Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes

Part 17

Chapter 172,585 wordsPublic domain

Zoo ging de middag voorbij en reeds wilde Dirk zich tot zijn' Vader begeven om dezen opheldering te vragen, toen de Stuurman van de "Alblas" met de boodschap kwam, dat Kapitein Londenaar, Dirk, Garrit en Meester Pruymius uitnoodigde bij hem aanboord te komen; want hij had bezoek gekregen. Kapitein Dirksz. van de "Beverwijck" had hij ook moeten uitnoodigen.

"Bezoek bij IJzeren Neptunus? Wie zou daar gekomen zijn?" vroeg Dirk. "Wij kennen hier immers zoogoed als niemand?"

"Joffer Cos, broertje," spotte Garrit.

"Ho, ho, geene Joffer Cos meer, maar wel Mevrouw Maetsuycker! Eere wie eere toekomt! Joffer Poes heeft het ver gebracht," zeide Meester Pruymius lachend. "Maar van dat bezoek gesproken, zou het Admiraal Truytman niet zijn, of Henri Quatre of zijn vriend Dolf de Boef? Ze leven, meen ik, nog alle drie!"

"Ja, en die Henri Quatre moet bij den Gouverneur-Generaal een wit voetje hebben, zegt men. Nu, hij verdient het ook; want hij is een kerel van stavast," zeide Garrit.

"Laten we maar niet langer raden en nu naar de "Alblas" gaan. Als we daar zijn, zullen we het weten," sprak Dirk en stapte, gevolgd door zijn' broeder en den scheepsbarbier, in de boot.

Ze werden door IJzeren Neptunus hartelijk ontvangen. Nog altijd was deze even stevig en sterk, en als zijne haren niet wat grijs geworden waren, dan zou men zoo gedacht hebben, dat die man niet veranderde. Naast Kapitein Londenaar stond een man, wiens bruin gelaat verscheidene litteekenen droeg. Hoofdhaar, baard en knevel waren ook niet zwart meer, doch, zooals men dat wel eens noemt "peper en zout." Zijne donkere, zwarte oogen alleen toonden, dat hij niet zoo oud was, als hij wel geleek. Verder droeg hij den linkerarm in een' draagband, en als hij iets vooruit trad, zag men dat hij hinkte. Achter dien man stond een ander man, ook al niet jong meer en zijn gelaat was nog meer dan dat van den anderen, doorploegd met litteekenen. Maar ook zijne oogen toonden, dat er jongelingsvuur in dat lichaam woonde.

Juist toen Dirk, Garrit en Meester Pruymius door Kapitein Londenaar begroet waren, trad Kapitein Dirksz. ook op het dek, en na de begroeting vroeg deze: "En hebt ge zoo gasten gekregen?"

"Ja, deze twee," zeide Kapitein Londenaar met een lachje.

"Niet de eer de Heeren te kennen," sprak Dirksz.

De twee gasten lachten en....

"Ik laat me in een vol vat borreborrie kuipen, als dat Henri Quatre niet is," riep Meester Pruymius, en den ander aanziend, zeî hij: "En dat is Dolf! Geraden, nietwaar? Wel, wel, hoe veranderd! Bruin als roet en gekorven als een droge schol! Hoe maak je het? Goed, ja?"

"Goed, goed, Meester!" riepen Henri Quatre en Dolf tegelijk; want zij waren het. "Goed, goed! Alleen wat stram, mank en -- nu ja, de ouderdom komt met gebreken! Kent ge ons nu, profeet?"

Deze laatste vraag werd gedaan aan Kapitein Dirksz., en deze, van zijne vroegere profetie op het oogenblik zich niets meer herinnerend, vroeg vroolijk lachend: "Profeet!? Profeet!? Ik een profeet? Ik begrijp er niets van! Waarom ben ik zulk een voornaam man?"

"Ja, ja," hernam Dolf. "Weet ge niet meer, dat ge op ons afscheids- en welkomstmaal geprofeteerd hebt in de Makassaarsche zaken? Is je geheugen zoo kort?"

"Ja, ja, en?"

"Letterlijk uitgekomen, Dirksz.! Letterlijk! Wij komen met de vloot zoo terug; maar ditmaal hadden we een' Speelman aanboord, die den Makassaren een deuntje voorgespeeld heeft, waarbij ze zich doodgedanst hebben! Nu zijn hunne sprongen voor goed uit! Wij hebben uw' raad gevolgd en vreeselijk huis gehouden. Er is bijna geen steen op den anderen gebleven. De rijstvelden zijn verwoest, de bosschen verbrand, de schepen in den grond gehakt, de paleizen vernield, de woningen omvergehaald, de inwoners doodgeschoten of door het zwaard en den honger terdood gebracht. Wij hebben vreeselijk huis gehouden, en thans zullen ze wel voor goed hunne streken afgeleerd hebben!"

"Hoor eens, goede vriend," dus sprak nu Kapitein Londenaar, "wij hebben indertijd op onze manier daar ook zoo goed huis gehouden, en wij allen zijn er zoo goed bekend, dat ik u voorstel in mijne kajuit een glas wijn te drinken en eene pijp tabak te rooken. In dien tijd kunnen we nog een en ander van de geschiedenis te weten komen."

"Tabak, echte tabak en eene Hollandsche pijp, Kapitein, ik ben je man! De tabak hier smaakt mij niet. Maar als ik vragen mag, wie zijn deze twee?" vroeg Henri Quatre.

Dit zeggende wees hij op Dirk en Garrit.

Dirk trad vooruit en zei: "Henri Quatre, deze zijn de "Twee Vromen". Ik ben Dirk, Kapitein op "De Haey" en dit is mijn broêr Garrit, die mijn Eerste Stuurman is. Er zit een hard vel voor ons voorhoofd en we hebben moeielijk geleerd, maar we hebben volgehouden en -- de aanhouder wint. Het geluk is ons, nadat we Vader teruggevonden hebben, als het ware op den voet gevolgd."

Henri Quatre en Dolf drukten de twee jonge mannen hartelijk de hand en spoedig zat nu het gezelschap in de kajuit van Kapitein Londenaar onder het genot van een goed glas wijn en eene pijp echte Westindische tabak.

Nadat men op elkanders gezondheid gedronken had, zeide Kapitein Londenaar: "Maar zeg mij nu eens, hoe zijn daar in Makassar de poppen weer aan het dansen gegaan?"

"Dat is gauw gezegd, goede vriend," sprak nu Dolf. "Nauwelijks waren in '60 de Afgezanten van den Makassaarschen Koning uit Batavia vertrokken, of wij kregen bericht, dat de zeerooverijen der Makassaren alvast niet geëindigd waren. De Koning evenwel verontschuldigde zich steeds met te zeggen, dat het buiten zijn weten geschied was, en hij beloofde altijd die roovers te zullen straffen. Van dat straffen werd evenwel nooit veel vernomen, doch zoolang er geene grootere vijandelijkheden gepleegd werden, besloot men wat door de vingers te zien. In '65 evenwel zond de Koning van Makassar tienduizend man naar het eiland Boeton, ten Zuidoosten van Celebes gelegen, om daar de Hollanders te verdrijven. Inmiddels leden op zijne kusten de Compagnie-schepen de "Walvisch" en de "Leeuwin" schipbreuk. Inplaats van de bemanning te helpen, plunderden de Makassaren beide schepen en mishandelden zij het Nederlandsche volk. Zoodra men dat te Batavia vernam, besloot de Gouverneur-Generaal aan dit alles voor goed een einde te maken, en zond Cornelis Speelman, Gouverneur van de kust van Koromandel, eene boodschap, onverwijld naar Batavia te komen. Maar eer deze er nog was, kwam het Hollandsche Opperhoofd van het kantoor van Makassar aan, en vertelde dat een der Rijksgrooten van den Koning hem een' slag in het aangezicht gegeven had, omdat hij den Koning eenige verwijten had durven doen omtrent het plunderen der schepen. Dat Hollandsche Opperhoofd bracht evenwel goede hulp mede, en deze bestond uit een' Makassaarschen Prins met een klein gevolg. Het was Radja Palakka, die in vijandschap leefde met den Koning van Makassar, omdat deze Palakka's Grootvader en Vader had laten terdood brengen. Deze wraakzuchtige, jonge Vorst werd terstond door den Gouverneur-Generaal in den armen genomen en toen Speelman eindelijk ook te Batavia verscheen en zich liet overhalen om Bevelhebber te worden van de vloot, die Makassar tuchtigen zou, was deze met Radja Palakka's hulp zeer ingenomen, en hij beloofde er zich zeer veel goeds van."

"En zeker wel weer verkeerd uitgekomen?" vroeg Kapitein Dirksz. "Geen enkele Makassaar is te vertrouwen."

"Tot heden nog niet," antwoordde Henri Quatre. "Hij heeft ons trouw geholpen, dat moet gezegd worden. En het was noodig ook; want die Makassaren mogen trouweloos zijn, buitengewoon dapper zijn ze ook, en de kunst van op onze wijze oorlog te voeren, hebben ze goed afgekeken."

"En gij beiden hebt zeker den heelen tocht medegemaakt?" vroeg Meester Pruymius. "Ten minste, dat zou ik zoo aan de vele litteekenen en aan uwe vergrijsde haren zeggen!"

"Van het begin tot het einde, Meester! En vier zulke levensjaren tellen er wel voor twaalf, dat kan ik u verzekeren," zeide Dolf. "Tot driemalen toe zijn we in handen van den vijand gevallen, doch telkens den dans ontsnapt, hoewel niet zonder kleerscheuren, dat ziet ge wel aan onze aangezichten. Bij de laatste bestorming van het Koninklijke paleis, dat we voor een deel in de lucht hadden laten springen, kreeg mijn vriend een' stam van een' klapperboom op den linkerarm, die ...."

"Zeker nog niet genezen is, omdat gij geen troost der armen hadt," riep Meester Pruymius.

"Een gebroken arm zet men, maar geneest men toch niet met zalf, Meester," zeide Henri Quatre lachend. "Intusschen die laatste bestorming heeft de deur toe gedaan en nu zijn we hier met zulk een aanzienlijk Gezantschap, als wellicht nog nimmer binnen Batavia geweest is."

"En zult ge nog niet welhaast naar Nederland terugkeeren?" vroeg Garrit, die trouw geluisterd had.

"Dolf en ik hebben plan om den dienst der Compagnie te verlaten en ons te Amsterdam te vestigen. Wij hebben genoeg buit behaald en loon bespaard om nog eenige jaren in rust te kunnen leven," sprak Henri Quatre.

"Nu, die rust hebt gijlieden wel verdiend," meende Kapitein Londenaar. "Wie had ooit iets van deze ontmoeting kunnen droomen?"

Henri Quatre stond thans van zijne plaats op en sprak: "Wij, Kapitein, wij? Als ge met wij bedoelt iedereen, van Admiraal Speelman af tot den minsten kajuitsjongen, dan heeft u gelijk. Wij allen hebben ons meer dan wakker geweerd. En waar men in Holland de kooplieden ziet leven, als Koningen en Prinsen, daar zal men wél doen ook eens te denken aan hen, die het goud uit het Oosten in de schatkisten der Westerlingen doen rollen tot ze overloopen, maar dat doen ten koste van hunne beste lichaamskrachten, ten koste van hunne gezondheid, ja, vaak ten koste van hun leven. En vraagt ge wie dezen zijn, dan noem ik maar één naam, en met dien naam bedoel ik allen, die hier de Compagnie dienen. Het is Janmaat! Vrienden, dit volle glas geledigd op den roem van Nederland, op den trouwhartigen, eerlijken, ruwen en dapperen Janmaat!"

"Leve Janmaat op alle zeeën!" riep Meester Pruymius.

"Leve Janmaat in de Oost!" riep Dirk.

"Maar zijn er dan weer Afgezanten met de vloot mede gekomen?" vroeg IJzeren Neptunus toen men weer na al dat gejuich tot kalmte gekomen was.

"Of er Afgezanten mede gekomen zijn!?" riep Henri Quatre. "Wel, man, heel Batavia is vol Makassaren. Alleen de Koningen van Tello en van Linques met hunne vrouwen en hun gevolg tellen meer dan vierdehalf honderd personen. Die Heeren Bondgenooten van den Koning van Makassar betalen hunne hulp met eene dure vernedering."

"Voor bijna vierhonderd menschen is in Batavia toch wel plaats, meen ik," zeide Meester Pruymius.

"Zeker, maar bij die vierhonderd blijft het niet," nam Dolf nu het woord. "Behalve die twee Koningen heeft men nog den zoon van den Koning en nog zes andere Rijksgrooten te zamen met een gevolg van meer dan vijfhonderd man."

"Heel Makassar is leeggeloopen, geloof ik," zeide Dirk.

"En dan zijn we er nog niet," sprak Henri Quatre. "Nog vele andere Rijksgrooten zijn er ook bij, onder anderen Radja Palakka, die ons zoo goed geholpen heeft, met heel zijn aanhang. Hij is eigenlijk de held van den dag, en zijne hulp zal vorstelijk beloond worden."

"Ik zal me nu maar aan geene tweede voorspelling wagen," zeide Kapitein Dirksz. "anders lacht men mij weer uit."

"Ge moogt het anders gerust doen," sprak Henri Quatre. "Kom voor den dag met uwe profetie!"

"Welnu dan," hernam Dirksz. "Ik voorzie, dat men dien man te veel eer bewijst. Hij moge ons goed geholpen hebben, dat bracht zijn belang mede, maar voor het overige is en blijft hij een Makassaar en is niet verder te vertrouwen dan zijn neus lang is! Wat zegt gij ervan, Kapitein Londenaar?"

"Och, ik weet het niet; maar mij komt het zoo voor dat de Compagnie wel wat te veel hooi op hare vork neemt. Hoe zullen we, als de zaken eens gaan tegenslaan, al die volken en landen in bedwang houden?"

"Ja, man, daarover heb ik ook wel eens gedacht," zeide Henri Quatre. "Maar ik houd het ervoor, dat de Compagnie nu en dan wel tegen haar' zin zich zoo uitbreidt, en dat zij gedwongen wordt haar' gebied telkens te vergrooten, wil ze behouden, wat ze heeft. Maar ik heb geene vrees, dat wij hare dagen van tegenspoed zullen beleven. De Compagnie is nog in al hare kracht, en de oorlogen, die men telkens in Europa te voeren heeft tegen de Engelschen, maken dat ze daar ginder in het Vaderland wakker blijven, en wie wakker is, kijkt naar alle kanten uit. De kwaadste tijd zal eerst aankomen, als de Geüniëerde Provinciën vrede in Europa hebben."

"Me dunkt, dat we nu nog wel eens over wat anders praten konden, dan over hetgeen eenmaal zal kunnen gebeuren," zeide Dolf. "Vertelt ons liever eens een en ander van hetgeen in Europa gebeurd is, bijvoorbeeld van Meester Jan, Bestevaêr Michiel en Chattam. Wij weten wel wat, maar lang niet alles."

Aan dat verlangen werd door de anderen graag voldaan en toen eindelijk ieder voor het vallen van het avondschot weer naar zijn schip terugkeerde, deed hij dat, na Kapitein Londenaar betuigd te hebben, dat hij een' vroolijken avond doorgebracht had.

En na nog, als terloops, gezegd te hebben, dat er van de voorspellingen van Kapitein Dirksz., IJzeren Neptunus en Henri Quatre, ongelukkig genoeg, veel bewaarheid werd, sluiten wij ook ons verhaal, dat, zoo ik vertrouw, mijne lezers wel eens zal hebben doen denken aan Atjeh. Mochten ze ook nu maar evenzeer overtuigd zijn, dat de mannen, die daar strijden ter zee en te land, nog even kranige en flinke kerels zijn, als zij, die van 1660 tot '69 den trouweloozen, maar dapperen Makassaar zoodanig de les lazen. -- Maar mocht het vooral niet waar zijn, wat eens een onzer dichters, A. J. De Bull, zong van een afgeleefd matroos aan den IJkant te Amsterdam:

"Ieder muisjen heeft zijn gaatjen -- Maar wat heeft een oud matroos?"

* * * * *

OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER.

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.

Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd.

Variaties in spelling (met of zonder accent, met of zonder koppelteken, met of zonder extra spatie) zijn behouden.

Ontbrekende aanhalingstekens zijn toegevoegd, tenzij het onduidelijk is waar het aanhalingsteken moet komen.

De voetnoten zijn verplaatst naar het einde van het hoofdstuk, om de tekst zo weinig mogelijk te breken.

CORRECTIES.

aanhalingsteken toegevoegd of verwijderd komma verwijderd puntkomma verwijderd (babi[;] = spek of varken) 'als er' verwijderd (zijne Officieren en [als er] passagiers) 'er' verwijderd (alsof hunne Grootmoeders er kousen [er] in zaten te) 'niet' toegevoegd (of hij zong niet mede.) 'en' toegevoegd (leikleurige mannen en vrouwen aan den wal)

Fransch-sche => Fransche (Holland kruistet en een Fransche) . => , (van het jaar laat aanzetten,) boogspriet => boegspriet (van den boegspriet steunen.) bechaving => beschaving (een voorbeeld van beschaving) proesten => proestten (Wij proestten van het lachen) plastte => plaste (De regen plaste neer) Schenkt => Schenckt (Schenckt! Drinckt!) Kapiten => Kapitein (want de Kapitein staat hoog) ' => " (hij is een groot man!") bootman => bootsman (U is bootsman Willem van Aspervelde?) Bootman => Bootsman (Bootsman, schiet een musket) ergers => ergens (En waar ergens woont) zon => zou (dat hij aanboord zou zijn,) als => al (Zijt ge dan al eens met die luiden) lachtten => lachten (Garrit en Dirk lachten) , => . (allen zoo rustig bij elkander zijn.) Sint.-Jan => Sint-Jan (het feest van Sint-Jan viert) . => , (Truytman, "dat hangt alleen) vrienschappelijk => vriendschappelijk (zoo vriendschappelijk omgaat) Dircksz. => Dirksz. (Laat Cornelis Dirksz. nu) Dircksz. => Dirksz. (Kapitein Dirksz. van de "Beverwijck") Qaatre => Quatre (riep Henri Quatre) haar, => haar' (zij gedwongen wordt haar' gebied) Dirksz => Dirksz. (voorspellingen van Kapitein Dirksz.,)