Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes
Part 6
"Wel, Sinjeur de goochelaar, vertel me dat even, als je kunt," zeide de Stuurman met een lachje, dat hem niet van harte afging.
Henri Quatre boog zich dichter tot zijn oor en fluisterde: "Op dat groote blad staat geschreven: "Wat moeten we aanvangen zonder drinkwater?" Kan ik goed gedachten lezen?"
"Gebrekkig, man, gebrekkig!"
"Stil maar, we zijn er nog niet. Op datzelfde blad staat met koeienkoppen van letters te lezen: "Waarom liet de Ouwe, tegen beter weten in, twee streken westelijker sturen?" Ben ik er nu, man?"
"Dat is zoo, bootsman! Die hooghartige bui van ...."
Hij zweeg op eenmaal.
"Nu, waarom gaat ge niet voort?" vroeg Dolf.
De Stuurman keek voorzichtig rond of er niemand was, die hem beluisteren kon en zeide toen: "Die hooghartige bui van den Kapitein zal ons duur te staan komen, vrees ik."
"En de Ouwe ziet dat ook in, en vandaar de bokkepruik, die hij op heeft. Als een mensch wat verkeerds gedaan heeft, tracht hij altijd zichzelven zooveel mogelijk te verontschuldigen. Dan is hij knorrig op iedereen, omdat hij te trotsch is, knorrig op zichzelven te zijn! Is het niet zoo, Stuurman?"
"Zoo is het, Dolf! En, als ik je nu de gulle waarheid zeggen moet, dan zit ik erg in angst."
"Waarom, Stuurman? Enkel en alleen om het bedorven water?"
"Neen! Het volk is ontevreden, en de nare manier van doen van den Kapitein maakt, dat er een oproerige geest komt. Ik heb mijne ooren en oogen niet in den zak zitten; ik hoor en zie meer dan me lief is, rekent er op. Het lijntje zal gauw genoeg breken."
"Maar niet allen zijn oproerig. Er zijn er nog wel, die te vertrouwen zijn," meende Henri Quatre.
"Bootsman, ik heb de vertelling gehoord van Joost en ik weet, dat hij niet gefabeld heeft, het is er toen zóó en niet anders toe gegaan. Maar als we in dien vreeselijken toestand moeten komen, wel, ik weet het zoo niet, maar ik geloof, dat ik dan voor mijzelven niet zou instaan."
"Maar, Stuurman!?"
"Het is zoo, bootsman! Zie, ik weet hoe we in dit perykel gekomen zijn. Jelui weet het en, weest ervan verzekerd, dat er onder het volk ook genoeg zijn, die het weten, en zij, die het weten, zullen, als pitje bij paaltje komt, wel zorgen dat allen op de hoogte zijn. En nu kan er op een schip veel gebeuren. De eene ramp na de andere kan bezoek komen brengen, als het volk den Ouwe vertrouwt, dan blijft alles toch goed gaan. Een flinke Ouwe is in die gevaarlijke oogenblikken en in die moeielijke uren en dagen de God van Janmaat. Naar hem ziet iedereen; naar hem luistert alles; op hem hopen en vertrouwen Stuurman en pluimgraaf, Opperkoopman en kajuits-wachter. Maar wee, wee, als men den Ouwe niet vertrouwt. Dan mag hij bevelen, zij dreigen; dan mag hij bidden, zij lachen hem uit; dan mag hij op zijne knieën smeeken hem gehoorzaam te zijn, ze trappen hem opzijde. Ik ga de toekomst donker in, mannen!"
Dolf en Willem keken elkander aan, en alsof ze mekaêr in de ziel konden lezen, zoo zeiden ze, als uit één' mond: "IJzeren Neptunus, wees gij onze Kapitein! Word het op staanden voet eer het te laat is. Het volk zal u gehoorzamen, dat weet je wel. Jij, en jij hebt bij het volk meer vertrouwen in je pink, dan de Kapitein in zijn heele lichaam."
"Mannen, mannen, wat zijt gij onvoorzichtig in uwe voorstellen! De wetten verbieden het mij te doen, al wilde ik."
"Daar gaat wat boven de wet, Stuurman!"
"Wat dan?"
"Redding uit nood, Stuurman!" sprak de bootsman.
Londenaar bedacht zich een oogenblik en zeide toen: "Neen, neen, nu zeker nog niet! Maar, wat anders! Gij kent het volk misschien beter dan ik, want ge gaat er meer rechtstreeks mede om. Wie zijn het minst genegen oproer te maken?"
"Die zijn gauw opgenoemd, Stuurman! In de eerste plaats u niet en wij ook niet. Meester Troost der Armen is ook geen oproermaker en Hoepel denkt er niet aan. Dirk en Garrit, de zoogenaamde "Twee Vromen," en de timmerman zijn ook te vertrouwen!"
"Dat zijn er acht! Ga verder!"
"Er zijn er, naar ik berekenen kan, al zoo veel niet meer, Stuurman! De ontevredenheid is algemeen!"
"Och kom! de kok, de bottelier en de Tweede Stuurman dan? Die zullen toch geen oproer maken?"
"Zijn als de rest. Ze behooren tot dat slag van volk, dat in den Ouwe een' God ziet waarvoor hij knielt of een kwâjongen, dien hij ringelooren zal, al naarmate de Ouwe is. Begrepen?"
Een oorverdoovend gelach liet zich op dat oogenblik op het voorschip hooren. De drie vrienden liepen er heen in de stille meening, dat die laatste proef met het zuiveren van het water goed gelukt was, en dat daardoor de aanleiding tot die luidruchtige vroolijkheid was ontstaan.
Spoedig echter zag men dat het wat anders was.
Tusschen vier verkleede matrozen, die zich het aangezicht met gebrande kurk ingewreven hadden om er als negers uit te zien en die vier baliemanden met kruiken en flesschen droegen, liep iemand, die zich zooveel mogelijk verkleed en veranderd had om op den Kapitein te gelijken. Hieraan zou men echter niet zoo gauw gezien hebben, wien de verkleede man voorstelde, maar de Kapitein had eenige dagen geleden met den linkervoet in een' spijker getrapt, en daar Troost der Armen nog niet veel baat gebracht had, zoo liep hij een weinig te trekkebeenen. Dit nu deed de verkleede ook, en daardoor wist iedereen, wie er bedoeld werd.
"Het is de kok!" fluisterde Dolf zijn vriend in het oor.
"Ja, en die anderen?"
"Dat zie ik zoo gauw niet. Wacht, de konstabel is er bij!"
"Ja, en -- en -- Hoepel! Hoepel werkelijk ook. Dat valt me dan vreeselijk tegen, want, zie je, het is heel wat anders dan een grapje, bedacht om de verveling te verdrijven."
"Je hebt gelijk! En die andere twee gelijken wel wat op den Tweeden Stuurman en "Kreeft."
Kreeft was een matroos, wiens bovenlijf naar de linkerzijde wat overhing. Daarom had hij ook van het andere zeevolk, dat altijd heel vindingrijk is in het geven van bijnamen, den naam van "Kreeft" gekregen.
"Wat zijn die toch van plan?" vroeg IJzeren Neptunus. "Ik zie er een heel gevaarlijk spelletje in."
"Dat zullen we zien en hooren," antwoordde Henri Quatre.
De stoet hield eensklaps stil.
"Au! Au! Verdraaide horlevoet, wat doe je me eene pijn! Ellendige spijker! Wie was de ezel, die hem heeft laten vallen en laten liggen? Hij moet gebritst, gekielhaald, ja, hij moet gehangen worden," riep hij, die voor Kapitein speelde en nu allerlei bewegingen maakte, alsof de wonde aan den voet hem veel pijn veroorzaakte.
"Joris Kopstuk, Kapitein Pompernikkel!" luidde het antwoord van een der lachende matrozen.
"Wie is die Joris Kopstuk?" klonk de vraag.
"Ja, Kapitein Pompernikkel," hernam dezelfde spreker, "Joris Kopstuk is een bijnaam, dien we hem gegeven hebben. Zijn eigenlijke naam is Tweestrekenverkeerdwest!"
"Wat? Hoor ik goed? Maar wat naam is dat? Zulk een naam is er in heel de Republiek der Vereenigde Nederlanden niet! Twee-streken-verkeerd-west! Zelfs de Boschjesmannen en Hottentotten hebben zulke malle namen niet!"
"Hij is ook geen Boschjesman of Hottentot, Kapitein! Zijn Vader was een sausneger, een echte sausneger, van komaf. Hij liet zijn zoontje in den broek doen en bestelde hem aanboord van een schip der Compagnie. Daar bofte dat sausnegerszoontje zoo, dat hij Kapitein op eene mooie fluit werd."
"Ik weet er niemendal van!"
"Dan zal u het weten! En eens op een' keer wilde het ei wijzer zijn dan het hoen, en toen stuurde hij zijn schip dicht bij de Linie twee streken westelijker dan alle andere christenmenschen zouden gedaan hebben, en zooals hem ook afgeraden werd te doen. Maar de baas had een hard vel voor het voorhoofd zitten en dat kwam, omdat hij maar een sausneger was. En weet u, wat er toen gebeurd is?"
"Ik wil me geene raadseltjes laten opgeven! Ik vaar toch niet als jonge brasem uit!"
"Neen, Kapitein Pompernikkel, ik zou zoo zeggen: u vaart als oude brasem uit!"
"Nu, wat vlugger! Je vertelt, alsof je jezelven een spijker in je tong gebabbeld hebt, zooals ik er een' in mijn' voet trapte!"
"En door dat twee streken westelijker sturen kwam het schip zes weken onder de Linie te liggen en stierf de helft van het volk aan allerlei akelige ziekten. Toch kwam het schip, wonder boven wonder om aan den balk te schrijven, behouden aan, en nu vaart datzelfde sausnegers-zoontje aanboord van de "Heukelom"."
"Heukelom? Heukelom? Maar wat babbelt gij toch voor onzin? Heukelom ligt in de buurt van Asperen en van Leerdam, van =Leeeerdaaam=!"
"Juist, juist, jawel, Kapitein Pompernikkel! En die sausnegers-zoon nu heeft een' spijker laten vallen en laten liggen."
"Dan moet hij gestraft worden! Op staanden voet! Een vijftig voor de brits over een' ledigen legger!"
"Over een' ledigen legger, misschien nog wel een' schoongemaakten? Je bent niet recht frisch! Neen, als hij over een' legger moet, dan over een' opengemaakten vollen, nergens anders over. Dan heeft hij pijn van achter en reuk van voor!" riep een ander, en dit voorstel vond zooveel bijval, dat men het met een allergeweldigst gejuich en geschreeuw ontving.
"Dat loopt daar mis, Stuurman!" zeide opeens Ouwe Joost, die met Dirk en Garrit zich van het luidruchtige troepje afgezonderd hadden.
IJzeren Neptunus verstond en begreep hem. Maar wat was er aan te doen? Het was immers nog maar een grapje? Men wist wel wie er met dat sausnegers-zoontje of Joris Tweestrekenverkeerdwest bedoeld werd, maar men kon er zich nog altijd afmaken met te zeggen: "Die man of die Kapitein bestaat immers niet?"
"Vooralsnog niets aan te doen, Joost," sprak de Stuurman.
Ouwe Joost haalde de schouders op, zuchtte en verwijderde zich met zijne twee jonge vrienden.
Toen het gelach een weinig bedaard was, begon de man, die zich "Kapitein Pompernikkel" noemen liet, alweer zijne stem te laten hooren, en goed ook, alsjeblief!
"Stilte! Stilte!" schreeuwde hij. "Je spraakt daar om Joris Kopstuk over een' vollen legger te britsen, opdat hij pijn van achter en reuk van voor zou hebben! Is er dan een luchtje aan het water?"
"Kom en ruik, Kapitein Pompernikkel," zeiden een paar uit den hoop en brachten den trekkebeenenden vriend bij een' vollen legger, die open was blijven staan om er de akelige, bedorven lucht uit te krijgen.
Kapitein Pompernikkel boog zich, onder het maken van allerlei dwaze bewegingen, over het geopende vat, maar pas had hij dat gedaan, of hij liet zich achterover vallen en gilde uit: "O, benauwd! benauwd! De stank is op mijn hart geslagen en dat klopt nu twee streken westelijker! Benauwd! Dat is bedorven duivelsdrek![13] Help, help! Ik kan niet meer!"
Gedienstige handen schoten toe en brachten den man weer bij de manden. Hij nam eene kruik, haalde er de stop af, rook eens en zeide toen: "Ha, ha! Ik bekom! Dat is heel wat anders! Dat is drank, dien de Goden hebben uitgevonden!"
"Wat is het dan, Kapitein Pompernikkel?"
"Bier, jongen, best bier! Ik heb er voor mijzelven en voor de Officieren achter een' kelder vol! Het is echte faro, zoo rechtstreeks uit de Brusselsche brouwerijen ontvangen. Daar achter is het een kapitaal leven."
"Waar achter?"
"In de kajuit van de "Heukelom," mannen!"
"Dan kunnen de Officieren zich zad drinken, Kapitein!"
"Ja, maar ze krijgen geen bier! Ik heb den sleutel weggestopt, want ze zijn niet zoet! Ze moeten ook maar bedorven water drinken of van dorst sterven! Maar ik ben om geld verlegen en kom hier mijn bier verkoopen. Ga je gang, Slungel, mijn jongen! Ik ben Notaris en verkoop faro, zoo uit Brussel. Jij bent mijn afslager of crieerder! Begin!"
Slungel was een van de zoogenaamde knechts van Kapitein Pompernikkel, die nu opeens alweer Notaris geworden was. Hij hief eene kruik in de hoogte en begon: "Bij afslag, mannen, bij afslag!"
"Neen, bij opbod!" liet een zich hooren.
"Dat duurt te lang! Bij afslag! Het zijn duiten, hoort ge! Wie geeft zestig, vijftig, veertig, twintig, tien, negen, acht, zeven, zes...."
"Mijn!" riep een.
De kruik werd hem met de noodige grappen overgereikt en het verkoopen van eene tweede begon.
Ieder, die eene kruik gekocht had, haalde er de stop af en deed, alsof hij naar hartelust dronk.
"Ik geloof stellig, dat ze drinken," zeide Dolf.
"Dat behoeft ge niet te gelooven, dat kunt ge wel voor zeker houden. Ik heb er zoo even alles van gezien en gehoord," sprak Ouwe Joost. "De bottelier heeft de biervaten aangesproken!"
"Kom, hoe zou hij dat durven?"
"Durven? Hij heeft nog meer gedurfd! Ze hebben wijn, jenever en brandewijn ook!"
De Eerste Stuurman, die dat gehoord had, begaf zich terstond naar de kajuit. Hij klopte aan de deur, doch ontving geen antwoord. Hij klopte nog eens en nog eens, maar alles bleef stil, doodstil. Het scheen wel, dat de kajuit geheel verlaten was. Stil, alles stil!
Stil bij de deur van de kajuit en in de kajuit, ja, maar op het voorschip niet! Hoor, hoor toch eens wat een dronkemansgezang!
Kapitein Pompernikkel is voorzanger!
"Excellent is 't druivenatje! Laburdon, tierelieron! Als 't zoo koel komt uit het vatje! Laburette, Tierelierette! Laburdon, tierelieron!
Siet het uit den roemer springen, Laburdon, tierelieron! Heysa, lustig, laet ons zingen! Laburette, Tierelierette! Laburdon, tierelieron!
Onzen wijngod fraei ter eeren Labu...."
"Neen, neen, een ander lied, Kapitein Pompernikkel! Een ander lied!" schreeuwde de Tweede Stuurman, en onderwijl nog een deel van het volk zong:
"Laburette, tierelieron! Laet ons Bacchus vrij waerdeeren,"[14]
brulde hij, want zingen kon men het waarlijk niet noemen:
Wie wilt opgeschreven worden? Bacchus neemt soldaten aan. Op de bierbanck is 't slagh-orden Daer wij moeten vechten gaen. d' Herberg is de =rendez-vous=,[15] Het woord is: ='k breng het u=, of =avous=. Vecht knecht, doot kaes en broot! Schenckt! Drinckt! 't Glaesen trompet dat klinkt!"
Langzamerhand kreeg het lied, dat de Tweede Stuurman liet hooren, bijval, en met het tweede couplet zongen reeds allen mede:
"Bacchus tonneken is de trommel, Die men in den oorlogh slaet! Want men suypt daar als de drommel. Dat de buyk gespannen staet. Als een trommeltje zoo brou, Dat het daer op klincken zou! Vecht knecht, doot kaes en broot! Schenckt! Drinckt! 't Glaesen trompet dat klinckt!
Bierbuyck hout drie compagniën Louter drinckboers in het velt, Om den oreloogh te bieën, Aen den dorst, die 't keelgat quelt. Dikke Pier is kolonel! Hij brenght de drinckbroer elckeen snel. Vecht knecht, doot kaes en broot! Schenckt! Drinckt! 't Glaesen trompet dat klinckt.
Hei, coraedje! Jan Potaedje Drinckt dat syne neus wordt root, 't Is een teycken van coraedje, Van coraedje die es groot!"
Verder hoorde IJzeren Neptunus niet meer naar dat gebrul; want zijn geduld was ten einde en na vruchteloos beproefd te hebben de deur, die van binnen gesloten was, te openen, trapte hij ze in.
Bij het walmend licht van eene vetkaars, die reeds in de pijp brandde, zag hij den Kapitein onder de rustbank op den vloer liggen. Hij lag er stil, doodstil, en sliep.
Eene sterke lucht van brandewijn en een beker, die nog half vol met dit vocht was, zeiden hem genoeg, wat er gebeurd was.
De man, die zichzelven te hoog geschat had om den raad, van een' veel ouderen Scheepskapitein op te volgen, had nu geen' moed genoeg gehad om het gevaar, waarin hij manschap en schip gebracht had, het hoofd te bieden.
Hij had zich dronken gemaakt en lag als een lijk op den grond, om in den slaap te vergeten, dat hij niets anders was dan een hooghartige lafaard.
Zonder goed na te denken, wat hij deed, snelde de Stuurman nu naar de hut van den Opperkoopman, die sinds den vorigen dag ziek in de kooi lag om dezen te vertellen in welken toestand hij den Kapitein gevonden had. Er moest, het mocht kosten, wat het wilde, raad geschaft worden. In zijne haast vergat hij echter de deur der kajuit te sluiten.
Terwijl de brave Stuurman nu met den Opperkoopman middelen beraamde om het oproer, en misschien allerlei ongelukken te voorkomen, schreeuwde Kapitein Pompernikkel in dronkemanstaal en met echten dronkemansmoed: "Halloh, mannen, frisch op! Naar Joris Kopstuk! Hij zal naar onze pijpen dansen zoo mooi of zoo leelijk, als je het nog nooit gezien hebt."
"Ja, ja, Joris Kopstuk zal dansen," riepen er een paar. "We moeten bij al onze ellende toch een beetje verzet hebben ook!"
Zwaaiende, gierende, zingende en schreeuwende kwam de menigte bij de kajuit en....
"De baas heeft een graantje gepikt! Hoezee! Jongens, de Ouwe heeft de hoogte en ligt nu heelemaal Noord! Zijn kompas wijst glad mis," schreeuwde de Tweede Stuurman.
"Terug! Terug!" klonk op eenmaal eene stem.
Het was Henri Quatre, die, gevolgd door Dolf, Joost, Dirk en Garrit, zich voor den woesten hoop plaatste.
"Verloopen student, commandeer den hond en blaf zelf," schreeuwde de bottelier en greep den bootsman aan, doch deze, die voor geen klein geruchtje vervaard was, smeet den aanvaller in een oogenblik zóó hardhandig neer, dat alle beenderen en ribben in zijn lijf "krak" zeiden.
"W--w--wat moet, zal, wat moet dat--dat hier?" klonk thans de dronkemans-stem van den Kapitein, die door al het geweld een weinig tot zichzelven kwam.
"Dronken varken, geef ons goed water," riep de Tweede Stuurman. "Hoort ge waarachtig nog, ja?"
"Maak ijzeren bouten--bouten--gloeiend--gloeiend, en stop--stop--die--dan--dan--in--in--het--w--wa--water," zeide de Kapitein met dubbelslaande tong.
"Hoort ge het wel, mannen? De Kapitein geeft een' goeden raad, en het zal verstandig zijn dien op te volgen," zeide de Opperkoopman, die half gekleed in de kajuit kwam.
"Jij met je goeden raad!" riep een der ruwste matrozen. "Wat weet me zoo'n kruidenier, die peperhuiskens plakken en kaneel afwegen kan, van een' goeden raad! Loop voor mijn part naar de maan!"
"Ga jij eens mee maat, dan zal ik je 'reis vertellen waar je de maan kunt zien ondergaan," sprak IJzeren Neptunus op kalmen toon en hij droeg den oproerigen matroos zoo gemakkelijk de kajuitstrap op, alsof hij een bakerkind in de armen had.
"Naar boven, mannen, naar boven!" liet zich nu de Tweede Stuurman hooren. "Die IJzeren Neptunus zal een ongeluk aan Maaikenneef begaan! Mee! Mee!"
In een oogenblik was nu de dolle menigte op het dek.
IJzeren Neptunus stond heel bedaard met Maaikenneef in de handen bij de verschansing.
"Als je één' stap nader komt gaat hij overboord voor de haaien, zoo waar als ik hier voor je sta, lafhartige schreeuwers," sprak de sterke man, en met eene onbegrijpelijke kracht hief hij met de linkerhand Maaikenneef op en hield hem half overboord.
Toen de anderen dat zagen, stonden ze een oogenblik ontzet stil. Dat was eene kracht, die boven hunne bevatting ging.
"Hij durft niet, mannen!" schreeuwde de Tweede Stuurman en naderde den reus. Deze evenwel stak plotseling de vrije rechterhand uit en greep dezen tweeden belhamel ook zoo beet, dat deze zich niet verroeren kon.
"Nog eenmaal, terug, mannen, of er gaan er twee overboord," zeide de sterke man op zulk een' ijzingwekkenden, kalmen toon, alsof er niets bijzonders aan de hand was.
Zijne oogen straalden vuur, en even als bij een hollend paard, waren zijne neusgaten wijd geopend. Hij geleek een reus uit de fabelleer, en nooit had hij zijn' bijnaam van "IJzeren Neptunus" meer eer aangedaan dan in dit vreeselijke oogenblik. De matroos en de Tweede Stuurman konden letterlijk niets doen; ze waren als poppekens in de handen van een' grooten schooljongen.
Zij, die niet tot de oproermakers behoorden, schaarden zich om hun' Aanvoerder en eindelijk kwam ook de Kapitein op het dek aanzwaaien.
"Sm--smijt ze--over--overb--boo--boord, stuur--Stuurman!" beval hij. "Smijt ze voor--voor--voor-- doe ze--smijt ze...."
"Brengt dat dronken schandaal weg, mannen! Ik neem het bevel van het schip op me," sprak de Eerste Stuurman. "Als we te Batavia komen, leveren we hem uit."
"Of hij levert ons uit, als oproermakers! Wij weten immers bij ondervinding, dat de Heeren een' matroos niet zoo gauw gelooven, en vooral hier niet, want de Kapitein staat hoog aangeschreven bij de Compagnie! Wij loopen dus gevaar een' put voor onszelven te graven," sprak meester Troost der Armen, die zoo wat tusschen de beide partijen stond.
"Hiervoor sta ik u borg," dus liet de Opperkoopman zich hooren. "Ik zal een stuk schrijven en daarin alles uit elkander zetten waarom wij hem niet langer als onzen Gezagvoerder erkennen en onzen Eersten Stuurman tot Kapitein aanstellen. Het kan niet langer zoo gaan. Die man zal ons anders allen aan de golven prijsgeven. Hij is totaal waanzinnig."
"Ja, en als hij dan verhoord wordt, zal hij zeggen, dat we oproer gemaakt hebben," zeide nu de Tweede Stuurman, die door "IJzeren Neptunus" losgelaten was. Ook Maaikenneef was weer vrij en heelemaal binnenboord.
"Hij was dronken toen dat gebeurde," meende Henri Quatre, "en bovendien het was zijne schuld. Tegen den raad in van den Kapitein van de "Nieuwpoort" heeft hij twee streken westelijker laten sturen en ons daardoor in deze perykelen gebracht. Hij was dus de oorzaak van het oproer."
"Nu als het zóó is en zóó kan, laat dan het stuk geschreven worden. Wij zullen het allen onderteekenen. IJzeren Neptunus, ziehier mijn knuist, je bent een kerel! Jij bent onze Kapitein! Was je het altijd geweest, deze heele geschiedenis zou niet gebeurd zijn! Voor jou heb ik respect, dat heb ik, dat hebben wij allemaal! Mannen, de hekken zijn verhangen! Nu hebben we een' Kapitein, die waard is, dat we dorst lijden! Alles in orde en geen vuiltje aan de lucht! Leve IJzeren Neptunus, onze Kapitein!" riep Maaikenneef.
Wonderlijk volkje, die varensmannen. Zóó zijn ze als tijgers en zóó zijn ze als kinderkens. Velen hadden tranen in de oogen en allen riepen: "Leve onze nieuwe Kapitein!"
"Hoezee!" juichte de Tweede Stuurman en meende inderdaad wat hij zoo luid liet hooren.
"Dolf, ga dadelijk mede om het stuk op te stellen," beval de Opperkoopman.
Er scheen dus een einde aan de zaak gekomen te zijn.
Maar....
Het drinkwater, het drinkwater!
Men proefde het, en het was nog even bedorven.
"Volgt dan den raad van onzen gewezen Kapitein, mannen! Maakt ijzeren bouten gloeiend en steekt die in het water," sprak Kreeft. "We moeten geen middel onbeproefd laten."
Alleman was terstond in de weer om dien raad op te volgen.
De smeêkolen werden in de kombuis gebracht en weldra had men eenige staven witgloeiend.
"Hier, hier, in dit vat," riep Hoepel.
Het werd geopend, de staven gingen er in, en --
Een vreeselijke vlam sloeg uit het vat naar buiten.
Men had de witgloeiende ijzers in een vol vat Franschen brandewijn gestoken. De oproermakers hadden het met behulp van den bottelier, die de sleutels had, boven op het dek gebracht en nu dacht niemand er aan, dat het er nog altijd stond. De drank was in den man en de wijsheid in de kan gekomen.
Het vat sprong en het brandende vocht stroomde langs het dek en bereikte een' hoop touwen, die pas geteerd waren. Ook deze vatt'en vuur.
Iedereen deed, wat hij kon, om de vlammen te blusschen. Ook de kok, die voor het vuur in de kombuis te zorgen had, verliet zijn' haard en de ijzeren bouten, die er nog in lagen. Door de vreeselijke hitte smolten deze en het vloeibare ijzer lekte op den grond en veroorzaakte brand, waar niemand dien op dat oogenblik zocht. Eene pan vet vatte vuur en weldra sloegen ook daar de vlammen uit.
"Brand! Brand!" riep de kok, die het nieuwe, dreigende gevaar het eerst ontdekte. "Brand in de kombuis!"
"Vlucht! Vlucht!" riep een uit den hoop. "De booten in!"
"Wie het waagt eene boot los te maken, schiet ik als een' hond neer," liet IJzeren Neptunus zich hooren.
Op dit oogenblik kwam Hoepel aansnellen en riep: "De vlammen zijn al door de scheuren der beschotten in het ruim geslagen! Nog een oogenblik en ze zijn bij het kruit!"
"Vluchten! Vluchten!" klonken reeds meerdere stemmen.
De oude oproermakers-geest, zoo even onderdrukt, kwam weer met kracht boven.
"Ik laat me niet verbranden, mannen! De booten in!" riep Kreeft. "Vooruit! Wie zijn leven lief heeft, die volge mij!"