Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes
Part 16
Natuurlijk zijn wij, die met den goedigen Meester ook aan wal gingen wel wat nieuwsgierig om te weten, wat hem bewoog terug te keeren. Daarom verlaten we ook de "Koning van Polen" en spoeden ons om Meester Pruymius in te halen. Onze beenen zijn nog heel wat jonger dan de zijne, zoodat hij ons wel niet uit het gezicht loopen zal. Zie, daar is hij al. Hij staat bij het wachthuis aan de poort van het fort en wij zijn er ook.
"Alweer terug, Meester?" vroeg de Vaandrig.
"Ja, dat ziet ge. Zijn die bedelaars daar nog binnen?"
"Bedelaars? Ik weet van geene bedelaars!"
"Dat slecht gekleede magere volk van daar straks!"
"O, meen je dat? Dat waren de Stuurman en de matrozen van het Hollandsche schip, dat hier eenige jaren geleden gestrand en geplunderd is! De Koning van Makassar heeft die lieden moeten uitleveren. Maar wat zien ze er uit! De zielen hebben wat geleden, hoor!"
"Ja, ja, dat zal wel! En zijn ze nog binnen?"
"Ja! De Admiraal en eenige Kapiteins willen zeker hunne lotgevallen vernemen. Stil, daar komen ze!"
De Bevelhebber, gevolgd door de meeste Kapiteins, trad nu buiten het wachthuis en ging de vesting van binnen met al hare versterkingen en voorraad-magazijnen in oogenschouw nemen.
"Mag ik binnengaan?" vroeg Meester Pruymius aan den Vaandrig. "Ik zou die arme slokkerds wel eens willen zien."
De Vaandrig knikte toestemmend en zei: "Uwe medicamenten hebben ze vooreerst niet noodig, Meester! Ze zijn nu bezig den inwendigen mensch te versterken met pekelvleesch en beschuit, en dat schijnt hun goed te smaken ook, want ze rammelden van den honger."
Meester Pruymius hoorde die laatste woorden niet eens en trad in het groote vertrek, waar acht mannen bezig waren met flink toe te tasten. Hij keek hen eens aan, en eindelijk zijn' man gevonden hebbende, trad hij op hem toe, klopte hem op den schouder en vroeg botweg: "Wel, Cornelis Dirksz., smaakt het, ouwentje? Mij dunkt zoo dat je dit in langen tijd niet gehad hebt."
"Ja, ja, best," antwoordde de gevraagde met vollen mond. "Best, Sinjeur!" -- Hij deed een' slok en nog een'. Toen was de mond ledig. -- "Maar mag ik weten wie u is?"
"Jij bent dus Cornelis Dirksz.? Is dat zoo?"
"Ja, ja, die ben ik! Maar ik ken u niet!"
"Ja man, dan staan we al even na. Ik ken u ook niet," sprak Meester Pruymius verward.
"Och, Stuurman, laat die man u niet van het maal houden! Tast toe!" zeide thans een der etende en smullende matrozen en schoof Cornelis Dirksz. een' schotel met vleesch toe. "Je weet, als het schaapje blaat verliest het zijn beetje."
"Goed! Eet man, eet je genoegen! En als je den buik vol hebt, moet ik u een en ander vertellen," sprak Meester Pruymius en ging toen, van pret in de handen wrijvend, het vertrek eenige keeren op en neer.
"Tot uw' dienst, Sinjeur," sprak na een poosje de man, die werkelijk Cornelis Dirksz. heette en die Stuurman bleek te zijn.
"Ik ken u niet, maar ik ken uwe jongens! Ik ken Garrit! En, al zie je er ook erg lijdend en vermagerd uit, toch lijkt je sprekend op dien jongen," zeide Meester Pruymius.
"Garrit!" riep de man en greep de handen van den Dokter. "Garrit? Kent u hem? Hij moet al een heele kerel wezen. En Dirk ook al. Kent u Dirk ook? En mijne vrouw?"
"Uwe vrouw heb ik nooit gekend, goede vriend! Wie weet of de ziel al niet lang en breed dood is, ik geloof het haast. En Garrit, ja, een heele kerel! Hij is zeventien! Dirk is achttien. Ze dienen bij ons op het schip en omdat ze altijd zoo ingetogen en stil zijn, worden ze door het volk de "Twee Vromen" genoemd. Maar nu ik mij wel herinner, de jongens hebben me gezegd dat ze weezen waren, zoodat uwe vrouw stellig dood is."
Dat alles was er uit eer Meester Pruymius er aan dacht, dat hij toch dom deed, dat alles zoo opeens te vertellen. Die man had zooveel geleden en zou dus misschien niet sterk genoeg zijn, om....
Daar ging hij al.
Gelukkig had Meester Pruymius het zien aankomen, en eer de man voorover sloeg, had hij hem in de armen opgevangen en droeg hem naar eene bank. Uit eene groote doos, die hij altijd bij zich droeg, haalde hij nu een fleschje, waarin een scherp riekend vocht was. Hij hield hem dat onder den neus en -- de man kwam weer bij. Uit een ander fleschje, dat veel grooter was, en dat gevuld was met arak, liet hij hem nu een' teug drinken.[35]
"Men sterft niet van blijdschap, Stuurman," zeide nu Meester Pruymius. "Luister, wat ik u te vertellen heb."
De twee mannen zett'en zich nu buiten het gebouw op eene bank neder en daar deelde de vriendelijke Dokter hem alles mede. Hij verzweeg ook niet, dat Dirk in het laatste gevecht gewond was geworden. En juist toen hij alles verteld had, kwam Kapitein Londenaar met Admiraal Truytman aan. Meester Pruymius ging naar die twee toe en zeide op beleefden toon, wat er gebeurd was en wien hij gevonden had.
"Weet je wat, Kapitein," zeide de Admiraal. "Bij u aanboord zijn in het gevecht nog al dooden gevallen. Neem gij den Stuurman mede, dan is de Vader bij zijne zoons!"
"Ik heb geene Stuurlieden noodig, Admiraal!"
"Vanmiddag nog niet; vanavond wel. Uw Stuurman Adolf van Backerswerve zal, met Willem van Aspervelde als Kapitein, "de Hollandsche Remedie" naar Batavia brengen!"
"Mijne beste mannen," riep Kapitein Londenaar.
"Heer Johan van Dam wil het zoo," zeide Truytman en hierop klonk het nog half fluisterend: "Een soort van wraak, Kapitein! "De Hollandsche Remedie" zal Joffer Cos overbrengen. Laat Cornelis Dirksz. nu uw Eerste Stuurman zijn en de oudste zijner zoons de tweede. Ik stel beiden aan en maak zooveel goed als ik kan."
Cornelis Dirksz., die alles, behalve het gefluister, verstaan had, kwam nu nader en zeide: "Admiraal, mijn innigen dank daarvoor! Kapitein, ik beloof u een goed Stuurman te zullen zijn, al ben ik het ook bij ongeluk geworden."
"Ga dan maar gauw mede aanboord," zeide IJzeren Neptunus, "dan kunnen Henri Quatre en Dolf de Boef nog aan een vreugdemaal deelnemen!"
Na afscheid van den Admiraal genomen te hebben wilde Kapitein Londenaar heengaan; maar zijn nieuwe Stuurman hield hem staande en zeide: "Ik moet mijn volk nog goeden dag zeggen en hun alles mededeelen. Ik mag immers wel? We hebben samen zooveel geleden en we deelden zoo hartelijk in elkanders lot!"
"Zeker moogt ge! En zoo is het beter ook. Meester Pruymius en ik gaan vooruit om uwe jongens op het heugelijke nieuws voor te bereiden. Over een half uur laat ik u halen. Tot straks!"
Zoodra Kapitein Londenaar op het dek van de "Koning van Polen" stond, kwam Henri Quatre op hem af en zeide: "Hier is een brief voor u van den Heer Johan van Dam. Ik-zelf heb er ook een ontvangen en Dolf ook een. En zonder dien van u gelezen te hebben, kunnen we haast raden wat de Heer van Dam u meldt. Wij gaan u verlaten, Kapitein! Dat doet ons beiden zeer veel leed; want wij konden het zoo goed met u vinden."
"Dat gij mij verlaten zoudt, wist ik reeds van Admiraal Truytman, doch dat de Heer van Dam u reeds kennis van uwe bevordering gegeven had, kon ik niet vermoeden. Intusschen wensch ik u en Dolf van harte met de benoeming geluk. Wij hebben eene gelukkige reize gemaakt. En zeker weet gij al, dat ge aanboord van "de Hollandsche Remedie" een passagier zult hebben?"
"Neen," riep Dolf. "Hiervan weten wij niets. Een der Afgezanten van den Koning van Makassar soms?"
"Die reizen op eigen gelegenheid met hunne eigen vaartuigen naar Batavia. Tenminste, als het er van komt; want we zijn nog zoo verre niet. De Makassaren zoeken telkens uitvluchten. Neen, Joffer Cos komt bij u aanboord en vanavond nog zult ge met haar vertrekken. Als er nu maar katten zijn op "de Hollandsche Remedie" of geene ratten!"
Daar stond wat van in toen de twee vrienden hoorden welk een gezelschap ze kregen. In het eerst waren ze zelfs instaat om voor de aangeboden betrekkingen te bedanken, doch Kapitein Londenaar beduidde hun' dat ze wel dwaas zouden zijn, terwille van die lastige dame, hun geluk met voeten te treden. De overtocht was immers in eenige dagen volbracht? Weigerden ze het te doen, dan konden ze er ook wel op rekenen, dat ze nimmer bevorderd werden.
"Ondertusschen," zeide de Kapitein, "zou ik nog vergeten u te zeggen, dat ik al een' Eersten en een' Tweeden Stuurman heb. Dat is heel gauw in zijn werk gegaan, he?"
Toen de beide vrienden, op het vernemen van dit bericht, ongeloovig met het hoofd schudd'en en bijna gelijktijdig: "Och, kom!" riepen, vertelde Kapitein Londenaar hun zijne ontmoeting aan den wal, en eindigde met te zeggen: "Haalt gij beiden hem nu af en -- laat Garrit ook mee gaan. Meester Pruymius is op het oogenblik bezig om Dirk op het aangename bericht voor te bereiden."
Een half uurtje later roeiden eenige mannen, waarbij ook Garrit, met de groote boot naar den wal om den nieuwen Stuurman aanboord te brengen. Garrit wist niet beter dan dat ze aan den wal een' Eersten Stuurman gingen halen, en het volk, dat ook niet wist, wie die nieuwe Eerste Stuurman was, toonde zich met dien ruil in het geheel niet ingenomen, want Henri Quatre en Dolf hadden zich bij het volk zeer bemind weten te maken. Garrit zeide, dat hij, als Kapitein Londenaar en Meester Pruymius er niet waren, met zijn' broer zou willen wegloopen.
"Ik wed om een' zilveren duit, dat Garrit en zijn broer de eersten zullen zijn om blijde te wezen, dat ze een' nieuwen Eersten Stuurman krijgen in den persoon, die daar aan den wal staat," zeide Meester Pruymius en wees naar een' man die blijkbaar op eene boot stond te wachten, en zag dat de boot, die naderde die was, welke hem kwam afhalen. Meester Pruymius was ver genoeg te herkennen.
De matrozen keken in de aangewezen richting en zoodra Garrit dat ook gedaan had, riep hij: "Dat is een halve Makassaar, een kwart Portugees en een kwart Hollander! Een mooie jongen, ja! Moet hij bij ons aanboord Eerste Stuurman worden? Ha! Ha!"
Zoo snappend over den "mooien jongen" roeiden de matrozen voort en hadden den wachtenden man weldra in hunne boot opgenomen. Van den vrijen tijd, dien men hem gelaten had, had hij niet alleen gebruik gemaakt om van zijne manschappen afscheid te nemen, maar ook om voor het geld, dat Admiraal Truytman hem en de andere mannen gegeven had, zich eens flink te reinigen, en inplaats van zijn bedelaars-pak andere kleederen te koopen. Hierop was evenwel eene zware wijs gegaan; want er waren in Makassar geene winkels waar men kleederen voor een' Hollandschen zeeman koopen kon. Na lang zoeken was het hem eindelijk gelukt bij een' Chinees het pak te koopen, dat hij aan had.
Op weg naar het schip had Henri Quatre den nieuwen Stuurman vlak naast Garrit gezet en daar deze hierover een weinig geraakt was, trok hij, om zijne boosheid te verzetten, aan zijn' riem, alsof hij alleen de boot moest roeien.
"Daar zit kracht in je handen, jonge maat," zeide Stuurman Dirksz., den knaap met welgevallen aanziende, doch niet vermoedende dat die jonge matroos zijn zoon was.
"Doet me pleizier, Stuurman," antwoordde Garrit korzelig en trok toen nog veel sterker.
"Zeker al lang gevaren, al ben je nog jong!"
"Vijf jaar gevaren," antwoordde Garrit nog nijdiger.
"We zijn er!" klonk op dit oogenblik Henri Quatre's stem. De boot legde bij den valreep aan. Meester Pruymius repte zich om het eerst op het dek te zijn en daarna volgden de anderen.
"Welkom, Stuurman, op het dek van de "Koning van Polen"," zeide Kapitein Londenaar. "Ik vertrouw, dat...."
"Vader! Vader! Waar is Vader?" schreeuwde opeens Dirk, die naar boven kwam loopen, tegengehouden door Meester Pruymius, die niets deed dan roepen: "Jongen, je hoofd! Denk aan je hoofd!"
"Waar is Vader? Waar is Vader?" schreeuwde Dirk maar steeds voort.
"Hier, jongen, hier!" riep Stuurman Dirksz. en snelde zijn' zoon te gemoet. "Wie ben je?"
"Vader! Vader! Goede Vader! Ik ben Dirk! Hier, hier ben ik, ik, ik ...." snikte Dirk en sloeg zijne armen om den hals van den mageren, bruinen Stuurman.
"Wat is -- wat is dat toch -- dat toch?" vroeg Garrit, geweldig bevend en opgewonden.
"Dat is uw Vader, Garrit," zeide Londenaar.
"Hier is Garrit! Hier, hier, hier is Garrit, hier, hier!" schreeuwde nu de knaap en viel op zijne beurt ook zijn' Vader om den hals.
Het was een treffend gezicht, die drie mannen daar in ééne omarming te zien staan en toen Meester Pruymius dat ook zag, schoot zijn gemoed vol en met bevende stem begon hij te zingen:
"Dancket Godt nu opentlick, Hy is doch seer vriendelick; Want Syn groote goedigheyt, Geduert inder eeuwigheyt."
En weer zou hij, die geloofd had, dat Janmaat alleen maar een ruwe, onbehouwen kerel is, uitgeroepen hebben, als hij dat heerlijk tooneel had mogen aanschouwen en dat gezang hooren: "Daar zit veel mensch onder dat ruwe kleed."
Een uur later zat de Kapitein met zijne gasten aan den disch en toen het maal afgeloopen was, vertelde de nieuwe Stuurman zijne lotgevallen, die in het kort hierop neerkwamen:
Hij was indertijd schoenlapper te Haarlem en leefde met vrouw en kinderen zeer gelukkig. Maar veertien jaren geleden was hij op een' avond naar eene herberg medegetroond, waar wervers van de Compagnie hem dronken hadden gemaakt en in zijne dronkenschap dienst hadden laten nemen, als soldaat naar de Oost. Nog dien eigen avond had men hem te Amsterdam scheep gebracht en een paar dagen later was hij reeds vertrokken. Uit Amsterdam had hij nog gelegenheid gehad zijne vrouw eene boodschap te sturen, dat men hem dronken had gemaakt en dat hij nu naar de Oost moest. Dat woord =dronken= had Dirk verstaan en er =verdronken= van gemaakt. In de Oost gekomen leerde men hem weldra, als een goed matroos kennen, zoodat hij gebruikt werd om op de landsschepen dienst te doen, en hij het eindelijk zoover bracht, dat men hem tot Stuurman aanstelde op het jacht "De goede Harder". Op dit jacht deed hij verscheidene tochten en daardoor leerde hij de Indische wateren uitmuntend kennen, zoodat men hem bijna altijd in dienst had. Hierdoor kwam het, dat hij maar zelden met matrozen of ander scheepsvolk kon spreken, die weer naar het Vaderland terugkeerden. Tweemaal had hij echter een' brief aan zijne vrouw medegegeven; maar deze waren beide keeren niet terecht gekomen. Hij troostte zich met de gedachte, dat hij maar een half jaar meer te dienen had en dan weer naar huis kon gaan, toen "De goede Harder" op de kust van Makassar schipbreuk leed. Inplaats van de arme schipbreukelingen te helpen, had men hen uitgeplunderd en mishandeld. Zeven mannen, waaronder de Kapitein, waren aan de gevolgen der mishandeling gestorven, en de overige acht had men in het binnenland op de velden van een Hoofd laten werken. Toen dat Hoofd stierf, had men hen als bedelaars laten ronddwalen, en eens waren zij zóó verhongerd, dat zij eene doode slang den buik openden om zich te verzadigen met het dier, dat deze slang ingeslokt had, en dat zóó groot was geweest, dat het vraatzuchtige beest er in gestikt was. Kort daarop waren ze opnieuw gevangen genomen en hadden ze aan de wreedste mishandelingen blootgestaan.
Toen Stuurman Dirksz. uitgesproken had, zeide Kapitein Londenaar: "Dergelijke schandalen zullen nu niet meer plaats grijpen, goede vriend! De les, die de Makassaren nu ontvangen hebben, zullen ze wel zóó goed onthouden, dat ze het niet meer wagen zullen om op eenige manier, hetzij door list of met geweld, der Oost-Indische Compagnie den voet dwars te zetten!"
"Dat ware te wenschen, Kapitein, maar het zal niet zoo zijn," zeide Stuurman Dirksz. "Ik heb, eilaci, ruimschoots de gelegenheid gehad, om dit volk van haver tot gort te leeren kennen. De Makassaren zijn mannen, die durven. Zonder onderscheid haten ze allen de Europeanen, en als men hen in hun dagelijksch doen en laten gadeslaat, dan verzeker ik u, dat de gedachte bij ieder opkomt: Hier in Makassar heeft de Compagnie haar' gevaarlijksten vijand. Ik voorspel, dat deze tuchtiging heel gauw vergeten zal zijn!"
"Maar, Stuurman," riep Kapitein Londenaar, "kunnen de luiden dan nog zwaarder getuchtigd worden?"
"Heel Makassar moet het onderstboven gekeerd worden; de landhuizen moeten verbrand en de woningen der minderen onder den voet gehaald worden. Hunne velden en bosschen moet men vernielen en de Makassaren te vuur en te zwaard in hun' laatsten schuilhoek jagen, waar ze zich op genade of ongenade moeten overgeven, Kapitein!"
"Maar dat is onmenschelijk, Stuurman," riep Henri Quatre en allen stemden met dien uitroep in. Dolf voegde er zelfs bij: "De ellende, die gij en de uwen geleden hebt, maakt u wreed, vriend! Bedenk, dat de Makassaren toch ook menschen zijn, en hun land en hunne vrijheid niet gaarne prijsgeven!"
"Juist, daar zit de knoop, mijne vrienden! Eerst beproeft men het door geweld aan de Compagnie te ontkomen, en als dat niet gelukt, neemt men list en verraad te baat. Er zit dus voor de Compagnie niets anders op, wanneer ze landen aan haar gebied wil toevoegen, dan de inwoners zóó zwak en klein te maken, dat ze door list en verraad zelfs niets meer kunnen uitrichten."
"Ik vertrouw altijd nog, dat gij een slecht profeet zijt, Stuurman," zeide Kapitein Londenaar en bracht het gesprek op andere onderwerpen.
Tegen het vallen van den avond waren Henri Quatre en Dolf naar hun nieuw schip vertrokken en nog denzelfden nacht zette "de Hollandsche Remedie", met Joffer Cos aanboord, koers naar Batavia.
Eenige dagen later kwam ook de zaak met den Koning van Makassar zoover in orde, dat er besloten werd een deftig Gezantschap naar Batavia te zenden om daar over den vrede te onderhandelen. In het fort Panakoké liet men vijfhonderd man als bezetting achter, en vier schepen bleven daar om toezicht, en den vijand in bedwang te houden.
Het hoofd van het Gezantschap was een zekere Kraëng Papowa, die in eene prachtig versierde prauw plaats nam en nog van drie prauwen vol Edelen vergezeld was.
Intusschen zouden, behalve de vier schepen, die voor Makassar bleven, slechts enkele onder bevel van Heer Johan van Dam het gezantschap naar Batavia vergezellen. Admiraal Truytman kreeg in last met het grootste deel der vloot naar Bima te gaan, om daar rijst te laden, en als hij de lading in had, moest hij naar Solor om daar eene sterkte te bouwen en verder naar Timor om de Portugeezen te bevechten. Tot de schepen, die naar Batavia gingen, behoorde ook de "Koning van Polen."
Zonder veel ongeval kwam de kleine vloot te Batavia aan, waar de Makassaarsche Edelen met Vorstelijke eerbewijzen ontvangen werden. Buiten de stad werden ze in een prachtig landhuis geherbergd en kort daarop begonnen de onderhandelingen, welke zóó goed vlott'en, dat ze weldra gevolgd werden door het sluiten van een' eeuwig-durenden vrede, zeer ten voordeele der Oost-Indische Compagnie, naar men meende.
Dien eigen avond ook vertrok de "Koning van Polen" met eene rijke lading en in gezelschap van nog twaalf andere schepen naar het Vaderland.
"Wel, Stuurman," zeide Kapitein Londenaar, toen ze onderzeil waren, "weet ge het al, dat de vrede tusschen de Compagnie en Makassar gesloten is?"
"Ik heb er van gehoord, Kapitein! Ik heb er van gehoord," antwoordde Dirksz.
"En ziet ge nu wel, dat ge al een zeer slecht profeet geweest zijt. Men heeft zwart op wit, en wat wil men nog meer?"
"Daarover hoop ik, bij leven en welzijn, nog wel eens later met u te spreken, Kapitein," klonk het uit den mond van den Stuurman, die de schouders ophaalde, "doch laat ik u zeggen dat al dat mooie "zwart op wit" geen' duit waard is."
"Onverbeterlijk!" bromde Kapitein Londenaar.
"Wie onverbeterlijk, Kapitein?"
"Gij zijt onverbeterlijk, goede vriend!"
"U meent de Makassaar, Kapitein! Maar, zooals gezegd is, wij zullen het er later nog wel eens over hebben," sprak Stuurman Dirksz. en aan zijn werk gaande, liet hij Kapitein Londenaar wel wat ontevreden staan.
"Een ongeluks-profeet," bromde de Kapitein en ging in de kajuit. "Maar -- de man heeft het er Spaansch gehad, en dat zegt alles."
De retour-vloot kwam ongehinderd in het Vaderland aan, en toen men de lading uit de "Koning van Polen" genomen had, zag men dat dit schip te oud geworden was om nogmaals eene Indische reis te doen. Het volk werd dus voorloopig ontslagen en kwam later op verschillende schepen terecht.[36]
Bij het afscheidnemen had Kapitein Londenaar van zijn' Stuurman en diens beide zoons, benevens Meester Pruymius de belofte ontvangen, dat zij op zijn nieuw schip weer de nieuwe reis wilden aanvaarden.
VOETNOTEN.
[33] Ook in dien tijd reeds bestond het leger der Compagnie in Oost-Indië uit een samenraapsel van alle natiën in Europa, Afrika en Azië. En evenals nu nog, sommigen van die vreemdelingen naar den Atjeher overloopen en daar den vijand van veel dienst zijn, omdat ze alles van de Nederlanders verklikken en hem de behandeling van de Europeesche wapenen leeren, zoo ook deden in dien tijd die overloopers aan de belangen der Compagnie groote schade. Tegenwoordig schijnt men echter die overloopers, als ze per ongeluk! weer in onze handen komen, niet zonder hen verscheidene keeren verhoord te hebben, te veroordeelen. -- En even als, helaas, nu dikwijls nog het geval is, dat men van een "koloniaal" niet mooi spreekt, en hem onder de minste soort van menschen plaatst, zoo ook had men in dien tijd al heel weinig met dat volkje op! -- Of het toen jammer was, weet ik niet; maar dat het nu jammer is, dat weet ik wel. Onder onze kolonialen zijn tegenwoordig veel brave, flinke en dappere jongens, en dat niet alleen onder de geboren Hollanders, maar ook onder de buitenlanders, die daar bij ons leger dienen.
[34] Bij de =smalle gemeente= beteekent: =op het kerkhof der bedeelde armen=.
[35] =Arak= is een geestrijke drank, die uit rijst, suiker en sap van kokosnoten bereid wordt.
[36] Het was maar een hoogst zeldzaam geval, dat een schip uit de Oost heel alleen de thuis-reis aannam. Men vereenigde zich meestal, omdat de zee toen zeer onveilig was door allerlei zeeroovers en men te zamen niet zooveel gevaar liep aangevallen te worden. Het is natuurlijk, dat de Portugeezen, wien wij het leven in de Oost zoo zuur maakten, ons op zee ook niet als vrienden beschouwden. Zulk eene verzameling van terugkeerende schepen noemde men de retour-vloot.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Janmaat.
"Zeg, Dirk, kijk eens! Wat ziet dat schip er uit!"
Zoo sprak op zekeren middag in het begin van Juli in het jaar 1669 Garrit tot zijn' broeder Dirk, die nu Kapitein op het fluitschip "De Haey" was. Garrit was zijn Eerste Stuurman. Met de "Beverwijck" -- Kapitein Cornelis Dirksz. en de "Alblas" -- Kapitein Londenaar, waren ze een paar dagen geleden uit Nederland weer te Batavia aangekomen.
"Die schijnt in den slag geweest te zijn," antwoordde Dirk. "En kijk, die daar achter komt heeft bijna geen lapje zeil heel. Nu maar, ze schijnen hier ook zoo'n soort van Chattam gespeeld te hebben!"
"Daar ginder komen er nog meer," zeide Meester Pruymius, die zijne beide jonge vrienden niet had willen verlaten. "En een er van heeft de Admiraals-vlag in top. We moeten straks toch eens zien te vernemen waar ergens zij, zoo gehavend zijn geworden. Ja, ja, de Compagnie is hier niet altijd met den neus in het vet gevallen, en krijgt wel eens eene harde noot te kraken."
Terwijl deze drie mannen, want Garrit en Dirk waren nu geene knapen meer, zoo met elkander in gesprek waren werden de aankomende schepen van het fort met kanonschoten begroet. Dit voorbeeld werd ook gevolgd door de koopvaarders en enkele oorlogsschepen, die op de reede lagen.
"Nu, als het aan ons ligt, wij zullen niet onderdoen om eerbewijzen te leveren," zeide Dirk en gaf bevel ook van "De Haey" het geschut los te branden.
Van de naderende vloot werd deze groet natuurlijk beantwoord, zoodat hooren en zien een mensch verging.
Ondertusschen was men aanboord van "De Haey" nog niets wijzer geworden. Men had het eere-saluut gegeven, ja, maar wien het gold, wist men niet.