Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes

Part 5

Chapter 54,187 wordsPublic domain

De man kwam boven en zwom eenige slagen verwoed voort. Wilde hij zich nu zwemmend bovenhouden tot we eene boot neergelaten hadden om hem te redden, of had hij thans een ander plan? Was het alleen maar eene bedreiging geweest en was hij zulk een goed zwemmer, dat hij wel wist, dat hij toch niet verdrinken zou?

Of....

"Hu," schreeuwde een matroos. "Ik zie wat, mannen, en dat zag de arme kerel daar beneden ook!"

Zoodra hij dit gezegd had, kwam het water in eene heftige beweging en een monsterachtig groote haai verhief zich boven de oppervlakte.

"Help! Help!" klonk het nog eenmaal.

Van schrik deden we de oogen even toe en ze weer openend, zagen we de staartvin van den haai in de diepte verdwijnen en -- alles was weer stil.

Dat was een vreeselijk oogenblik geweest!

Vol ontzetting keken we elkander aan!

Heere, Heere, wat zou ons lot zijn?

Als we hier toch eens altijd moesten blijven liggen! Er is immers eene plek op zee waar men nooit vandaan komt, zooals een oude zeemansvertelling luidt? Eene plek waar het schip niet meer voortdrijft, maar blijft liggen, alsof het tusschen schoren op de helling staat? Eene plek waar het groene zeemos aan den buitenkant der schuit wast en aan de arme varensmannen een groen graf geeft, alsof ze aan den wal begraven waren. Daar wonen booze geesten, die het schip bij de kiel grijpen en het voortgaan beletten ....!"

"Die plek is nergens op zee te vinden, Ouwe Joost," sprak Henri Quatre. "Het is niets anders dan eene fabel!"

"De een gelooft het en de ander niet! Dat gaat met alle vertellingen zoo! En nu mag je het hoofd bedenkelijk schudden of er mee knikken, ik zeg je: ik geloof het wel, bootsman!" antwoordde Ouwe Joost en zette zijn somber en droevig verhaal aldus voort.

"Toen die arme kerel dan voor onze oogen door een' haai verslonden was, keerden we ons van die akelige plek af, en, onverschillig voor alles, slenterden we op het dek, zonder een woord met elkander te spreken, op en neer, of we lieten ons neervallen op een plekje waar de zon niet scheen en nog een soort van koeltje te voelen was.

De kok schafte het eten op; maar we raakten het niet aan.

"Zwarte Jan" heeft verteld, dat hij nog één middel weet, en een goed ook," hoorden we opeens fluisteren.

"Zwarte Jan" was een matroos met wien niemand omging. Elkeen ontweek hem; want we geloofden, dat hij meester was in de zwarte konst en omgang met den booze had.

En daar kwam "Zwarte Jan."

Hij nam een rood lapje, legde dat op het deksel van een der vaten, trok er met krijt drie kringen om, mompelde eenige woorden en -- het water bleef zooals het was.

"Duivelskunsten," riep Antwerper-Hein, die Roomsch was. "Duivelskunsten! Dit moet helpen!"

Hij maakte het teeken des kruises over het vat.

Het hielp niet; het water bleef bedorven.

"Bidden! Bidden!" riep een ander, wierp zich op de knieën en smeekte God om uitkomst.

Maar het water bleef onbruikbaar.

"Ik krijg de koorts," zeide er een, en hoe ondragelijk heet het ook was, de man liep te klappertanden van koude.

Kort daarop volgde een ander, die ook de koorts kreeg.

Na dien tweeden kwamen een derde, een vierde, een vijfde, een zesde! En het was zulk eene vreemde koorts!

"De pest," mompelde men.

De sterksten onzer werden aangetast en waren soms binnen dertig of veertig uren al bezweken. En te midden van onze ziekte liepen we, als woedenden, over het dek. Eenigen sprongen in het ijlen der koorts overboord.

De scheepsbarbier bezweek; de Eerste Stuurman volgde en daarna het arme heertje, dat den Kapitein en heel de bemanning bij den Gouverneur-Generaal zou aanklagen, omdat men hem zoo beleedigd had.

Alleen "Zwarte Jan" liep onverschillig tusschen al de zieken rond en belas enkelen van ons, die er den moed toe hadden om het te laten doen. Ik geloof anders niet, dat het veel helpt; ik liet me ook belezen en werd beter, maar zes anderen stierven nog denzelfden dag."

"De koorts belezen, nooit van gehoord," bromde de Opper-koopman. "Wat is dat nu weer?"

"Met uw verlof, sinjeur, u heeft van zooveel nog niet gehoord. Ik zal u zeggen, wat "Zwarte Jan" deed. Hij kwam bij me staan, streek zijne handen over heel mijn lichaam, deed toen, alsof hij wat overboord gooide en zeide:

"Olde marolde! Ik heb de kolde! Ik hebbe ze noe, Ik geve ze oe. Ik bind ze hier neer, Ik krijg ze niet weer."

"Wat eene gekheid toch! Dat is God verzoeken!" riep Hoepel. "Niets anders! Het verdient ravallen en kielhalen!"

"Het kan zijn, Hoepel, maar ik genas toch! En nu wil ik wel aannemen, dat ik genezen zou zijn ook, al had ik mij niet laten belezen, zooals met den bottelier het geval was geweest, ik zie toch niet in, dat het zoo strafbaar zou zijn. Wij zaten in benauwdheid, en je weet: eene kat, die in de benauwdheid zit, doet vreemde sprongen. Eindelijk toen er meer dan vijftig aan die akelige ziekte gestorven waren, kwam er beterschap. Slechts acht waren geheel vrij gebleven en de overigen waren zoogenaamd hersteld. Maar hoe kon iemand geheel beter worden zonder drinken? We waggelden langs het dek, als beschonken mannen.

En de zon bleef branden; de lucht onbewolkt; het schip stil, onbewegelijk stil, vier weken lang.

Onze toestand was akelig; wij dronken zelfs zeewater en, als rantsoen, één mutsje bier per dag. De wijn was voor de zieken, of voor de zwakken, die ziek geweest waren en toch maar niet op krachten konden komen.

Daar ging "Zwarte Jan" naar den Kapitein en vroeg of het hem vergund was den wind te fluiten.

De Kapitein lachte ongeloovig en zeide: "Ga je gang, meester der zwarte konst!"

De matroos ging nu op den boegspriet zitten en begon op eene zonderlinge manier te fluiten.[10]

Brrr, te midden van die stilte klonk het akelig.

De zon ging onder; het werd donker en -- alsof hij nooit gebrek aan adem krijgen kon, ging de man voort met fluiten. We rilden en keken angstig rond of we den booze niet zagen. Geen onzer durfde, ronduit gezegd, naar kooi gaan.

Eindelijk tegen middernacht hield hij op en kwam naar den Kapitein, die moedeloos tegen de deur van zijne hut leunde.

"Kapitein!" zeide hij, "laat alle zeilen bergen. De storm-fok is meer dan voldoende! De wind komt!"

Onwillekeurig volgde de Kapitein het bevel op van den vreemden man, die zich weer naar den boegspriet begaf en zijn akelig gefluit opnieuw liet klinken.

Het weerlichtte in het Zuiden en kort daarop in het Noorden. Met ontzettende snelheid naderde een onweder. Er kwam beweging in de zee, en het was of het schip door eene onzichtbare reuzenkracht eenigszins in de hoogte geheven werd en zuchtte.

Maar wind? Neen! Het bleef kalm, vreeselijk kalm!

"Hoor, hoor, wat is dat?" vroeg een man, die naast me stond. "Wat een vreemd geluid is dat!"

We hoorden beiden een gedruisch.

Het fluiten hield op en werd vervangen door een lied, waarvan ik de woorden nooit vergeten zal. Het luidde:

Wind, wind! Kom gezwind! Kom, orkaan, Vliegend aan. De heksen vieren feesten Te midden der tempeesten! Rommel, rommel, rommel, donder, 'T moet er op of 't moet er onder! Daar komt hij! Hoor, hoor, hoe bromt hij! Hoe gromt hij! Op, op! Hals over kop In vreeselijke vlucht, Als een pijl in de lucht! Wind, wind! Kom gezwind! Ha, de orkaan Komt aan! Ha -- ha!

Wij rilden en beefden van angst! Hu, wie kon er nu zingen? Zingen te midden van die akelige duisternis!

Neen, zingen niet meer! Hij floot alweer!

Opeens flikkerde een vreeselijke bliksemstraal door het donkere zwerk en een ratelende slag volgde.

De storm schoot door de spleten der wolken en -- voort, voort ging het, eerst kalm, maar daarna sneller, steeds sneller.

De regen plaste neer en te midden van die ontzettende verschijnselen der natuur kropen we op onzen buik langs het dek om het regenwater op te likken.

Het waren geene druppels, die vielen, het waren stralen! Wij dronken ons zad en kropen toen naar masten en touwen om ons vast te houden. Het onweder was ontzettend en de storm nam in kracht toe! Ons schip draaide soms in het rond als een tol, om dan weer met woeste vaart vooruit te schieten langs de golven van den fel bewogen Oceaan.

"Zwarte Jan" bleef fluiten; maar te midden van die vreeselijke geluiden hoorden we er niet veel van.

En donker als het was, men kon op enkele oogenblikken letterlijk geene hand voor de oogen zien!

De zon scheen ons te vergeten, of was het nog geen morgen?

O, al lang, al heel lang!

En waar waren we nu?

Gelukkig, het werd wat helderder! Er brak een straaltje daglicht door de dichte wolken; maar nauwelijks hadden wij het gezien, of weg was het.

En voort, zonder ophouden, altijd maar voort, vlogen we met gezwichte fok langs de geweldige golven!

Was dat nu dat luie schip, die nare achterblijver?

Op, op! Hals over kop! In vreeselijke vlucht, Als een pijl door de lucht! Voort, voort, voort! Ongestoord, Al maar voort! Naar het Zuid, naar het Noord, Naar het Oost, naar het West! Naar de Pool op het lest! Ha -- ha!"

Zoo zong "Zwarte Jan" op den boegspriet, waar hij zich aan de touwen vasthield om niet in zee gesmeten te worden.

Eindelijk scheen hij genoeg gezongen en gefloten te hebben. Met heel veel inspanning kwam hij weer op het dek en bij mij staan. De man zag er vreeselijk ontdaan uit.

"Dat zet nog eens aarde aan den dijk, ouwe jongen," schreeuwde hij mij toe.

Ik keek hem even aan, doch gaf geen antwoord, want ik was werkelijk bang voor dien zonderling en had hem wel willen ontloopen, als ik maar geweten had waarheen.

Toch scheen het grootste gevaar voorbij te zijn; want de storm bleef uit één' hoek waaien, zoodat het schip één koers ging en we niet meer zoo naar alle kanten rondgeslagen werden. Dat bracht ons wat tot bedaren, en gaandeweg kwamen wij er toe, een en ander met overleg te doen.

De watervaten, die we niet vastgesjord hadden, waren over het dek gesmeten en ledig geloopen. Zoo goed en kwaad, als we konden zetten wij er twee overeind en sjorden ze aan den mast. Toen de storm wat ging liggen, gelukte het ons een zeil zóó gespannen te krijgen, dat het een soort van dak vormde, en het water, dat er afliep, wisten we in de vaten op te vangen. In een oogenblik waren beide vaten vol, en we waren gelukkig in het vooruitzicht, althans in de eerste dagen versch water te hebben. Onder al die bedrijven door kwam de een na den ander er ook toe een stuk beschuit met spek te gebruiken, en eindelijk, volle zes etmalen, nadat de storm begonnen was, konden we des namiddags waarnemingen doen omtrent de lengte en breedte waarop we ons bevonden. Zelden of nooit misschien was een schip zoo uit den koers geslagen als wij, en toen we eindelijk Kaap de Goede Hoop aandeden, vernamen we daar, dat de andere schepen reeds meer dan acht weken geleden vertrokken waren. Men had het er voor gehouden, dat we met man en muis vergaan waren.

En dat is nu een stukje geschiedenis van mijne vierde reize naar de Oost. Het is te hopen, dat de "Leerdam" beter over de Linie komt dan de "Het Huys ter Horst."

"Maar hoe is het toch afgeloopen met "Zwarten Jan?" vroeg Dirk, die aandachtig had staan luisteren.

"Ja, jongen, droevig genoeg. Toen alles na de windstilte en den storm weer tot orde gekomen was, begon de man heel vreemd te doen. Het was, alsof hij maalde, en eindelijk liep hij als een wezenlooze over het dek. Hij voerde niemendal uit. Hij at bijna niets en dronk heel weinig. Tegen niemand sprak hij, en als hij maar den een of ander op hem zag afkomen, maakte hij zich uit de voeten. Zijne krachten namen zichtbaar af en één der Heeren, die wij aanboord hadden, en die naar de Oost ging om daar zijn geluk als Medicijnmeester te zoeken, verklaarde dat de man aan de zenuwen leed en het niet lang meer zou maken. Dat kwam zoo uit ook. Wij dachten, dat hij zich met lijf en ziel aan den booze verkocht had, doch toen hij, drie dagen vóór dat we aan de Kaap aankwamen, des morgens dood in zijne hangmat lag, vonden we op zijne borst een boekje met Christelijke gebeden. Daaruit bleek het duidelijk, dat de booze geen vat op hem gehad had, en dat de arme man zich maar verbeeld had, dat hij de zwarte konst verstond."

Onder het spreken der laatste woorden was Ouwe Joost opgestaan en met een: "Maar de jaren blijven den zeeman niet in den pijjakker zitten. Ik ga mijn matje in! Wel te rusten," verdween hij in het matrozen-logies.

Enkelen der anderen volgden zijn voorbeeld, doch verreweg de meesten bleven op het dek en trachtten daar den slaap te vatten, hetgeen hun eindelijk ook gelukte.

Dirk en Garrit, die beiden de hondenwacht hadden, stonden zwijgend bij elkander, doch toen ze zoo eene poos gestaan hadden, vatte Garrit de hand zijns broeders en zeî: "De Ouwe Joost heeft me bang gemaakt. Wat begon zijn verhaal prettig en wat eindigde het treurig! O, Dirk, als wij, eer wij de Linie passeeren, ook eens zulke vreeselijke dagen moeten doorbrengen als de "Het Huys ter Horst," wat dan?"

"Moeder zou zeggen: "Wij zijn in de hand des Heeren," Garrit! Laten we daarom getroost zijn en hopen, dat de "Leerdam" met de heele bemanning behouden te Batavia zal aankomen. Je moet je niet zoo ongerust maken!"

"Je hebt mooi spreken, Dirk! Maar je bent zelf toch ook niet gerust. Dat zag ik wel toen je aan Ouwe Joost vroeg hoe het met dien regenfluiter afgeloopen was."

"Geen wonder ook. Al die oude varensgezellen kunnen wat mooi vertellen, maar geen van allen zooals Ouwe Joost dat kan, vooral niet, zooals hij het nu deed. Ze moesten allemaal luisteren, of ze wilden of niet!"

"Ja, Ouwe Joost was in zijne kracht!"

"Dat was hij zeker, maar nu we hem niet meer hooren en zien, nu hebben we tijd om over zijne vertellingen na te denken, en hoe meer we dat doen, hoe meer we er achter komen zullen, dat een ander met dezelfde vertelling ons niet zoo akelig zou gemaakt hebben. Als de "IJzeren Neptunus" ze verteld had, dan ...."

"Dan waren we er mogelijk bij in slaap gevallen."

"Dat geloof ik ook; maar hoe zou dat gekomen zijn? Het was dan toch dezelfde geschiedenis!"

"Weet ik het?"

"Dan zal ik het zeggen: Ouwe Joost maakt zijne vertellingen mooi, door ze, door ze, ik zal maar zeggen, door ze met allerlei kleursel op te dirken. Dat zou IJzeren Neptunus niet gedaan hebben."

"Ouwe Joost heeft ons toch geene leugens wijs gemaakt?"

"Dat niet, wel wat anders."

"Wat dan?"

"Het was opgedirkte waarheid, dat was het!"

VOETNOTEN.

[9] =Orang= = =mensch=; =daging= = =vleesch=; =babi= = =spek= of =varken=--dus zooveel als =spekmensch=.

[10] Over het algemeen zijn de zeelieden nog al bijgeloovig, en vooral in vroegeren tijd waren zij het nog veel meer dan tegenwoordig. Dat men door gefluit den wind lokken kon, werd algemeen geloofd. Later zullen u nog meer staaltjes van bijgeloof medegedeeld worden, doch ik vertrouw, dat ge zoo verstandig zult zijn, er geen geloof aan te hechten.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Een groot man.

"Kapitein," sprak twee dagen later de bottelier, "het water in de leggers[11] is geheel bedorven."

"Kan ik dat helpen, man?"

"Neen, Kapitein! Maar ik wilde u nu vragen wat het volk dan drinken zal? Alleman heeft dorst."

"Wel, natuurlijk van dat water!"

"Ze lusten het niet, Kapitein!"

"Dan laten ze het maar staan. Wie niet lust is dood! Had je nóg wat?"

"Ja, Kapitein!"

"Nu, gauw dan wat! Ik heb geen' tijd om naar allerlei beuzelarijen en onzinnige vragen te luisteren."

"Het volk wordt oproerig, Kapitein! Ze zeggen, dat als ze achter[12] volop wijn en bier drinken, zij niet verkiezen de pest te drinken aan bedorven water uit de leggers."

"De pest? Wie heeft die zotteklap uitgekraamd? De bootsman zeker? Hij is er precies de man toe."

"Neen, Kapitein! Ouwe Joost heeft onlangs verteld, dat ...."

"Dat hij een babbelaar is, die niet weet, wat hij zegt. Hij babbelt den grooten mast nog onderstboven. Ik vaar toch ook niet als jonge brasem uit, zou ik denken, en ik heb er nog nooit van gehoord."

"Met uw verlof, Kapitein," sprak thans de Eerste Stuurman. "Ik heb er wel van gehoord, en ik kan u verzekeren, dat het water, zooals het nu is, onmogelijk kan gedronken worden. Het is geen kost, men walgt, als men het maar ruikt en .... Maar wat zullen we nu weten? Wat voeren ze nu toch in vredesnaam met het water uit?"

Nadat hij deze laatste woorden had uitgesproken, begaf hij zich met den bottelier naar de plaats waar men bezig was een' legger ledig te maken in allerlei vaten en bakken. Met lepels roerde men het dan duchtig om en liet het uit den vollen lepel van eene zekere hoogte weer in de bakken en vaten vallen. Dit hielp zeker om den stank minder te maken, wel wat, doch niet genoeg. Het was op raad van Dolf de Boef, dat de kok, geholpen door enkele matrozen, hiermede begonnen was, en nadat men meer dan een half uur het water telkens overgegoten had, proefde de kok er eens van en zeide "De stank is minder, maar de smaak nog even ellendig!"

"We hebben nog niet alles gedaan, wat we kunnen," zeide Dolf. "Hebt ge ook ijzeren of looden buizen aanboord?"

"Neen," zeide de timmerman. "Wij hebben wel rollen lood waarvan desnoods buizen gemaakt kunnen worden."

"We moeten ons weten te behelpen," hernam Dolf. "Ik heb wel eens gehoord, dat bedorven water beter wordt, als het door ijzeren of looden pijpen, waarin gaatjes zijn, loopt. Als we nu eene lange reep lood nemen en die vouwen tot eene goot, dan kunnen wij er wel gaatjes in slaan, zoodat het water er door druppelen kan."

"Zeg eens even: kan jij water in eene vergiettest dragen? Het loopt immers door de gaatjes over land weg? Dat zal met die looden pijp of goot immers ook gebeuren?"

"In zee, wilt ge zeggen," zeide Dolf tot den timmerman die hem in de rede gevallen was. "Dat zou waar zijn, als men onder die looden goot met gaatjes geene tweede zonder gaatjes hield. In die onderste kan het opgevangen en in schoone vaten gebracht worden."

"Met een dood kalf is het goed sollen," liet de Eerste Stuurman zich hooren. "Maar nu heb ik ook nog een voorstel, en dat is dat we dien ledigen legger met zeewater en potasch eerst eens terdege schoonmaken. Het bederf zit in het hout ook en is er niet zoo gauw uit."

Aan een en ander werd gevolg gegeven, en daar niemand der manschappen aanboord iets te doen had, omdat het schip zich bijna niet voortbewoog, zoo begon iedereen te werken aan de waterverversching.

Met veel moeite werd het toestel tot stand gebracht en de proef begon. Men ving het doorgedruppelde water uit de onderste goot op, alsof het levens-elixer was.

Verscheidene ledige leggers waren schoongemaakt en men liet het water maar telkens van het eene vat in het andere loopen. Het was eene algemeene bezigheid.

Eindelijk werd er van geproefd en, waarlijk, het had wel niet veel, maar toch wàt geholpen.

"Nu weet ik nóg wat!" riep Dolf eensklaps uit, "en dat kan ook helpen. We nemen een ledig vat en maken in den bodem kleine gaatjes. Op dien bodem legt men dan een stuk linnen en op dat linnen doen we schoon zand, waardoor fijne houtskool geroerd is. We moeten alles probeeren!"

"Maar dan sijpelt het water door de gaatjes van den bodem weer op het dek," meende de timmerman.

"Kunnen we dan dat zuiveringsvat niet boven een' ledigen legger zetten?" vroeg Dolf.

"Je bent vindingrijk, Dolf!" zeide de bootsman vriendelijk.

"Nu, ik heb op de hoogeschool niet al mijn' tijd verboemeld, zoo min als jij!" hernam Dolf.

Weldra was men in de weer om ook nog deze proef te beginnen, hoewel velen ongeloovig de schouders ophaalden.

"Ze krijgen er de pest toch niet uit," bromde Ouwe Joost.

Reeds begon de avond te vallen eer men den toestel in orde had. Het volk had dien dag zijn maal gedaan met beschuit en een weinig bier, dat de Opperkoopman uit zijn' eigen voorraad uitgedeeld had. De Kapitein, wiens geweten zeker begon te spreken, liet zich zoo weinig mogelijk zien.

Nieuwsgierig hoe het zou afloopen bleven de meesten van het volk op het dek en keken naar de vaten met een paar oogen, alsof hunne Grootmoeders er kousen in zaten te breiden, en zóó voor den dag komen zouden.

Het was beneden in het matrozen-logies of in het ruim ook haast niet om uit te houden van de vreeselijke en afmattende warmte en het groote gebrek aan versche lucht.

Wel werd de vloer dikwijls opgedweild met zeewater en azijn, maar de vunzige lucht liet zich niet zoo gemakkelijk verdrijven. Daar is een koeltje voor noodig, die ze wegblaast, ver zee in. Daarom werd alles tegen elkander over opengezet om tocht door te laten; maar bij de groote windstilte hielp dat zooveel als niemendal. Velen van het volk begonnen bovendien last te krijgen van koortsen en allerlei andere ongesteldheden, die een gevolg waren van het ledigloopen en niets doen, maar vooral van de warmte en het slechte drinken.

Een spreekwoord zegt: Ledigheid is des duivels oorkussen.

Zoo de Kapitein daaraan wat meer gedacht had, zoo hij voor het volk wel werk gezocht hebben.

Maar de Kapitein, die anders wakker genoeg was, had de bokkepruik op, en als er één was, die wist waarom, dan was het wel onze IJzeren Neptunus, de Eerste Stuurman.

"Wat hapert er toch aan den Ouwe, Stuurman?" vroeg eenigen tijd later de bootsman, die met zijn vriend Dolf bij den grooten mast stond te praten over oude gebeurtenissen.

"Laten we eerst vragen, Willem," zei Dolf, "wat er onzen IJzeren Neptunus in den weg zit. Terwijl we hier staan, is hij ons al een keer of wat voorbij geloopen met de vingers in den mond, of liever met den nagel tusschen de tanden."

De Stuurman bleef stil staan en zeide somber en half zuchtend: "Och, ik liep zoo maar wat te denken. Een mensch moet toch iets verzinnen om zichzelven niet ziek van verveling te maken. Dat zal jelui toch ook wel eens overkomen niet?"

"Zeker," zeide Dolf, "uit gebrek aan andere stof praatten Willem en ik al over ons vroeger studenten-leven. Maar zeg, liep je soms te denken over het mislukken van mijne waterverversching-proef?"

"Neen, ik dacht aan heel wat anders. Maar is de laatste proef dan ook niet geheel gelukt?"

"Dat zal nog moeten blijken, Stuurman! Maar ik vrees er wel voor. Ouwe Joost is zoo gek niet, als zijne muts wel staat, en die heeft gezegd: "Ze krijgen er de pest toch niet uit." En ik geloof het met hem. Om de waarheid te zeggen: het water was al veel te ver weg."

"Nu, raar water heb ik wel eens meer gedronken," zeide de Stuurman, "maar zulk water nooit. Ik geloof eigenlijk dat de vaten niet goed schoon gemaakt waren toen men het water er in deed."

"Of gevuld met dat ongelukkige Maaswater," sprak Henri Quatre. "Neen, dan hebben wij op onze hooge gronden in het Geldersche ander water. Als men het daar uit den grond pompt, dan kraalt het als bier in een glas."

"Het is geen Maaswater, maar zuiver bronwater geweest, dat er in kwam, dat weet je ook wel. We namen op Madeira water in."

"Je hebt gelijk," begon nu Dolf, "maar nu we toch zoo bij elkander staan, moesten we eens even over het water zwijgen. Al dat praten er over maakt den dorst maar erger. Zeg ons liever maar eens waarover je toch zoo dacht!"

"Och, dat kan ik moeielijk zeggen, mannen! Als kind speelde ik dikwijls met gekleurd zand, dat ik door een' trechter liet loopen. In het eerst kon ik zeggen, als het er uitliep: Zwart zand, wit zand, rood zand, groen zand, rood zand, maar op het laatst liepen de kleuren door mekaêr en kon men ze niet meer onderscheiden. Zoo gaat het met de gedachten van een' zeeman, die zich loopt vervelen ook. In het begin houdt men alles netjes bij elkaêr, maar het duurt niet lang of al die mooi uit mekaêr gehouden gedachten, doen als de droge blâren op den hoek van eene straat, als het waait. Alleen een baas van een blad kan men dan nog onderscheiden."

Henri Quatre ging nu vertrouwelijk naast hem staan, legde hem eene hand op den schouder, en zeide: "Precies, Stuur, precies! Bij u dwarrelen die gedachten nu ook als die droge blâren, maar .... dat groote blad, dat er bij is, houd je in het gezicht. En wil ik je nu eens vertellen, wat er op dat groote blad geschreven staat?"