Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes

Part 2

Chapter 24,084 wordsPublic domain

"Ha, de student hangt zijne wijsheid weer te luchten," riep de scheeps-barbier, die zeer goed wist, dat Henri Quatre van eene rijke familie was en vroeger te Leuven gestudeerd had. Dat wisten ook velen der matrozen en menigmaal vermaakte hij de manschap met grappen uit zijn studenten-leven te vertellen. Had dan evenwel één het ongeluk, hem te vragen hoe hij van student zeeman geworden was, dan betrok zijn gelaat en hij zweeg oogenblikkelijk. Soms liep hij dan dagen lang zonder bijna een woord te spreken. Door dat vreemde gedrag was het vooral, dat Henri Quatre voor de matrozen iets aantrekkelijks had. Gewoonlijk was hij vroolijk en gezellig en een allemans-vrind. Maar hij kon ook oogenblikken hebben, dat niemand het waagde hem aan te spreken. En als een van de lieden het hem wat al te lastig maakte en een loopje met hem wilde nemen, dan kon hij hem aankijken met een paar oogen om er bang van te worden. Neep het gevaar en ging het er langs het kantje af, dat men het leven behield, was dan dikwijls heel de bemanning wanhopig en radeloos, Henri Quatre wist van geene vrees. Naarmate het gevaar toenam verhief zich zijne flinke gestalte, zijne oogen straalden vuur en zijne hand bleef vast. Dan keek de bemanning meer naar hem dan naar den Kapitein, en als het op stuk van zaken aangekomen was, dan had iedereen den Kapitein laten loopen en zou Henri Quatre gehoorzaamd hebben. De Kapiteins hadden het dan ook niet heel erg op hem begrepen, ofschoon hij nog nooit getoond had, dat hij den verkeerden weg op wilde. Had het evenwel aan hen gelegen, dan zouden ze hem wel nooit als bootsman op hun schip aangemonsterd hebben. Maar meestal kwam een der Heeren van de Compagnie den Schipper mededeelen: "Voor een' bootsman hebben wij gezorgd!" en als dat gezegd was, dan wist men ook wel wie de bootsman zijn zou. Henri Quatre scheen derhalve zeer vermogende vrienden te hebben.

Wij weten dus nu ook eenigszins wie Henri Quatre was, en in den loop van het verhaal zullen we hem nog wel nader leeren kennen.

Zoodra de scheeps-barbier gevraagd had of de bootsman weer als student zijne wijsheid te luchten hing, vroeg deze hem: "Welnu, "Troost der Armen", zeg jij dan wie Starter was!"

"Misschien wel zoo'n lapzalver als Meester Jonas van de "Nieuwpoort", bootsman!"

"Dacht ik het niet? Neen, man, hij had met je pleisters en zalfjes niemendal uit staan, hoor! Hij was een Friesch dichter, en als ge wilt weten, wat hij van de toeback zegt, zoo luister dan:

"O prijselycke kruyd, in alder wijzen oordeel! Want haere assche zelfs veroorsaekt groote voordeel: De swarte tanden maeckt sij suyver ende wit, Het tand-vleys heel ghesond, en krachtig het ghebit, De scheurbuyk drijftse wegh, en veelderlei ghebreken; Waer vind men sulcken kruyd in Hoven of Aptheeken? Laeckt s' eenige Doctoor, dat doet hij dan ghewis Omdat sij sulcken dief in sijne nering is. 't Gheneest onkostelijck, men hoeft haer niet te halen, Noch Doctoor noch Barbier haer gangen te betalen; Dies segh ick, spijt al die haer werpen op een lack, Daer 's gheen ghesonder kruyd, als d' edele toeback. Komt, helpt mij dan Toeback haer loff en eere geven, Ghij...."

"Och, zwijg toch, man, gij raast wat! Ik zeg je dat de man, die het "toeback-suygen" uitgevonden heeft, verdiend heeft gehangen te worden. Piet Hein, onze beroemde Vlot-voogd, zaliger gedachte, wist wel, wat hij deed, toen hij het rooken of "toeback-drinken" op de vloot verbood. En wat zegt de geleerde Scriverius?

"'t Is meer fenijn Als...."

"Och, houd op met je gezwets, Meester Troost der Armen," riep Henri Quatre. "Scriverius zeide:

Sonticus est morbus...."

"Dat is Latijn, student! Dat mag jij en ik verstaan, maar deze jongelui verstaan het niet, en daarom zeg ik het maar, zooals Samuel Ampzing die gedichten verdietschte:

"'t Is meer fenijn Als medicijn. Toeback is sulcken siekt, die 't lichaam doet verderven En haere medicijn baet weynig tegens 't sterven. Het is meer quaed dan goed. 'k Verlang dan wie hij sij, Die ons van dit vergift en deze pest bevrij."

"Nu, Meester, gij kunt er van zeggen wat gij wilt, maar ik houd vol, dat eene pijp toeback te drinken niet zooveel kwaad kan. Iedereen, Geestelijke en Magistraat, heeft indertijd de toeback den oorlog verklaard, en toch is ze algemeen geworden. Liggen de zolders te Amsterdam, Rotterdam en Dordrecht niet vol met toeback, die uit Amerika aangebracht is? Hebben niet Gelderland, Overijsel en het Sticht groote toebacks-velden? Leven te Nijkerk, Wageningen, Barneveld en Elburg niet honderden ervan? Neen, Meester, de toeback moet niet weg, maar als de joffers eens minder fijne neusjes hadden en manlief toelieten te huis zijn pijpje te smoken, dat zou helpen. Nu mag de man het te huis niet doen en daarom zoekt hij de toebacks-huizen op. Begrepen? Doch nu ga ik ter kooi; ik heb de hondenwacht."[2]

De beide mannen verwijderden zich en lieten Dirk en Garrit, die met nog eenige anderen de eerste wacht hadden, aan hun lot over.

Het was prachtig weer voor een landrat, want al stonden alle zeilen bij, toch vorderde het schip, uit gebrek aan wind, al heel weinig. Zoo iets ziet en ondervindt Janmaat niet graag. Hij heeft het liefst eene stevige bries, die het schip eene goede vaart geeft. Toch teekende de lucht verandering en het volk klaagde dus niet erg. Het wist, dat er des nachts wel wind komen zou.

VOETNOTEN.

[1] Plavuizen zijn roode of grijze baksteenen, die gebruikt worden om een gemetselden vloer te maken.

[2] Aanboord der schepen houdt men aldus wacht. De wacht van 8 uur des avonds tot middernacht heet =eerste wacht=. Dan volgt de =hondenwacht=, die duurt van middernacht tot des morgens 4 uren. -- De wacht van 4 tot 8 uren heet =dagwacht=, die van 8 tot 12 uren =voormiddagwacht=, die van 12 tot 4 uren =namiddagwacht=, en eindelijk, die van 4 tot 8 uren =platvoetwacht=.

TWEEDE HOOFDSTUK.

De ontsnapte galei-boef.

Toen al het volk, dat geene wacht had, naar beneden gegaan was, zochten de wachtmannen onder hunne kennissen hen op met wie ze praten konden. Dirk en Garrit bleven dus ook bij elkander.

"Een vreemde man, die Henri Quatre," zeide Garrit. "Hoe zou hij eigenlijk toch heeten?"

"Ja, op de scheepsrol staat hij ingeschreven als Willem de Stichtenaar, maar ik houd het ervoor, dat hij wel een' anderen naam heeft. Ik geloof dat wij heel voorzichtig met hem moeten zijn, en als ik het ronduit zeggen mag, dan zeg ik, dat ik hem geen ziertje vertrouw".

"Weet je wat Hoepel mij gisteren avond vertelde?"

"Dat Henri Quatre eigenlijk zijn vriend niet is, al speelt hij: aap wat heb je mooie jongen!"

"Dat heeft hij me niet gezegd. Hij zei alleen dat hij familie moet zijn van onzen Gouverneur-Generaal!"

"Van Joan Maetsuycker?"

"Dat is toch vragen naar den bekenden weg? We hebben immers geen' anderen?"

"Maar die is een Amsterdammer van geboorte, en als Henri Quatre nu familie van hem was, dan zou hij op de scheepsrol wel als Willem de Hollander, maar niet als Willem de Stichtenaar geboekt staan! Sssst!"

Dat "sssst" hetwelk Dirk liet hooren, was omdat "IJzeren Neptunes" op hen afkwam.

"Al meer de reis naar de Oost gemaakt, jongens?" vroeg hij.

"Neen, Stuurman! Dit is onze eerste reis!"

"Zoo, dus zooveel als doopgoedje van Neptunus?"

"Doopen ze aanboord van de "Leerdam" ook, Stuurman?"

"Wel jongens, dat verzuimen ze op geen enkel schip! Maar stil, wat is dat daar aan stuurboord?"

Ze keken over de verschansing en zagen daar een heel klein bootje liggen.

"Wie is daar?" vroeg de Stuurman.

"Een ontvluchte galei-boef," antwoordde iemand beneden in zuiver Nederlandsch.

"En wat zoek je hier?"

"Hulp, en gauw ook; want ze zijn me op de hielen!"

"Denk je dat we boeven aanboord nemen?" antwoordde de Stuurman. "Zoek je fortuin maar ergens anders, maat! Wij nemen dat soort van volkje niet op!"

"Geene Nederlanders ook, als ze zonder schuld op de galeien gekomen zijn? Help me, help me! Het is over een paar minuten te laat. Ben ik eenmaal aanboord dan zal ik wel opbiechten hoe ik op de galeien kwam."

"Ik zal het den Kapitein gaan vragen," sprak de Stuurman en beval aan de achterblijvenden, dat niemand den gevluchten boef aanboord halen zou.

Daar hoorde men riemslagen nader komen, en weldra lag er eene gewapende barkas tegen stuurboord.

"Halloh, hoi!" riep een.

"Wat zullen we nu alweer te weten komen?" bromde de Stuurman, die met de boodschap van den Kapitein terugkwam, dat men geene boeven wilde opnemen.

"Er is hier een ontvluchte galei-boef aanboord gekomen," klonk het in de Fransche taal.

"Toegang gevraagd, toegang geweigerd," sprak de Stuurman kortaf en ook in het Fransch.

"We willen onderzoek doen," zeiden de Franschen.

De Kapitein, die er bij gekomen was, beval den valreep neer te laten, en de Franschen op het dek te doen komen. Hij moest die luî wel niet gehoorzamen, maar om alle moeite te voorkomen, stond hij het toe.

Twaalf gewapende zee-soldaten klauterden nu tegen den valreep op en stonden weldra op het dek.

"Wilt ge wachten tot het dag is, of het onderzoek terstond een' aanvang doen nemen?" vroeg de Kapitein.

De Bevelhebber van de Fransche sloep scheen achterdocht te koesteren en zeide, dat hij zeker wist, dat de vluchteling hier aanboord was, want dat het bootje, waarin hij gevlucht was, beneden tegen het schip lag.

"Laat alleman op het dek komen," beval de Kapitein.

De manschap, in den eersten slaap gestoord, was vrij knorrig, en toen men hoorde, wat er aan de hand was, werd men nog meer ontevreden en de Franschen werden met allerlei Hollandsche woorden, die we liever maar niet weergeven, niet weinig verwenscht.

Zoodra allen op het dek waren sprak de Kapitein: "Er moet hier een ontvluchte galei-boef aanboord gekomen zijn. Ik begeer niet met zulk uitschot van eene vracht de reis voort te zetten en beveel dus ieder, die wat van den vluchteling gezien of gehoord heeft, te spreken!"

De mannen stieten in het donker elkander aan, dat zooveel wilde zeggen als: "Weet je er wat van? Zwijgen, hoor!"

Maar niemand had iets van een' galei-boef of dat er op geleek, gezien of gehoord, zoodat men die stille afspraak van zwijgen vrijelijk achterwege had kunnen laten.

Toen er nu geen antwoord op de vraag van den Kapitein gegeven werd, herhaalde deze nog eens dezelfde woorden, doch op zulk een' kalmen toon, dat ieder begreep, dat het hem ernst was.

Natuurlijk gaf weer niemand antwoord.

"Ten derden male," sprak de Kapitein, "herhaal ik mijne vraag: Wie uwer heeft iets van den gevluchten boef gehoord of gezien? Ik eisch een antwoord, ja of neen! en dan voeg ik erbij: wie wat van de zaak weet en het niet vertelt, dien zal ik als rebel behandelen en laten straffen. Je weet dus, wat er op staat. Komaan, spreekt op!"

Weer geen antwoord.

Eindelijk trad Henri Quatre voor het front en zeide op beleefden, doch scherpen toon: "Een woordje, Kapitein!"

De Kapitein had erg het land, dat juist deze man het woord vroeg en zeide daarom zoo kortaf mogelijk: "Spreek, bootsman! Wij zullen hooren, wat je te vertellen hebt."

"Ik wilde u wel vragen wie een Franschman het recht geeft aanboord van een schip der Compagnie te komen?"

Deze vraag werd niet in de Nederlandsche, maar in de Fransche taal gedaan en wel zóó zuiver, dat de Franschen elkander verstomd aankeken, dat zulk een eenvoudig varens-gezel hunne taal zoo goed sprak.

De Kapitein, die met het Fransch zichzelven wel behelpen kon, doch het toch minder goed sprak, werd boos en gaf daardoor in zeer slecht Fransch ten antwoord: "Wie, bootsman? Wie? Dat recht heb ik gegeven, ik, als Kapitein van het schip."

"Ieder moet weten wat hij doet, Kapitein," hervatte de bootsman op denzelfden scherpen toon. "Hadde het van mij afgehangen, dan zoude de Franschman geen' voet op het dek van de "Leerdam" gezet hebben, al waren er honderd gevluchte galei-boeven aanboord!"

"Bootsman, zwijg!"

"U heeft aan ieder van het volk het recht gegeven te spreken, Kapitein, en ik ben niet onbescheiden!"

"Dat zijt gij wel! Gij maakt inbreuk op mijn gezag!"

"Volstrekt niet, Kapitein! Ik heb gezegd, dat ieder weten moet, wat hij doet en wat ik zou doen. Ik wil evenwel nog meer zeggen, en dat is: Zoo ik iets van den vluchteling gezien of gehoord had, ik zou mij liever de heele reis krom in de boeien laten sluiten, dan voor verklikker te spelen ten believe van een' Franschman, die hier niemendal te zeggen heeft. Ik geloof, dat er nog meer zijn, die er zoo over denken!"

"Gij zoudt mij dus willen verbieden den Franschman vrijheid te geven, het heele schip te laten doorzoeken?"

"U heeft te gebieden, Kapitein, en ik heb niets te verbieden. Maar ik meen zoo, dat de Heeren der Compagnie er anders over denken dan u. En al dachten zij ook al zoo, ik verzeker u dat het volk er heel anders over denkt."

"Als gij voor verklikker bij de Heeren wilt spelen, ga je gang! Ik zal mijn gezag handhaven. Het heele schip zal door deze lieden doorzocht worden, en wee den man, die den vluchteling verborgen houdt!"

De matrozen, aangemoedigd door hetgeen de bootsman gezegd had, begonnen te morren en hier en daar hoorde men er een roepen: "We zijn geen dienaars van den Fransoos! Weg met den Fransoos! Wij zullen hem wel van tusschendeks houden! Opdringen, mannen! Wij zijn hier op vrijen bodem!"

"Halt, mannen," riep de bootsman nu in het Nederlandsch. "Dat zou rebellie zijn! Het voegt ons thans den Kapitein te gehoorzamen. Ik geef het voorbeeld! Weest wijs en volgt mij na. Gij trekt aan het kortste eind, als gij anders doet! Late men het schip doorzoeken en gehoorzaamt!"

Hierop nam hij eene brandende lantaarn uit de hand van een' matroos en zich beleefd tot den Franschen Officier wendend, zeide hij in vloeiend Fransch: "Volg mij, Monsieur! Ik zal u overal brengen waar gij zijn wilt."

Na dit gezegd te hebben verdeelden de Franschen zich in troepjes en onder geleide van den Kapitein, de stuurlieden, den bootsman en de konstabels doorzochten ze het heele schip van onder tot boven. Men vond evenwel niemand. Eenigen der rapste Franschen klommen in de masten, onderzochten daar alles nauwkeurig, doch ontdekten daar ook niets, zoodat ze onverrichter zake op het dek kwamen.

Eindelijk waren alle Franschen weer bij elkander.

"Ge ziet het nu duidelijk, Luitenant," zeide de Kapitein in zijn slecht Fransch, "de vluchteling is hier niet."

"Hij moet hier zijn," was het antwoord, "het kan niet anders. En ik blijf hier tot de dag aanbreekt, dan kunnen wij beter zoeken. Intusschen verzoek ik u te zorgen, dat ge niet verder dan Calais gaat, opdat wij, zonder nog eens zulk een' gevaarlijken tocht te maken, veilig met onze boot terug kunnen keeren."

Op deze woorden van den Franschen Officier was de Kapitein vrij besluiteloos omtrent hetgeen hij doen moest. De wind was spoediger aangewakkerd dan men vermoed had, en ook zeer uitmuntend. En om nu ten pleiziere van een' Franschman, die een' vluchteling nazat, de voordeelen van eene voorspoedige reis prijs te geven, dat was toch wat al te veel van zijne toegeeflijkheid gevergd. In allerijl belegde de Kapitein scheepsraad en daarin werd besloten den Franschman niet den zin te geven. Wilde hij den tocht mede maken dan zou men hem en zijne manschappen te Hâvre aan wal laten gaan.

Er zat nu voor den Officier niets anders op dan te kiezen of te deelen, en na eenig nadenken nam hij het aanbod aan mede te gaan naar Hâvre, welke plaats men zoo dicht naderen zou, dat men met de kleine sloep, waarmede men gekomen was, ook zonder gevaar zou kunnen vertrekken.

De Franschen zochten nu een plaatsje boven op het dek, waar ze tegen de kouden voorjaarswind wat beschut waren, en wachtten zoo het aanbreken van den dag af.

Eindelijk kwam deze en kort daarna was al het scheeps-volk weer op het dek of elders in beweging. Op den bepaalden tijd kregen ze hunne portie van gort met spek. De arme Fransche soldaten, die stijf waren van de koude, hadden er natuurlijk niet op gerekend mondkost mede te nemen, zoodat ze met begeerige oogen de bakken met gort, die de manschappen weghaalden, nakeken.

Geen mensch dacht eraan, die arme drommels te laten mede-eten, hoewel er overvloed van spijs was.

Geen mensch? Ei, hoe we ons vergissen!

Zie, daar nadert Henri Quatre met zijne portie gort den Officier, en zegt op beleefde wijze en weer in een Fransch waarop de Kapitein wel twintigmaal jaloersch wilde worden: "Mijnheer de Luitenant, mag ik u de helft van mijn ontbijt aanbieden? Mij dunkt, u zal, na zulk een' kouden nacht, wel wat warms en stevigs kunnen gebruiken."

De Officier keek den bootsman met een paar groote oogen aan, want die gulle goedhartigheid scheen hem toe in strijd te zijn met de woorden, die hij des avonds gesproken had. Het was dus te begrijpen, dat de Officier niet terstond het vriendelijke voorstel aannam, en dat hij zeide: "Maar, mijnheer, hoe kunt gij dat nu meenen? Gij wilt immers niets van de Franschen weten? Gij hebt dat gisteren avond gezegd in een Fransch, dat Koning Lodewijk niet beter spreekt, zoodat wij het allen zeer goed verstaan hebben."

"Luitenant," sprak Henri Quatre, "als gij met een Fransch schip langs de kusten van Holland kruistet en een Fransche vluchteling kwam bij u aanboord, zoudt gij dan Hollandsche soldaten toestaan, dat ze uw schip van onder tot boven doorsnuffelden om dien vluchteling te zoeken?"

De Luitenant bedacht zich even en zeide: "Neen!"

"Ferm zoo, Luitenant," hernam Henri Quatre. "En indien men u het bevel niet gegeven had, den galei-boef na te jagen en aanboord van een schip der Oost-Indische Compagnie te zoeken, zoudt gij het dan uit uzelven gedaan hebben?"

"Neen," was weer het antwoord.

"Heer Luitenant, neem dan de helft van mijn ontbijt. Ik heb het niet tegen u, ik heb het tegen de daad. Eet smakelijk!"

Nauwelijks hadden de matrozen gezien, wat Henri Quatre deed, of allen volgden zijn voorbeeld, zoodat de arme kerels een ontbijt kregen zóó volop, als ze in hun' eigen dienst niet zouden gehad hebben. Ja, toen kort daarop het gewone oorlam[3] onder het volk uitgedeeld werd, kreeg iedere Franschman er ook een, en het bleek duidelijk, dat al die verkleumde mannen hiermede wat in hun' schik waren.

Door die hartelijke behandeling had de Luitenant niet veel lust het onderzoek naar den vluchteling nauwgezet te herhalen, zoodat hij, toen ze op de hoogte van Dieppe waren, maar verzocht hier aan wal te mogen gaan. Ze hadden gezien, dat de vluchteling niet aanboord was.

Het afscheid der Franschen was zeer vriendelijk, en de bootsman kreeg van den Luitenant nog een' handdruk meer dan al de anderen. Zelfs de Kapitein vond dit zeer natuurlijk.

Zoodra de vreemden weer vanboord waren, werd de tocht voortgezet en -- niemand dacht meer aan den ontsnapten galei-boef. Wel vroeg in het eerst de een aan den ander of hij begreep waar die kerel gevlogen was, doch, daar niemand er iets van wist, zweeg men er ten laatste over.

De tocht vorderde buitengewoon goed. Door den wind voortgejaagd vloog het fluitschip, dat, voor een' Oostindie-vaarder altijd, nog al vrij rank gebouwd was, over de golven, doch men hield meer den Engelschen dan den Franschen wal, zoodat men moeielijk zien kon of ze Hâvre al voorbij waren.

Eer de volgende morgen kwam begreep evenwel iedereen, dat men de Fransche kust geheel voorbij was en dat men weldra in den Oceaan zou zijn.

Dirk en Henri Quatre, die de dagwacht hadden, liepen samen op het voorschip diep in hunne kragen gedoken en met de wollen muts over de ooren, heen en weer; want het was vinnig koud en de wind blies stijf uit het noordoost. Nu en dan trokken donkere wolken over, die sneeuw en hagel medebrachten.

"De Maartsche buien komen van het jaar laat aanzetten, bootsman," zeide Dirk. "Hu, hoe koud is het! De wind snijdt iemand door al de kleeren heen."

"Ik zal er den brand nog maar eens injagen," sprak de bootsman. "Misschien dat me het rooken wat helpt!"

Hij stopte nu zijn pijpje en zeide: "Ja, ja, het is toch maar zooals onze goede Vader Cats kortelings schreef:

"Wat magh' er eenig volck speck, vlees of hammen wenschen, Al dat maeckt drabbigh bloet en onvermeuge menschen[4] Voor mij ick weet een spijs die ick al beter hou, Die draegh ick in mijn sack of in mijn wijde mou. Kom, let op mijn bedrijf, 't en zijn geen slechte saken, De koek, dien ick gebruyck, dat sijn mijn eygen kaken; Mijn keuken is een pijp, een doos mijn schapperae,[5] Die draeg ick even staeg waer dat ick henen gae; Een blat is mijn gebraet: van hier, o grage monden! De schoorsteen is mijn neus, is dat niet wel gevonden?"

Terwijl hij dat gedichtje zoo binnensmonds opzegde, had hij de kleine koperen doos waarin zwam was, genomen en met behulp van een stuk staal en een vuursteen, het zwam vonkende gemaakt. De pijp werd nu in dat ronde doosje boven het brandende zwam gehouden en weldra werd het hoofd van den bootsman nu en dan onzichtbaar achter wolken van rook.

Dirk stond den damper met open mond aan te gapen, en juist wilde hij iets zeggen, toen hij naar den boeg wees en riep: "Een hoofd!"

"Wat Zaterdag, wat is dat?" zei de bootsman.

De Eerste Stuurman, die bij het roer stond, wenkte hem en zeide, toen ze bij hem gekomen waren: "Terwijl jelui stondt te praten, heb ik daar een paar keer bij den boegspriet het hoofd van een' man gezien. Gaat eens kijken wie dat is! Als het de gevluchte boef eens ware!"

"Dan zou ik het land hebben, dat hij onder mijne wacht gevonden werd. De Ouwe zal dan nog veel meer gelooven, dat ik er alles van geweten heb."[6]

"Ik ben je getuige, bootsman," zeide de Stuurman. "Gij kunt gerust zijn. De Kapitein zal mij toch wel gelooven, vertrouw ik. Doch ga thans naar den boeg en onderzoek, wat daar is."

De bootsman en Dirk begaven zich nu naar het voorschip en bij den boegspriet gekomen, kwam het hoofd juist weder te voorschijn.

"Drommels, dat is.... dat is...." riep Henri Quatre.

Dirk was hem vooruitgeloopen en vond nu onder den boegspriet, achter het wapen van Leerdam, dat den boeg van het fluitschip versierde, in den zoogenaamden boegsprietsoven[7] een man, die zich daar tusschen gewrongen had, en er allerakeligst uit zag.

"Wie ben je?" vroeg Dirk.

"De ontvluchte galei-boef," klonk het zwakke antwoord. "Och, help mij! Ik heb mij hier tusschen gewrongen en kan nu niet terug of ik val in zee!"

Henri Quatre was nu ook naderbij gekomen.

Hij keek over de verschansing, zag den vluchteling aan en....

"Dolf, jij?" riep hij.

De vluchteling keek Henri Quatre aan en na hem eenige oogenblikken aangestaard te hebben, zeide hij op vragenden toon: "Wat?! Zie ik nog goed? Droom ik niet? Ben je Willem...."

"Halt! Geen woord meer! Ja! Die ben ik! Ik zal u helpen! Hier, Dirk, houd dat touw aan dezen kant."

Dirk greep een touw, sloeg dat om de beenen van den man en met behulp van Henri Quatre's sterke armen, haalde men den armen kerel, die daar twee dagen verborgen had gezeten zonder iets te eten of te drinken, op het dek.

"Hij is dood," zeide Dirk.

"Nog niet! Blijf bij hem, ik zal wat halen," zeide de bootsman en verwijderde zich schielijk.

Gaandeweg kwam de een na de ander bij den vluchteling, die nu, zonder teekenen van leven te geven, daar op het dek lag. Ook de scheepsbarbier kwam er bij en deze begon al dadelijk met te zeggen: "Ik zal hem pleisters met troost der armen op de kuiten en in den nek leggen."

Ook de Kapitein kwam en vroeg, wat er gaande was.

"De Fransche vluchteling, Kapitein!" gaf Dirk ten antwoord. "Wij hebben hem uit den boegsprietsoven gehaald."

Juist wilde de Kapitein er het zijne van zeggen toen de bootsman aankwam met een klein fleschje echten, Franschen en onvervalschten brandewijn. Hij liet hiervan eenige druppels tusschen de half geopende lippen van den man vallen en zag toen bedaard welk eene uitwerking dit had.

De arme man scheen uit zijne bedwelming, waarin honger en koude hem gebracht hadden, te ontwaken, en de oogen openend, sloeg hij ze vol dankbaarheid op den man, die hem nog juist bijtijds uit zijn' gevaarlijken toestand verlost had.