Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes
Part 14
Na zoo drie gekwetsten geholpen te hebben, werden ze beneden gebracht, waar ze geruster konden liggen. Een half uur lang had ik niets te doen dan rondkijken, en ik gaf mijne oogen den kost, want er was heel wat meer te kijken dan in eene verloopen bakkerij waar de oven afgebroken is.
Maar op eens, daar stond ik blootshoofds; mijne muts vloog zoo netjes van mijn hoofd, alsof de wind die er afgeblazen had. Voor kouvatten ben ik altijd bang geweest, vooral na den tijd, dat de maan door mijne haren schijnt. Ik ging dus aan het zoeken en eindelijk vond ik mijne muts. Ik bekeek ze en zag nu, dat er een musketkogel dwars doorheen gegaan was. Kijk, hier zijn de gaten! Je begrijpt dat ik die muts, als eene gedachtenis, bewaar. Eene nieuwe zullen de Makassaren mij geven. Maar laat ik verder vertellen. Ik gaf dan mijne oogen goed den kost en zag het heele strand bezaaid met bruine, halfnaakte menschen, die verbaasd schenen te kijken, dat de twee zoogenaamde laffe zeeroovers den strijd dorsten wagen tegen zes dapperen, die onderdanen van een' Koning waren. Dat scheen hun begrip te boven te gaan. Hoe kon men geen' Koning hebben en toch dapper zijn?"
"Meester Jan telt wel voor vier Koningen! Leve Meester Jan!" riep een Dordtenaar, die op zijne manier een aanhanger of vriend van de gebroeders de Witt was.
"Vivat, Oranje boven!" klonk het van een' anderen kant.
"Heila, geen Meester Jan en geen Prins van Oranje hier!" riep Henri Quatre. "Leve Jan Compagnie! Dat is hier =onze= Koning of Koningin, al naar ge wilt!"
Enkelen riepen: "Leve Jan Compagnie!" doch de meesten zwegen of drongen er bij Meester Pruymius op aan, dat hij verder zou gaan met zijne vertelling.
Na zich met een' teug waters de keel gelaafd te hebben, vervolgde onze scheepsbarbier weer even opgeruimd:
"Zoodra de rook van het in de lucht gevlogen Portugeesche Admiraalsschip wat opgetrokken was, zag ik, dat door dit ongeval nog twee andere karveelen in brand geraakt waren. De schepen brandden als pek, en het volk sprong in zijne radeloosheid overboord.
Met dat al gaven de drie andere karveelen nog zoo gauw geen krimp, en uit het Portugeesche kwartier schoten ze als dollen; maar juist daardoor raakten ze zeker meer lucht dan schepen; want bijna geen enkel schot was raak."
"En de Makassaren? Hadden die geene prauwen? Konden die niets doen?"
"Wel lieve zielen, ze deden wat!
Ze liepen als mieren, wier nest men verstoord heeft, door mekaêr van hot naar haar. Ze sloegen op de gong-gong als bezetenen, en op de oorlogstrommels als dronken nachtwakers. Overal zag men de bloedvlaggen uitsteken, maar vechten, ja, dat konden de Portugeezen aan hun hart voelen.[31]
"Meester, Meester, berg je!" riep op eenmaal de bottelier van de "Mars." Ik keek gek op en -- plof -- daar kreeg me de sukkel zulk een stuk hout tegen zijn hoofd, dat duizend potten borreborrie en duizend kruiken wonderwater hem niet meer genezen konden; want de man was opeens dood, en eer ik nog recht wist, uit welken hoek de wind nu woei, hoorde ik weer een' vreeselijken slag en geen twee tellens later nog een!
De twee brandende karveelen waren ook in de lucht gevlogen.
"Mannen," riep nu Sinjeur van Dam uit, "de "Breukelen" heeft hare partij gevonden en klampt ginder eene karveel aanboord. Eéne van de overige twee is voor ons! Vooruit! Vuur!"
Van dat losbranden der kanonnen had ik geen' last meer; ik stond zoo vast op mijne beenen als een reiger in een moeras, en ik hielp hard meeschreeuwen: "Vooruit! Vooruit!"
"Hei, jij daar met je "vooruit", hier heb je weer een, dien je met je "troost" pleizier kan doen," zeide de Tweede Stuurman, die met een gewonden arm bij me kwam.
"Maar, mensch!" schreeuwde ik.
"Ik ben niet doof," zei hij. "Bind er maar een' heelen ellenwinkel vol lappen om, dan kan ik weer aan den slag."
Hierop stak hij mij den arm toe en ik zag, dat er gelukkig maar een musketkogel dwars door het vleesch gegaan was. Ik verbond hem dus gauw, en gebruikte daarbij weer maar een' plas wonderwater, en kijk eens aan, pas had hij de doeken om, of hij riep: "Vooruit, Mina! Nu weer met frisschen moed aan den slag! Verdraaid, wat kunnen die dikke Portugeezen nog loopen, als ze bang zijn voor klapper-olie op hun baaitje!"
Met nieuwen moed ging de wakkere man weer op zijn' post bij het roer; maar hoe handig hij wist te sturen, de twee karveelen zett'en het met volle zeilen op het strand aan, en het duurde niet lang, of ze lagen daar zoo mooi omhoog, als eene turf op eene aschvaalt.
"Nog verder, Admiraal?" vroeg de Stuurman.
"Neen, vriend, het is ver genoeg, anders geraken wij ook omhoog! Afhouden! Maar eerst nog eens van beide kanten de volle laag!"
Nu, dat deden de konstabels met het grootste genoegen, en andermaal werden met verwonderlijke snelheid de batterijen afgeschoten.
"De "Breukelen" heeft die karveel overmeesterd! Kijk maar, de Hollandsche vlag wordt er geheschen!" riep de Eerste Stuurman, die mee had geholpen, het geschut te bedienen en er nu door buskruit en rook nog zwarter uitzag dan de zwartste Moor uit het Moorenland.
"Gij hebt gelijk, Stuurman," antwoordde Heer van Dam. "De "Breukelen" is gelukkiger dan de "Mars." Voor een oorlogsjacht, als wij hebben, is zulks te bejammeren."
"Ho, ho, Heer van Dam," dus viel de Kapitein hem in de rede. "Mij dunkt zoo, dat de Portugees zelf wel zeggen zal, dat de "Mars" haar' naam geene schande heeft aangedaan. Weet ge wel hoeveel kruit we op het oogenblik nog hebben?"
"Ik weet niet eens hoeveel de "Mars" aanboord heeft gehad, Kapitein! Maar aardig wat verschoten is er!"
"Er was veel meer kruit dan we noodig hadden, en als we nu nog twee keer losbranden dan is alles op!"
Na het veroveren van de Portugeesche karveel kwam Admiraal Truytman ook bij ons aanboord en daar hij gehoord had, wat de Kapitein van de "Mars" zeide, zoo vroeg Sinjeur van Dam hem: "Zou het dan geene zaak zijn, het voor vandaag hierbij te laten en de andere schepen op te zoeken?"
"Ik meen zoo, dat we zulks zonder schande kunnen doen. En hoe denkt u dan te handelen?" was het antwoord.
"Wel, morgen aan den dag het kasteel Panakoke vermeesteren, een groot deel van de stad met het paleis van den Koning in brand steken en het Portugeesche kwartier plat schieten! Vindt ge dat plan niet uitmuntend, Admiraal?"
"Ja, Heer van Dam, en als we kans willen hebben, dat plan ook te volvoeren, dan moet zulks morgen aan den dag gebeuren, eer de vijand zich geheel met den Portugees verstaat. Deze laatste heeft zich kranig gehouden. Maar komaan, laten wij nu samen eens gaan zien, wat de "Breukelen" veroverd heeft; ik kwam u daartoe uitnoodigen."
Wij zett'en nu koers naar onze makkers en zagen dat de veroverde karveel "Nostra Signora de Remedia" heette, en weldra vernamen we, dat ze eene kostbare lading in had van zijden stoffen, sandelhout, lakwerk, porselein en andere Chineesche waren. Wij namen het schip op sleeptouw mede, doch lieten de Portugeezen aan land gaan, om bij hunne kameraads de boodschap te brengen, dat hunne boontjes nog in de week lagen, en dat dit alles nog maar een begin van al de ellende was. En hiermede heb ik alles verteld. Morgen, bij leven en welzijn, beleven we samen de rest."
"En wat zal er met die karveel gebeuren?" vroeg Henri Quatre. "Ze zullen zulk een schip toch wel houden?"
"Die zal met Hollandsch volk bemand en verdoopt worden in de "Hollandsche Remedie". Is er beter naam mogelijk?"
"Als het met ons dan maar niet gaat, zooals het rijmken luidt:
"Pleun wil sich hangen, vind een schat: Hy laet den strick en kiest het padt; Maer, die 't begroef, die vind den strick, Dies hy sich hanght aen eene mick."
dat wil zeggen: Als de "Nostra Signora de Remedia" ten laatste de strik maar niet wordt, waarin wij ons verhangen," zeide Hoepel. "Ik zou er althans voor passen alweer op zoo'n karveel te dienen. Met zoo een gevalletje vaart een fatsoenlijk Hollander zich in den kelder."
"Als Dolf er dan als Kapitein op dient, dan zal "de Nieuwe Leerdam" in het niet verzinken bij de "Hollandsche Remedie", Hoepeltje!" sprak Meester Troost, en thans voor goed van het kanon springende, zei hij: "En nu mijn wonderwater, alsjeblief, dan ga ik jelui weer voor tijd en wijl groeten."
Daar er onder de matrozen niemand was, die aan de kracht van dat wonderwater twijfelde, zoo wilden ze niet hebben, dat Meester Pruymius alles medenam.
"Het zijn toch mijne spulletjes zou ik meenen," bromde de goedige man. "En wie zal me nu willen beletten ze mede te nemen?"
"Dat is waar; maar jij met je spulletjes behoort tot de "Koning van Polen". Als wij aan den slag gaan en er vallen hier aanboord gekwetsten, waarmede zullen wij ons dan laten genezen? Wij gunnen een ander ook wel wat; maar, het hemd is nader dan de rok, begrepen? Dus, de helft blijft hier; de andere helft kunt gij medenemen," sprak Hoepel.
Meester Pruymius moest er zich in schikken of hij wilde of niet, doch toen hij de helft van zijn' voorraad al in de boot had en zelf gereed stond heen te gaan, kwam Kapitein Londenaar van den krijgsraad terug.
Hij zag er niet vroolijk uit en het scheen wel, dat het in dien raad niet naar zijn' zin was afgeloopen. Later vernam men dat Joffer Cos eigenlijk de oorzaak was geweest van Londenaars ontevredenheid. Dat mensch had Heer Johan van Dam zooveel leelijks van "IJzeren Neptunus" en zijn volk verteld, dat de Landvoogd onmogelijk alles voor verzinsels kon houden. Het gevolg was geweest, dat hij den braven Kapitein grof bejegend had, en deze had op zijne beurt toen ook een woordje gesproken, dat raak was, zoodat Admiraal Truytman genoodzaakt was geweest, hem te zeggen, dat Heer Johan van Dam, als Landvoogd van Amboina en Mede-bevelhebber der vloot, te hoog in rang stond om zich in den vollen krijgsraad door een' Kapitein van de Compagnie de waarheid te laten zeggen.
Dit had onzen wakkeren Kapitein niet weinig gegriefd, en hij begreep bovendien, dat de groote Heeren het hem wel inpeperen zouden.
"Gij blijft bij ons aanboord, Meester," dus was Londenaars eerste woord, en zich hierop tot eenige matrozen wendend, gaf hij dezen bevel de koffers en kisten van Joffer Cos gereed te zetten, want men zou ze zoo op het oogenblik halen. De matrozen deden het, en nauwelijks hadden zij ze op het dek gebracht, of eene boot van de "Mars" kwam er al om.
"Kapitein," zeide de Stuurman van dit vaartuig, "hier heeft u een briefke van onzen Admiraal, waarin hij u zeker zal zeggen, wat ge ons moet medegeven."
Kapitein Londenaar opende het briefje en las:
"Goede vriend! Zend de kofferen van Joffer Cos met deze boot mede. Gedenk mijn woord in den krijgsraad niet langer, en geloof dat ik alleen zoo sprak om erger te voorkomen. Die Joffer heeft al meer op hare rekening, ook tusschen mij en den Landvoogd. Edoch, moed gehouden. Deze week verlaat ze met de "Hollandsche Remedie" de vloot. Uw vriend Truytman."
Dat vriendelijke briefke bracht Londenaar weer geheel op dreef en toen de kisten vanboord en de mannen van de "Mars" vertrokken waren, zei hij: "Ziezoo, nu zijn we weer met ons eigen volkje. Roep de Chineezen, Stuurman!"
Dolf riep de Chineezen, die meestal op een hoopje bij elkander zaten en zoodra ze voor Kapitein Londenaar verschenen waren, zeide hij, alweer met behulp van den tolk natuurlijk: "Mannen, de twist, dien wij met den Koning van Makassar hebben, heeft ons gedwongen u eenige dagen van uwe vrijheid te berooven. Thans kunt ge gaan waar ge wilt. Stapt in uwe jonken over, ziet of er wat uitgenomen is, en als ge aan het een of ander gebrek hebt, zoo zegt het mij, en als ik kan, zal ik het u geven."
Deze woorden werden met gejuich begroet. De Chineezen stapten op hunne jonken over en vonden alles in denzelfden toestand. Er werd niets vermist. Alleen hadden ze behoefte aan musketten, kruit en lood en een der twee Chineesche Gezagvoerders was zoo vrij, hier om te vragen.
Kapitein Londenaar zag hem lachend aan en zeide: "Zou het niet wat erg zijn, als wij ons met onze eigen wapenen lieten beoorlogen?"
"De Compagnie zal ons van meer voordeel zijn dan de Portugees of de Makassaar, Kapitein! Wij zullen de wapenen niet tegen u of tegen de Hollanders keeren. Ons belang verbiedt ons dat ten zeerste."
"Zult gij ons dan helpen?"
"Ook dat niet. Als we zulks deden, brachten we onze broeders, die te Makassar zijn, in groot gevaar. Wij gaan naar ons land terug, doch wenschten ons onderweg, als het noodig was, voortaan te kunnen verdedigen."
"Welnu, ik wil aannemen dat ik met eerlijke lieden en geene schelmen te doen heb," sprak Kapitein Londenaar en liet iedere jonk van tien musketten en een' goeden voorraad van kruit en lood voorzien.
Hierop namen de Chineezen dankbaar afscheid en -- ze hielden woord. Ze dienden den vijand niet.
VOETNOOT.
[31] =Van hot naar haar loopen= beteekent: =van rechts naar links loopen= en dat =kon hij aan zijn hart voelen= is eene volks-uitdrukking voor: =dat kon hij begrijpen=.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Toch niet alleen.
Den volgenden morgen, heel vroeg, werd er nog eens krijgsraad belegd om het plan van aanval te regelen. Toen al de Kapiteins bij elkander waren, zeide Admiraal Truytman: "Mijne waarde vrienden, deze nacht is niet voorbijgegaan zonder mij een plan te doen beramen. Ik zal het u mededeelen. Wij zeilen met de heele vloot naar Makassar. De wind is zeer flauw en zal ons naar alle waarschijnlijkheid al niet veel verder brengen dan tot het kasteel Panakoké. Hier zullen we dan gedurende den nacht blijven liggen, doch van de duisternis gebruik makend, zullen de landingstroepen van de elf grootste schepen op de jachten en fluiten overgaan. Als dan de morgenstond weer aanbreekt beginnen die elf schepen een hevig kanonvuur op Panakoké te openen, en als ze dat kasteel eenigen tijd beschoten hebben, dan zeilen ze verder. Ofschoon de Heer van Dam en ik bij de landingstroepen zullen blijven, moet de "Mars" toch de Admiraalsvlag blijven voeren, even alsof wij nog aanboord waren. Na het kasteel beschoten te hebben, blijven wij met onze vierentwintig kleinere schepen met de zeilen bij den mast liggen, en nemen den schijn aan van niets te kunnen doen. Zijn de elf groote schepen voor de stad zelve gekomen, dan moeten ze het Koninklijke kasteel Samboupo zoo hevig mogelijk gaan beschieten en zich houden, alsof ze hier eene landing willen beproeven. Zoodra de Makassaarsche bezetting van het kasteel Panakoké dat ziet, zal ze, denkend van de vierentwintig kleine schepen niets te vreezen te hebben, de bezetting van het Koninklijke slot te hulp komen. Zoodra die bezetting afgetrokken is, landen wij en nemen dan waarschijnlijk met zeer veel gemak dat kasteel Panakoké in en brengen den vijand zóó tusschen twee vuren, dat hij zich niet weet te bewegen en zich op genade of ongenade moet overgeven. Mocht door wind of door iets anders dit plan niet volvoerd kunnen worden, dan zullen we opnieuw trachten een' krijgsraad te beleggen. Maar ik meen zoo, dat het gelukken moet, als de wind ons geene leelijke parten speelt."
Geen der leden van den Raad had iets tegen dit plan in te brengen en de Kapiteins van de Amboineesche landingstroepen waren er zelfs wàt mede in hun' schik. Ze hadden behoefte, naar het scheen, om te toonen, dat ze in moed en dapperheid voor de Europeanen niet onderdeden.
Kort daarop verliet men de plaats van bijeenkomst en stelde de vloot zich in beweging.
De wind was zeer flauw, zoodat de schepen langzaam vorderden. Zij, die nog nooit in deze streken geweest waren, hadden nu vol-op gelegenheid om dat heerlijke land van zeer nabij te bekijken.
Eerst tegen den middag kwam eene stevige koelte uit zee opzetten, en nauwelijks had men de stad en de versterkingen in het gezicht gekregen, of van al de schepen begon men het grof geschut te lossen. Men deed dit evenwel meer om indruk te maken en de stukken nu met schroot te kunnen laden.
Het strand was bezaaid met krijgsvolk en uit alles bleek, dat de Makassaren niet van plan waren, om zich zoo maar klakkeloos te onderwerpen, doch eer ze het tot een gevecht lieten komen, waarvan de uitslag toch altijd twijfelachtig was, besloten ze list te gebruiken.
Onverwachts vertoonde zich eene prachtig versierde prauw, die op ons Admiraalsschip afkwam. Zij had Afgezanten van den Koning aanboord en dezen vroegen gehoor bij den Admiraal. Dit werd hun natuurlijk toegestaan. Tusschen twee rijen sterk gewapend volk stapten de Afgezanten naar de kajuit, waar de twee Bevelhebbers hen wachtten.
"Gij hebt verlangd ons te spreken; wat is er van uw begeeren?" vroeg Heer van Dam, nadat de wederzijdsche begroetingen, die met heel veel deftigheid plaats hadden, waren afgeloopen.
De voornaamste der Afgezanten nam nu het woord en zeide: "Wij zijn allen Edellieden van Makassar en uit naam van onzen Grootmachtigen Gebieder, den Grooten Koning Hassanopdin, onzen Heer, komen wij u vragen waarom zulk eene groote vloot der Oost-Indische Compagnie naar Makassar is gekomen en de stad met schoten uit grof geschut begroet heeft. Indien het zwaard tegen dit Koninkrijk gekeerd is, dan weet onze Grootmachtige Gebieder niet, waaraan hij zulks toeschrijven moet, daar het ten allen tijde zijn streven geweest is met de Compagnie op een' goeden voet van vriendschap te leven. En dit zal zijn streven blijven ook. De Heer Bevelhebber dezer vloot hebbe dus de goedheid te zeggen, waarom zijne komst alhier niet vredelievend is. Stellig en zeker, onze Grootmachtige Gebieder, wien Allah een lang leven schenke, wil van zijne zijde niets liever dan goede vriendschap."
Toen de Afgezant dit gezegd had ging hij achterwaarts bij zijn gevolg en wachtte, in onderdanige houding, het antwoord der Bevelhebbers af.
Dat antwoord liet zich niet lang wachten. Admiraal Truytman stond op en zeide nu: "De Afgezanten van den Grootmachtigen Gebieder van Makassar kunnen met hun gevolg wel heengaan, en hun' verraderlijken meester vertellen, dat de machtige Oost-Indische Compagnie thans lang genoeg geduld gehad heeft. Wij laten ons niet langer met kluitkens in het riet sturen en zijn gekomen om de Portugeezen te verjagen, Makassar plat te schieten en den Koning zóó te tuchtigen, dat hij geen' anderen uitweg meer weet dan zich geheel aan de Compagnie over te geven. Gaat! Gij weet uwe boodschap!"
De Makassaarsche Edellieden vertrokken en daar inmiddels de avond begon te vallen, zoo ankerde de heele vloot op eene halve mijl afstands van het sterke kasteel Panakoké, waar blijkbaar alles in gereedheid gebracht werd voor eene moedige verdediging. Gedurende den nacht verlieten de Bevelhebbers en de landingstroepen de groote schepen en verborgen zich op de fluiten en jachten, die bedaard voor anker bleven liggen.
Met het aanbreken van den dageraad lichtten de elf grootste schepen de ankers. De "Mars", met de Admiraalsvlag in top, zeilde vooruit en nauwelijks waren zij voor Panakoké gekomen, of zij begonnen dat fort allerhevigst te beschieten. De Makassaren, die daar ten getale van vier- of vijfduizend man in bezetting lagen, waren nu zóó niet, of ze beantwoordden die beleefdheid der Hollanders, en lieten ook de bloedvlaggen waaien. Daar het fort echter hooger lag dan het dek onzer schepen deden de kogels der vijanden niet veel kwaad. Na alzoo het kasteel een tijdlang beschoten te hebben zeilde de vloot onder gedurig schieten steeds verder tot ze recht voor het Koninklijke slot lag. Dit was eene zeer belangrijke sterkte en blijkbaar was het ook van eene buitengewoon groote bezetting voorzien.
Het gedonder van ons geschut werd niet weinig vermeerderd door dat van de Makassaren, die door de Portugeezen wakker geholpen werden, en dat deze laatsten het geschut bedienden, bleek uit het groot aantal goed gerichte schoten, die aan onze vloot niet weinig nadeel toebrachten. Dit nadeel en deze tegenstand verbitterden Janmaat niet weinig, en de kanonnen werden aanboord der schepen met zulk eene snelheid gelost en met zooveel nauwkeurigheid gericht, dat men in het slot bevreesd begon te worden en hulp vroeg aan de bezetting van Panakoké. De Bevelhebber dier sterkte, in den waan, dat de vierentwintig Compagnie-schepen, die daar lagen, niets konden uitrichten, snelde met een aanzienlijk deel der bezetting het bedreigde Koninklijke slot te hulp.
Wij weten dat dit juist door de Heeren Truytman en van Dam gehoopt werd, en zoodra was Panakoké dan ook niet door het grootste deel van zijne bezetting verlaten, of het landingsleger der onzen liet zich met eenig klein veldgeschut naar den wal brengen.
"Voorwaarts, mannen!" riep Truytman. "De sterkte bestormd, en ineens genomen!"
Moedig rukten de onzen voorwaarts en de kleine bezetting den onverwachten vijand ziende naderen, besloot haar leven niet in eene wanhopige verdediging te laten, maar op de vlucht te gaan. Met dit doel opende zij twee poorten, doch juist op het oogenblik, dat zij door deze poorten ontvluchten wilden, naderde eene bende piekeniers van de onzen in storm-pas. De Makassaren vloden in de vesting terug en begonnen zich nu wanhopig te verdedigen. Maar de macht der onzen was te groot; de meesten werden in de pan gehakt en in een' betrekkelijk korten tijd was men van het kasteel meester, waar men dadelijk de Hollandsche vlag heesch en de Makassaarsche vlaggen neerhaalde.
Toen Garrit en Dirk, die aanboord van de "Koning van Polen" het bombardement van het Koninklijke slot hielpen mede maken, op Panakoké de vlag der Compagnie zagen wapperen, schreeuwden ze uit alle macht: "Victorie! Victorie!"
"Wat is er gaande, jongens?" vroeg Henri Quatre.
"Panakoké is ingenomen, Stuurman! Kijk maar onze vlag waait daar!"
"Daar gaat de vijand op Panakoké los!" schreeuwde Hoepel. "Als ze het nu maar houden daar ginder."
"Er zal eene zware wijs op gaan, maat!" zeide Joost. "Wat een ontzettend leger heeft die Koning van Makassar! Dat is een machtige vijand!"
"Maar eer het een paar dagen verder is, een machtige bondgenoot," meende Dolf.
"Zulke bondgenooten helpen de Compagnie van den wal in de sloot," hernam Joost met wat bitters in de stem.
"Vuur! Vuur, mannen! Belet aan die Makassaren dat ze het fort terugnemen. Onze kogels moeten hun den pas afsnijden," riep Kapitein Londenaar. "Daar gaat de groote stag van de "Mars". Die daar op Samboupo hebben leeren mikken."[32]
"Dat lappen ons die verdraaide Portugeezen, die...."
Het was Hoepel, die deze woorden sprak, doch den zin niet kon voltooien. Een kogel vloog hem tegen de borst en hij tuimelde achterover.
Dolf snelde toe om den gevallene op te helpen en naar Meester Pruymius, die de handen meer dan vol had, te brengen.
"Laat maar, Stuurman! Laat maar! Het is gedaan met mij! En toch...."
Hij richtte zich nog even op, haalde met bovenmenschelijke inspanning de muts van het hoofd, wierp die in de hoogte en riep: "Victorie! Vic...."
Thans zakte hij ineen en was dood.
"De zevende vandaag," bromde Kreeft. "Ze houden hier groote opruiming!"
Na dit gezegd te hebben begaf hij zich naar zijn kanon, maar eer hij daar plaats genomen had, sloeg een vijandelijke kogel den grooten mast in splinters en een dik stuk hout trof hem en Dirk tegelijk. Kreeft was oogenblikkelijk dood, doch Dirk had alleen eene hevige wonde aan het hoofd bekomen en werd ook bij Meester Pruymius gebracht, die al zijn wonderwater al verbruikt had en nu de gewonden met borreborrie trachtte te genezen.
Terwijl dit alles aanboord van de "Koning van Polen" voorviel, ondernamen de Makassaren de sterkte Panakoké weder te hernemen.
Met een ijselijk geschreeuw vielen ze aan.
Het geschut hadden de onzen gelukkig in een' uitmuntenden staat gevonden; het moest alleen maar beter op de affuiten gesteld worden. Kruit was er in overvloed en het was van eene uitmuntende hoedanigheid. Kogels, steenen, schroot en handgranaten had men vol-op.
"Wij zullen ze staan!" riep van Dam toen hij de duizenden naderen zag. "Ze krijgen ons er niet uit."
"Ik vertrouw dat we nog wat meer zullen doen dan dit fort behouden," zeide Admiraal Truytman. "We zullen die luî verjagen ook. De jongens van Amboina hebben zich dapper geweerd en dorsten er naar om te toonen, dat ze nog meer kunnen doen."