Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes

Part 3

Chapter 34,080 wordsPublic domain

De geheele bemanning keek den armen vluchteling medelijdend aan, en niet één onder hen, den Kapitein uitgezonderd, of hij was verheugd te zien, dat de stumperd weer bijkwam.

Opeens evenwel liet de Kapitein zich hooren.

"Bootsman, ik moet u als rebel behandelen."

"Als ge meent, dat ge zulks doen moet, ga dan uw' gang, Kapitein! Maar, ik wensch dan door den vollen scheepsraad mijn vonnis te hooren uitspreken," zeide Henri Quatre bedaard. "Dat is een recht, dat zelfs een' pluimgraaf toekomt."

De Kapitein knarste van woede op de tanden, en sprak: "Gij hebt den boef eene schuilplaats gegeven, en als de Luitenant hem gevonden had, dan waren wij in Calais opgebracht en zou men beslag op ons schip gelegd hebben."

"Door wien opgebracht, Kapitein?" vroeg de Eerste Stuurman. "Door wien, als ik vragen mag?"

"Door wien? Wel, door wien anders dan door den Luitenant en zijne onderhebbende manschappen!"

"Meent u dat?"

"Zeker meen ik dat! Ik zou wel willen vragen waarom gij denkt, dat ik het niet meen?"

"Nu, dan vergist gij u, Kapitein! Hij zou ons niet te Calais, maar wij zouden hem te Batavia gebracht hebben, en wat netjes ook," sprak nu één der omstanders.

De Kapitein zag grimmig om en wist nu dat die woorden gezegd waren door Mijnheer Melters, die in dienst der Oost-Indische Compagnie was, en als Opper-koopman of Super-carga de reis mede maakte met de "Leerdam".

"In alle gevallen, Mijnheer de Super-carga, heeft de bootsman gezondigd tegen de wetten en bevelen, en ik eisch, dat hij hiervoor gestraft zal worden", zeide de Kapitein.

Tot hiertoe had de vluchteling nog geen woord gesproken. Hij richtte zich evenwel thans een weinig op en zeide in het Nederlandsch en met zwakke stem: "Niemand heeft mij geholpen of verborgen, Kapitein! Ik heb mijzelven in den uitersten nood eene schuilplaats verschaft achter het scheepswapen in den boegsprietsoven. En zoo ik oorzaak zal zijn, dat iemand om mij onschuldig gestraft wordt, laat mij dan liever overboord smijten. Te verdrinken is nog beter dan te leven als galei-boef!"

De Kapitein zag hem nijdig aan en beval op hoogen toon: "Men brenge den vluchteling in de ziekenhut en den bootsman...."

"Overijl u niet, Kapitein," sprak de "IJzeren Neptunus." "Laten wij den Raad beleggen en laat den bootsman met ons gaan. U zal zien, dat hij geen rebel mag genoemd worden."

"Stuurman, gij begint ook?" riep de Kapitein driftig.

"Laat al de Officieren van het schip in de kajuit komen, Kapitein, en dan zal ik vertellen, wat ik van de zaak gezien heb," luidde het antwoord van den "IJzeren Neptunus", die zeer kalm bleef[8].

De Kapitein voldeed daaraan en toen al de Officieren bij elkander waren, en de bootsman, als beschuldigde, tegenover hen stond, deelde de Stuurman mede, wat hij gezien had vóór de bootsman en Dirk het zagen. Verder zeide hij ook dat de bootsman zijne spijt had te kennen gegeven, dat de vluchteling nu juist moest gevonden worden op zijne wacht, omdat men dan lichtelijk vermoeden zou, dat het eene doorgestoken kaart was en hij al lang, ja, van het begin af, geweten had, waar de ontsnapte boef was. Na dit alles gezegd te hebben eindigde hij met het voorstel te doen om den vluchteling in deze ook te hooren, tenminste indien hij instaat was om verhoord te worden.

"Als hij er nog niet instaat toe is, zal hij er weldra instaat toe zijn, want ik heb hem drie pleisters met troost der armen gelegd, in de linker- en rechterzijde en in den nek," zeide de scheepsbarbier.

"Och, jij met je pleisters! Als het maar in je macht was, dan zou je de maan aan de sterretjes plakken," sprak de kok. "Ik heb hem eene maat warme gort gegeven."

"Dat laatste middel zal heilzamer werken dan het eerste," meende de Opper-koopman. "De man was letterlijk uitgehongerd."

De Kapitein scheen in te zien, dat zijne vrees voor den bootsman hem leelijke parten gespeeld had. Hij gaf dus toe en zeide, dat de gewezen boef, als hij kon, voor den scheepsraad verschijnen moest.

Dit scheen den bootsman niet te bevallen, en reeds stond hij op het punt er iets tegen in te brengen, toen de Stuurman zich al verwijderd had om bevel te geven den vreemdeling in de kajuit te laten komen.

In gespannen verwachting bleven allen zitten, en toen de man aan den ingang der kajuit verscheen, keken ze hem zoo vreemd aan, alsof hij een buitengewoon wezen was.

Nu buitengewoon was hij niet, maar gewoon toch ook niet.

Hij was vreeselijk mager, lang en breedgeschouderd. Zijn gelaat was zeker in langen tijd niet geschoren of gewasschen en zijn koolzwart haar was, naar het gebruik op de galeien, even als bij misdadigers, kort bij het hoofd afgeknipt. Hij had ivoorwitte tanden en donkere oogen, die akelig diep in de kassen weggezonken waren. Alles sprak bij hem van armoede, ellende en lijden, en misschien, dat hij later, als hij geheel hersteld zou zijn, een knap man zou worden, maar nu was hij vreeselijk leelijk en terugstootend.

Hij hield zich aan de stijlen der deur vast en eer nog iemand wat gezegd had, sprak hij: "Ik zou wel willen zitten, Kapitein! Ik ben te zwak om te staan!"

"Dat ziet men u waarlijk wel aan," zeide de Opper-koopman en opstaande bood hij den man een' stoel aan.

"Wie zijt gij?" vroeg de Kapitein.

"Een Antwerpenaar van geboorte en een Geldersman door opvoeding, Kapitein!"

"Uw naam?"

"Jonker Adolf van Backerswerve!"

"Uw beroep?"

"Laatstelijk galei-boef, Kapitein! Nu een man, die u om een plaatsje, als matroos, op uw schip vraagt."

"Ik heb geene matrozen noodig! Volk genoeg," sprak de Kapitein, die weer in zijne onvriendelijke bui verviel. "Wat waart ge en waar woondet gij vóór men u naar de galeien bracht?"

"Ik ben begonnen als student te Leuven, en als ge dat niet gelooven wilt, vraag dat dan aan Jonker Willem van Aspervelde, die...."

De bootsman sprong op.

"Wie is die Jonker Willem van Aspervelde? Wij kennen hem niet," zeide de Kapitein, die evenwel nu vermoedde, dat de geheimzinnige bootsman eigenlijk zoo heette.

"Dat ben ik, Kapitein," zeide de bootsman. "En nu mij zoo geheel tegen mijn' zin en wil en zoo onschuldig het doopceêl gelicht wordt, zal ik spreken en kan hij een oogenblik zwijgen. U ziet dat zelfs zittend spreken hem afmat."

De Officieren keken den bootsman met verbazing aan.

"Ik ben Jonker Willem van Aspervelde en was twintig jaar geleden student aan de Hoogeschool te Leuven. Mijne Ouders wilden een' Advocaat van mij maken en ik wilde in dienst van de Zeven Geünieerde Provinciën gaan. Ik wilde deelnemen aan de roemrijke zeetochten, die door haar gemaakt werden en dienst nemen onder den grooten Tromp. Maar mijne Ouders waren te zeer Spaanschgezind en wilden dat niet hebben. Toen sloeg ik, zeker verkeerd genoeg, het hoofd in den wind. Ik studeerde gemakkelijk, promoveerde tot Doctor in de Rechtsgeleerdheid, maar bleef te Leuven, als een gewoon student leven, zonder wat anders te doen dan een lui, lekker leven te leiden en zoo nu en dan eens te vechten."

"Vocht u?" vroeg de Kapitein.

"Ja, en wel met hem, die daar staat. Hij was ook Doctor in de Rechten en leefde op dezelfde wijze als ik achter de bierkan en de wijnflesch. Op een' avond, dat we vol zoeten wijns waren, kregen we twist en -- eene flesch kwam zóó op het hoofd van mijn' vriend neer, dat hij nederviel en voor dood weggedragen werd. Ik vluchtte, kwam in Holland en--nam dienst als gemeen matroos. Toen neef Joan Maetsuycker evenwel Gouverneur-Generaal werd, trad ik in dienst der Compagnie en werd, trots alle Kapiteins, bootsman door zijn toedoen. Hij daar," -- de bootsman wees op den gevluchten boef, -- "was evenwel niet aan de gevolgen der wonde gestorven. Ja, hij scheen in te zien, dat de drank de oorzaak van alles geweest was, en daarom herstelde hij uit zichzelven de oude vriendschapsbetrekkingen. Later kreeg ik eenige brieven van hem en toen was hij Luitenant op de Fransche vloot!"

"Is dat waar? En hoe zijt gij dan op de galeien gekomen?" vroeg de Kapitein aan Jonker Adolf van Backerswerve.

"Dat alles is waar, Kapitein! In onze dronkenmans-bui begonnen we de dwaasheid met elkander te vechten. En dat was wel eene groote dwaasheid, want we waren boezemvrienden. De toegebrachte slag was gelukkig niet doodelijk en ik herstelde. Maar nu mijn vriend weg was, wilde ik ook niet blijven. Ik liep naar Frankrijk en kwam daar op een oorlogsschip, waar ik, geholpen door kennissen, weldra Luitenant werd. Eens op een' dag evenwel begon de Kapitein van het schip te smalen op de Vlamingen, en hij zeide dat deze lafbekken waren, en den moed niet gehad hadden, het voorbeeld van de Noordelijke Nederlanden te volgen om den Spanjaard zijn afscheid te geven. Dat kon ik niet verdragen, ik gaf hem eene muilpeer en beet hem sarrend toe: "Hoe bekomt u zoo'n kitteling van een lafbek, Kapitein?" De gevolgen bleven niet uit, doch door voorspraak mijner vrienden werd ik nog niet tot de galeien verwezen en alleen gemeen matroos gemaakt. Dat ik mij hierin niet al te best schikken kon, dat spreekt, en daardoor maakte ik het weldra zoo bont, dat ik met de welwillende (?) medewerking van mijn voormaligen Kapitein op de galeien kwam. Ik ben daar twaalf jaren lang geweest. Twaalf jaren lang heb ik geleden. Twaalf jaren lang heb ik de kluisters gedragen. Twaalf jaren lang heb ik naar eene gunstige gelegenheid uitgezien om te ontsnappen. Eindelijk gelukte het mij. Nu ben ik hier en vraag een plaatsje als gemeen matroos aanboord van het schip, waarop mijn oude vriend de betrekking van bootsman bekleedt. De waarheid heb ik gezegd."

De Kapitein en al de anderen hadden aandachtig geluisterd naar het verhaal van de twee mannen en hij vroeg thans, wat er te doen stond.

"In de eerste plaats uitmaken of de bootsman zich vergrepen heeft aan de bevelen van den Kapitein," zeide de Opper-koopman. "En daartoe weten wij nog niet genoeg. De gewezen Luitenant Jonker Adolf van Backerswerve zal dus wel zoo goed willen zijn te zeggen, hoe hij zich voor het zoekend oog van den Franschen Officier en zijne manschappen verborgen heeft weten te houden."

"Wilt gij dat zeggen?" vroeg de Kapitein.

"Zeker, wil ik dat," luidde het antwoord. "Toen ik vanwege den Kapitein hoorde zeggen, dat men geene ontvluchte galei-boeven aanboord nam, hoorde ik de riemslagen van de boot, die mij achterna zat. Liever verdrinken dan weer naar de galeien, dacht ik, sprong in zee en zwom naar den anderen kant van het schip, dat op het oogenblik eene streek wendde en dus weinig vaart had. Ik hoorde mijne achtervolgers aanboord komen en op het punt van te zinken zag ik van den boeg een touw hangen. Met de kracht der wanhoop greep ik dat aan en hield mij er eenige seconden mede boven, doch ik voelde, dat ik de zuiging van het water voor den boeg niet langer wederstaan kon. Ik klom derhalve naar boven en in het halfduister wrong ik mij in den boegsprietsoven en achter het wapen of beeld bij den boegspriet. Hoe ik daartusschen gekomen ben, weet ik niet. Hier bracht ik in duizend angsten eenige oogenblikken door en toen schijn ik buiten westen geraakt te zijn. Hoe lang ik in dien toestand verkeerd heb, weet ik niet. Toen ik weer tot mijzelven kwam was het schemerdonker en ik hoorde stemmen. Ik greep moed en het gelukte mij met veel inspanning een keer of wat over de verschansing te kijken. Ik zag dat de man bij het roer mij ontdekt had, doch mij ontbrak de kracht om eenig geluid te geven. Hoe ik verder aanboord ben gekomen zal de bootsman of Stuurman wel zeggen kunnen. Ik weet het niet."

"Mij dunkt, dat we nu genoeg gehoord hebben," zeide de Opper-koopman, "en ik meen zoo, dat het verstandig zijn zal, zoo de twee voormalige vrienden zich thans verwijderen. We kunnen dan beter onze meening zeggen."

Dit werd goed gevonden en het gevolg van hunne beraadslagingen was, dat de bootsman natuurlijk van alle beschuldigingen vrijgesproken werd. De Opper-koopman verklaarde dat hij den anderen gewezen student aan zijn dienst verbinden wilde. Een Doctor in de Rechten kon hem in vele gevallen behulpzaam zijn. Ook wilde Mijnheer Melters den anderen wel hebben, als klerk of wat ook, want het ging toch niet aan dat een Jonker, die nog al Doctor was, dienst deed als bootsman.

Henri Quatre echter verklaarde, dat hij voorloopig liever bleef, wat hij was en dat hij later, als hij in de Oost kwam, altijd nog zou kunnen zien, wat hij deed.

Zoo was op eene bijzondere wijze de bemanning der "Leerdam" met één persoon vermeerderd, en later zou het blijken, dat al wat boef heet daarom nog geen boef is.

VOETNOTEN.

[3] Een oorlam is het rantsoen van jenever, dat op vele Nederlandsche schepen de matrozen iederen dag krijgen.

[4] =Onvermeuge menschen= = onmachtige menschen.

[5] =Schapperae.= Dit is een verouderd woord, dat nog wel in Vlaanderen gebruikt wordt. Men bedoelt er eene spijskast mede en zegt =schapraai= of =schaprade=.

[6] Aanboord van een schip wordt de Kapitein door de bemanning meestal "Ouwe" genoemd.

[7] De boegspriets-oven of het boegsprietspoor zijn twee staande stukken hout, die het ondereinde van den boegspriet steunen.

[8] Aanboord van een koopvaardijschip is ieder Officier, die eenige betrekking bekleedt.

DERDE HOOFDSTUK.

Den dans ontsnapt.

De wind, die bij het uitzeilen zoo gunstig was geweest, blies, toen ze goed en wel in den Atlantischen Oceaan gekomen waren, stijf uit het Noordoosten en nog altijd waren de schepen, waarmede de "Leerdam" uitgezeild was, de "Nieuwpoort" en de "Dolfijn" elkander in het gezicht.

Op het laatst van Mei kwam men dicht bij de Linie en reeds hoorde men onder de matrozen praten van de pret, die men hebben zou, als aanboord het doopfeest van Neptunus zou gevierd worden. Men had onder elkander de rollen reeds verdeeld, en Hoepel zou Neptunus zijn.

Weinig kon men vermoeden, dat er van het heele feest niets komen zou.

Op zekeren dag kwam de Eerste Stuurman in de kajuit bij den Kapitein, die een uitstekend zeeman was. Hoewel buitengewoon streng en dikwijls zelfs bar en onbillijk, hield het volk wel van hem, want het wist, dat er op hem te rekenen viel, als de nood aan den man kwam. Die onaangename geschiedenis met de twee Jonkers had hij vergeten, en zoo nu en dan toonde hij door een gesprek met één van die twee aan te knoopen, dat hij niet haatdragend was ook en liefst alles maar vergeven en vergeten wilde. De ongemeen voorspoedige reis had hem ook in eene pleizierige stemming gebracht, zoodat hij, toen de Stuurman binnentrad, hem lachend ontving en dadelijk de vraag deed: "Wel, Londenaar, wanneer zullen we de Linie passeeren, denkt ge? Naar mijne berekening kan dat best over twee dagen zijn. Nog nooit zulk eene voorspoedige vaart gehad. Maar, heb je me soms wat te zeggen?"

"Ja, Kapitein! U wordt door den Kapitein aanboord van de "Nieuwpoort" geseind."

Het voorhoofd van den Kapitein betrok.

"Hij heeft mij niet te seinen. Ik ben zijn knecht niet! Of meent hij soms, dat hij zooveel als Bevelhebber over de drie schepen is? Dan is hij glad bezijden de plank."

"De "Dolfijn" zal ons weldra verlaten, Kapitein! U weet dat ze naar de Goudkust moet. En Bevelhebber der twee schepen is hij niet; maar, hij is de oudste en heeft veel voornaam volk aanboord!"

"Voornaam volk, ha, ha! Ik heb twee adellijke Heeren, die Advocaat zijn! Die tellen ook mee! En ouder! Misschien een jaar of drie!"

"Minstens twintig, Kapitein!"

"Nu, laat het twintig zijn! Al was het veertig, ik heb met den ouderdom niemendal te maken. Ik ben Kapitein op de "Leerdam" en hang van niemand af. Ik ga niet vanboord!"

"Zullen we dan beproeven elkander te naderen?"

"Mij goed! Maar verbeeld je niet, dat ik me maar eenigszins de wetten laat voorschrijven. Ik heb een' kop, als het er op aankomt, en allerminst ben ik genegen mij te onderwerpen aan eenige bevelen van den Kapitein van een ander schip."

De Stuurman verwijderde zich, doch bromde binnensmonds: "Jammer, dat zulk een Kapitein van het bovenste plankje, zoo oploopend en licht geraakt is. Ik vrees, dat het den een' of anderen keer nog eens misloopt."

Bij het roer gekomen gaf hij de noodige bevelen op de "Nieuwpoort" aan te houden, doch als men daar gebelgd was geweest over de wijze van doen van den Kapitein der "Leerdam", dan had er eene zware wijs op gegaan bij elkander te komen; want de "Nieuwpoort" was wat vooruit en nog wat beter bezeild dan de "Leerdam".

Na verloop van een paar uren was men dan door de gewilligheid en toegevendheid van den Kapitein der "Nieuwpoort" zoo ver gekomen, dat de twee Gezagvoerders met elkander spreken konden. Die van de "Nieuwpoort" stelde voor denzelfden koers te blijven houden, dien men tot op dit oogenblik gevolgd was. Naar zijne inzichten liep men dan minder gevaar om onder de Linie door vervelende en dikwijls zeer gevaarlijke windstilte te worden opgehouden.

Deze meening deed hij van zulke deugdelijke gronden vergezeld gaan, dat de "IJzeren Neptunus" zeide: "Dat is zoo helder als glas!"

"Ik geloof niet, dat ons dit geraden is, en dat we beter doen met twee streken westelijker te houden. We snappen dan spoediger den Braziliaanschen Stroom en we zullen zulk eene korte reis maken, dat ze eenig is en blijft in de geschiedenis der Compagnie-schepen," zeide de Kapitein der "Leerdam".

IJzeren Neptunus schudde het hoofd en ook de Kapitein der "Nieuwpoort" trok de redeneering van den ander in twijfel en meende, dat de verkorting der reis wel eens op eene verlenging kon uitdraaien, doch toen hij zag dat de ander bij zijne meening bleef, zeide hij: "Nu, gij moet het zelf weten. Wij zijn niet aan elkander getrouwd. Goede reis!"

"Hetzelfde!" klonk het uit den mond van den stuggen Kapitein. De "Leerdam" stuurde twee streken westelijker en eer de avond viel waren de beide schepen geheel uit elkanders gezicht.

"Dat wordt heelemaal mis, Londenaar," sprak de bootsman tot den Stuurman. "Zoo komen we ten achteren en heel leelijk ook. Jammer dat de Ouwe zulke vlagen van een' betweter heeft."

"Als we nu maar niet al te lang onder de Linie moeten blijven," bromde de bottelier. "Er is veel kans op."

"Toch geen gebrek aan water, hoop ik?" vroeg de Stuurman.

"Nu, wat zal ik ervan zeggen? Gebrek aan water is er niet, maar er begint een luchtje aan te komen! Daar straks waren er al een paar matrozen, die zeiden, dat ze er van walgden, en dat het water nog te slecht was om ratten te vergeven."

"We willen hopen, dat de Ouwe het bij het rechte einde heeft gehad," mompelde de bootsman.

Er kwam dien avond niet veel van naar kooi gaan. Het was tusschendeks in de hangmatten niet uit te houden zoo heet als het was. Al het volk bleef aan dek en zocht het daar met wat zeilen op de harde planken zich zoo gemakkelijk te maken, als het maar eenigszins kon.

Op het voorschip had zich een groot deel van de manschappen verzameld. Ze lagen daar half uitgekleed op het dek en wisten, door hitte bevangen, niet wat ze doen moesten.

De wind ging meer en meer liggen en toen de hondenwacht betrokken werd, bromde de Tweede Stuurman: "Verwenschte windstilte! Daar hebben we de poppen al aan het dansen. Ik wilde voor ik weet niet wat, dat de Ouwe de "Nieuwpoort" gevolgd was."

De zeilen, die anders door den wind bol geblazen werden, hingen er thans als natte vaatdoeken bij, en gaven nu en dan alleen door een zwak, klapperend geluid te hooren, dat nog niet alle wind weg was.

"Ik wilde dat ik wat slapen kon," zeide Hoepel.

"Het bed is wel wat hard, maar het is het bed niet, dat me den slaap uit de oogen houdt; het is die ondragelijke hitte," sprak Dirk. "Het is voor een' mensch niet om uit te staan. Oef!"

"Ja, man, zoo heet stoken ze in de Middellandsche Zee den oven niet," spotte een matroos, die zich zoo even eene puts zeewater over het lijf gegoten had om zich te verfrisschen, hoewel hij verklaarde, dat zelfs het zeewater wel over het vuur scheen te hangen.

"Let op, het heele Neptunus-feest zal er bij inschieten, Hoepeltje," zeide een ander.

"Vraag eens aan den Ouwe of hij niet eens een deuntje fluiten wil, ik heb me de mondklem al bezorgd door het fluiten," liet een oud matroos zich hooren.

"Jij met je fluiten! Als dat hielp, dan zou ik zeggen, laten we allemaal fluiten. Ik geloof er niemendal van," sprak Hoepel. "Dat is alles bijgeloof, niets anders. Dat zeg ik."

"Je bent een ongeloovige Thomas," herhaalde de oude matroos. "Ik zeg je dat het meermalen gebleken is, dat de wind zich door fluiten laat lokken."

"Och, loop heen! Verkoop zulke praatjes aan oude vrouwen en kleine kinderen," spotte Hoepel.

"Je kunt zeggen wat je wilt, Hoepel! Het is zoo! Ik heb het immers zelf bijgewoond! Ik deed toen mijne tiende Indische voyage!"

"Je tiende? Is dit dan je elfde?" vroeg Garrit.

"Mijne zestiende, jonge brasem! Mijne zestiende! Ik kan meepraten, als het er op aankomt."

"Maar wat heb je dan bijgewoond, ouwentje?" klonk het van een' anderen kant. "Toe, vertel ons 'reis een en ander. Een varensman is zóó niet, of hij wil graag nog meer hooren."

"Ja," bromde een andere oude matroos, "om dan te kunnen vertellen, dat men alles zelf ondervonden en bijgewoond heeft. Maar ieder moet weten, wat hij er mee doet, dat zeg ik, en daarom, ouwe maat, toon dat je tong losser zit, dan je rug, want die zegt al krik-krak, als je bukt."

"Ei, is het waar ook," antwoordde de verteller lachend. "Maar als we over ruggen en beenen gaan spreken, die krik-krak zeggen, dan komen we niet verder. Ik zal je vertellen van mijne reizen, maar eerst vooral hoe we door fluiten wind kregen en niet zuinig ook. Het werd een orkaan en er haperde niet veel aan of van de heele "Het Huys ter Horst", zoo heette het schip, kwam geen stuk terecht!"

"Fluitjes in den zak! Liever windstilte dan een orkaan," riep een jonge matroos, die misschien zijne tweede reize maakte en altijd nog griezelig werd, als hij van vreeselijke gebeurtenissen hoorde spreken.

"Kunt gij van een' orkaan medepraten?" vroeg de oude.

"Niet zuinig! Op de Oost heb ik maar weinig gevaren en ik ben er bekend als een snoek op zolder. Maar naar de West deed ik heel wat voyage's en daar heb ik een storm bijgewoond, die zoo even raak was. De West is het rijk van Koning Storm, en die is me zoo even een bulderbast!"

"Dat behoef je me niet te vertellen! Dat weet ik bij ondervinding. Maar kan je ook meepraten van windstilte?"

"Ook al! Dat was in '53. Toen hebben we onder de Linie bijna drie volle dagen doodstil gelegen. Een schip, dat voor anker lag kon niet rustiger en kalmer liggen."

"Drie dagen! Neen, dan kan ik er wat anders van vertellen. Drie dagen windstilte! Neen, maat, drie dagen tel ik niet."

De matrozen kwamen nader bij den ouden man om geen woord van zijn verhaal te missen. Zelfs enkele Officieren, benevens "Dolf de Boef", zooals de Fransche vluchteling genoemd werd, de bootsman, de scheepsbarbier, de Opper-koopman en IJzeren Neptunus behoorden onder zijn gehoor.

Intusschen bleef de oude man een' geruimen tijd zwijgen.

"Nu, ouwe Joost, begin! Wij luisteren!" zeide de Opper-koopman. "Je bent toch niet verlegen, als je zooveel toehoorders hebt? Je moet maar denken, dat we allemaal turven zijn!"

"Al zacht, al zacht, Sinjeur! Ik moet de rommelkamer van mijn geheugen eerst eens wat opknappen, anders smijt ik het een door het ander. Maar nu ben ik er.

Het was in '29 en ik deed mijne vierde reize naar de Oost met de fluit "Het Huys ter Horst". Het was een stevig, mooi en groot schip en we hadden op de heenreis over de honderdvijftig man aanboord. Natuurlijk niet allemaal varensgasten waren het. Er bevonden zich vele voorname Heeren bij met hunne bedienden, die niet allen plaats hadden kunnen vinden op de "Hollandia", die den Ordinaris Raad van Indië, Jacques Specx, aanboord had. Er was in die dagen in de Oost, waar Jan Pietersz. Coen Gouverneur-Generaal was, nog heel wat te doen en -- Coen werd niet door ieder vertrouwd...."

"Nu, met recht meen ik," viel de Opper-koopman den verteller in de rede. "Die Gouverneur-Generaal Coen was...."