Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes
Part 8
Hierop liet de Kapitein ieder twee beschuiten geven om in den zak te steken, en toen dat geschied was, sprak hij: "Jongens, de groote baas komt! Houdt je allen goed! Gehoorzaamt je meerderen en .... vertrouwt op God!"
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken of de wind deed de twee kleine zeilen zwellen!
"Daar gaan we!" riep Ouwe Joost. "Te koekoek, wat vangen die lapjes hem! Het is eene liefhebberij om het te zien."
Met den wind kwamen ook de wolken en met de wolken onweder en regenstroomen.
In een oogenblik waren de leggers vol, doch om andere te zetten was het nu geen tijd. Het zou ook slecht in zijn werk gegaan hebben, want "De nieuwe Leerdam" vloog langs de oproerige wateren, als een hollend paard door de duinen, nu de hoogte op, dan de laagte in, maar steeds in snelle vaart vooruit.
"Twee booten! Twee booten!" riep Dirk.
"Ze hebben eene Portugeesche vlag op," zei Kreeft.
"Het zal het volk van dit schip zijn," liet Henri Quatre zich hooren. "Ze zullen hun schip herkennen en aanboord willen!"
De arme kerels! Ze staken de riemen en handen op! Ze wuifden met doeken en mutsen! Ze smeekten om hulp!
Te vergeefs!
De storm joeg de karveel voort en pogingen aan te wenden om den mannen hulp te bieden, dat ging niet! Het zou een zinneloos werk geweest zijn.
Voort, voort ging het!
De manschap, wel gewoon met Hollandsche schepen te varen, zou al zeer onbeholpen gestaan hebben op een schip als dit, dat eene heel andere tuigage dan de Oostindie-vaarders had, als niet Dolf, in Franschen dienst, eenmaal gedurende een half jaar het bevel gehad had over een dergelijk schip, dat als kaper door de Franschen genomen, onder storm en slecht weder uit de golf van Biscaye door hem naar Duinkerken was gebracht.
Thans toonde Kapitein Londenaar, dat hij verstandiger was dan zijn voorganger, want hij liet het bevel geheel aan Dolf over.
En te midden van de felste vlagen bleef de aap zich boven in den mast vastklemmen, maar hield het blinkende voorwerp tusschen de tanden.
"Eene hoos! Eene hoos!" schreeuwde Henri Quatre. "Houdt je vast, mannen! Houdt je vast!"
Eene groote, leikleurige wolk, die het voorkomen had van een' reuzentrechter, naderde, steeds wentelend, kronkelend en draaiend, meer en meer het voorthollende schip!
Ze kwam al nader en nader!
Het werd donker als midden in den nacht.
"O!"
Akelig klonk dat "O!" uit den mond van al de mannen.
Ze waren onder water.
Verdronken?
Neen, neen! De hoos was dicht bij het schip uit elkander gebarsten en slechts het kleinste deel van de vreeselijke massa water, die zij bevatte, was op het dek nedergeploft.
Gelukkig dat alle luiken dicht waren. Het water stroomde weg en .... de zon brak door. De storm was merkbaar bedaard. Men kwam wat tot kalmte.
"Hoe heb ik het nu? Wat is ons overkomen?" riep Kapitein Londenaar.
"Wel wat vreemds, Kapitein, maar daarom nog niet wat ongewoons! Dat is de tweede keer, dat ik zoo iets bijwoon," zeide Ouwe Joost. "En als het nu dezen keer gaat, als den eersten, dan zullen we een dag of drie regenachtig weder met een' frisschen wind hebben."
"Daar ligt de aap!" riep Dirk en wees naar het regenzeil.
Verscheidene handen waren nu in de weer om het dier te grijpen. Hiertoe was evenwel geene vlugheid noodig, want het dier was dood en vlak naast hem lag een gouden ring met grooten diamant.
Ouwe Joost nam den ring, ging er mede naar Kapitein Londenaar en zeide: "Hier, Kapitein! Die is voor u!"
"Hoezee!" juichte het volk toen het zag wat de oude man deed. "Flink zoo! Ferm zoo, Joost!"
Maar Kapitein Londenaar ging met den ring naar Dolf en zeide: "Hier, goede vriend! Hier is eene gedachtenis van het dankbare scheepsvolk aan u. Hadden we u niet gehad, zeker zouden we allen met "De nieuwe Leerdam" naar den kelder gegaan zijn!"
Kapitein Londenaar stak den ring aan Dolfs vinger en diep ontroerd antwoordde de flinke gezel in ronde zeemanstaal: "Dank! Dank! Voor Holland en de Compagnie mijn leven en mijn bloed! Hoezee!"
Met een hartelijk gejuich werden deze woorden begroet en daarna begaf ieder zich naar de leggers om zich eens te verzadigen aan het heerlijke water, dat men opgevangen had, terwijl men zorg droeg om al de andere leggers schoon te maken en ook vol te laten loopen.
Thans had men weer moed en wie die schepelingen nu gezien had, zou vol verbazing hebben uitgeroepen: "En zijn dat nu de mannen, die onlangs oproer maakten?"
Maar waren er dan geene redenen voor geweest om hen toen zoo ontevreden te stemmen?
Ja, ik weet wel, oproer mag men nooit maken, maar, een mensch is een mensch, en Janmaat is ook een mensch.
Nu had men geene redenen meer om ontevreden te zijn.
De gestadige regenbuien vulden al de leggers.
Erwten, boonen, pekelvleesch en spek, alles was vol-op aanboord. Ja, zelfs zeer lichten tafelwijn vond men er in overvloed en de Opperkoopman, die maar wat blij was, dat hij met al zijne ongelukken nog zulk eene voordeelige reis maakte, liet iederen dag aan elk man eene halve flesch van dien wijn uitdeelen. Ieder kreeg bovendien nog eene goede portie suiker, zoodat ze zich verfrisschen konden met heerlijke limonade van wijn.
De kok kon koken en braden zooveel hij wilde.
De wind, die geregeld en zonder vlagen woei, deed "De nieuwe Leerdam" voortvliegen, alsof ze de manschappen de verloren schade wilde doen inhalen.
Ziek was niemand; vroolijk waren velen; tevreden waren allen.
"Wie had dát kunnen denken, dat het zóó afloopen zou, Joostje?" zeide de Kapitein toen ze reeds in de nabijheid van Kaap de Goede Hoop waren.
Deze Kaap werd in vroegere jaren zoowel op de heen-, als op de terugreis aangedaan. Tegenwoordig geschiedt dit alleen op de terugreis.
Oude Joost keek den Gezagvoerder eens aan en zeide: "Als Dolf de Boef er eens niet geweest ware, dan weet ik niet, of alles wel zoo goed zou afgeloopen zijn, Kapitein!"
"Het is zooals gij zegt, Joost! "Dolf de Boef" werd met Gods hulp "Dolf de Redder"," zeide de Kapitein en wie die woorden hoorde, stemde hiermede van ganscher harte in.
"Nu, Dolf," zeide Henri Quatre aan den avond van dien dag, toen ze arm in arm op het scheepsdek heen en weer liepen, "nu, Dolf, je kostje is gekocht, als we het geluk hebben te Batavia te komen."
"Zult gij mij dan aan uw' neef den Gouverneur-Generaal voorstellen, Willem?" vroeg Dolf met een lachje.
"Gij lacht terwijl ge dit vraagt, Dolf! Daaruit blijkt het, dat ge zelf er niet veel van gelooft. Neen, man, de Gouverneur-Generaal kent me zelfs niet en wil mij liever maar niet kennen ook. Ge begrijpt, een bootsman en een Toewan besaar passen al heel slecht bij mekaêr![18] Het is al mooi, dat hij er voor gezorgd heeft, dat ik altijd, hoewel ik den naam heb van lastig te zijn, als bootsman vaart heb. Ik moet dat al prijzen; want als hij me hieraan niet hielp, dan kon ik misschien wel geen schip als matroos krijgen. Maar met jou is het wat anders. De Super-carga zal wel voor je zorgen, dat je vooruit komt!"
"Stil, Willem, stil! Wil hij voor ons beiden zorgen, goed; maar liever vaar ik als matroos uit en blijf bij jou aanboord, dan dat ik je verlaat om op een ander schip in rang boven je staan. We zijn nu weer bij mekaêr en .... we blijven bij mekaêr. Wel te rusten!"
De twee vrienden zochten nu ieder hunne kooi op en Ouwe Joost, die een en ander van hun gesprek verstaan had, zeide in zichzelven: "Vlamingen zijn ze, maar, alével ferme kerels!"
Dat was voor Ouwe Joost al heel veel gezegd; want bij hem ging er niemand boven een' Hollander, Fries of Zeeuw. Dat waren de Pieten. Kwamen ze uit een van de andere vier gewesten, dan was het maar zoo-zoo; maar vreemdelingen bleven vreemdelingen, en waren in zijn oog meestal geen knip voor den neus waard.
VOETNOTEN.
[16] =Waarloos hout= heet men aanboord der schepen alle houten voorwerpen, die ingescheept worden om op reis, als het noodig is, andere van dezelfde soort te vervangen.
[17] Een karveel was een Portugeesch vaartuig van middelbare grootte, dat met driehoekige zeilen getuigd was. Deze zeilen heetten latijnzeilen, omdat ze in gebruik waren bij de volken, die de kusten der Middellandsche Zee bewoonden. Men noemt die volken ook wel eens de Latijnsche volken. Waar we nu wat verder van =Latijnsche tuigage= spreken, zullen onze lezers wel weten, wat daarmede bedoeld wordt.
[18] Toewan besaar = Groote Heer. Het is de naam waarmede de Javaan den Gouverneur-Generaal aanspreekt. =Toewan= is =heer= en =besaar= is =groot=.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Een koningsmiddel.
Door den overvloedig gevallen regen hadden ze de leggers thans vol met heerlijk regenwater. Levensmiddelen waren in overvloed aanboord en aan andere zaken had men geen gebrek. Daarom stelde de nieuwe Kapitein voor, omdat men toch al zooveel ten achteren was, de Kaap maar niet aan te doen, en, gebruik makende van den gunstigen wind, liever rechtuit naar Batavia te zeilen. Toen ieder overtuigd was, dat men terwille van water, levensmiddelen of wat anders niet gedwongen was eene haven op te zoeken, werd Londenaars voorstel aangenomen en het gevolg daarvan was, dat men, na zóóveel ondervonden te hebben, slechts zes weken later te Batavia aankwam dan de "Nieuwpoort", waarmede men uitgezeild was.
De komst op de reede van Batavia van eene Portugeesche karveel onder de Prinsen- of Statenvlag verwekte daar groote verwondering, en eer de Javaansche kadraaiers[19] aanboord waren, was de Fiskaal er reeds met zijn gevolg om het schip en de lading te onderzoeken, en te zien of er ook iets te vinden was, waarvan de Compagnie den invoer had verboden. Het spreekt vanzelf dat Kapitein Londenaar terstond alles mededeelde van hetgeen er met de "Leerdam" gebeurd was, en hoe het kwam dat eene Portugeesche karveel den naam gekregen had van "De nieuwe Leerdam".
Nadat het onderzoek natuurlijk bevredigend afgeloopen was, ging de Super-carga met den Fiskaal aan wal. Al de anderen moesten blijven waar ze waren; niemand mocht het schip verlaten.
"Kijk eens, kijk eens, Garrit, wat rare luî komen daar aan in die kleine bootjes!" riep Dirk en wees op eenige kadraaiers, die met elkander en lang niet altijd op eene vreedzame manier, schenen te wedijveren wie het eerst bij het schip zou zijn.
"Dat zijn Chineesche kadraaiers, jongens," zeide Ouwe Joost. "Als je nu maar een' vollen buidel hebt, dan is het goed. Dan kunt ge aan den koop!"
"Ik ga mijne borre halen!" riep Dirk.
"En ik ook," zei Garrit.
Lachend zag de oude matroos de twee jongens na en zeide: "Als ik niet oppas en een oogje in het zeil houd, dan koopen ze zich aan allerlei ontuig ineens arm. Ik ken die afzetters!"
Garrit en Dirk waren juist met hunne geldbuidels, of zooals zij deze noemden, borren, terug toen de eerste Chineezen met hunne waar beneden bij het schip gekomen waren.
"Hoort eens, mannen," sprak nu Kapitein Londenaar, "ik zal een paar van deze kerels aanboord laten komen. Maar, betaalt niet wat ze vragen! Ze overvragen erg. Dingt gerust de helft af en koopt toch niet al te veel fruit; want wie dat hier veel eet, krijgt eene ziekte in de ingewanden en moet zijne gulzigheid meestal met den dood bekoopen!"
"Meester Troost der Armen is er toch nog en die zal ons wel zóó inzalven, dat we er geen hinder van hebben, Kapitein," riep een matroos, en zoodra een der Chineezen aanboord was, liep hij er heen en haalde twee groote water-limoenen en vier pisangs uit zijne mand, en betaalde, dom genoeg, wat de slimme Chinees er voor beliefde te vragen.
De kooplieden waren weldra zóó door het volk omringd, dat de Twee Vromen er niet bij konden komen, en terwijl ze hierover stonden te klagen, kwam Ouwe Joost bij hen en zei: "Hebt maar geduld, jongens! Er komt nog meer van dat volk, en als je mij laat koopen, dan heb je alles voor een bagatel en bovendien puike waar. Ik weet er mee om te springen!"
Half onwillig lieten Garrit en Dirk zich overhalen, geduld te oefenen. Zij voelden het water in hun' mond komen, als ze zagen hoe hunne makkers in de heerlijke, sappige vruchten beten.
Reeds drie kadraaiers hadden al hunne vruchten verkocht; want Kapitein Londenaar mocht waarschuwen zooveel hij wilde, de meesten sloegen zijn' goeden raad in den wind en verslonden de eene vrucht na de andere.
Eindelijk schenen ze hunne bekomst te hebben, althans toen een vierde kadraaier aanboord kwam, waren er maar weinig liefhebbers meer.
"Nu is het onze beurt, jongens!" zei Ouwe Joost. Hij haalde een paar groote limoenen uit de mand, bekeek ze eens, rook er eens aan en legde ze toen weer met een verachtelijk lachje neer.
"Bah, wat een uitschot!" zei hij in gebroken Maleisch. "Hoeveel durf je nog voor die dingen vragen?"
De koopman noemde eene som en Ouwe Joost bood juist het derde deel.
"Je hebt goed slag van afdingen," zeide Dolf, die er bij stond en nog niets gekocht had, omdat hij de eenige aanboord was, die geen geld had. Hij wist wel, dat Kapitein Londenaar zorgen zou, dat de Compagnie hem betalen zou voor het werk, dat hij verricht had, als matroos en als Stuurman; hij begreep ook wel, dat er nog wel wat extra's op overschieten zou ook, maar, hij was te trotsch om voorschot te vragen op eene gage, die ze hem niet behoefden uit te betalen, omdat hij niet op de monsterrol vermeld stond. Zijn vriend de bootsman was niet aanboord, want die bracht den Super-carga aanwal. Hij zou spoedig terugkeeren en misschien dat Dolf dan hem om geld zou vragen.
"Je zult zien," antwoordde Ouwe Joost, "dat ik ze voor dat geld krijg." Hij deed alsof hij weg wilde gaan.
Zoo was het evenwel door den Chinees niet gemeend. Hij liep hem na, verminderde steeds den gevraagden prijs en eindigde met de twee heerlijke limoenen te verkoopen voor een prijsje, waarvoor de haastige koopers geen uitschot hadden gekregen. Ja, Joost wist het zóó aan te leggen, dat hij er nog twee grootere bij kocht voor nog minder geld.
"Vooreerst genoeg, jongens," zei hij. "Morgen komt er weer een dag. Weest maar niet ongerust, dat ze vandaag uitverkocht zullen zijn."
"Voor ieder maar één?" riep Garrit verwonderd. "Of is die vierde voor Dirk en mij?"
"Neen, niet voor u en niet voor uw broêr," sprak de matroos, en de mooiste limoen Dolf toereikend, zei hij: "Hier, man! Gewezen boeven hebben geene duiten. Het geld krijg ik later."
Dolf aarzelde de vrucht aan te nemen en kreeg eene kleur.
"Nu, bloos maar niet als een ijdeltuitig jofferken," riep Joost lachend. "Denk je dan dat wij niet weten, dat je geen geld hebben kunt. Als de Sinjeur, de Super-carga, afrekent, zult ge ons beschaamd zetten. Koop er dan een voor mij, Dolf, en eet nu deze van mij op! Weinig, maar uit een goed hart, man!"
"Je kunt en moogt veel zeggen, brave vriend," sprak Dolf, geroerd over den hartelijken eenvoud van den grijzen zeerob. "Ik neem deze vrucht in dank aan!"
"Dat begreep ik ook wel," hernam de matroos, "en gij, Garritje, je bent bang dat je er aan één niet genoeg hebt, he? Wacht maar een uurken, dan zult ge blij zijn, dat ge er geen twee op hebt."
"Hei, hei, nieuwe Dokter," riep Meester troost der Armen, die alles verstaan had. "Ik ben nu Dokter en ik mag dus een woordje mede spreken, maar ik zeg, dat ik er nog nooit last van gehad heb, als ik vijf of zes limoenen achter mekaêr opat. Ik heb er nu eens acht opgegeten en...."
Meester Troost der Armen zweeg opeens, trok een pijnlijk gezicht en legde de hand op zijn' buik.
"En nu komt het appelmanneke al om zijn geld! Gauw, meester! Ga nu maar als de wind zoo vlug in een vat troost der armen liggen," riep Ouwe Joost lachend.
De scheepsbarbier hoorde niet meer, wat de matroos zeide, maar verwijderde zich zoo schielijk, als hij maar kon.
Tusschen al die bedrijven door was Henri Quatre met de sloep teruggekomen. Zijne bootsgezellen kochten den kadraaier ledig en deze maakte zoodoende nog goede zaken.
Een half uurtje later kwam een matroos naar den Kapitein loopen en riep: "Kapitein, de scheepsbarbier ligt op zijn uiterste. Hij leeft geen uur meer!"
"Dadelijk naar de stad om hulp te halen," beval de Kapitein, die vreesde, dat er wel meer zieken zouden komen.
Ouwe Joost, Dirk, Garrit en Henri Quatre, die geen van allen te veel gegeten hadden, roeiden naar de stad en waren zoo gelukkig Meester Hermanus Benedictus, den scheepsbarbier van de "Nieuwpoort", mede te krijgen. Deze begreep wel, wat er gaande was, en nam alvast eene goede hoeveelheid van een zeker medicament mede om dat de zieken in te geven.
Deze Hermanus Benedictus was de zoogenaamde Meester Jonas, die bij Meester Troost der Armen zoo slecht aangeschreven stond, omdat men van den man vertelde, dat hij alles met rabarber wilde genezen. Dit nu was in het geheel niet waar, ja, de man moet zelfs voor zijn' tijd een zeer knap geneesheer geweest zijn, want zijn naam wordt met veel lof genoemd.
Zoodra hij aanboord kwam en zag hoe Meester Troost der Armen zich van pijn in elkander wrong, zei hij: "Jawel, jawel, de pisang-poppekens zijn aan het dansen en de limoen-joosjes spelen de fluit erbij! Slikken maat!"[20]
Hij zette hem eene spoelkom vol krachtige medicijnen aan den mond, doch de zieke weigerde ervan te gebruiken.
"Och, staat me eens een oogenblik bij, mannen," sprak Meester Benedictus enkele matrozen toe, en dezen waren daartoe dadelijk bereid. De eerste hield het rechterbeen van den zieke beet, en de tweede het linker. Twee anderen belastten zich met zijne armen. Henri Quatre trok hem achterover en hield hem op den rug, en Kapitein Londenaar kneep met zijne fijne handjes den brullenden scheepsbarbier den neus dicht, en telkens, als deze gaapte, goot Meester Benedictus hem den mond vol. Zoo kwam de gansche inhoud van de spoelkom terecht in het lijf van den zieken scheeps-barbier, en dit scheen zijn behoud te zijn; want spoedig kwam hij tot rust en reeds twee dagen later was hij instaat zijne kooi te verlaten. Een paar matrozen evenwel hadden hunne gulzigheid met den dood moeten bekoopen.
Intusschen werd het schip gelost en naar het eiland Onrust gebracht waar het tot nadere bevelen moest blijven liggen. Men had ook goed gevonden het geheel te verbouwen en het volk op een ander schip eene reis te laten doen. Dat schip was er echter nog niet, en tot zoo lang bleef de heele bemanning aanboord van "De nieuwe Leerdam".
Eén enkele maal was de Gouverneur-Generaal, die toen een man was van ruim vijftig jaar, op het schip geweest en had bij die gelegenheid gezegd, dat hij van den Super-carga vernomen had, dat al het volk zich zoo cordaat had gehouden. Als eene belooning voor die goede diensten wilde hij hen allen bij elkander houden. Kapitein Londenaar zou Kapitein blijven en Dolf zou eene aanstelling krijgen als Stuurman. Van zijn' neef sprak hij niet, en alleen in het voorbijgaan keek hij hem aan en zei: "U is bootsman Willem van Aspervelde?"
Henri Quatre boog zeer beleefd en zeide: "Om u te dienen, Heer neef! Ik ben jonker Willem van Aspervelde."
De Gouverneur-Generaal scheen het niet prettig te vinden aldus aangesproken te worden, doch bemoedigend en alles behalve onvriendelijk zeide hij: "Laat dat "neef" voorloopig nog maar weg, bootsman! De Regeering heeft uitnemende rapporten van u ontvangen, en zoo ik hoop en vertrouw, zult ge er geen berouw van hebben andermaal in Indië aangekomen te zijn. Als gij er lust in hebt, zal ik zorgen dat gij als Kapitein een schip krijgt. Wilt ge op eene andere wijze uw geluk beproeven, laat mij het weten en ik zal u gaarne voorthelpen!"
Zonder meer te zeggen verwijderde hij zich, doch eer het avond was, had Willem van Aspervelde zijne aanstelling als Opper-stuurman bij de Compagnie.
Zoo brak de drieentwintigste Januari aan, en aan den avond van dien dag zeide Meester Troost der Armen, dat hij zijn' collega Meester Benedictus eens ging opzoeken om hem dank te zeggen voor de goede behandeling. Als belooning daarvoor wilde hij hem het recept geven van zijne kostbare zalf "troost der armen" en tegelijkertijd deed hij er twee groote Keulsche potten van die zalf bij. Garrit en Dirk waren wel zoo goed ieder een' dezer potten te dragen.
Meester Troost der Armen stapte heel deftig vooruit. Hij moest hier te midden van al dat vreemde volk zijne waardigheid toch ophouden! Meester Petrus Pruymius, zijn ware naam was Pieter Pruym, moest toch toonen, dat hij aanboord van een schip der Compagnie geen kwâjongen was. Hij had zich daarom heel deftig aangekleed en voor deze gelegenheid een' degen aangegespt. Toevallig hing die aan zijne rechterzijde, omdat Meester Pruymius links was.
Nadat ze reeds een heel eind waren voortgeloopen, zeide Dirk: "Meester, ik zou wel eens wat willen rusten! Ik word moede van mij door het gedrang te wringen. Hoe komt het toch dat het vandaag zoo bijster drok is?"
"Ja, die Chineezen gelijken wel gek," meende Garrit.
Meester Pruymius zocht een stil plaatsje uit en zeide: "Rust hier dan wat, jongens! En die drukte? Welnu, het is vandaag Nieuwjaarsdag voor de Chineezen."
"En waar ergens woont Meester Benedictus?" vroeg Garrit. "Zou het nog ver loopen zijn?"
"Ja, jongen, dat weet ik niet; maar een man als Meester Benedictus zullen ze hier toch wel kennen. Ik zal het eens aan dien vroolijken Chinees vragen." Hij ging hierop naar een' Chinees, die zich in een buffelhuid gestoken en zijn gezicht geel en groen geverfd had. Evenals zoovele andere Chineezen had deze man zich bij gelegenheid van Nieuwjaarsdag verkleed en zeker ook wel wat anders gedronken dan slappe thee.
Meester Pruymius hield hem staande en vroeg in eene taal, die hij Maleisch noemde: "Mana doekoen Benedictus ajar?"
De Chinees keek den man eens aan, haalde de schouders op, lachte, maakte een' luchtsprong en liep naar een paar andere Chineezen, die onze drie vrienden ook eens even aankeken en toen lachend verder gingen.
"Wat heeft u toch gevraagd, Meester?" vroeg Dirk.
"Wel, ik vroeg dien knul in best, heel best Maleisch, waar Dokter Benedictus was, maar die snoeshaan scheen alleen zijn eigen Koeterwaalsch te verstaan. We zullen nu maar...."
"Meester, meester, kijk eens wat eene beweging! Wat zou dat zijn?" zei Garrit opeens.
"Wat loopen ze!" riep Dirk. "Ze schijnen te vluchten!"
Ons drietal ging nu op een' hoop steenen staan om te zien, wat er gebeurde.
Gillend en schreeuwend kwamen Chineezen, Javanen en enkele Blanken aanloopen. Ze werden achtervolgd door een' man, die bijna geheel naakt was en een groot mes zwaaide.
[Illustratie]
Eene der vluchtende vrouwen, door hem ingehaald, stak hij koelbloedig dood en rende toen weer verder, achtervolgd door eene menigte gewapenden, die zoo luid mogelijk schreeuwden: "Amok! Amok!"
"O wee!" riep Meester Pruymius, "dat is een amok-maker!" en hierop zijn degen losgespende ging hij aan den haal zoo hard hij kon.[21]
Garrit volgde het voorbeeld van den dapperen Dokter en liet den Keulschen pot in den steek. Ook Dirk wilde op de vlucht gaan, doch het was, alsof zijne voeten aan den grond vastgegroeid waren. Hij kon niet van zijne plaats af en zag zijn' broeder en den scheepsbarbier weldra in de vluchtende menigte verdwijnen.
Daar naderde de vreeselijke man. Het was akelig om dat verwrongen gezicht en die vreeselijke, dreigende bewegingen te zien. En niet zoodra kreeg de amok-maker den armen verslagen jongen in het oog, of hij kwam woedend op hem af.
Dirk beproefde alweer te vluchten; maar hij kon niet.
Het angstzweet liep met stralen langs zijne wangen.
Nog eenige stappen en....
In dat vreeselijk bange oogenblik liet Dirk een' schreeuw hooren, zoo akelig, dat hij zelf ervan schrikte, en niet wetend, wat hij deed, smeet hij met de kracht der wanhoop, den Keulschen pot met zalf op goed geluk af naar het hoofd van den waanzinnige.