Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes

Part 15

Chapter 153,963 wordsPublic domain

De aanvallers naderden intusschen in dichtgesloten gelederen. Ze schenen er niet aan te denken, dat het geschut van het fort, wanneer het losgebrand werd in dien opeengepakten hoop, eene verschrikkelijke uitwerking zou hebben en er honderden zou doen vallen.

"Vuur!" commandeerde van Dam nu toen de Makassaren juist tegenover de batterijen gekomen waren.

De gevolgen van die losbranding waren verschrikkelijk, maar, met ware doodsverachting en onder het aanheffen van wilde krijgskreten stormden ze voorwaarts tegen de batterijen in. Geene nieuwe losbrandingen konden die dapperen doen wijken. Langzaam, maar zeker, naderden zij de wallen, en toen ze daar waren werden duizenden pijlen en lansen, die voor het meerendeel vergiftigd waren, naar de onzen geworpen.

Eindelijk werden de gelederen van den vijand door de vreeselijke uitwerking van ons geschut, dat grootendeels met schroot geladen werd, zóó gedund, dat de onverschrokken vijand den moed liet zinken en in wilde wanorde op de vlucht sloeg.

"Zet den vijand na! Zet den vijand na!" riepen van Dam en Truytman. "Nu moeten we van ons voordeel gebruik maken."

Het werd nu geen gevecht meer, maar eene slachting en toen men ten laatste geene vijanden meer te dooden vond, werden, op bevel van van Dam, alle tempels, paleizen, landhuizen, pakhuizen, woonhuizen en scheepstimmerwerven inbrand gestoken.

Het arme Makassar, dat een paar dagen geleden, daar nog zoo rustig en vredig in al zijne heerlijkheid lag, was nu ééne brandende massa, ééne groote vuurzee, waaruit de vlammen wapperend en klapperend opstegen.

Intusschen waren de elf schepen van de vloot nog verder gegaan en bombardeerden nu het kwartier der Portugeezen, die evenwel toonden, dat ze even koen in het hanteeren der wapenen waren, als de Hollanders.

Nu, de Portugeesche zeevaarders waren door hunne onverschrokken zeetochten reeds wereldberoemd toen de eerste Nederlander, die een' tocht naar de Oost zou maken, nog niet eens geboren was. Wij hadden dus met geene lafaards te doen, die bij een eerste kanonschot op de vlucht gingen of zich overgaven.

De Bevelhebber der Portugeezen was Dom Francisco Vigero, en deze scheen besloten te hebben de Hollanders, het mocht kosten wat het wilde, uit Makassar te houden.

Zijn geschut werd op uitstekende wijze bediend en bracht onze vloot groote nadeelen toe.

Doch de onzen gaven het ook niet gauw op en schoten, alsof hun voorraad van kruit en lood onuitputtelijk was.

Daar ging de "Mars" weer verder.

Aan de noordzijde van Makassar lag nog het fort Joupandan en dat had nog geene kennis met onze kogels gemaakt.

"Jongens, dat kan niet," had de Kapitein van de "Mars" gezegd. "De een alles en de ander niemendal, dat is niet eerlijk! Vooruit! Die daar op Joupandan moeten onze blauwe boonen ook eens proeven!"

Nadat ook dit fort deerlijk toegetakeld was, keerde de "Mars" terug en zoodra het voor het kwartier der Portugeezen kwam, begon het lieve leven opnieuw.

"Ik wilde wel dat de "Breukelen" wat ruimte maakte." zeide Kapitein Londenaar tot Henri Quatre.

"Kunnen we het dan niet wat meer langs den wal houden," vroeg deze. "Zoo gaat het niet langer."

"Dat moet dan maar," sprak Londenaar, "maar oppassen is de boodschap, anders varen we omhoog."

Dolf bracht daarop de "Koning van Polen" wat meer naar het strand, doch opeens kwam de Kapitein aanloopen en schreeuwde: "Roer op! Roer op!"

Ja, het was mooi gezegd: "Roer op!" maar het roer zat als een muur zoo vast.

"Wat is dat?" riep Dolf.

"Wij zijn boven de plaats waar gisteren de Portugeesche Admiraal in de lucht gevlogen is. Het roer zit vast aan het ankertouw van het wrak!"

Bom -- bom -- bom!

"Lieve schepsel, dat is nu om ons te doen!" riep Joost. "Nog niet genoeg dooden en gekwetsten?"

"Vuur, voor den drommel, vuur! Geef ze van laken!" riep Kapitein Londenaar. "Wij moeten van ons blijven afbijten."

Dat kon echter nu maar van bakboordszijde gebeuren; want van wenden of keeren was geene sprake.

"Dag, Kapitein! Dag jongens!" riep op eenmaal Joost, die door een' musketkogel getroffen was, uit.

"Drommels, Ouwe Joost, laat je het er bij liggen?" riep Dolf, die den man ophielp.

"Die -- Por -- Portugeezen -- zijn -- zijn -- kerels! Laat me -- laat me -- sterven in de armen -- armen van een' Hollander, mijn -- vriend! Laat -- IJzeren -- Nep -- tunus -- komen."

IJzeren Neptunus trad nader.

"Wel, Joost," zeî hij, "wat is dát?"

"Houd--uwe--hand--hand onder mijn hoofd--IJzeren--Nep--Neptunus!" stamelde hij.

Kapitein Londenaar deed het.

"Doe--de--groeten thuis--aan--vrouw en kin--kinderen! Vaar--wel, ka--me--raad! Ad--adjuus!"

Kapitein Londenaar hield een lijk in de armen.

Joost was in dienst der Compagnie gestorven.

Bom! bom! bom! klonken de kanonschoten der Portugeezen, en bijna ieder schot was raak.

"Sein om hulp!" riep Kapitein Londenaar.

"Hoezee! Hoezee!" riep op hetzelfde oogenblik Henri Quatre, en het schip was vrij.

Een vijandelijke kogel had het ankertouw, waarin het roer verward was, middendoor geschoten.

In een oogenblik had men het schip gewend en was de batterij aan stuurboord afgevuurd.

"Het is genoeg, Stuurman!" sprak Kapitein Londenaar. "Wij moeten afhouden. De "Koning van Polen" zal een' zwaren dobber hebben om de andere tien bij te houden! Hoeveel water zouden we in het ruim hebben?"

"Niet veel, Kapitein! De scheepstimmerlui hebben wonderen gedaan! U heeft volk aanboord zoo goed als de Heeren Truytman en van Dam niet hebben," zeide Dolf.

Wijselijk hield men van den wal af en liet men het geschut zwijgen. Het werd tijd, dat men ophield en zich verzamelde, om opnieuw krijgsraad te houden.

Toen de avond gevallen was lag de heele vloot weer voor Panakoké op dezelfde plaats van den voorgaanden nacht ten anker. De gezonden rustten uit van de vermoeienissen van den dag.

In den scheepsraad, die nog dien eigen avond aanboord van de "Mars" gehouden werd, bleek het, dat de "Koning van Polen" bijna alleen zooveel dooden en gekwetsten had, als al de andere schepen samen. Er waren dus bij het bombardement van de forten en de stad niet veel Hollandsche menschenlevens te betreuren. Ook bij de landingstroepen had men alleen een paar, die niet eens zwaar gewond waren en slechts één' doode. Omtrent de plannen van den volgenden dag werd niet gerept. De Heer van Dam meende wel, dat de Koning van Makassar het niet wagen zou, na zulk eene ontzettende nederlaag, waarbij de keur van zijne oorlogsbenden omgekomen was, den strijd voort te zetten. Naar zijne gedachten zou er den volgenden morgen wel een nieuw Gezantschap komen om de voorwaarden te hooren, waarop de Compagnie vrede wilde sluiten. Er werd alleen maar aangenomen, dat men het kasteel Panakoké zou blijven bezetten en daar scherpe wacht houden. Men kon dan altijd den volgenden dag zien, wat er gedaan moest worden.

Natuurlijk was met het aanbreken van den dag weer alles op de been, en het eerste werk der Hollanders was, hunne dooden aan den wal te begraven en de gekwetsten over de vloot te verdeelen. De groote menigte lijken van Makassaren, die men vond, liet men, onbarmhartig genoeg, maar liggen. Zoodra men hiermede geheel klaar was, begon men alles weer gereed te maken om den Koning van Makassar en zijn' vrienden de Portugeezen van hetzelfde laken een pak te geven als den vorigen dag. Men had nog krijgsvoorraad genoeg en door den ijver der matrozen was veel van het beschadigde weer hersteld. Eer men echter er toe kon overgaan, kwam er des morgens om negen uren al een prachtig versierd vaartuig met den voornaamsten Makassaarschen Prins en groot gevolg aanboord. Hij werd weer tot de Bevelhebbers der vloot toegelaten en thans kwam het uit, dat de Makassaren geen' trek hadden nog een tweede pak van dat laken te ontvangen. Ze meenden zoo, dat ze met dat eene pak best voor den dag konden komen en begonnen met alvast een' wapenstilstand te verzoeken. Verder kregen de Hollanders een pluimpje, dat ze zich zoo wakker geweerd hadden.

Onze Bevelhebbers hielden zich evenwel groot en vertelden, dat ze niet vanplan waren, het ditmaal met een' sisser te laten afloopen. De vloot, die nu voor de stad lag, zeiden ze, bestond maar uit eenige koopvaarders, die opweg waren naar Batavia en besloten hadden meteen dat spelletje hier te spelen. Over eenigen tijd zouden de Koning en zijne vrienden nog wat anders zien. Dan kwam de eigenlijke oorlogsvloot, en al wat er nu gebeurd was, zou niemendal te beteekenen hebben bij hetgeen er dan gebeuren zou.

De Afgezant was ook door eenige Priesters vergezeld en nauwelijks hoorden deze die vreeselijke bedreiging, of één hunner schreeuwde luidkeels: "O, groote Profeet, is er dan nog niet genoeg bloed vergoten!"

"Of er nog niet genoeg bloed vergoten is," zeide Admiraal Truytman, "dat hangt alleen van uw' Koning af. Als deze zijne voornaamste Edellieden naar Batavia zendt om daar met den Grooten Heer een verbond van vriendschap en onderwerping te sluiten, dan heeft het bloedvergieten een einde genomen. Kan hij hiertoe niet overgaan, voorwaar, eer de zon ter kimmen daalt, zullen wij opnieuw getoond hebben, dat we na zoo lang gesard, geplaagd en bedrogen te zijn, eindelijk ons goed hart het zwijgen hebben opgelegd, en wraak willen nemen over zooveel onwil en trouweloosheid. Zeg dat aan uw' Koning! En nog wat. Geruimen tijd geleden is op deze kusten een klein schip van de Compagnie gestrand en het volk gevangen genomen. Nog vandaag eischen we die gevangenen in ons midden. Verder geven wij een' wapenstilstand van tweemaal vierentwintig uren en in dien tijd moet alles naar ons genoegen afgeloopen zijn. De Afgezant weet thans zijne boodschap en kan gaan."

De Prins vertrok met hangende pootjes en zeker had hij zich wel niet voorgesteld dat die "kwade" Nederlanders zooveel noten op hun' zang zouden hebben.

Spoedig daarop kwamen de Afgezanten weer terug met de boodschap, dat de Koning begon met de eischen van de Nederlanders aan te nemen, en dat hij hun zelfs het vrije verkeer aan den wal toeliet. Als een bewijs zijner hoogachting gaf hij den Bevelhebbers eene magere karbouw, doch de onzen gaven dat beestje dadelijk de vrijheid. Zij wilden den schijn niet aannemen, aan het een of ander gebrek te hebben.

Overal werden nu de roode vlaggen neergehaald en door witte vervangen. Dit geschiedde ook aanboord van onze schepen en nauwelijks was het bekend, dat het vrije verkeer aan den wal toegelaten was, of verscheidene matrozen en Officieren vroegen verlof van dit aanbod gebruik te maken.

"Hoort eens, mannen," zeide Truytman, "ik vertrouw den Makassaar niet verder dan mijn neus lang is. Om hem te toonen, dat we aan wal durven komen, zullen we het doen ook; maar ieder neme de noodige maatregelen van voorzichtigheid in acht en zorge, dat hij goed gewapend zij en zich in geene hinderlaag late lokken. De elf groote schepen, die zich gisteren zoo kloek geweerd hebben, moeten vlak voor de stad komen liggen en terwijl het eene deel der manschappen zich wat ontspant, moet het andere deel zich gereed houden om mogelijk verraad oogenblikkelijk en op eene vreeselijke wijze te straffen. De Amboineezen zal ik gebruiken om de grachten om het fort Panakoké te laten verbeteren en uitdiepen; want, als de vloot vertrekt, moet dat fort bezet worden, en zóó sterk zijn, dat het, bij goede waakzaamheid, onmogelijk kan ingenomen worden."

De wonde, welke Dirk den vorigen dag ontvangen had, was gelukkig niet erger, doch Meester Pruymius vond het beter, dat hij aanboord bleef en rust hield, omdat er mogelijk eene wondkoorts bij kon komen.

Dat viel Dirk tegen, want hij zou zoo gaarne met Garrit en den barbier eens naar den wal gegaan zijn om wat afleiding te hebben.

En afleiding had de knaap wel noodig. Als hij daar zoo eenzaam lag en Garrit niet bij zich had om wat met dezen te praten, dan dacht hij aan den goeden Ouden Joost, dien braven vriend, die altijd zoo hartelijk en vriendelijk voor hem was geweest als de andere matrozen hem en zijn' broeder voor de "Twee Vromen" scholden. Vanmorgen hadden ze hem een eerlijk zeemans-graf aan den wal gegeven. Hem, ja, en Hoepel en Kreeft ook. Met wien moesten ze nu omgaan? Wie zou hun een' riem onder het hart steken?

Henri Quatre? Ja, dat was een nobel man, maar -- hij was Eerste Stuurman en zou nu wel gauw Kapitein worden. Dan ging hij over op een ander schip.

Dolf? Ja, die was ook goed, door en door goed zelfs; maar die was ook Stuurman, en aanboord van een schip ziet de Kapitein niet graag, dat de meerdere met den mindere zoo vriendschappelijk omgaat. Soort moet zich bij soort houden.

IJzeren Neptunus? Hij zou hun geen kwaad doen, neen, stellig niet! Hij was een braaf en goed man, maar om eens even het volle hart uit te storten, zooals ze dat bij Ouden Joost, bij Hoepel of bij Kreeft wel eens gedaan hadden, zie, dat konden ze nog minder.

Meester Pruymius? Och, die was wel goed; maar zoo vreemd! Ze hielden hem allemaal voor den gek met zijn troost der armen! En een verstandig woord spreken of een' goeden raad geven, dat kon hij wel, maar zoo goed als de anderen dat konden, neen, dat in het geheel niet.

Onderwijl de arme Dirk zoo dacht begon hij zich zeer verlaten te gevoelen. Zijn hart werd al voller en voller en op het laatst barstte hij in tranen uit, sloeg de armen om de leuning van de trap en kermde: "o Lief, lief, goed Moedertje! Brave, beste Vader! Garrit en ik zijn zoo verlaten! Zoo verlaten en alleen!"

In zijne droefheid had hij niet gehoord, dat hem iemand genaderd was.

Eene hand werd op zijn' schouder gelegd en een vriendelijk gefluister klonk aan zijn oor: "Ben ik er dan niet meer, jongen? Toe, kijk eens even op en zie me eens aan!"

Dirk schrikte, keek om en...."

IJzeren Neptunus zag hem aan.

En die man, die groote, sterke man, die zeebonk als een boom, -- hij had tranen in de donkere oogen en nogmaals klonk het: "Ben ik er dan niet meer, jongen?"

"Kapitein! Kapitein!" riep Dirk. Maar meer kon hij niet zeggen en snikkend boog hij het kloppende hoofd aan de breede borst van den reus, waarin een hart zat zoo edel, zoo groot, zoo goed, dat Dirk zich ten laatste vermande en met diep bewogen stem vroeg: "Kapitein, wil u dan in de plaats van onze lieve Ouders komen? Wil u dat?"

"Of ik wil, jongen? Of ik wil? Ja, ja, van ganscher harte. Hier heb je mijne hand er op. Blijft gij allebei oppassen als tot nu, ik zal je helpen, troosten en bijstaan! De Almachtige hoort me spreken, en -- een man, een man; een woord, een woord!" --

Was het wel te verwonderen, dat de arme jongen op Garrits vraag: "Dirk, ga je met mij en Meester Pruymius mede naar den wal? Als je maar kalm blijft, zal het je geen kwaad doen, zei Meester," met een' vroolijken lach op het gelaat uitriep: "Ja, Garrit, graag, graag!"

Er ligt voor menschen en kinderen, die zich op aarde verlaten wanen, zulk een groote troost in, te ervaren, dat men zich bedroog en hier op aarde toch niet alleen staat.

VOETNOOT.

[32] Een =stag= is een staand touw, dat dient om den mast te steunen en te beletten achterover te slaan. De =groote stag= steunt den grooten mast.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Getuchtigd, niet verslagen.

De tocht onzer drie gezellen was, zooals men lichtelijk begrijpen kan, naar het kasteel Panakoké. Ze wilden wel eens zien hoe sterk dat was en op welke wijze de Makassaren hunne forten bouwden.

Op weg daarheen zagen ze eenige soldaten der Makassaren aankomen. Zij waren sterk gewapend en hadden drie zwaar geboeide mannen in hun midden.

"Dat gelijken wel drie der onzen," zeide Garrit. "Dat zullen toch die arme schipbreukelingen niet zijn, die ze ons zoo uitleveren?"

"Wel neen, jongen," antwoordde Meester Pruymius. "Na het lesje, dat ze ontvangen hebben zullen ze zoo iets niet meer wagen. Kom, we zullen eens gaan kijken wat het is."

Ons drietal verhaastte de schreden, doch lang vóór ze bij de hoofdpoort van Panakoké kwamen, waren de Makassaren er al met hunne gevangenen, die aan den Hollandschen Bevelhebber overgegeven werden.

De Makassaren keerden terug en de drie geboeide mannen werden op staanden voet en zonder eenigen vorm van proces, naast elkander, aan den diksten tak van een' hoogen boom opgehangen.

De drie vrienden wendden hun hoofd van dat akelig gezicht af en zett'en, wel wat ontdaan over dit voorval, hun' tocht voort. Spoedig waren ze nu bij de poort van het kasteel waar Meester Pruymius aan een' Vaandrig der landingstroepen vroeg, waartoe die wreedheid toch diende.

"Wreedheid, sinjeur!" riep de Vaandrig. "Ik zou u raden een toontje lager te zingen. Er is recht, niets meer dan recht gedaan. Gij behoort toch niet tot de Doms of Makassaren?"

"Ik ben zoo goed een Hollander, als gij er een zijt, man," zeide de barbier. "Ik ben Meester Pruymius van de "Koning van Polen." Maar zoo iets, als hier gebeurt...."

"Gebeurt in de Vereenigde Nederlanden immers ook dikwijls genoeg? Of heeft niet iedere stad zijn galgenveld? En wordt dat galgenveld wel gebruikt om er doperwtjes en peultjes te telen?"

"Alles behalve, man! Maar ik heb er nooit aardigheid in gevonden om eens te gaan kijken of al de zeven pennen wel vol waren. Waren die drie ook moordenaars?"

"Erger, erger!" luidde het antwoord.

"Amok-makers dan?" vroeg Dirk en hij dacht terstond aan het vreeselijk oogenblik, dat hij te Batavia beleefd had en eene huivering liep bij die gedachte door al zijne leden.

"Nog erger, veel erger!" sprak de Vaandrig.

Geene moordenaars, maar erger dan deze!

Geen amok-makers, maar nog veel erger dan deze!

Welke vreeselijke menschen waren die drie dan toch?

Dat vroeg ook eindelijk Meester Pruymius.

"Het zijn drie overloopers," antwoordde de Vaandrig. "Twee Franschen en een Portugees! Ze wilden zeker hun geluk eens bij den vijand beproeven en daar alles van onze aangelegenheden aan de groote klok hangen. Zoodra het echter bekend was, dat die drie weggeloopen waren, eischte onze Bevelhebber hen dadelijk van den Koning op en deze, nog niet bekomen van den schrik, heeft hen onmiddellijk uitgeleverd. Om een goed voorbeeld te stellen zijn ze bij de uitlevering, zonder verhoor zelfs, opgehangen. Dat komt ervan!"[33]

De drie gezellen lieten den wijzen Vaandrig, die zoo van korte metten maken hield, staan en gingen het fort binnen.

Men was druk bezig om binnen de ruimte, die tusschen de muren was, allerlei woningen voor de bezetting en magazijnen voor den levens- en krijgsvoorraad te bouwen.

De vier ronde punten aan de hoeken der muren waren voorzien met nieuwe en zware metalen kanonnen.

De muren zelve waren zeer dik en goed onderhouden en op de borstwering lagen stapels met gekloofde stammen van klapperboomen, om hiermede den vijand bij eene bestorming naar het hoofd te smijten.

De gracht om het fort werd overal uitgediept en met scherp gepunte schanspalen, zoogenaamde palissaden, voorzien en de voetangels en klemmen, die in dezen tijd bij eene versterkte plaats niet schenen gemist te kunnen worden, waren in overvloed neergelegd.

Het liet zich dus aanzien, dat de Makassaren, ook als de vloot vertrokken was, er niet gauw toe zouden overgaan om deze sterkte met geweld te bemachtigen. Wat ze door list zouden beproeven, moest men nog afwachten, zoodat hij, die hier Bevelhebber werd, een zeer waakzaam man en bovendien een dapper soldaat moest zijn.

Nadat ze zoo alles goed bekeken hadden, wilden ze de sterkte weer verlaten toen ze eenige uitgehongerde bedelaars aan de poort met den Vaandrig in gesprek zagen.

"Wie zouden die mannen zijn?" vroeg Garrit.

"Misschien ook wel overloopers," meende Dirk en hij spoorde Meester Pruymius al aan om toch wat meer haast te maken, anders zouden ze mogelijk weer van zulk eene akelige terechtstelling getuigen moeten zijn.

In het eerst scheen de goedige Dokter, die zoo iets liever ook niet zou willen zien, aan het verzoek van Dirk gehoor te geven, doch hoe meer hij de poort, den Vaandrig en de bedelaars naderde, hoe langzamer hij liep.

Ten laatste stond hij zelfs stil en scheen het met zichzelven niet eens te zijn.

"Kom dan toch, Meester," smeekten de jongens.

Onafgebroken hield Meester Pruymius het oog op den voorsten bedelaar gewend.

"Wat henker," bromde hij, "dien man ken ik!"

"Kom, Meester, meê! meê!" riep Dirk.

"Jongen," zei Meester Pruymius op eenmaal, en hij keek Garrit vlak in de oogen, "waar ligt uw Vader begraven?"

Garrit schrikte bij deze onverwachte vraag niet weinig en zeide: "Moeder ligt bij de smalle gemeente te Haarlem begraven. Waarom vraagt gij dat toch zoo opeens?"[34]

"Ik vraag niet naar je Moeder! Ik vraag naar je Vader," hernam Meester Pruymius op driftigen toon.

"Dat heeft Moeder nooit willen zeggen," sprak thans Dirk. "Maar waarom vraagt gij dat?"

"Zoo maar! Wanneer is je Vader gestorven?"

"Ook dat heeft Moeder nooit gezegd. Ik was drie jaar, meen ik, toen ik des avonds een' man aan Moeder hoorde vertellen, maar op fluisterenden toon: "Verdronken!" Toen zeide hij nog wat; maar dat verstond ik niet. Zoodra die man weg was, barstte Moeder in luid geween uit. Garrit, die een jaar jonger is dan ik, huilde mede, maar wist niet waarom. Ik huilde, omdat ik het Moeder zag doen, en mijne armpjes om haar' hals slaande, vroeg ik: "Wat is het, Moetje?" en snikkend klonk haar antwoord: "Kindertjes, gij hebt geen Vadertje meer!" Later heeft ze nooit meer over dezen avond gesproken. Dat is alles, wat ik ervan weet, en Garrit weet er zoo goed als niets van."

"Zoo, zoo!" zeide Meester Pruymius nadenkend met het hoofd knikkend en ging weer langzaam verder.

De zoogenaamde bedelaars werden door den Vaandrig in het wachthuis gelaten en weldra ging Admiraal Truytman met eenigen zijner Officieren, van buiten gekomen, ook binnen.

Onze drie verlieten nu het kasteel, doch zoodra ze bij eene plaats kwamen waar juist eene boot van de "Koning van Polen" zou afvaren, riep Meester Pruymius het volk toe, dat het wachten moest, want dat zij mede wilden. Het volk wachtte en onder het gaan naar de boot vroeg de Dokter aan Dirk: "Hoe heette je Vader?"

"Cornelis Dirksz., Meester!" gaf Dirk ten antwoord.

"Haast je wat! Een uur en is geen kinderstoel en men kan het niet achteruit rijden!" riep Dolf, die de boot zou sturen en blijkbaar wat veel haast scheen te hebben.

"We zijn er," sprak Meester Pruymius en liet de jongens vóór zich in de boot stappen, doch toen hij hen heette te willen volgen, trok hij zich terug en zei: "Gaat maar zonder mij! Ik heb in het kasteel wat vergeten en zal straks wel met eene andere boot aanboord komen."

Na dit gezegd te hebben liep hij op een drafje terug.

"Wat doet Meester Troost der Armen toch gek," zeide een der matrozen. "Hij schijnt erg zenuwachtig te zijn."

"Och, hij zal een nieuw geneesmiddel voor Dirks hoofdwonde gevonden hebben en dat gaan halen!" spotte een andere matroos. "Wie weet welk een' vreemden poespas hij nu weer opgedoken heeft."

"Neen," zeide Garrit, "hij heeft geen geneesmiddel gevonden, maar ik geloof dat hij akelig geworden is door het ophangen van die drie overloopers. Wij waren er juist bij toen dat gebeurde."

"Ja, en toen hij die arme bedelaars in het fort zag komen, begon hij dadelijk heel raar te doen en naar Vader en Moeder te vragen," zeide Dirk. "Ik geloof stellig dat hij er kennissen onder had."

"Nu, nu, we zullen er later wel meer van hooren," sprak Dolf. "Als onze Meester wat bijzonders heeft kan hij dat toch niet zwijgen! Vooruit, mannen!"

De riemen plasten in het water en een kwartier later was weer al het volk aanboord op den Kapitein en den scheepsbarbier na. Van den Kapitein was men dat gewoon, omdat deze nu telkens voor allerlei zaken aan den wal moest zijn, maar dat Meester Pruymius daar nu alleen achtergebleven was, zie, dat vond men toch vreemd, en allen meenden dat hij vast en stellig alweer met een nieuw wonderwatertje of een vreemd zalfje zou terugkeeren.