Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes

Part 7

Chapter 74,144 wordsPublic domain

Het baatte niet of IJzeren Neptunus er nu twee beetpakte en dreigde overboord te smijten.

Het hielp niet, dat Henri Quatre, Dolf, Ouwe Joost, Hoepel, de Opperkoopman, de Scheepsbarbier, Dirk en Garrit zich bij hun' nieuwen Kapitein aansloten. De oproermakers waren te ver in de overmacht, niet alleen door getal, maar ook door wapenen; want de konstabel en zijn maat, die mede tot de rebellen behoorden, hadden geladen musketten, pistolen, kruit en lood uitgedeeld, waarna ze den sleutel van het wapen- en kruitmagazijn in zee gesmeten hadden.

Inmiddels nam de brand overal toe en de booten werden neergelaten en wie geen' moed had om te blijven, vluchtte.

Ook Garrit, de Scheepsbarbier en de Opperkoopman kwamen in eene boot terecht.

Op dat oogenblik stak er een zuchtje wind op, het fluitschip kwam in beweging, en brandende passeerde het in dien nacht de Linie.

Maar geen was er, die er aan dacht.

Zonder iets aan het voortwoekeren der vlammen te kunnen doen, stonden IJzeren Neptunus, Henri Quatre, Joost, Hoepel, de Tweede Stuurman en Dolf bij elkander op het achterschip.

"De "Leerdam" komt er slechter af dan de "Het Huys ter Horst"," bromde Joost. "We zijn voor de haaien, mannen! Als het kruit vuur vat dan...."

Daar viel de groote mast overboord en bijna op hetzelfde oogenblik volgde de fokkemast.

"Mannen," sprak de nieuwe Kapitein, "de booten zijn alle weg. Over een klein kwartier vat het kruit vuur en dan zijn we allen verloren. Ons eenig behoud is om overboord te springen en te trachten op de masten te komen. Komt, het kan niet anders!"

De trouwe mannen begrepen dat ook. De een na den ander sprong overboord in zee, doch IJzeren Neptunus bleef achter.

Eindelijk kwam hij ook met .... den dronken Kapitein.

Hij sloeg den linkerarm om hem heen en onder het korte gebed: "Goede God, sta ons bij!" plofte hij ook in zee.

Wat een held was die man in dat oogenblik!

De Opperkoopman zag het aan en mompelde: "Dat is nu eerst nog eens eene schoone en edele daad! Die eenvoudige stuurman, hij is een groot man!"

VOETNOTEN.

[11] Leggers zijn geteerde watervaten.

[12] Met het "volk achter" bedoelt men aanboord der schepen den Kapitein, zijne Officieren en passagiers eerste klasse. Met het "volk voor" worden de ondergeschikten bedoeld.

[13] Duivelsdrek is een soort van hars, dat in de apotheken gevonden wordt. Het verspreidt een' zeer onaangenamen geur.

[14] Bacchus was bij de oude Grieken de God van den wijn.

[15] Een =rendez-vous= is een afgesproken plaats van bijeenkomst.

ZESDE HOOFDSTUK.

Alével ferme kerels.

"Zoo, Dirk, jongen, ben je ook boven water?" vroeg Henri Quatre, die gelukkig post gevat had op den grooten mast, aan Dirk, die op een ander stuk hout kwam aandrijven.

"Ja, bootsman, ja! Maar hebt ge onzen nieuwen ouwe in zee zien springen met den ouden ouwe?"

Het was eene malle vraag en dat nog wel in een oogenblik, dat men aan het grootste gevaar bloot gesteld was. Toch schoot Henri Quatre onwillekeurig in den lach en zeide: "Jij met je nieuwen en ouden ouwe, je doet een mensch nog lachen, als hij ieder moment gevaar loopt van in zee te duikelen en door haaien verslonden te worden. Maar gezien, ja, ik heb het gezien! Wat een kerel! Kijk, kijk, daar komt hij aanzwemmen!"

"Konden we hem maar helpen en wat toegooien, een touw of zoo iets," zeide Dirk. "Maar ik zie niets."

"Gooi maar niemendal, maat, en houd je liever maar vast. Het is wel hardvochtig zijn' medemensen misschien zoo maar voor zijne oogen te zien verdrinken, maar het hemd is nader dan de rok, mijn jongen," sprak de bootsman.

"Och, Heere, hij kan niet meer," riep Dirk.

Plof!

Wat was dat?

Op hetzelfde oogenblik dat Dirk riep: "Hij kan niet meer," vergat Henri Quatre, dat het hemd nader was dan de rok en zwom naar IJzeren Neptunus om dien te helpen. Met vereenigde pogingen kwamen de twee wakkere kerels met den Kapitein, die nu heelemaal ontnuchterd was, op den grooten mast. Wat verder zwommen Joost en Hoepel terwijl Dolf zich wanhopig aan een stuk waarloos hout, dat overboord gevallen was, vastklampte.[16]

Gelukkig waren de twee booten niet zoo ver van het schip, of ze konden de rondzwalkende achterblijvers hulp komen bieden, en zóó waren ze nu niet, om dat na te laten. Ze zeilden en roeiden met alle macht naar de arme mannen en mochten het geluk smaken allen te redden. Alleen de Tweede Stuurman werd niet gevonden en daar men vreesde in de nabijheid van het brandende schip te blijven, zoo gaf men het zoeken spoedig op en verwijderde zich zoo schielijk mogelijk.

Intusschen was het geheel dag geworden, en juist toen de zon boven de kimmen rees, vloog de "Leerdam" met een' vreeselijken slag in de lucht. De beweging daardoor in het water veroorzaakt was zoo sterk, dat de twee vol geladen booten bijna omsloegen. Men kwam dit gevaar evenwel gelukkig te boven; een ander echter, neen, vele andere gevaren ging men te gemoet.

De twee booten toch, waarvan slechts de eene zeil voerde en de andere moest geroeid worden, waren overvol; men kon zich amper bewegen. Dan had men geen' druppel drinken en geen stuk eten aanboord. Een kompas om naar te sturen had men niet. De wind was op het oogenblik flauw, maar hij kon opsteken en tot storm aangroeien. En wat zou men in een' storm met twee zulke wrakke vaartuigen op het midden van den Oceaan beginnen?

Wie weet, als men de stormen misliep, hoeveel dagen men zonder eten of drinken zou moeten doorbrengen! En dan onder de Linie met zulk eene hitte!

"Weet je wat, mannen," dus sprak IJzeren Neptunus toen de twee booten tegen elkander lagen, "er moet raad geschaft worden! Zoo kunnen we niet blijven!"

"Mag ik spreken?" vroeg de gewezen Kapitein, terwijl hij vreemde pogingen aanwendde om op te staan.

"Daartoe heeft ieder het recht, die meent dat hij een' goeden raad weet te geven," zeide de Eerste Stuurman. "Niemand zal zich daar tegen verzetten!"

"Welnu dan," hernam de vernederde man, "welnu dan! Mijne trotschheid heeft u allen in dezen toestand gebracht. Ik wil dit niet ontkennen. Het is zoo!"

"Eeuwig jammer dat hij het niet eene week vroeger heeft willen erkennen," mompelde Hoepel.

"Wat die man daar zegt, doet mij meer leed dan ik u uitdrukken kan, mannen, want ik gevoel het, dat hij waarheid spreekt. Maar nu mijn raad. Gij hebt goed gedaan Stuurman Londenaar tot uw' Gezagvoerder te benoemen. Al was ik het nog, ik zou het niet lang meer wezen. Ik ben inwendig gekneusd, en ik weet zeker, dat ik vandaag of morgen aan die wonden sterven moet. En nu, in het aangezicht van den dood, zeg ik u dit: "Gehoorzaamt onvoorwaardelijk uw' nieuwen Kapitein Stuurman Londenaar, bijgenaamd "IJzeren Neptunus"; want als er redding mogelijk is, dan kan hij de man zijn, die met Gods hulp u die redding bezorgt. Hij is in deze streken goed bekend, en als hij raad noodig heeft, dan zal "Ouwe Joost" dien geven. Deze man zou ik tot uw' Kapitein benoemen, als Londenaar er niet was. Hij is een bevaren matroos, meer dan ieder uwer. Maar als ge redding wilt, dan moet ge in de eerste plaats naar de plek terugkeeren, waar de "Leerdam" in de lucht vloog. Vischt daar op, wat ge kunt, en zoekt vooral beschuit- en watervaten."

"Er kan immers niets meer in de booten, Kapitein!" zeide Henri Quatre. "Ze zijn nu al meer dan vol!"

"Ik ben uw Kapitein niet meer, bootsman! En dat er niets meer in de booten kan, dat zie ik. Het plekje waar ik zit, is te klein om er iets te bergen; vandaag of morgen zal het wel onder u allen verdeeld zijn. Maar beproeft nu losse balken, of welk ander houtwerk ook, met touwen aan elkander te binden. Sjort daarop den voorraad vast, en neemt dat soort vlot dan mede op sleeptouw. Als ge .... als ge...."

De voormalige Kapitein zakte in elkander.

"Vergeving, mannen! Genade, o, mijn God, genade -- gena...." bracht hij stamelend uit en gaf den geest.

"Dat is de eerste doode, mannen," sprak de nieuwe Kapitein. "Wie weet hoe velen onzer hem volgen."

"Gelukkig de slechtste," bromde Kreeft.

"Hij was niet zoo slecht, mannen! Zijn laatste raad legt hiervan getuigenis af. Ik heb meer met hem gevaren en ik weet dat hij knap, zeer knap was en niet gauw uit het veld geslagen ook. Deze reis was zijne ongeluksreis," sprak Ouwe Joost. "Ik heb het dadelijk gedacht, dat het verkeerd zou uitloopen. Ja, dat heb ik; want het laatste levende wezen, dat ik in het Vaderland aan den wal zag, was eene zwarte kat."

Niemand was er, die den bijgeloovigen zeeman tegensprak. Al geloofde men nu niet aan allerlei voorteekens, van zwarte katten hield men toch niet.

"Ouwe Joost heeft gelijk, mannen! Onze ouwe was zoo kwaad niet en daarom laten we hem alles vergeven en een zeemansgraf geven. Barbier, wees zoo goed en bid," sprak Kapitein Londenaar. "Eene eerlijke begrafenis mag hij toch wel hebben."

Het was een aandoenlijk oogenblik toen, bij gebrek aan een' ziekentrooster, de scheepsbarbier daar met luide stem het "Onze Vader, die in de Hemelen zijt," uitsprak.

Zoodra hij "Amen" had gezegd, werd de doode overboord geschoven en aan de golven toevertrouwd.

"Dat twee graden westelijker toch zooveel rampen kunnen veroorzaken," fluisterde Dirk zijn' broeder in het oor.

"En nu, mannen, den laatsten raad van den doode ten uitvoer gebracht," sprak Kapitein Londenaar en stuurde de zeilboot naar de plaats waar de "Leerdam" in de lucht gevlogen was.

Al spoedig had men een heel stuk van het achterdek gevonden en hoewel dit wel wat zwaar was om het mee op sleeptouw te nemen, begreep men toch, dat men op het zwaarste voorwerp ook het meeste bergen kon. Het was zelfs zoo groot, dat het gemakkelijk tien of twaalf man dragen kon zonder dat het kantelde. Van de masten sneed men zooveel touwen af, als men maar kon, en toen ging men aan het opvisschen van vaten. Men was zoo gelukkig drie tonnetjes bier en een paar vaatjes wijn te vinden. De leggers met water schenen stuk geslagen te zijn, althans men vond ze niet. Een paar vaten beschuit, een ton pekelspek en nog heel wat andere dingen kwamen nu op het vlot.

"Daar drijft mijne medicijnkist," riep de scheepsbarbier.

"Laat die maar drijven! Ze zou ons misschien meer kwaad dan goed doen," zeide de Kapitein.

"Maar er is een haarlok in van mijne lieve Moeder!" liet de barbier zich hooren.

"Van zijn meisje!" spotte er een.

Plomp!

Daar sprong de barbier in zee, zwom naar zijne kist en bracht ze gelukkig op het vlot.

Met een sleuteltje deed hij ze open en vol vreugde riep hij uit: "Alles droog, gelukkig, alles droog!"

"Behalve de man zelf, die druipt!" liet dezelfde spotter zich weer hooren, doch toen hij nog meer wilde zeggen, hield hij zich in, want de barbier drukte een lok grijze haren tegen de lippen en zeide: "Dag, Moeder! Dag, lieve Moeder! Je jongen is er nog en hoopt u weer te zien!"

Zie, dat had men nu toch van dien mallen Meester Troost der Armen niet kunnen denken.

"En hier is wat voor u, Kapitein," hervatte de barbier.

"Een potje troost soms?" vroeg deze.

"Ja, wel troost, maar geen troost der armen, Kapitein! Doe het doosje maar open!"

De Kapitein deed het en riep uit: "Goud, goud, duizendmaal meer dan goud! Een kompasje, mannen, een echt Amsterdamsch zeekompasje! Ha, dat is een schat! Dankje, dankje, hoor!"

Dat was nog eerst eene mooie vondst!

Hoe gebrekkig het kleine voorwerp ook was, men had in allen gevallen wat om er den koers naar te richten, hoewel men daarom nog niet wist waar men was.

Zoodra men het voornaamste opgevischt en op het vlot had, liet de Kapitein beschuit en wat bier ronddeelen.

Het was een vreemd en een gebrekkig maal; want de beschuiten waren alle geweekt en dan in zeewater, dat maakte ze ook niet smakelijker.

De lucht stond nog even helder en het water was nog altijd kalm.

"We moeten de beschuiten op het vlot te drogen leggen," zeide de Kapitein, "want als we dat niet doen, dan zullen ze bederven!"

Aan dat bevel werd gehoorzaamd en toen Dirk, die braaf mede geholpen had, ze daar alle zoo netjes zag liggen, zei hij: "Precies eene groote poffertjes-pan!"

"Maar kermis is het hier niet, mijn jongen," sprak Dolf.

De tocht ging slechts langzaam voorwaarts.

De zeilboot voer vooruit en was met een touw aan de roeiboot verbonden. Aan de roeiboot had men het vlot vastgemaakt. Om meer ruimte in de booten te hebben, hadden tien mannen plaats op het vlot genomen.

Van tijd tot tijd werden de beschuiten gekeerd en in één dag en nacht waren ze kurkdroog en kon men ze weer in de vaten doen.

Intusschen begon het zuchtje wind, dat hen sedert den vorigen ochtend wat voortgedreven had, zoo te verminderen, dat men in de zeilboot ook de roeispanen moest gaan gebruiken om toch wat vooruit te komen.

"Het weerlicht, Dirk," zeide Garrit op den tweeden dag des avonds tot zijn' broeder.

"Maak je daarover nog maar niet ongerust," sprak de bootsman, "dat gebeurt onder de Linie zoo dikwijls, zonder dat er onweder of storm op volgt. Maar...."

"Nu, blijf niet steken! Wat wilde je nog meer zeggen?"

"Ja, jongen, eerst moet ik het weer zien lichten, dan zal ik vertellen, wat ik geloof dat ik zie."

Het was, alsof zelfs de natuur nu ook dit licht hun wilde onthouden; want het duurde ontzettend lang eer het andermaal lichtte.

Eindelijk, ja, even, heel even en heel flauw!

De bootsman liet een' lichten kreet hooren en zeide: "Een schip! Het is een schip, dat ik bij het licht gezien heb!"

"Een schip!" als een loopend vuurtje ging die tijding van het vlot naar de roeiboot en van de roeiboot naar de zeilschuit waarin de Kapitein was.

"Wie praat er van een schip?" vroeg hij.

"Hoepel, die in de roeiboot is, heeft het mij gezegd," antwoordde Kreeft, "anders weet ik het ook niet."

Hoepel werd aangeroepen en deze zeide, dat de boodschap van het vlot gekomen was en dat de "Twee vromen" het hem gezegd hadden.

Nu werden de "Twee vromen" aangeroepen en Dirk, de holle hand voor den mond zettend riep: "Schip aan bakboord!"

Aller oogen wendden zich nu naar de kimmen en werkelijk bij het flauwe weerlicht ontdekte men een schip.

Welk schip was het?

"Om het even," dus liet Kreeft zich uit, "al was het een Spanjool of een Portugees! Beter gevangen-man dan doô-man! Want dat zit er op!"

De zeilboot kwam nu naar de roeiboot en het vlot werd bijgehaald. Men moest samen eens bespreken wat te doen.

Nu, de meeningen waren zeer verschillend, maar ten laatste werd er dan toch besloten zooveel mogelijk in het gezicht van het schip te blijven en den morgen af te wachten.

Wat duurde die nacht lang, vreeselijk lang!

Het scheen, alsof de zon ook vergat op te komen.

Maar eindelijk begonnen de sterren te verbleeken; de schemering brak door en....

"Het is eene Portugeesche karveel!" riep Ouwe Joost. "Ik zie het aan heel hare tuigage!"[17]

"Mannen," dus liet de Kapitein zich nu hooren, "de nood dwingt ons te handelen. Houdt uwe musketten gereed en brandt er op los, als ik het beveel! Kunnen we er op hulp rekenen, zooveel te beter; maar tracht men ons in den grond te boren, dan zullen we ons leven zoo duur mogelijk verkoopen! Dat gaat er op los!"

Och arme, wat ging dat langzaam!

Maar toch, men vorderde en het schip was men weldra op een musketschot-afstands genaderd.

"Bootsman, schiet een musket in de hoogte af," beval de Kapitein. "Ze zullen ons hooren, als ze ons niet zien!"

Een schot klonk over het water.

Maar op het schip deed men, alsof men er niemendal van hoorde. Het bleef er doodstil.

"Ze schijnen doof te zijn," meende Dirk.

"Of liggen op den loer om ons, als we dichtbij genoeg zijn, ineens onze bekomst te geven," gaf Garrit ten antwoord.

Weer naderde men een vijftig riemslagen en opnieuw gaf de Kapitein bevel een musket in de lucht af te schieten.

Maar aanboord van den Portugees vertoonde zich geen sterveling. Het heele dek was ledig.

Ja, ja, toch!

"Ik zie wat," riep Dirk.

"Ik ook! Ik ook!" klonk het van verscheidene kanten.

De meeningen waren verdeeld, doch de meesten hielden het ervoor, dat ze een' neger gezien hadden.

"In alle gevallen we moeten er haring of kuit van hebben," dus sprak de Kapitein, en thans roeide men uit alle macht naar het schip, dat men weldra langszij lag.

"Hallooi! Man aanboord!" riep de bootsman op de gewone wijze van den zeeman, die ergens aanboord wil komen.

Er werd geen antwoord gegeven, maar hooren, ja, hooren deed men toch wel wat. Men kon duidelijk het rammelen van een' ketting hooren.

"De booze!" mompelde Ouwe Joost en zijn gelaat betrok.

"Misschien wel een betooverd schip," meende Hoepel.

"Of de Vliegende Hollander," bromde Kreeft.

"Maar ik zal kijken wie er aanboord is," riep Henri Quatre en klom langs een afhangend touw naar boven.

"En ik volg u," riepen Dirk en Garrit tegelijkertijd en palmden zich ook aanboord.

Beneden bleef men in spanning tot men opeens het geroep hoorde: "Een aap! Een aap!"

De valreep was nergens te vinden en het mooie en prachtig getimmerde schip scheen geheel verlaten te zijn.

De bootsman gaf met de zware zeelaarzen een' stamp op het dek en schreeuwde: "Hallooi! Hallooi! Volk!"

Onze aap klauterde van angst in het want.

Nu ging de bootsman naar de kajuit, opende die en .... niemand was te vinden.

Hij snelde naar de verschansing en riep: "Een verlaten schip! Komt! Komt!"

Touwen werden neergelaten en eer de zon op was, stond de heele bemanning van de "Leerdam" voor zooverre zij althans niet omgekomen was, aanboord van eene groote karveel, waar geen ander levend wezen te vinden was dan een aap, die op de mars van den grooten mast zat en allerlei leelijke gezichten naar de vreemde mannen trok.

"De booten zijn weg," riep Kreeft.

"En de leggers zijn ledig, schoon ledig!" voegde Dirk er bij. "Geen druppel drinkwater is er aanboord."

"Mannen," dus ving de Kapitein aan, "ik vermoed dat watergebrek de manschappen van dit schip met de booten heeft doen vluchten. We willen het vaartuig onderzoeken, maar houdt uwe musketten gereed!"

Het heele schip werd nu onderzocht en men bevond dat het verlaten en buitengewoon goed geproviandeerd en rijk geladen was.

Toen allen weer op het dek waren, sprak de Kapitein: "Hoort eens, mannen, recht of geen recht! Ik neem in naam van de Oost-Indische Compagnie bezit van dezen bodem. Wij zullen, nu we ons eigen schip verloren hebben, beproeven of we hiermede de Oost kunnen bereiken. Maar laten we eerst alles aanboord halen, wat we daar beneden hebben!"

Aan dit bevel werd gevolg gegeven en men werkte zoo vroolijk, alsof men thans alle gevaren te boven was. Dirk en Garrit lieten zelfs een Wilhelmusje hooren.

"Jongens, vogels die zoo vroeg zingen, zijn overdag voor de poes," zeide Ouwe Joost.

"Nu ben je toch niet meer bang, ouwentje?" vroeg Garrit.

"Gij zijt een paar onnoozele brasems," sprak de oude man. "Ik vraag je: wat hebben we gewonnen?"

"Een schip! En een mooi ook!"

"En waarom is het verlaten?"

"Omdat .... omdat...."

Garrit voelde waar Ouwe Joost heen wilde en deze vulde nu zelf het antwoord aan en zeide op somberen toon tot de beide jongens: "Omdat ze van dit schip hunne doodkist niet wilden maken! Er was geen drinken aanboord, vat je?"

Dirk en Garrit stonden verslagen en voelden dat ze verbleekten. Die Joost kon ook maar alles zeggen, zooals het voor zijn' mond kwam.

"Zoo, is nu op eenmaal alle moed weg?"

"Dat zou wel wonder zijn, als een mensch niet akelig werd van zulke vertellingen en zulke vreeselijke voorspellingen!"

"Geene voorspelling en het is nog veel minder eene vertelling, jonge borst! Het is eene waarheid!"

"Nu, goed, eene waarheid! Maar dan toch eene waarheid, die iemand allen moed ontneemt," meende Garrit.

"Jong bloed bruist wel, maar koelt gauw," zeide Ouwe Joost. "Dat valt van het eene uiterste in het andere. Er is verschil tusschen moed en overmoed, jongens! Maar dat zult ge eerst later wel leeren begrijpen, als je even als ik, met den eenen voet op het zesde kruisje van je leven staat. Gaat maar mede! De ouwe heeft ons geroepen. Hij zal stellig wel wat te zeggen hebben waarnaar we met beide ooren luisteren mogen."

De twee broeders volgden hem naar het middenschip waar Kapitein Londenaar bij den grooten mast had plaats genomen.

"Mannen," dus begon hij, "wij zijn hier aanboord van een ander schip. Naar al wat ik ervan gezien heb, is het eene karveel, die de tweede reize naar de Oost maakt. Weet iemand uwer hoe ze heet? Heeft iemand den naam soms ook gezien?"

"Ik zal wel eens gaan kijken, Kapitein," zeide Dolf en liet zich bij den hoogen achtersteven, spiegel geheeten, langs een touw afzakken. Spoedig kwam hij terug en nauwelijks was zijn hoofd boven den spiegel zichtbaar of hij riep: "Het is de "Vossa Senñora de la Victoria", vrienden!"

"Dan verdoop ik ze in "De nieuwe Leerdam", dat is een goede naam," hernam Kapitein Londenaar. "Maar die oude naam moet hoe eerder hoe beter met verf overdekt en door den nieuwen vervangen worden. Dat is uw werk, meester timmerman! Zwarte verf is hier en witte zullen we wel vinden."

De timmerman zocht een paar matrozen op om hem te helpen en was weldra aan den arbeid. De overigen bleven staan, altijd in afwachting van hetgeen er verder gezegd of bevolen zou worden.

"Op onzen tocht hebben we twee mannen verloren en we zijn op het oogenblik zonder Stuurlieden," dus sprak de Kapitein. "Naar ik meen zal de Opperkoopman er wel niet tegen hebben, als ik Dolf van hem afneem en tot Stuurman aanstel met zijn' vriend Willem de Stichtenaar. Hoepel zal dienst doen als bootsman en Kreeft als bootsmansmaat. Zoo zijn de rollen verdeeld en weet ieder, wat hij doen moet!"

Ouwe Joost, schudde het hoofd en zeide: "Het zal niet gaan, Kapitein, het zal waarlijk niet gaan!"

"Wel, waarom niet Joost?"

"We hebben niet leeren varen met Latijnsche tuigage!"

"Dat is waar ook, Joost!"

"Zouden we nu van de windstilte, die er nog is, geen gebruik maken om de tuigage op Hollandsche manier in te richten, Kapitein?" vroeg de oude. "Ik geloof dat het verstandig zal zijn, als we dat doen."

"Er is waarloos hout genoeg aanboord en zeilen hebben we genoeg op het vlot gehad. Komt aan, alle man aan het werk. Wie weet hoe spoedig we uit den nood zijn!"

Op deze woorden vergat ieder voor een oogenblik zijn' dorst en begaf zich aan den arbeid.

De aap, die rustig alles gezien had, kreeg het op de mars te kwaad en klom in het topje van den mast.

"Wacht, beest, wat heb jij daar voor moois?" riep Garrit, die zag dat de aap wat blinkends in den poot hield.

De jongen klom het vlugge dier na, doch toen hij meende het te grijpen, deed het een' reuzensprong en kwam in den anderen mast terecht.

"Wel verdraaid, dat sprongetje doe ik je niet na," zeide onze matroos en keek eens rond. Hij zag niets, doch op het punt zich naar beneden te laten glijden, meende hij heel in de verte toch iets te zien. Het was iets, dat blonk en schitterde.

"Kom naar beneden, slingeraap," schreeuwde de nieuwe bootsman. "Kom, Kees! Goed volk! Kom beest!"

"Ik zie, ik zie," riep Garrit.

"Twee apen in den mast! Kom af," liet Dolf zich hooren. "Dat beest daar boven zal zijn fortuin wel vinden."

"Neen, ik zie een zeil in het Zuidwesten!"

"Een zeil?" riep Kreeft, die in den anderen mast zat, "een zeil! De Hemel beware ons! Dat is eene stormwolk!"

Eene stormwolk!

=Bange= tijding! Hoe zou "De nieuwe Leerdam" zich houden? En niet half klaar!

=Goede= tijding! Men had nu kans buiten den gordel der windstilte te komen en .... regenwater op te vangen.

Kapitein Londenaar toonde voor zijne moeielijke taak volkomen berekend te zijn. Hij liet alle zeilen, op twee kleine na, opbergen, en toen dat gedaan was, zeide hij: "En nu het regenzeil!"

"Het regenzeil? Wat is dat?" vroeg Henri Quatre.

"Men spanne onze twee grootste zeilen gedeeltelijk tusschen de masten uit en make in het midden een stroomgat."

"Regenzeil! Stroomgat! Nooit van gehoord!" mompelde Ouwe Joost, doch hielp trouw mede om de zeilen zoo te spannen, dat de komende storm er geen vat op kon hebben en dat ze toch water konden opvangen! Onder de zoogenaamde "stroomgaten" zette men twee schoone en groote leggers, die met klampen en touwen vastgesjord werden.

"Bottelier, een oorlam!" beval de Kapitein. "Een oorlam uit den voorraad van den Portugees."