze door "Orang Wolanda" te roepen stellig hun leven gered hadden; want dat de Boeroeneezen aan de kaailuî godsdienstige eer bewezen.
"Nu spelt ge ons toch wat op de mouw," meende Henri Quatre. "Wie zal nu zulk een dier godsdienstige eer gaan bewijzen? Dat zou toch al heel dom zijn!"
"Neen, stellig niet," zeide van Leipzig. "Onder de Heidensche volken merkt men het meer op, dat ze aan booze wezens godsdienstige eer bewijzen in de hoop, dat die booze geesten, gedrochten of dieren hun dan geen kwaad zullen doen. Dit is nu onder de Boeroeneezen evenwel het geval niet. Zij gelooven dat eenmaal een kaaiman met eene der dochters van een' hunner vroegere Koningen getrouwd is. Al de kaailuî, die in deze buurt zich ophouden, heeten van dat vreemde paar af te stammen. Maar, men seint van het schip! Misschien zoeken ze ulieden?"
Van Leipzig liet een klein kanon losbranden, doch alsof men aanboord van de "Koning van Polen" niet begreep, wat dat beduidde, ging men maar voort met seinen.
"Weet je wat, gaat naar eene der hoogste rotsen en laat u alle drie zien. Het is het eenige, wat er op zit," zeide van Leipzig. "Ze zullen zeker willen weten, of je op zee verongelukt of behouden aanwal gekomen bent!"
Onze vrienden vonden dien raad goed, zochten eene hooge rots op, en zoodra ze den top bereikt hadden, begonnen ze met hunne mutsen en zakdoeken te wuiven.
Dat scheen te helpen; want er werd eene boot neergelaten en twee uren later waren ze weer aanboord terug, waar ze met gejuich ontvangen werden. Garrit vooral, die geloofd had, dat Dirk in den storm wel omgekomen zou zijn, was uitgelaten van vreugde.
Thans waren de manschappen weer bij elkander en zette men koers naar Amboina.
"Schip in 't zicht," riep de uitkijk.
"De kerel kon wel roepen schepen," zei Joost. "Het is, bijlo, eene gansche vloot, die daar nadert. Maar het zijn allemaal compagnie-schepen!"
Kapitein Londenaar stuurde zijn schip naar de naderende vloot, en zag weldra, dat van een der vaartuigen de Admiraalsvlag woei. Aanboord van het Admiraalsschip gekomen, vernam Londenaar uit den mond van Johan van Dam en Truytman, die met het bevel der vloot belast waren, dat de "Koning van Polen" hen te volgen had.
"Mag ik ook weten waarheen de koers is, Admiraal?" vroeg Londenaar beleefd.
"De tocht is een geheim en zal later bekend gemaakt worden. Geen enkele Kapitein weet het nog. Nu hebt ge alleen ons bevel te gehoorzamen en bij u op het schip alles tot een vinnig gevecht gereed te maken," sprak Truytman.
"Het zal geschieden, Heer Admiraal," zeide Londenaar en liet terstond zich aanboord van de "Koning van Polen" terugbrengen, waar hij onmiddellijk alles in gereedheid liet brengen voor een mogelijk gevecht.
"Wat zullen we nu weten, Kapitein?" vroeg Dolf.
"Ik kan het u niet zeggen, goede vriend!" luidde het antwoord. "De Bevelhebbers der vloot, de Heeren van Dam en Truytman, zeggen, dat ze eerst op eene bepaalde hoogte ons in kennis mogen stellen met het doel van den tocht. Dat de onderneming belangrijk is, geloof ik te mogen opmaken uit de menigte welbemande vaartuigen."
"Wedden, Kapitein, dat ik weet waarheen het gaat?" vroeg Oude Joost. "Ik geloof dat ik het weet."
"Nu, waarheen dan?"
"Naar Makassar, Kapitein! Ik heb er zoo een voorgevoel van. En als dat zoo is, sta dan vast; want de Makassaren zijn niet gemakkelijk, als ze beginnen. Ik weet hiervan mede te praten, en meer dan mij lief is."
"Zijt ge dan al eens met die luiden slaags geweest?" vroeg Dolf, die nu juist geene groote studie van de geschiedenis der Oost-Indische Compagnie gemaakt had, wat trouwens in ons land bijna niemand deed. Tegenwoordig wordt ook op de scholen de aardrijkskunde van de Oost geleerd, maar toch is het nog zeer gering, wat wij van dien merkwaardigen en rijken Archipel weten. Toen leerde men van de aardrijkskunde van ons eigen land zelfs nog niets op de scholen en dus nog veel minder van de Oost.
Oude Joost keek den vrager eens aan en zeide: "Hoor eens, maat, geleerd mag je wezen, maar of je van onze Oost wel veel weet, dat geloof ik niet. Je vraagt me daar of we met die van Makassar wel eens aan het bakkeleien geweest zijn. Nu, niet zuinig ook. Het was in de Molukken lang niet altijd botertje tot op den boôm. En dat kwam nu niet, omdat de Compagnie telkens redenen tot ontevredenheid gaf, maar wel omdat er van alle kanten kwaad gestookt werd. Onder de grootste stokebranden behoorde vooral de Sultan van Makassar."
"Maar Prins Patinggaloan deed toch al, wat hij kon om ons te bevoordeelen," merkte Meester Troost der Armen aan.
"Daaraf weet ik mee te praten," zeide Kreeft. "Hebben de Heeren Bewindhebbers der Compagnie hem niet eene prachtige koperen aardglobe ten geschenke gegeven? Ik heb dat ding helpen brengen, man, ikzelf. Het was je maar wat een mooi draaiding, en ik dacht zoo al bij mezelven: wat is de aarde toch een raar toestel, dat ze zoo tusschen een houten rand draait. Als we de Linie passeerden heb ik wel eens gekeken of ik dien houten rand niet zag!"
"Ik meen ook dat Joost van den Vondel op die globe een gedicht heeft gemaakt," sprak Henri Quatre.
"Dat ik kan opzeggen," nam Kreeft het woord. "Vondel schreef ervan:
Tot eer van Hollants waterleeuw, Herschept de kunst de kopere eeuw Een ronde...."
"Ga maar niet verder, man, ik weet dat alles," zeide Oude Joost. "Ik weet ook dat diezelfde Prins Patinggaloan een zeer geleerd man was, die zelfs Latijn verstond. Ik weet dat hij grooten invloed op den Sultan had; maar hij was als de rest en had ze achter zijn' elleboog. Zijn baas de Sultan, Galedoella Mochahoca, had aan den Gouverneur-Generaal geschreven, dat hij niemendal tegen de Compagnie had, maar dat hij alleen de bewoners van de Molukken tegen ons opstookte om Gods wil en om zijne Mohammedaansche leer te beschermen. Maar dat waren maar praatjes, want dan had hij de Portugeezen, die dan toch ook geene Mohammedanen zijn, ook niet in zijn land moeten dulden."