Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes
Part 4
"Met uw verlof, Sinjeur! Ik heb Coen gekend en beter dan menigeen. Ik heb aan zijne zijde gevochten, ik heb hem eene pooze als knecht bediend en hem gadegeslagen. Hij was een groot man. Hij was in de handen van den Heer het werktuig om de Oost-Indische Compagnie groot en vermogend te maken. Hij was in den oorlog dapper, maar nooit onberaden. Nooit heeft hij met slinksche middelen eene overwinning behaald, en rechtvaardig was hij, als er misschien geen enkel mensch geweest is. En dat zeide niet ik alleen, dat erkende ieder, die ooit met hem in aanraking gekomen was."
"Nu, rechtvaardig, rechtvaardig, Joost, zeg dat maar niet zoo hard op! Hiervan konden de ongelukkige dochter van Specx en haar minnaar Pieter Jacobsz. Cortenhoeff u wat anders vertellen. Of was het niet meer dan schande om een dertienjarig meisje in het openbaar te laten geeselen en een zeventienjarig jongeling te laten onthoofden, omdat die twee in het huis van den Gouverneur-Generaal een verboden minnehandel hadden? Geen wonder, dat Coen op het bericht, dat de Vader van dat arme meisje, als Ordinaris Raad van Indië, dus in rang slechts ééne plaats beneden hem, aangekomen was, van schrik stierf. Iedereen sprak er schande van, dat hij zóó iets had durven doen."
"Ja, Sinjeur, die geschiedenis heb ik natuurlijk ook hooren vertellen, maar alweer op eene heel andere manier dan u dat doet. Ik heb ze ook nog heel anders hooren vertellen, en als ééne en dezelfde gebeurtenis op drie of vier verschillende manieren verteld wordt, zie, dan zegt mijn dom verstand: "Geloof er niet al te veel van." Waar is het, dat Coen buitengewoon streng en zedelijk was. Hij stond er op, dat wij, Hollanders, die dan toch voor beschaafder moesten doorgaan dan de Javanen, in alles een voorbeeld van beschaving gaven ook. Hij was Christen en vertelde aan iederen Javaan, als het zoo gelegen kwam, dat de Christelijke leer veel beter was dan die van de Mohammedanen, maar hij trachtte ook te zorgen, dat wij Hollanders, dat door onze daden niet tegenspraken. En praat me nu niets ten voordeele van dien Cortenhoeff, want ik heb dat heerschap gekend. Wat hij onder den neus had, wol of mollenhaar, dat wist hij zelf niet. Zóó jong was hij nog. Maar als het op liederlijke stukjes aankwam, dan was hij ons allemaal te glad af. Er leefden toen heel wat jonge losbollen en lichtmissen in de Oost, maar hij spande de kroon. En hoe de vertellingen nu ook uit mekaêr loopen, hierin stemmen ze alle overeen, dat hij de Javaansche bedienden van Coens huis omgekocht had, om hem des nachts stilletjes in Coens woning te laten. Dat gelukte den schelm maar al te goed, en nu vraag ik je in gemoede, Sinjeur, wat zou u met zoo'n liederlijken jongen doen, die des nachts zóó in uw huis kwam? En wat Saartje Specx aangaat, half Javaansche en half Nederlandsche, nu daarover willen we liefst zwijgen. Jammer is het evenwel, dat Coen in dit opzicht niet meer met bedaarde zinnen handelde, maar hij was buiten zichzelven van woede en wat doet een mensch dan niet? Ik zeg maar: die staat, zie toe, dat hij niet valle. En als zelfs de Predikanten en Kerkeraad van Batavia schreven: "Het scheen een plage van God den Heere te zijn, dat hij, die altijd zulk een rechtvaardig man geweest was, nu hierin zóó ver afdwaalde", ben ik het met die menschen volkomen eens, maar als Sinjeur de Opperkoopman nu vertelt, dat Coen van schrik stierf toen hij hoorde, dat de Vader van Sara Specx, als "Ordinaris Raad van Indië", was aangekomen, dan vergist hij zich zeer. De Gouverneur-Generaal, Coen, stierf aan eene vreeselijke ingewandsziekte, eene ziekte, die te Mecca soms duizenden doet sterven, als de Mohammedanen daarheen trekken om op het graf van hun' Profeet Mohammed te bidden. Maar we dwaalden te ver af en daarom dan, om op mijne vertelling terug te komen: De Ordinaris Raad Specx dan stond aan het hoofd van acht schepen, waarvan het onze er een was. Maar was "Het Huys ter Horst" een mooi en groot schip, luier zeiler was er bij de geheele vloot niet, zoodat het niet lang duurde of onze Kapitein kreeg de noodige bevelen, die hij zou na te komen hebben, als we soms bij de andere zeven moesten achterblijven. Dat dit vandaag of morgen gebeuren zou, was wel te voorzien. Op zekeren morgen althans kwam de wachthebbende Officier berichten, dat van de zeven andere schepen alleen nog maar de "Hollandia" te zien was, en eer we allen op het dek aan onze gewone bezigheden waren, was ook de "Hollandia" ons uit het gezicht. Velen onder ons, en niet het minst de groote Heeren, zagen dat met leedwezen en angst. En geen wonder! Admiraal Piet Hein toch had ten vorigen jare den Spanjaarden hunne Zilvervloot ontkaapt en de Spanjaarden waren nu zóó niet, of ze vonden dat minder pleizierig, dat spreekt. Zoo'n elf millioen gulden is dan ook vrij wat meer dan een knoop van een wambuis. Ze lagen daarom op den loer om ons eene poets te bakken en een eenzaam zeilend schip liep altijd groot gevaar in handen van den vijand te vallen."
"Valsch volk die Spanjolen! Echte beesten!" bromde een uit den hoop.
"Nu, maat, prijzen zal ik de Spanjaarden ook niet en "broertje-spelen" met die luî nog minder. Maar ik meen zoo, heb ik het mis, dan vergeve men het mij, ik ben maar een dom matroos, maar ik meen zoo, dat de Spanjaarden zoo ongeveer hetzelfde van ons dachten. Ik zeg maar, je moet een engel wezen om je een elf millioen te laten ontfutselen en dan nog te zeggen: "Die Hollanders zijn veel te brave luî om ze kwaad te doen. We zullen ze maar stilletjes laten begaan." Als ze jou eens je buidel ontnamen, Evert, wat zou je doen?"
Evert, die vond dat de Spanjaarden een valsch volk waren, aarzelde niet lang met antwoord te geven en zeide, terwijl hij de groote vuist balde: "Ik zou ze met interest terughalen, Ouwentje! En niet zuinig ook, dat geef ik je op een briefje!"
"Scheld dan niet meer op de Spanjaarden, Evert," vervolgde Joost en zette zijn verhaal weer voort. "Met krabbelen en nog eens krabbelen hadden we eindelijk de Kaapverdische Eilanden achter den rug en toen we des middags poolshoogte namen, bevonden we ons op zestien graden benoorden de Linie. Wij waren nog altijd in den noordoostpassaat en maakten er zoo goed mogelijk gebruik van om onze logge kast te laten voortkruipen. Ja, het was om van nijd zijne nagels als koek te eten, om te zien hoe wij altijd maar ten achteren kwamen. De bouwmeesters van ons schip hadden, zeker voor de aardigheid, eens willen laten zien, voor hoeveel geld er in één schip kan. Ze hadden het prachtig gewonnen, wat de ladingruimte betreft, maar schandelijk verloren, als het op "uit de voeten maken" aankwam. Dat zag zelfs de pluimgraaf, die eens zeî: "Dikke heeren zwemmen slecht." De bengel had gelijk, want het was om zich dood te ergeren, zoo weinig als we vorderden. Tegen een uur of vijf riep de wacht, dat er ten Zuiden van ons een schip te zien was."
"Dat zal de "Hollandia" zijn," meende de Kapitein. "Men zal ons komen opzoeken! Laat maar gauw de Prinsenvlag waaien, dan zien ze wie we zijn!"
"Een schip in het gezicht en het zal de "Hollandia" zijn," dat was een prettig bericht. Alle gezichten fleurden op, als bloempjes na den verkwikkenden zomerregen. Maar de prettige gezichten betrokken al heel gauw toen de Kapitein met behulp van zijn' scheepskijker het schip eens goed opgenomen had, en nu tot heel andere gedachten gekomen was, dan dat we daar zoo opeens een onzer schepen waarmede we uitgezeild waren, in het gezicht gekregen hadden.
"Het is een Portugeesch oorlogs-vaartuig," mompelde hij, en hij liet er luid genoeg op volgen om door iedereen verstaan te worden: "Dat belooft nu nog eens eene fraaie geschiedenis te worden. Men moet iemand met zulk eene kast maar aan zijn lot overlaten, dan komt er wat moois van!"
Dat bracht wat eene ontsteltenis teweeg. Gekerm hier, geklaag daar, gezucht ginds, gemopper overal.
"Ja, hoort eens, vrienden," zei de Kapitein, toen we allen om hem heen stonden, als kinderen om een' straatkunstenaar, "ja, hoort eens, vrienden, ik ben niet van plan mijn schip zoo maar klakkeloos over te geven."
"We zullen toch niet gaan vechten, Kapitein!" riep een piepjong heertje, dat zoo van de Hoogeschool te Leiden gekomen was en nu naar Batavia ging, om daar de Compagnie te dienen, en zichzelven meteen.
Het manneke verschoot van kleur en het kippenvel kwam door zijn dun kneveltje heengluren.
De Kapitein zag den held eens aan en zeide lachend: "Bij mijne trouw, heer Jurdens, wij zullen van uwe dapperheid geen gebruik behoeven te maken. Het zal u wel leed doen, maar u is gewoon het zwaard aan den wal te hanteeren om den driesten vijand uw voorhoofd te laten zien en op eene schandelijke vlucht te jagen. Eén geluk evenwel, Mijnheer! Ik kan het met mijn volkje alleen wel af, nietwaar, mannen?"
Deze laatste woorden waren tot ons gericht en nu de Kapitein ons zoo in het oogloopend een pluimpje gaf, was er niet een van ons, die hem afviel.
De Eerste Stuurman deed voor ons het woord en zeide: "Niets vaster dan dat, Kapitein! Gij kunt op ons rekenen!"
"Welnu," hernam de Kapitein en wendde zich hierop tot de passagiers, "gij hebt het gehoord, Heeren, dat wij het met ons volkje best af kunnen. Weest dus zoo goed naar uwe hutten te gaan, dan hebben we het dek vrij en kunnen we ons naar hartelust bewegen. Uzelf zal wel begrijpen, dat we, als het tot een gevecht moet komen, soms wel eens ruw te werk moeten gaan."
Er was evenwel niemand, die naar zijne hut ging en allen bleven waar ze waren. Ze gevoelden het maar al te goed, dat de Kapitein eigenlijk meende, dat het hun aan den noodigen moed ontbrak om te vechten.
"Moeten we, Kapitein?" vroeg een der Heeren, die tot het gevolg van den Ordinaris Raad behoorde.
De Kapitein zag hem even aan en zeide: "Nu, moeten, moeten! Ik dwing u nu nog niet!"
"Als we niet =moeten=, Kapitein, zou ik u wel willen voorstellen ook van onze handen gebruik te willen maken. Wij zijn ook geen mannekens van moppendeeg, Kapitein!"
"Nu, wie, als het er op aankomt, wil mee bakkeleien, die mag, en graag ook. Maar op ééne voorwaarde!"
"En die is, Kapitein?"
"Dat gij u onder mijne bevelen stelt, al neem ik voor en na het gevecht voor u, als mijne meerderen, de muts af. Zoo lang het gevecht duurt, heb ik te commandeeren en geen mensch anders, tenminste, als het onze wil is om het niet te verliezen."
"Ge kunt op mij rekenen, Kapitein," sprak de kordate heer en schaarde zich tusschen ons. Zijn voorbeeld werd door allen gevolgd, zelfs door het heertje met het kippenvel.
Dat beviel den Kapitein niet; want hij wist vooruit, dat zulke helden meer kwaad dan goed doen. Hij kon echter moeielijk zeggen, dat zij zich verwijderen moesten en daarom verzon hij er wat op, dat naar zijne meening bij velen den moed wegblazen zou, zoo als de stormwind een' ouden schoorsteen neerslaat.
"Bootsman," sprak hij nu, "ga gij naar beneden en breng daar in het ruim alles in orde om de gekwetsten te kunnen verzorgen. De scheepsbarbier zal u daarbij behulpzaam zijn. Reken maar op heel veel dooden en gewonden."
De bootsman en de scheepsbarbier verwijderden zich.
"Maar den bootsman heb ik bij het gevecht op het dek noodig," hervatte de Kapitein, "en daar het zich laat aanzien, dat het er warm langs zal gaan, zoo zullen er wel veel gekwetsten vallen en zal de barbier wel hulp noodig hebben. Wie van de Heeren meent nu, dat hij beter beneden helpen kan? Het verplegen van gewonden zonder armen of beenen is eigenlijk het werk niet van Janmaat. Die is er te hardhandig voor!"
Het heertje met het kippenvel trad vooruit en zeide: "Ik, Kapitein! Als student heb ik ook wel enkele lessen in het verbandleggen bijgewoond, en ik vertrouw dat ik, als het er op aankwam, ook een arm of been zou kunnen zetten. En akelig bij het zien van bloed word ik ook al niet. Ik zag, toen ik nog op de armen van de kindermeid zat, zelfs heel graag varkens slachten, zoodat die meid dikwijls tegen hare kameraad zeide: "De jongeheer wordt nog een beroemd held. Dat zal je zien." Intusschen heb ik veel te veel tijd noodig gehad om te studeeren, zoodat ik nooit vecht, maar in mijn woordenboek staat het woordje =bang= niet!"
"Welnu, ga dan naar beneden en stel u onder de bevelen van den barbier," sprak de Kapitein bijna lachend.
De jonge held, gevolgd door nog een tiental van zijn slag, ging naar het ruim om daar te wachten op de arme gekwetsten.
"Nog meer mannen, die een verband kunnen leggen soms?" vroeg de Kapitein met een fijn lachje, en toen er niemand zich meer voor die betrekking aanbood, begon de Kapitein alles gereed te maken om den vijand af te wachten. De kanonnen werden gesteld, kruitvaatjes en kogels werden op het dek gebracht, wapenen werden uitgedeeld.
De Portugees kwam steeds nader, doch bleef op eerbiedigen afstand. Blijkbaar vertrouwde hij de zaak niet en zag wel dat de "Het Huys ter Horst" geen kwâjongen was, die men om boodschappen uitgestuurd had.
"Hij schijnt te dralen, mannen," sprak de Kapitein. "Laten wij nu de stoute schoenen aantrekken en het eerste schot lossen. Wie brutaal is, krijgt de halve wereld!"
Men vond dien raad goed. Eén der stukken werd gelost en we zagen den fokkemast van den Portugees al heel raar doen. Het was duidelijk, dat we dien getroffen hadden.
De Portugees gaf van zijn' kant geen krimp en schoot vier stukken achter elkander af, doch zonder ons te raken.
"Hoezee! Hoezee!" juichten wij, en alsof we de overwinning al behaald hadden, zoo brandden wij het tweede stuk los. Ook dat was raak en sloeg een stuk van zijn bakboord weg.
Opeens evenwel kwam "Held Kippenvel" op het dek stormen; maar pas was hij er op, of hij struikelde over eene vreeselijk lange sabel, die hem bijna voor den buik hing.
"Wat nu?" vroeg de Kapitein.
Onze held krabbelde, doch met heel veel moeite, op, en stamelde: "Hoe--hoe--hoe--veel...."
"Hoeveel dappere helden?" vroeg de Kapitein lachend.
"Hoe--hoeveel--doo--dooden en ge--gekwetsten?" klonk het met eene benauwde stem.
Wij proestten van het lachen toen de man daar met zijn gezicht, zoo wit als een beddelaken, en met knikkende knieën het antwoord stond af te wachten.
"Gij hebt zeker de koorts, Mijnheer," zeide de Kapitein. "Ik zou u aanraden naar de kooi te gaan!"
"Ja, ja, u heeft gelijk! Ik heb de koorts! De koorts! Ik zal uw' raad volgen. De koude koorts, die met beven en klappertanden begint!"
De held sukkelde nu naar beneden en kroop gekleed en al, ja, zonder zijne sleepsabel af te leggen, diep onder het dek.
Inmiddels was de avond geheel gevallen en verloren we in het donker den Portugees uit het gezicht. Wij bleven evenwel goede wacht houden, doch toen de dag aanbrak was er van den vijand niets meer te zien. Hij durfde het katje zeker niet aan.
Voor dit oogenblik waren we aan den dans ontsnapt, doch de Kapitein bromde tot den Eersten Stuurman: "Het was ons geluk, dat de vijand een groote lafaard was, want als hij het gewaagd had ons aan te vallen, dan hadden we het stellig moeten verliezen. Zag je wel, welk een vlug zeiler hij was? Maar, het is voorbij en laten we maar niet klagen over hetgeen achter den rug is, en hopen dat we ook nooit anders dan zulke hazenharten voor den boeg krijgen. Laat nu alweer maar alles bergen, Stuur!"
Met ijver werd aan dat bevel voldaan, want voor een koopvaardij-matroos zag het dek er al te rommelig uit om er pleizier in te hebben.
VIERDE HOOFDSTUK.
Opgedirkte waarheid.
Zoodra het overal aanboord bekend was, dat de vijand ons verlaten had, kwam "Held Kippenvel", we noemden hem niet anders meer, gewapend en wel te voorschijn.
[Illustratie]
"Tot uwe bevelen, Kapitein!" zeide hij. "De koorts is over."
Hij stampte met de sabel op het dek en deed alle mogelijke pogingen zijn kneveltje op te strijken, doch dat gelukte hem niet; want het was nog maar in aanbouw.
Zij, die dat kereltje zoo hoorden spreken en zagen doen, barstten bijna van het lachen, doch de Kapitein hield zich leuk en verzocht hem beleefd, of hij wel zoo goed wilde zijn, gedurende een uur of drie de wacht te houden bij de vaten, die op het voorschip stonden.
"Welzeker, welzeker! En het wachtwoord, Kapitein?"
"Orang daging babi!"[9] zeide de Kapitein, die moeite had nu ook niet in den lach te schieten.
Het heertje hield alles voor ernst en ging met uitgetrokken sabel en een dapper gezicht bij de vaatjes staan, en ieder, die in de nabijheid kwam, hield hij de sabel dwars voor het lijf en voegde hem toe: "Het wachtwoord!"
"Orang daging babi!" zeiden we dan, doch daar de meesten er bij lachten, begreep hij ten laatste toch, dat hij daar voor gek stond, en zoodra de Kapitein in zijne nabijheid kwam vroeg hij: "Maar, Kapitein, is het niet gevaarlijk die kruitvaten daar maar te laten staan?"
"Ik weet van geene kruitvaten. Welke vaten bedoelt ge?" vroeg de Kapitein met het onnoozelste gezicht.
"Wel, deze, waarbij ik op wacht sta!"
"Dat zijn geene vaten met kruit, Meneer! De vaten met kruit zijn al ...."
"Wat is er dan in?"
"Het zijn eenige vaten met ransig spek, die straks over boord moeten gesmeten worden!"
"En waarom moest ik daar op wacht staan?"
"Wel, Mijnheer, ik wist geene andere plaats voor u," sprak de Kapitein en liet den held den rug zien.
Deze was woedend en toen wij een luid gelach lieten hooren, stak hij de vuist op en schreeuwde: "De Goeverneur-Generaal zal alles weten hoe het hier aanboord toegaat. Rekent er op! En berouwen zal het u allen, dat gij het gewaagd hebt mij als een' straatbengel te behandelen! Weet gij wel, Meneer de Kapitein, dat ik Juridisch Doctor ben?"
"Juridisch doctor, Meneer? Is dat een baantje bij het eene of andere gilde?" vroeg de Kapitein. "Ik moet eerlijk zeggen, dat ik er nooit van gehoord heb."
"Neen, neen, het is geen baantje! Het is een graad in de Rechten," luidde het antwoord.
"O, maar een graad! Als het nu nog eens een been was, dan was het wat anders!"
"Kapitein, u maakt mij woedend," schreeuwde het kereltje en kwam met dreigende houding nader terwijl hij heel fier de rechterhand op den greep der sabel sloeg.
"Ga vlier en kamillen drinken, kerel!" zeide de Kapitein en liet het manneke staan.
De held stampte, omdat éénmaal kinderachtig en tweetal flauw was, drie keeren ferm met zijne sabel op het dek, streek den knevel in aanbouw op en marcheerde naar zijne hut, waar hij, zonder zich ergens te laten zien, zich den heelen dag opsloot.
Wij hadden, dat spreekt vanzelf, de grootste pret van de wereld en nauwelijks had één onzer eventjes het deuntje laten hooren:
Drink vlier en kamillen, O mensch, je krijgt er heldenbloed van! Drink vlier en kamillen Zooveel maar als je kan!
of bijna den heelen dag zongen we dat zoo luid mogelijk, en stellig zal hij het gehoord en van puren heldenmoed nog wel eens gestampt hebben.
Maar met dat al waren wij door die ontmoeting met den Portugees een heel eind uit den koers geraakt, en het duurde niet lang of de wind ging geheel liggen.
Het was brandend heet en wij hadden dorst om eene heele zee ledig te drinken.
"Spaarzaam zijn met het water," klonk het bevel, en opdat niemand zich in stilte aan het water zou te goed doen, hield een der Officieren er bestendig de wacht bij; want de manschappen zelven waren niet te vertrouwen.
Om de brandende zonnehitte te keeren maakten we zonne-tenten op het voorschip, waar we nu alweer ruimte hadden.
Het baatte niet; de zon brandde er door heen.
Wij gooiden om ons zelven te verfrisschen elkander putsen zeewater over het lijf.
Wat baatte het? Het water was niet koud en wij werkten ons in het zweet.
De zee was, zoo ver we zien konden, effen, en tot vervelens toe klotste het water tegen de wanden van het stilliggende schip, dat wel aan de zonnestralen gemeerd leek.
Zoo ging de eene, zoo ging de andere dag voorbij.
Wij keken en staarden in de verte of we niet een enkel wolkje zagen aankomen.
Te vergeefs! De lucht bleef helder en scheen van gloeiend metaal te zijn.
Aan den morgen van den zestienden dag stonden we bij de watervaten om de eerste van onze drie portie's water te ontvangen. Sedert drie dagen waren we op dat rantsoen gesteld.
De bottelier moest aan een nieuw vat beginnen; maar nauwelijks was het open of....
"Bah!" riep hij en sprong achteruit. "Dat water is bedorven! Wat een stank!"
Hij opende het tweede vat, en alweer hetzelfde.
Wij stonden er sprakeloos bij.
"Nu nog het derde vat, mannen! Dat is het laatste!" zei hij. "We willen hopen, dat dit nog goed is!"
Hij sloeg het open, en alsof er iets heel bijzonders zou te zien zijn, schaarden wij er ons omheen, maar -- onze neuzen vertelden al heel gauw, dat ook dit derde of laatste vat bedorven was.
Daar stonden we nu zonder ander dan bedorven water.
Wel proefden er sommigen van; maar met walging spuwden ze het weer uit.
En hooger steeg de zon en feller werd de hitte.
"De scheepsbarbier heeft daar zoo even gelukkig in zijn medicamenten-boek een uitmuntend middel gevonden om bedorven water zoo smakelijk en frisch als versch te maken," werd er verteld en weldra hoopte de heele bemanning, dat die proef gelukken mocht.
Daar kwam hij aan met een' ijzeren aschlepel vol glimmende houtskolen. Hij wierp die in het water, en vol ongeduld wachtten wij de uitkomst van zijne proef af.
Tegen den middag zouden we te weten kunnen komen of het middel zoo uitstekend was, als in het medicamenten-boek verteld werd.
Hoe we naar den middag verlangden!
En toen die gekomen was....
"Het heeft niet geholpen, mannen," sprak de bottelier. "Het water is en blijft bedorven! De toekomst ziet er donker voor ons allen uit, vrienden! Ik vrees het ergste! God moge den armen zeeman genadig zijn!"
"Beter slecht water dan van dorst sterven," riep een der matrozen en naar het vat loopend begon hij daar te drinken, alsof er geen verzadigen aan zijn' dorst was.
Zijn voorbeeld werkte bijna op al het volk aanstekelijk. Men verdrong tierend en razend, elkander aan de vaten, ja, menige vuistslag werd gegeven en ontvangen voor één' dronk slecht water.
"Houdt op! Houdt op, mannen! Gij drinkt de pest in uw lijf!" schreeuwde de Kapitein, die uit zijne hut kwam aanloopen. "Houdt op, zeg ik! Zijt gij dan allen bezetenen geworden?"
"Pest of geene pest! We willen drinken, en we zullen drinken!" schreeuwde één uit den hoop.
"Mannen, dorst lijden, zooals we nu doen is vreeselijk, ik erken het," sprak de Kapitein. "Maar dàt water, gelooft me, het is nog erger dan vergif. Ik verbied het u te drinken."
"Jij kunt gemakkelijk verbieden, als je den buik vol wijn of bier hebt! Ik stoor mij aan geene pest en aan geen' Kapitein! Drinken zal ik!" brulde een matroos, die wel krankzinnig van dorstwoede scheen, want hij was mogelijk wel de beste van heel de bemanning, altijd beleefd, altijd bij de hand, steeds opgeruimd en steeds bij de zaak, dag of nacht, weer of geen weer. En nu zóó! Wij stonden als van verbazing geslagen toen we hem dat hoorden schreeuwen. Het was niet meer of minder dan verzet tegen het wettige gezag. Het was oproer maken. Hij voegde de daad bij het woord, schepte eene blikken maat vol van dat water en bracht ze aan den mond.
Pats, daar vloog die maat de hoogte in. De Kapitein sloeg ze hem uit de handen.
"Drinken! Drinken zal ik!" klonk op akeligen toon de stem van den ongelukkige.
"Stuurman, neem dien man gevangen!" beval de Kapitein. "Hij maakt oproer! Slaat hem in de boeien!"
"Dat nooit!" riep thans de arme kerel, die door dorst het verstand scheen verloren te hebben. "Drinken zal ik! Ik lust dat vatwater niet! Toch zal ik drinken! Drinken! Drinken, de zee leeg! Ha, heerlijk! Heerlijk! De heele zee leeg!"
Eensklaps wrong hij zich uit de handen van hen, die hem vasthielden en sprong in zee.
Wij allen liepen naar de verschansing om hem tegen te houden, maar hij was ons te vlug af en overboord eer iemand hem bij de kleeren kon grijpen. Wij tuurden in de zee, en....
"Help, help!" klonk eene stem uit de diepte.